CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 15 MEI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Bundesfinanzhof heeft het Hof een prejudiciële vraag voorgelegd in een geding waarin het dient uit te maken of de Hamburger Import-Kompanie, verweerster in cassatie, naar Gemeenschapsrecht verplicht is een heffing te betalen over in juni 1970 uit Israël ingevoerde sinaasappelsiroop.
De zaak heeft de volgende achtergronden.
Op 28 juni 1968 stelde de Raad verordening (EEG) nr. 865/68 (PB nr. L 153 van 1 juli 1968) vast, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector van op basis van groenten en fruit verwerkte produkten. De verordening heeft volgens de considerans onder meer ten doel de regeling van het handelsverkeer van deze produkten te harmoniseren met de regeling voor suiker, daar de prijzen van suiker, glucose en glucosestroop van „directe en aanzienlijke invloed” zijn op de kostprijs van een aantal dier produkten.
Bij artikel 2 van de verordening werd dan ook naast het douanerecht ingevolge het gemeenschappelijk douanetarief een heffing gelegd op toegevoegde suiker in onder andere „vruchte- en groentesappen met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 30 gewichtspercenten”. Het heffingsbedrag diende volgens een bepaalde formule te worden berekend naar de reeds bestaande heffing voor bepaalde produkten (hoofdzakelijk siropen) van de gemeenschappelijke suikerordening. Zoals U weet, is die ordening tot stand gebracht bij verordening nr. 1009/67/EEG van de Raad van 18 december 1967.
Al spoedig bleek het in de praktijk moeilijk, zeker bij een aantal geïmporteerde vruchte- en groentesappen, analytisch vast te stellen of het bij een hoog suikergehalte ging om toegevoegde suiker dan wel een concentratie van natuurlijke suiker. Wel is het zo dat produkten met een hoog natuurlijk suikergehalte in het algemeen duurder zijn dan die met een gelijkwaardige hoeveelheid kunstmatig toegevoegde suiker.
Op 11 maart 1969 wijzigde de Raad verordening (EEG) nr. 865/68 dienovereenkomstig bij verordening (EEG) nr. 455/69 (PB nr. L 64 van 14 maart 1969). Met de overweging dat dient „te worden voorkomen dat een heffing wordt toegepast op … vruchte- of groentesappen … met een hoge concentratie van natuurlijke suiker”, werd tussen de onder de eerste verordening vallende vruchte- en groentesappen met een dichtheid van 1,33 of minder bij 15 oC onderscheid gemaakt naar de waarde.
Voor sap van druiven, appelen en peren en voor mengsels van sap van appelen en peren ligt de scheidslijn bij 18 rekeneenheden per 100 kg nettogewicht, voor andere vruchte- of groentesappen (waaronder sinaasappelsap) bij 30 rekeneenheden per 100 kg nettogewicht. In beide gevallen zijn produkten met een waarde boven deze grens niet heffingsplichtig en produkten met een lagere waarde a priori wel. „A priori”, want een importeur mag steeds bewijzen dat een bepaald produkt in feite slechts natuurlijke suiker bevat (zie zaak 3-71, Gebrüder Bagusat t. Hauptzollamt Berlin-Packhof (Jurispr. 1971, blz. 577).
Als gevolg van artikel 9, lid 2, van verordening nr. 865/68 juncto artikel 2 van verordening nr. 455/69 werd de uit deze verordeningen voortvloeiende nomenclatuur in het gemeenschappelijk douanetarief opgenomen. Dit leidde tot twee subposten die voor ons van belang zijn:
Post 20.07 B II a 1, voor sinaasappelsap met een dichtheid van 1,33 of minder bij 15 oC en een waarde van meer dan 30 rekeneenheden per 100 kg nettogewicht, en
Post 20.07 B II b 1 aa voor sinaasappelsap met dezelfde dichtheid maar met een waarde van 30 rekeneenheden of minder per 100 kg nettogewicht en met een gehalte aan toegevoegde suiker van meer dan 30 gewichtspercenten.
Verweerster nu importeerde een partij van 1248 dozen sinaasappelsiroop. Onbetwist is dat deze siroop een dichtheid van 1,33 of minder bij 15 oC had, en een suikergehalte van meer dan 30 gewichtspercenten. In feite was een suikergehalte van 63 % aangegeven. Verweerster heeft niet getracht aan te tonen dat dit alleen maar natuurlijke suiker was. Bijgevolg gaat het geschil uitsluitend over de vraag of de waarde van het sinaasappelsap moet worden geacht meer of minder dan 30 rekeneenheden per 100 kg nettogewicht te hebben bedragen.
Volgens verweersters opgave aan de Duitse douaneautoriteiten bevatten de dozen elk twaalf flessen met een nettoflesinhoud van 895 g sinaasappelsap. Als factuurprijs was aangegeven 11,80 DM per doos. Op papier kwam dit neer op een waarde van 109,89 DM per 100 kg sinaasappelsap, precies 9 pfennig meer dan het equivalent van 30 rekeneenheden, dat 109,80 DM bedroeg.
Dat elke doos twaalf flessen bevatte wordt niet in twijfel getrokken, maar bij een steekproef door de douaneautoriteiten op drie flessen bleek een inhoud van 927, 929 en 934 g, zodat het gemiddeld nettogewicht op 930 g kwam. Op die basis was, bij een prijs van 11,80 DM per doos, de waarde van het sinaasappelsap per 100 kg nettogewicht 105,73 DM en dus minder dan 30 rekeneenheden. Verweerster kreeg een voorlopige heffingsaanslag van 4088,43 DM.
Hiertegen maakte zij bezwaar bij de administratie, stellende dat voor indeling onder post 20.07 B II a 1 of 20.07 B II b 1 aa de waarde van het sinaasappelsap niet moest worden berekend naar het werkelijke nettogewicht maar naar het in de overeenkomst vermelde nettogewicht, omdat de prijs aan de hand hiervan was vastgesteld. De Israëlische exporteur had enig overwicht gegeven om zichzelf te beschermen tegen het risico van contractbreuk wegens onderwicht als gevolg van temperatuursveranderingen of gewichtsverschillen van de flessen zelf. Deze extra hoeveelheid in elke fles was niet overeengekomen en derhalve diende de overeengekomen prijs ook niet voor een deel daaraan te worden toegerekend.
De klacht leidde ertoe dat de douaneautoriteiten vijftien andere flessen openden en tot een gemiddeld nettovulgewicht van 932 g kwamen. Door de klacht kwamen de douaneautoriteiten tevens tot de conclusie dat het heffingspercentage van een verkeerde datum was toegepast en bijgevolg brachten zij de heffing terug tot 3985,48 DM. Op dit bedrag werd de aanslag vastgesteld.
Hiertegen ging verweerster met succes in beroep bij het Finanzgericht Hamburg. De federale douaneautoriteiten, vertegenwoordigd door het Hauptzollamt Hamburg-Ericus, thans verzoeker, voorzagen zich daarop bij het Bundesfinanzhof in cassatie.
De argumenten van partijen spitsen zich toe op een aantal bepalingen nopens de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en de vaststelling van de douanewaarde van goederen, waarop ik thans nader zal ingaan.
Het reeds genoemde artikel 9, lid 2, van verordening nr. 865/68 zegt: „De algemene bepalingen … voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief zijn van toepassing voor de classificatie van de produkten die onder deze verordening vallen.”
Erkend wordt dat, van deze Algemene bepalingen, hier van belang zijn die sub C 1 en C 2 onder het hoofd „Algemene bepalingen welke zowel op de nomenclatuur als op het invoerrecht betrekking hebben”. Zij luiden als volgt:
„1.
Behoudens bijzondere bepalingen, worden de belastbare waarde voor naar de waarde belaste goederen, en de waarde die bepalend is voor de indeling onder sommige tariefposten of postonderverdelingen, vastgesteld aan de hand van de bepalingen inzake de douanewaarde.
2.
Voor de vaststelling van het belastbare gewicht voor naar het gewicht belastbare goederen, en het gewicht dat bepalend is voor de indeling onder sommige tariefposten of postonderverdelingen wordt verstaan:
a)
onder „brutogewicht” het gewicht van het goed, vermeerderd met dat van al zijn verpakkingen;
b)
onder „nettogewicht” of „gewicht” zonder nadere aanduiding, het eigen gewicht van het goed, ontdaan van al zijn verpakkingen.
Voor de toepassing van het bepaalde onder a) en b) worden onder verpakkingen verstaan alle uitwendige en inwendige verpakkingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen — met name containers —, dekkleden en het stuw- en hulpmateriaal.”
Eveneens wordt erkend dat met de „bepalingen inzake de doueanewaarde” in de Algemene bepalingen sub C, nr. 1 zijn bedoeld die van verordening (EEG) nr. 803/68 van de Raad van 27 juni 1968, als gewijzigd (PB nr. L 148 van 28 juni 1968). Deze verordening is blijkens haar considerans vastgesteld om in alle Lidstaten een uniforme methode voor de bepaling van de douanewaarde van goederen tot stand te brengen, ten einde een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief te verzekeren. Zij is gebaseerd op het Brusselse Verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken dat door alle Lid-Staten (met inbegrip van de drie nieuwe) is ondertekend. Artikel 1, lid 1, van de verordening bepaalt:
„Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is de douanewaarde van in te voeren goederen de normale prijs, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt op het tijdstip, bedoeld in artikel 5, voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.”
Artikel 1, lid 2, en de artikelen 2 tot 8 van de verordening zijn gewijd aan de uitwerking van het aldus in artikel 1, lid 1, ingevoerde beginsel en bepalen zeer gedetailleerd waaraan de daar gestelde hypothetische verkoop moet voldoen. Zo zegt artikel 1, lid 2, van welke veronderstellingen moet worden uitgegaan omtrent de plaats van levering, de partij die de kosten draagt, de lasten in verband met verkoop en levering, alsmede omtrent de partij die de nationale belastingen en heffingen draagt. Artikel 2 verlangt dat de koop en verkoop alleen door de prijs wordt bepaald, en verduidelijkt hetgeen is bedoeld met „een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn”. Artikel 3 heeft betrekking op het recht een ter zake dienend octrooi, model, handelsmerk of auteursrecht te gebruiken. Artikel 4, waarop verweerster zich beroept, schrijft voor dat, behoudens voor goederen waarvan de invoer in verscheidene zendingen geschiedt, „bij het bepalen van de normale prijs ervan wordt uitgegaan dat de koop en verkoop betrekking heeft op de hoeveelheid goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald”. Artikel 5 omschrijft het tijdstip dat voor de bepaling van de douanewaarde geldt, namelijk in het algemeen de invoerdatum. De artikelen 6 en 7 bevatten definities die van belang zijn voor artikel 1, lid 2. Ten slotte gaat artikel 8 over vrachtkosten.
Pas in artikel 9 komt de verordening te spreken over het eigenlijke koopcontract — indien aanwezig — waaronder de goederen worden ingevoerd. Dit artikel luidt:
„1. De betaalde of te betalen prijs kan als douanewaarde worden aanvaard indien:
a)
de overeenkomst van koop en verkoop ten uitvoer wordt gebracht binnen de in artikel 10 gestelde termijnen,
b)
de prijs, op het ogenblik dat deze wordt overeengekomen, overeenstemt met prijzen welke zijn bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn, en
c)
die prijs zonodig wordt aangepast, indien de desbetreffende koop en verkoop elementen bevat die afwijken van die welke aan de definitie van de normale prijs ten grondslag liggen.
2. De aanpassingen bedoeld in lid 1, letter c, hebben in het bijzonder betrekking op:
a)
de in artikel 1, lid 2, bedoelde kosten,
b)
prijsverminderingen die uitsluitend worden toegestaan aan alleenvertegenwoordigers of aan enig ander natuurlijk persoon of rechtspersoon die onder vergelijkbare omstandigheden handelt,
c)
abnormale kortingen, alsmede iedere andere vermindering op de gebruikelijke concurrentieprijs.”
Artikel 10 bepaalt in feite dat, behoudens uitzonderingen, artikel 9 slechts van toepassing is wanneer tussen de datum van de overeenkomst en het tijdstip dat voor de bepaling van de douanewaarde geldt, niet meer dan zes maanden liggen. De uitzonderingen slaan op goederen welke gewoonlijk worden verkocht met een leveringstermijn van meer dan zes maanden, goederen op speciale bestelling vervaardigd en gevallen van overmacht.
Het is, dunkt mij, duidelijk dat de contractuele prijs slechts voor de bepaling van de douanewaarde kan worden gebruikt voor zover die met de normale prijs overeenkomt. In de Brusselse Overeenkomst verwijst de definitie van de waarde (bijlage I bij de Overeenkomst) niet naar de overeengekomen prijs. Die definitie schrijft eenvoudig voor dat bij de waardebepaling van de „normale prijs” moet worden uitgegaan en zij geeft een omschrijving daarvan (minder gedetailleerd dan verordening nr. 803/68). De vijfde van de eveneens bindende noten voor de interpretatie (bijlage II bij de Overeenkomst) zegt het volgende:
„De waardedefinitie beoogt in alle gevallen mogelijk te maken dat tot grondslag voor de berekening van de invoerrechten wordt genomen de prijs, waarvoor een koper zich de ingevoerde goederen ingevolge een onder voorwaarden van vrije concurrentie tot stand gekomen koop en verkoop zou kunnen verschaffen in de haven of op de plaats van binnenkomst in het land van invoer. Deze definitie is van een algemene strekking; zij is van toepassing ongeacht of de ingevoerde goederen al dan niet het voorwerp van een overeenkomst van koop en verkoop hebben uitgemaakt en ongeacht welke de voorwaarden van een zodanige overeenkomst mochten zijn.
De toepassing van die definitie brengt echter een onderzoek mede naar de prijzen die gelden op het tijdstip van bepaling van de waarde. In de praktijk zal dan ook, indien de ingevoerde goederen ingevolge een bonafide overeenkomst van oop en verkoop worden geleverd, de krachtens die overeenkomst betaalde of te betalen prijs in het algemeen als een waardevolle aanwijzing voor de normale prijs in de zin van de definitie kunnen worden beschouwd. Hiervan uitgaande kan de betaalde of te betalen prijs zonder bezwaar tot grondslag voor de bepaling van de waarde worden genomen en wordt de douane aanbevolen die prijs als waarde van de desbetreffende goederen aan te nemen, onder voorbehoud:
a)
dat maatregelen worden genomen, ten einde pogingen tot fraude door middel van fictieve of valse prijzen of overeenkomsten te voorkomen; en
b)
dat de prijs wordt aangepast, indien de desbetreffende koop en verkoop elementen bevat, die afwijken van de omschrijving van het waardebegrip in de definitie.”
De toelichtingen die het Comité voor de Waarde van de Internationale Douaneraad ingevolge artikel VI van de Overeenkomst heeft opgesteld bevatten de volgende passage inzake de vijfde noot voor de interpretatie:
„Hoewel deze noot bepaalt dat wanneer de ingevoerde goederen ingevolge een bonafide overeenkomst van koop en verkoop worden geleverd, de betaalde of te betalen prijs zonder bezwaar tot grondslag voor de bepaling van de waarde kan worden genomen, schept zij daarmee echter geen alternatieve maatstaf voor de normale prijs van de definitie. De mogelijkheid van een dergelijk alternatief kan niet worden verondersteld, niet alleen omdat de definitie het gebruik van een tweevoudige maatstaf uitsluit, maar ook omdat de prijs, betaald of te betalen op grond van een overeenkomst die volledig met de voorwaarden van de definitie in overeenstemming is, slechts de verwezenlijking van het daarin neergelegde beginsel vormt.”
Zowel in de considerans als de bepalingen van verordening (EEG) nr. 1581/74 van de Commissie van 24 juni 1974 ter aanvulling van verordening nr. 803/68 komt dit zelfde punt naar voren, zij het op een wijze die hier niet rechtstreeks ter zake doet.
Verzoeker in cassatie heeft geen opmerkingen bij het Hof ingediend, maar zijn standpunt kan worden opgemaakt uit de tekst van zijn beslissing waarbij de aan verweerster opgelegde aanslag wordt bevestigd, evenals uit het vonnis van het Finanzgericht Hamburg en de uiteenzetting van de zaak in het prejudicieel verzoek van het Bundesfinanzgericht. Het betoog ligt, naar het mij voorkomt, in dezelfde lijn als het betoog van de Commissie.
Kort gezegd betoogt de Commissie dat de douane in een zaak als de onderhavige twee elementen moet vaststellen: het „nettogewicht” van de goederen en hun „waarde”. De enige regel voor de vaststelling van het nettogewicht is de Algemene bepaling sub C, nr. 2 b, van het gemeenschappelijk douanetarief. Deze moet aldus worden uitgelegd dat zij dezelfde betekenis heeft onder alle omstandigheden waar zij kan gaan spelen, dat wil zeggen bij de vaststelling van het belastbare gewicht van naar het gewicht belaste goederen, of bij de vaststelling van het gewicht, wanneer dit, zoals hier, in de omschrijving van een desbetreffende post of subpost voorkomt. Daarvan uitgaande kunnen de verwijzingen naar het „gewicht” in de Algemene bepaling sub C, nr. 2 b slechts betrekking hebben op het werkelijke gewicht van de goederen, want daarover worden douanerechten geheven en dat is trouwens ook het enige, dat douaneambtenaren nauwkeurig kunnen nagaan.
Verweerster betoogt anderzijds dat hier slechts één element, namelijk de waarde der goederen, moet worden vastgesteld. Hun gewicht, aldus verweerster, komt er alleen bij te pas omdat de waarde noodzakelijkerwijs moet worden uitgedrukt in een of andere eenheid, of dit nu gewicht, volume, lengte of iets anders is. In casu is de voorgeschreven eenheid 100 kg nettogewicht, maar hieruit volgt niet dat dit het werkelijke nettogewicht is en niet het contractueel overeengekomen nettogewicht.
Ik geloof niet dat verweerster bedoelt te zeggen dat bepaling C, sub 2 b, in het geheel niet ter zake dient. Die bepaling geldt stellig, althans voor zover daarin duidelijk wordt gemaakt dat de waarde der goederen wordt bepaald naar „het eigen gewicht van het goed ontdaan van al zijn verpakkingen”, dat wil zeggen in dit geval het eigen gewicht van het sinaasappelsap ontdaan van de flessen en dozen. Naar ik begrijp, vindt verweerster het louter een kwestie van uitlegging van de bepalingen nopens de waarde, dat wil zeggen van verordening nr. 803/68, of in dit verband „het eigen gewicht van het sinaasappelsap ontdaan van de flessen en dozen” het werkelijke gewicht betekent dan wel het contractueel overeengekomene.
Tot zover kan ik wel met verweerster meegaan, maar niet meer met haar volgende stap, waar zij stelt dat wanneer, zoals hier, de waarde van de goederen wordt bepaald aan de hand van de contractueel overeengekomen prijs overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 803/68, ook het nettogewicht waarop die waarde betrekking heeft noodzakelijkerwijs aldus moet worden bepaald.
Uiteraard kan, wanneer flessen toevallig een overwicht, of onderwicht, hebben, het verschil buiten beschouwing worden gelaten. Want dan kan de contractueel overeengekomen prijs, ceteris paribus, als een nauwkeurige maatstaf worden genomen voor de „normale prijs” voor de overeengekomen hoeveelheid. Zulks geldt eveneens voor het geval, bedoeld in paragraaf 37 van de Duitse Wertzollordnung van 29 november 1961 (BGBl. I 1983) waarnaar het Bundesfinanzhof in zijn prejudicieel verzoek verwijst, dat het gewicht door natuurlijke oorzaken tijdens net vervoer schommelt of dat er afwijkingen naar boven of naar beneden zijn binnen in de handel gebruikelijke toleranties.
Maar in casu constateert het Finanzgericht uitdrukkelijk dat er niets toevalligs aan het overwicht was: overwicht is in deze branche gebruikelijk. Deze constatering is als volgt weergegeven in de vraag van het Bundesfinanzhof aan het Hof:
„Moet, ingeval de factuurprijs wordt aanvaard als grondslag voor de waardebepaling, bij de afbakening van de posten 20.07 B II a 1 en 20.07 B II b 1 aa van het gemeenschappelijk douanetarief in verband met de Algemene bepalingen bij het gemeenschappelijk douanetarief, sub C, nrs. 1 en 2 b, worden uitgegaan van het werkelijke nettogewicht der ingevoerde waar of van het contractueel overeengekomen minimumgewicht per eenheid, voor zover in het kader van dergelijke overeenkomsten een gratis overwicht normaal handelsgebruik is?”
Daarmee ziet de vraag op een geval, waar overwicht gebruikelijk is. Zoals door het Bundesfinanzhof in zijn verwijzingsbeschikking vermeld, zijn er in de praktijk veel voorbeelden van dergelijke in de handel gebruikelijke „extras”, bij voorbeeld bij textiel, conserven, enzovoort. De vraag is daarom van algemeen belang.
Volgens mij dient men bij de beantwoording goed te bedenken dat in verordening nr. 803/68 de „normale prijs” het uitgangspunt is en ook dat dit betrekking heeft op „in te voeren goederen” — zie artikel 1, lid 1, van de verordening. De overeengekomen prijs kan nooit meer zijn dan een maatstaf voor de „normale prijs” van de „in te voeren goederen” — dat wil zeggen voor de prijs welke geacht wordt voor die goederen te kunnen worden bedongen „ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en een verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.”
Daarvan uitgaande lijkt mij het antwoord op de vraag van het Bundesfinanzhof duidelijk. Aangezien overwicht in deze specifieke branche gebruikelijk is, kan aan de tussen verweerster en haar leverancier overeengekomen prijs slechts de „normale prijs” voor flessen met een overwicht worden afgemeten. Het doet mijns inziens niet ter zake dat dit overwicht, zoals verweerster herhaaldelijk voor Uw Hof heeft opgemerkt, „onverplicht” is in de zin dat de afwezigheid daarvan geen grond oplevert voor een vordering wegens contractbreuk. Dit is slechts de omstandigheid die de aanleiding voor het probleem vormt.
Ik ben dan ook van mening dat men in een zaak als de onderhavige moet afgaan op nettogewicht van het sinaasappelsap dat zich werkelijk in de flessen bevindt.
Zoals reeds gezegd, beroept verweerster zich op artikel 4 van verordening nr. 803/68. Ik kan niet meegaan met haar betoog, voor zover op dit artikel gebaseerd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Commissie in antwoord op een vraag van een Uwer gezegd dat artikel 4 op een geheel ander probleem ziet. Ik ben het hiermede eens. Artikel 4 heeft naar mijn idee ten doel de in artikel 1, lid 1, gestelde verkoop te relateren aan de hoeveelheid goederen waarvan de waarde in ieder afzonderlijk geval moet worden bepaald, dat wil zeggen aan de in dat geval ingevoerde hoeveelheid. Zulks omdat bij kwantumkortingen en dergelijke de goederenprijzen in de handelspraktijk vaak variëren naar de gekochte hoeveelheden. Zo artikel 4 hier al in enig opzicht ter zake doet, staaft het veeleer het argument van de Commissie dan dat van verweerster.
U zult zich eveneens herinneren dat verweerster heeft verwezen naar de Duitse wetgeving nopens maten en gewichten. Tijdens de mondelinge behandeling vroeg het Hof haar om nadere gegevens over die regeling. Zij heeft die verstrekt bij telex van 30 april 1975. Naar het lijkt, is de enige relevante bepaling die ten dage van de overeenkomst tussen verweerster en haar Israëlische leverancier gold, paragraaf 15 van het Eichgesetz (BGBl. 1969, I. 759 ff). Volgens deze bepaling dienden pakken met gelijke hoeveelheden voorverpakte waren aldus te zijn vervaardigd dat de inhoud ten tijde van de vervaardiging gemiddeld niet minder was dan op de verpakking was vermeld. Anders gezegd, waren verschillen naar boven of naar beneden toegelaten, zolang de gemiddelde hoeveelheid niet minder was dan vermeld. Op 16 december 1971 trad de Fertigpackungsverordnung (BGBl. 1971, I. 2000) in werking. Weliswaar was dit lang na de invoer waarom het hier gaat, maar verweerster heeft verklaard dat sinds 1969 besprekingen over de tekst van de verordening gaande waren geweest tussen handelsgroeperingen en de regering. In ieder geval regelt paragraaf 17 dier verordening de toelaatbare afwijkingen van de vermelde inhoud. Ook hier zijn toleranties naar boven of naar beneden, uitgedrukt in millimeters, waarmee in de onderhavige zaak moeilijk kan worden gewerkt, daar wij de dichtheid van het betrokken sinaasappelsap niet kennen. Globaal lijkt mij dat verweerster met een verwijzing naar die regeling niet verder komt. Zoals gezegd, zie ik in toleranties naar boven of naar beneden iets anders dan een gebruikelijk consequent overwicht.
Samenvattend concludeer ik dat de vraag van het Bundesfinanzhof aan het Hof worde beantwoord als volgt:
„Ingeval de contractprijs wordt aanvaard als grondslag voor de waardebepaling moet, voor zover in het kader van dergelijke contracten een gratis overwicht normaal handelsgebruik is, bij de afbakening van de posten 20.07 B II a 1 en 20.07 B II B 1 aa worden uitgegaan van het werkelijke nettogewicht der ingevoerde waar en niet van het contractueel overeengekomen minimumgewicht per eenheid.”
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy