CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 7 MEI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Krachtens artikel 177 EEG-Verdrag heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven de navolgende prejudiciële vraag gesteld: „Brengt de juiste uitlegging van artikel 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 986/68 van de Raad mede, dat onder de term vetgehalte' in dat artikel uitsluitend moet worden verstaan het in melkpoeder aanwezige gehalte aan puur melkvet, en dat daaronder niet mede moet worden begrepen het gehalte aan andere vetachtige stoffen, zoals met name fosfatiden?”
Genoemde verordening bevat de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en mageremelkpoeder voor voederdoeleinden. Artikel 1 noemt de produkten die voor die steun in aanmerking kunnen komen. Daartoe behoort onder meer magereme0lkpoeder, omschreven als „melkpoeder met een vetgehalte van ten hoogste 1,5 %.”
Verzoekster in het hoofdgeding werd door de bevoegde nationale instantie toekenning van die steun geweigerd voor twee partijen gedenatureerd melkpoeder, omdat het vetgehalte daarvan de in de verordening genoemde 1,5 % bleek te overschrijden. De betrokken firma verweerde zich met de stelling dat het volgens de methode Röse-Gottlieb bepaalde vetgehalte ook een zeker percentage fosfatiden omvat, en dat dit percentage dus moet worden afgetrokken om het gehalte aan puur melkvet van het op die wijze geanalyseerde melkpoeder te verkrijgen; in het onderhavige geval zou daardoor het werkelijke vetgehalte beneden 1,5 % komen te liggen.
Het schijnt wel vast te staan dat het volgens de methode Röse-Gottlieb bepaalde vetgehalte ook de fosfatiden omvat en dat deze vetachtige stoffen chemisch gezien verschillend zijn van vet. Overigens is ook opgemerkt dat wanneer in de handel wordt gesproken van het vetgehalte van het betrokken produkt, daarmee normaliter het volgens de gebruikelijke analysemethode vastgestelde gehalte zonder meer wordt bedoeld, dus zonder aftrek van de eventuele fosfatiden. Voorts schijnt de methode Röse-Gottlieb de meest accurate en nauwkeurige methode te zijn voor het bepalen van het vetgehalte van melkpoeder en ook algemeen als referentiemethode te zijn aanvaard. Waar derhalve een Gemeenschapsvoorschrift betreffende de toe te passen analysemethode ontbreekt, lijkt de aanwending ervan gerechtvaardigd. Hiermee is evenwel de vraag van de Nederlandse rechter niet beantwoord en evenmin die van verzoekster in het hoofdgeding — te weten, waarom de methode Röse-Gottlieb niet moet worden verfijnd door van de daarmee verkregen waarde het gehalte van 0,14 % fosfatiden af te trekken, dat in elk geval in die waarde is begrepen.
Dc Commissie merkt op dat nog verscheidene andere Gemeenschapsverordeningen het vetgehalte van melk als criterium gebruiken. Daarbij wordt gewoonlijk geen onderscheid gemaakt tussen zuiver en onzuiver vet; dit laatste omvat normaliter ook de vetachtige stoffen die, met dc de Gemeenschapswetgever bekende en in de Lid-Staten voor mageremelkpoeder gangbare analysemethoden, niet van vet in strikte zin kunnen worden gescheiden. Bovendien schijnt men er in de praktijk bij de toepassing van de wetgeving van het merendeel der Lid-Staten veelal van uit te gaan dat, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, de fosfatiden tot het melkvet moeten worden gerekend.
Aangezien dc wetgever — ofschoon bekend met de consequenties van de toepassing der gangbare analysemethoden — geen onderscheid heeft gemaakt tussen puur vet en de gewoonlijk tegelijk optredende vetachtige stoffen, kunnen wij concluderen dat het vetgehalte bedoeld in artikel 1, sub c, van verordening nr. 986/68 ook de vetachtige stoffen, zoals fosfatiden, omvat.
Deze conclusie schijnt ook overeen te stemmen met de eisen van de praktijk, getuige het betoog van de Commissie, dat bij een analysemethode die, anders dan de methode Röse-Gottlieb, zou uitgaan van het gehalte aan puur vet, minder gemakkelijk kan worden voorkomen dat aan melkprodukten tweemaal steun wordt toegekend, namelijk eerst voor het vetbestanddeel en vervolgens voor het eiwitbestanddeel, waardoor het steunbedrag voor volle melk, waarop de berekening van de steun voor de verschillende melkprodukten is gebaseerd, zou worden overschreden.
Wij concluderen derhalve dat de vraag van de Nederlandse rechterlijke instantie worde beantwoord als volgt:
„Onder, vetgehalte' als bedoeld in artikel 1, sub c, van verordening (EEG) nr. 986/68 van de Raad moeten ook worden begrepen de vetachtige stoffen die gewoonlijk te zamen met het in melkpoeder aanwezige zuivere melkvet optreden, zoals bij voorbeeld fosfatiden.”
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy