CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 5 FEBRUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In deze door een voormalig ambtenaar tegen de Raad aanhangig gemaakte zaak gaat het om de wijze waarop verweerder — overeenkomstig de beslissing van een ter vaststelling van het invaliditeitspercentage aangewezen commissie van scheidslieden — een geval van blijvende algehele invaliditeit heeft afgewikkeld. Die invaliditeit was ontstaan als gevolg van een auto-ongeluk dat verzoeker in juli 1968, toen hij bij de Raad werkzaam was, buiten verband met de dienst is overkomen. Het cas viel onder de „individueel-collectieve” verzekering, zoals die destijds ten behoeve van de ambtenaren van de Raad was aangegaan bij een door het algemeen secretariaat afgesloten verzekeringspolis, behelzende voorlopige vaststelling van de voorwaarden waaronder de in artikel 73 van het Statuut bedoelde uitkeringen konden worden toegekend.
Verzoeker, die aanvankelijk uitdrukkelijk genoegen had genomen met het percentage van 20 % dat door de commissie was vastgesteld, verzocht de Raad hem niettemin voor 30 % arbeidsongeschikt te verklaren omdat het tot aanstelling bevoegd gezag zich daartoe reeds bereid zou hebben verklaard voordat het minder gunstig voorstel der commissie tot bedoelde overeenkomst had geleid. Wijzende op de noodzaak ten deze te onderscheiden tussen verzoekers rechtsbetrekkingen met de instelling en die tussen de instelling en de verzekeraar, betoogt hij dat de overeenkomst waarbij de invaliditeit op 20 % is vastgesteld, slechts de verhouding tussen de verzekeraar en de instelling regardeert en de tussen hemzelf en de instelling aangegane — en reeds door de organen van de Raad aanvaarde — vaststelling van een hoger invaliditeitspercentage onverlet zou laten. De instelling zou dan ook moeten opkomen voor het verschil tussen het met de verzekeraar overeengekomen percentage en het percentage dat de verzekeraar zich reeds voordien bereid verklaard had aan verzoeker — als derde belanghebbende bij voormelde individueel-collectieve verzekering — toe te kennen.
Verzoeker gaat er in zijn betoog van uit dat de verklaring van zijn behandelende geneesheer — die bij zijn patiënt een invaliditeit van 30 % had vastgesteld — mede berustte op de gelijkluidende mening van een door hem geraadpleegde specialist, dr. Olmechette. De Raad had op voorstel van verzoeker dezelfde specialist als zijn eigen vertegenwoordiger aangewezen in de commissie die zich over het invaliditeitspercentage had uit te spreken.
Toch rechtvaardigt zulks geenszins de conslusie dat de bevoegde gezagsorganen van de instelling waar verzoeker te werk gesteld was, de voorafgegane eenzijdige — en voor verzoeker „gunstiger” — beslissing, die door de verzekeraar aanstonds was bestreden, tot de hunne zouden hebben gemaakt.
Verzoekers rechtsconstructie — waarin hij, wat de rechtsbetrekkingen en de procedure tot vaststelling van het invaliditeitspercentage betreft, van een zekere tweeledigheid uitgaat — berust op een door de feiten niet gestaafd vermoeden van aanvaarding door de Raad en lijkt al evenmin met de rechtens bestaande situatie in overeenstemming te zijn. Met de verzekering welke verweerder ten behoeve van zijn ambtenaren had afgesloten — tot dekking van de artikel 73 van het Statuut bedoelde risico's — en de aanvaarding van de daaruit voortvloeiende lasten heeft men kennelijk de aan uitvoering van het Statuut verbonden aansprakelijkheden willen dekken. Weliswaar treedt blijkens 's Hofs arrest in de zaak 18-70 (Durraffour t. Raad, Jurispr. 1971, blz. 523) de verplichting van de verzekeraar niet in de plaats van de rechtstreekse verplichting van de instelling jegens de ambtenaar; maar wanneer ten behoeve van een ambtenaar aan wie een ongeval is overkomen waarvoor de instelling krachtens artikel 73 heeft op te komen, een regelmatige vaststelling van het invaliditeitspercentage heeft plaatsgehad, is de instelling stellig niet gerechtigd hem tot een hoger percentage arbeidsongeschikt te verklaren; en dit geldt temeer wanneer de vaststelling in rechtstreeks overleg en overeenstemming met een vertrouwensman heeft plaatsgehad en betrokkene het vastgestelde percentage uit vrije wil heeft aanvaard.
Hoogstens zou men zich, gezien het voorlopig karakter der destijds geldende verzekeringsregeling en wegens de mogelijkheid dat niet aan alle krachtens artikel 73 van het Statuut op de instelling rustende verplichtingen was gedacht, kunnen voorstellen dat de instelling voor de ambtenaar opkomt wanneer het overeenkomstig de polis vastgestelde uitkeringsbedrag haars inziens te laag moet worden geacht, bij voorbeeld als gevolg van de depreciatie van de munteenheid of om andere redenen van economisch aard. Maar het is rechtens niet aanvaardbaar dat een instelling een hoger invaliditeitspercentage zou willen zien toegekend dan volgens de voorschriften — en met bewandeling van de daartoe voorgeschreven weg — is vastgesteld, om zich vervolgens eenzijdig te belasten met betaling van het niet door de verzekeraar gedekte deel der uitkering. Immers zodanige vaststelling geschiedt volgens maatstaven die in hoofdzaak een technisch karakter dragen en niet op grond van opportuniteits- of billijkheidsoverwegingen; van latere eenzijdige wijziging — door een bureau dat de openbare middelen volgens objectieve regelen heeft te beheren — kan derhalve geen sprake zijn.
Dat verweerder zich met het oog op de arbitrale procedure op verzoek van betrokkene bereid verklaard heeft dezelfde geneesheer aan te wijzen die zich te voren, door verzoeker geconsulteerd, reeds voor vaststelling van een invaliditeitspercentage van 30 % had uitgesproken, houdt niet in dat nu ook de instelling dat percentage aanvaardt; het wil alleen maar zeggen dat de instelling zo goed mogelijk voor de belangen van haar eigen ambtenaren heeft willen waken. Wanneer de geneesheer die verzoekers vertrouwen genoot later tot een lager percentage komt, is dat zeker geen omstandigheid waarop verzoeker zich tot staving van zijn standpunt kan beroepen.
Hij zou alleen een aanvullende uitkering van de eigen instelling mogen verlangen wanneer mocht komen vast te staan dat de uitkering welke de verzekering hem als derde belanghebbende heeft toegekend lager is dan die welke de instelling hem volgens de in artikel 73 van het Statuut vermelde criteria heeft te waarborgen. Maar verzoeker stelt niet dat de verzekeraar zich, gezien het risico waarvoor de instelling had op te komen, tot te weinig heeft verplicht; hij betoogt slechts dat de beslissing nopens het werkelijk geleden nadeel niet met de werkelijkheid in overeenstemming is. Maar door met een percentage van 20 % genoegen te nemen op een tijdstip waarop hij zeer wel in staat was met kennis van zaken zijn wil te bepalen, heeft hij thans zijn recht verspeeld naderhand tegen die beslissing op te komen.
Het tot nietigverklaring strekkende beroep dat verzoeker tegen verweerders afwijzende beslissing heeft ingesteld, is dan ook ongegrond. Waarmede ook de rechtsgrondslag aan het verzoek tot schadevergoeding komt te ontvallen.
2.
Onzes inziens zal het verzoek om schadevergoeding eveneens moeten worden verworpen voor zover het berust op de stelling dat verweerder in gebreke zou zijn gebleven met het nemen van maatregelen ter uitvoering van artikel 73, in welks lid 2, tweede alinea, de mogelijkheid is voorzien de voor het geval van invaliditeit in uitzicht gestelde uitkering ineens door een lijfrente te vervangen. Wanneer men eenmaal zonder voorbehoud met een uitkering ineens genoegen heeft genomen — en. ook niet om toekenning van een vervangende lijfrente heeft gevraagd — kan men zich er vervolgens niet meer ten exceptieve op beroepen dat verweerder destijds nog niet de met het oog op zodanige vervanging nodige uitvoeringsmaatregelen had genomen.
Anderzijds is niet wel in te zien waarin de schade kan hebben bestaan die verzoeker als gevolg van de ontwaarding van de geldeenheid zou hebben geleden. Daargelaten dat hij zich tegen dit zeer waarschijnlijke risico had kunnen dekken door belegging van het hem uitgekeerde kapitaal, kan er in beginsel van vergoeding van wegens devaluatie geleden nadeel slechts sprake zijn wanneer er van een onrechtmatige daad zou kunnen worden gesproken.
3.
Al evenzeer ongegrond is de stelling dat de hem verschuldigde uitkering met buitensporige vertraging zou zijn vastgesteld en voldaan. Dat er tussen het ongeval en de afwikkeling van de schade zoveel tijd is verstreken schijnt alleen te moeten worden toegeschreven aan het feit dat men, alvorens tot vaststelling van het invaliditeitspercentage over te gaan, eerst gedurende enige tijd moet afwachten of en in hoeverre de invaliditeit als van blijvende aard is te beschouwen. Al evenmin is gebleken dat verzoeker tussen de dag van het ongeval en die waarop bedoeld percentage kon worden vastgesteld, ooit om een voorschot heeft gevraagd.
4.
Hij acht zich voorts ongerechtvaardigd benadeeld als gevolg van het feit dat verweerders administratie het geld naar Duitsland heeft overgemaakt, waarna het hem als schade wegens blijvende invaliditeit uitgekeerde bedrag in marken is omgezet. Het in Belgische franken vastgestelde en op een rekening in Duitsland gestorte bedrag is op wens van verzoeker tegen de voor banktransacties normale vrije marktkoers in marken omgewisseld. Hij meent evenwel dat die omwisseling tegen de voordeliger officiële koers had dienen te geschieden, zulks overeenkomstig artikel 63 van het Statuut volgens hetwelk de bezoldiging, uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de op 1 januari 1965 geldende pariteiten die door het Internationaal Monetair Fonds zijn aanvaard.
Dit voorschrift geldt ook voor de betaling van pensioenen (artikel 82, lid 1, 2e alinea). Voor uitkeringen als hierbedoeld geeft het Statuut evenwel geen speciale voorschriften.
Overeenkomstig een op hun bijeenkomst van 4 mei 1970 door de hoofden van administratie van instellingen der Gemeenschappen aanvaarde resolutie werd artikel 63 in de praktijk door de instellingen niet toegepast op een groot aantal krachtens het Statuut aan de ambtenaren verschuldigde, doch statutair niet tot de bezoldiging behorende uitkeringen. Dit geldt bij voorbeeld voor vergoedingen wegens dienstreizen, ambtsvergoedingen, dagvergoedingen, vaste vergoedingen wegens reis- en verhuiskosten, school- en kindertoelagen en dergelijke. De hier bedoelde uitkering komt op deze lijst niet voor. Anderzijds kan bedoelde resolutie rechtens in geen geval als grondslag ter oplossing van het probleem worden beschouwd; alleen uitlegging van het Statuut is ten deze doorslaggevend.
Nu het Statuut ten deze zwijgt, dient te worden nagegaan of toepassing van artikel 63 zich met de aard der hierbedoelde rechtsbescherming verdraagt.
Het gaat om een uitkering die niet als bezoldiging, doch als vergoeding van een door de ambtenaar geleden nadeel is te beschouwen. Die bestemming brengt mede dat een bedrag waarop hij aanspraak kan doen gelden, uitgedrukt in de valuta van het land waar hij werkzaam geweest is, niet mag verschillen van de som van die hem desgevraagd wordt uitgekeerd in de munteenheid van het land waar hij zich naderhand heeft gevestigd.
Anders dan het geval is met de bezoldiging — waarvan het niveau veelal aan de verschillende lokale omstandigheden wordt aangepast — kan bedoelde gelijkheid met betrekking tot de hier bedoelde uitkeringen slechts worden verzekerd wanneer men uitgaat van de werkelijke waarde van de som die betrokkene aanvankelijk was toegedacht. Die waarde is uitgedrukt in de wisselkoers op de vrije markt — die in casu juist werd berekend —, terwijl men door toepassing van de in artikel 63 bedoelde koers niet op eenzelfde bedrag zou uitkomen, doch nu eens met ongerechtvaardigde verrijking, dan weer met onbillijke benadeling te maken zou krijgen. Daarom kan er ten aanzien van uitkeringen als hierbedoeld niet mee worden gewerkt.
Ook in zoverre is verzoekers vordering dus ongegrond.
5.
Wel menen wij dat waar het hier gaat om een uitkering welke, in economische zin door een verzekeraar gedragen wegens een zich in het privé leven van een ambtenaar afspelend „cas”, hem anderzijds door zijn instelling verschuldigd is krachtens aanspraken welke hij aan het Statuut ontleent, de berekening van bankkosten ten laste van betrokkene achterwege had dienen te blijven, zulks overeenkomstig de gedragslijn welke door de instellingen bij betalingen — ook naar het buitenland — van krachtens het Statuut verschuldigde bedragen algemeen gevolgd wordt.
6.
Ik concludeer derhalve dat verzoeker alleen in het gelijk dient te worden gesteld voor zover zijn beroep betrekking heeft op de terugbetaling van de bankkosten welke hem in rekening werden gebracht in verband met het feit dat de hem wegens invaliditeit in België toegewezen bedragen in Duitse marken op zijn rekening in Duitsland werden overgebracht.
Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.
Ik geef het Hof in overweging de door verzoeker gedragen kosten voor één vierde gedeelte ten laste van verweerder te brengen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy