CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 12 NOVEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Afgezien van opportuniteitsoverwegingen, is het alleen op grond van een uitdrukkelijk besluit van de wetgever rechtens geoorloofd het wisselkoersrisico dat tegenwoordig gewoonlijk drukt op ondernemers die internationaal werkzaam zijn, ten laste van de belastingsbetaler te brengen.
U heeft er reeds op gewezen dat het stelsel van compenserende bedragen bij uitvoer, welke de communautaire wetgever uitsluitend in financieringsopzicht gelijksteld met de restituties bij uitvoer, niet is gegeven ter bescherming van de individuele belangen van handelaren, doch uitsluitend vanwege de gevaren van de monetaire onzekerheid voor de goede werking van de gemeenschappelijke marktordeningen, en dat dit stelsel dan ook niet kan worden gezien als een waarborg voor de handelaren tegen het risico van wijziging der wisselkoersen. Ofschoon U in arrest 74-74, CNTA (Jurispr. 1975, blz. 549), waarin deze criteria zijn neergelegd en dat een belangrijk precedent vormt voor de onderhavige zaak, de Gemeenschap aansprakelijk heeft gesteld voor een deel van de schade (de „damnum emergens”) welke de als verzoekster optredende onderneming had geleden door een zonder enige waarschuwing en overgangsmaatregelen aangebrachte wijziging van het stelsel der compenserende bedragen, is de daarop volgende veroordeling uitsluitend gebaseerd op schending van het gerechtvaardigd vertrouwen dat de betrokken onderneming mocht stellen in de handhaving van de tevoren geldende gunstiger regeling. De rechtmatigheid van dit vertrouwen heeft U erkend op grond van de omstandigheden van het geval: met name het ontbreken van een tijdige aankondiging van de wijzigingen, die terstond van kracht werden, en het ontbreken van enige overgangsmaatregelen.
De belangrijkste vraag in de onderhavige zaken is derhalve of — gezien het verloop van de feiten — verzoeksters terecht mochten vertrouwen dat zij onder het stelsel zouden blijven vallen, dat gold vóór de regeling die bij verordening van de Raad nr. 1112/73 van 30 april 1973 werd ingesteld en bij verordening van de Commissie nr. 1463/73 van 30 mei 1973 per 4 juni 1973 van toepassing werd verklaard op exporten welke na die datum werden verricht ter uitvoering van overeenkomsten, gesloten vóór de toepassing of de inwerkingtreding van deze wijzigingsverordeningen.
Vooropgesteld zij dat volgens de genoemde uitspraak van het Hof, individuele belangen bij handhaving van een door de wetgever gewijzigde of ingetrokken regeling slechts bij uitzondering, in hoofdzaak om redenen van billijkheid, bescherming genieten. In ieder geval is het hiervoor noodzakelijk dat de belanghebbende kon zijn gestijfd in de objectief gerechtvaardigde overtuiging dat de regeling waarop hij zich bij zijn transacties had gebaseerd, geen wijzigingen zou ondergaan vóór de vervulling van de feitelijke voorwaarden voor de verkrijging en de concrete vaststelling van zijn recht op compenserende bedragen. Naar hun aard zijn deze bedragen, anders dan de restituties bij uitvoer, niet vatbaar voor prefixatie. Zij worden pas op het moment van uitvoer vastgesteld naar de koersverhouding tussen de betrokken munteenheden.
Het stelsel van compenserende bedragen, dat was ingevoerd bij verordening nr. 974/71, is bij verordening nr. 1112/73 sterk gewijzigd in verband met de toepassing op de landbouwsector van de beslissing d.d. 11 maart 1973 van de ministers van Financiën der Lid-Staten, in het kader van de Raad bijeen, om voor de munteenheden der Lid-Staten, met tijdelijke uitzondering van drie Lid-Staten om conjuncturele redenen, een maximale schommelingsmarge van 2,25 % te handhaven. Als gevolg hiervan verleenden de Lid-Staten geen verdere steun aan de VS-dollar, die dan ook verviel als referentievaluta in de Gemeenschapsregelingen, met name die van de compenserende bedragen in het internationale handelsverkeer.
Op 12 maart gaf de Raad opdracht aan de Commissie om de hieruit voortvloeiende wijzigingen voor de gemeenschappelijke landbouwordeningen voor te bereiden. Van toen af aan moest het voor iedere oplettende handelaar duidelijk zijn dat het stelsel van compenserende bedragen niet gebaseerd kon blijven op de koersverhouding tussen de betrokken nationale munteenheid en de VS-dollar. En wanneer dit zelfs toen nog niet voor eenieder duidelijk was, dan toch in ieder geval op 21 maart, toen de Commissie aan de Raad een ontwerpverordening voorlegde voor de wijziging van het stelsel van compenserende bedragen bij de invoer. Dit voorstel was bij de betrokken handelaren stellig onmiddellijk bekend.
Vooral omdat dit wijzigingsvoorstel geen zelfstandig initiatief van de Commissie was, doch was opgesteld op verzoek van de Raad zelf, is het uitgesloten dat de handelaren met betrekking tot uitvoertransacties die eerst enkele maanden later zouden worden uitgevoerd, nog gerechtvaardigd konden vertrouwen op handhaving van een regeling die — naar men wist — ingrijpend zou worden gewijzigd. Het lag immers voor de hand dat de nieuwe regeling bij de Raad niet op moeilijkheden zou stuiten, nu deze zelf erom had gevraagd. Waar het evenzeer duidelijk was dat het de bedoeling was de berekening der compenserende bedragen los te koppelen van de schommelingen van de dollar ten opzichte van de Europese munteenheden, beschikten de handelaren over voldoende gegevens om in te zien dat de communautaire regeling hun in de naaste toekomst geen garanties meer zou bieden tegen neerwaartse schommelingen van de dollar. Vanaf dit ogenblik had een verstandig handelaar zich behoren in te dekken door bij zijn verkopen naar het buitenland hetzij een andere munteenheid dan de dollar hetzij zeer korte leveringstermijnen te bedingen of in ieder geval het koersrisico te berekenen dat hij wegens de aangekondigde wijziging van de regelingen op korte termijn bij zijn transacties dreigde te lopen.
De ondernemingen konden hun exporten tot en met 4 juni nog onder de vroegere regeling afwikkelen. Vanaf het tijdstip waarop het duidelijk moest zijn dat de regeling der compenserende bedragen zou worden gewijzigd, beschikten de betrokkenen dus over een redelijke periode om de nodige maatregelen te nemen.
Geen enkele hier relevante aanvraag voor certificaten werd voor 30 maart 1973 ingediend. Op die datum waren alle betrokken handelaren op de hoogte van het voorstel van de Commissie van 21 maart.
Ik meen derhalve dat bij geen der door verzoeksters genoemde transacties sprake kan zijn van een zodanig gerechtvaardigd vertrouwen, dat de schade geleden door ondernemingen die op grond van hun verwachtingen definitieve verplichtingen hebben aangegaan, ten laste van de Gemeenschap behoort te worden gebracht.
Verzoeksters baseren zich echter niet alleen op de algemene eis van bescherming van het gerechtvaardigd vertrouwen, doch beweren ook een verworven recht op de compenserende bedragen te bezitten, in de vorm van een recht op een toekomstige vordering waarvan het bedrag op het tijdstip van de uitvoer wordt vastgesteld.
In 's Hofs jurisprudentie is deze opvatting reeds verworpen. Waar het Hof namelijk in de zaak 74-74 verzoekers ten dele in het gelijk heeft gesteld ten aanzien van de achterwege gebleven uitkering van de verwachte compenserende bedragen, heeft het zich daarvoor niet op het beginsel van eerbiediging van verworven rechten doch uitsluitend op het beginsel van bescherming van het vertrouwen gebaseerd en op die grond de verplichting erkend om de door verzoeker geleden schade te vergoeden, voorzover strikt noodzakelijk om te vermijden dat hij een verlies leed: deze beperking zou ongeoorloofd geweest zijn, indien de betrokkene een werkelijk recht had kunnen doen gelden op toepassing, bij de berekening der compenserende bedragen, van de regels die golden op het tijdstip waarop hij het uitvoercertificaat vroeg of verkreeg.
Het onderscheid dat verzoeksters in de onderhavige zaak trachten te maken tussen het facultatieve stelsel waarover het in zaak 74-74 ging, en het verplichte stelsel waarover het in casu gaat, is volstrekt irrelevant voor de vaststelling van het al dan niet bestaan van een recht van de handelaren op compenserende bedragen. Zodra een Staat namelijk onder vigeur van het facultatieve stelsel besloot gebruik te maken van de in de Gemeenschapsregeling geboden mogelijkheid compenserende bedragen toe te kennen, verschilde de situatie waarin de exporterende onderneming zich voor de toepassing van de regeling der compenserende bedragen bevond, in wezen niet van de situatie waarin het Gemeenschapsrecht verplicht tot betaling van deze bedragen en dus niet meer behoeft te worden nagegaan of de voorwaarde van een positief besluit van de Staat is vervuld.
Subsidiair en voor geval U deze bevinding niet voor alle onderhavige transactie zoudt delen, meen ik dat althans al die verzoeken om schadeloosstelling moeten worden afgewezen, die betrekking hebben op uitvoertransacties verricht op basis van na 30 april 1973 aangevraagde certificaten.
Overeenkomstig bovenbedoelde verklaring van de ministers van Financiën van 11 maart 1973, werd bij artikel 1 van genoemde verordening van de Raad van 30 april houdende wijziging van artikel 2, lid 1, van verordening nr. 974/71, voor de vaststelling van de compenserende bedragen een nieuwe regeling ingevoerd, waarbij niet meer werd uitgegaan van de koersverhouding tussen de munteenheid van de betrokken Lid-Staat en de VS-dollar.
Aldus was in ieder geval sinds de publikatie van deze verordening duidelijk dat de handelaren zich niet meer konden verlaten op de vroegere regeling die automatisch zou komen te vervallen bij de inwerkingtreding van de uitvoeringsbepalingen welke de Commissie ingevolge artikel 6 van verordening nr. 974/71 diende vast te stellen. Weliswaar vermelde verordening nr. 1112 niet op welke datum deze uitvoeringsmaatregelen moesten worden genomen, doch daar het hier een gebied betrof dat bijzonder gevoelig was voor de destijds optredende monetaire optredende schommelingen, had iedere oplettende handelaar erop moeten rekenen dat deze maatregelen niet lang op zich zouden laten wachten. Waar bovendien verordening nr. 1112/73 niet voorzag in overgangsmaatregelen, was er althans na 30 april 1973 geen enkele grond meer voor het vertrouwen waarop verzoeksters zich beroepen. De ondernemingen konden natuurlijk vrijelijk hopen op overgangsmaatregelen, doch zulks voor eigen risico.
In zoverre zijn de op gerechtvaardigd vertrouwen steunende vorderingen tot schadevergoeding wegens exporten verricht op grond van certificaten die zijn aangevraagd na de publikatie van verordening nr. 1112/73, dan ook volstrekt ongegrond.
Bij de exporten op grond van certificaten die zijn aangevraagd tussen 30 maart en 30 april 1973, moet onderscheid worden gemaakt tussen de aanvragen voor certificaten met een gewone looptijd en de aanvragen voor langlopende certificaten. In het eerste geval wordt bij vervulling van alle formele voorwaarden de indiening van het verzoek namelijk vrijwel automatisch gevolgd door toekenning van het certificaat, en kan derhalve het recht op uitvoer met voorfixatie van de restitutie worden geacht op het moment van aanvraag van het certificaat te zijn ontstaan, te zamen met de verplichting tot uitvoer, die wordt gedekt door de storting van de in de Gemeenschapsregeling voorgeschreven waarborgsom.
Daarentegen heeft men bij de aanvraag van een langlopend uitvoercertificaat geen enkele zekerheid dat het verzoek zal worden ingewilligd, omdat dit afhankelijk is van een bijzondere machtiging van de Commissie, die ter zake over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. In dit geval gaat de definitieve uitvoerverplichting pas in op het tijdstip waarop de verzoeker een gunstig antwoord ontvangt. Daarom moet bij transacties op grond van langlopende uitvoercertificaten worden nagegaan of deze certificaten niet slechts zijn aangevraagd, doch ook zijn verkregen vóór of na 30 april 1973. Bij transacties met na 30 april 1973 verkregen certificaten kan, evenals bij de transacties met certificaten die een normale looptijd hebben doch ook na die datum zijn aangevraagd, geen sprake zijn van een gerechtvaardigde verwachting.
Ik concludeer mitsdien primair tot verwerping van de beroepen met verwijzing van verzoeksters in de kosten.
Subsidiair concludeer ik tot verwerping van de vorderingen betreffende de exporten, verricht met na 30 april 1973 aangevraagde certificaten of met langlopende certificaten die weliswaar voor die datum zijn aangevraagd, doch na die datum zijn toegekend. Op de overige vorderingen die betrekking hebben op eerdere tijdvakken, zou hoogstens vergoeding van het „damnum emergens”, kunnen worden toegewezen. Bij de schadevorderingen betreffende certificaten die weliswaar eerder zijn verkregen, doch na die datum zijn overgedragen, zal telkenmale moeten worden bewezen dat de overdracht heeft plaatsgevonden ter uitvoering van vaste en definitieve verplichtingen welke voor die datum zijn aangegaan. Anders kan er geen sprake zijn van een gerechtvaardigde verwachting van de verzoeker.
In dit subsidiaire geval zouden de verzoeksters die bij een zodanige beslissing zouden kunnen zijn gebaat, alle dienstige gegevens hebben te verstrekken; jegens hen ware de beslissing omtrent de kosten dan aan te houden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy