CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 10 JUNI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President
mijne heren Rechters,
De prejudiciële zaak waarin ik thans heb te concluderen, betreft de uitlegging van verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, met name de vraag of bepaalde, door een Duitser in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken in het kader van bedoelde verordening in aanmerking moeten worden genomen.
Hiertoe moge ik in de eerste plaats herinneren aan het arrest van 10 oktober 1973 (zaak 110-73, Fiege, Jurispr. 1973, blz. 1001).
Tot zijn onafhankelijkheid op 1 juli 1962 behoorde Algerije als deel van Frankrijk tot het toepassingsgebied van verordening nr. 3. Dat bleek uit bijlage A van verordening nr. 3, waarin werd aangegeven wat moest worden verstaan onder „grondgebieden en onderdanen waarop de verordening van toepassing is”. Onder „Frankrijk” waren hier naast het Franse moederland Algerije en de overzeese departementen vermeld. Bijlage B van verordening nr. 3, waarin ingevolge artikel 3 dezer verordening „voor iedere Lid-Staat nader zijn aangegeven de wettelijke regelingen inzake sociale zekerheid welke op het tijdstip van vaststelling van deze verordening op het grondgebied van die Staat van kracht zijn”, vermeldde voorts in de rubriek „Frankrijk” in Algerije geldende wettelijke regelingen betreffende „de bijzondere regelingen van sociale zekerheid, in het bijzonder de regeling betreffende de sociale zekerheid in de mijnen”. Nadat Algerije onafhankelijk was geworden, bleven deze bepalingen aanvankelijk gehandhaafd. Eerst bij artikel 5 van verordening nr. 109/65 van de Raad van 30 juni 1965 (PB 1965, blz. 2124), ingevolge artikel 16 in werking getreden op 1 augustus 1965, werd de vermelding Algerije in bijlage A van verordening nr. 3 geschrapt, en wel volgens artikel 16, lid 2, met ingang van 19 januari 1965. Dit artikellid zegt echter uitdrukkelijk: „Onverminderd de rechten verworven vóór de in lid 1 bedoelde datum…”, dat wil dus zeggen vóór 1 augustus 1965. Ook de verwijzing naar Algerije in bijlage B van verordening nr. 3 werd met ingang van 19 januari 1965 geschrapt.
Vermeld zij voorts de Franse wet van 26 december 1964, volgens welke in Frankrijk woonachtige Franse onderdanen recht hebben op volledige toerekening van vóór 1 juli 1962 in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken bij de vaststelling van het ouderdomspensioen en op een toeslag op Algerijnse invaliditeitspensioenen wegens verzekerde voorvallen die vóór 1 juli 1962 zijn ingetreden.
Deze bepalingen zijn ook voor het onderhavige geval van belang.
Verzoeker in het hoofdgeding, de heer Horst, thans woonachtig in de Bondsre-publiek Duitsland, was aangesloten bij de Duitse „Knappschaftsversicherung” en heeft in Duitsland 209 verzekeringsmaanden vervuld. Voorts was hij van 1 juli 1960 tot 30 juni 1962 werkzaam voor de Algerijnse staatsoliemaatschappij; in deze periode werden voor hem pensioenbijdragen betaald aan de Caisse autonome de retraite et de prévoyance des mines d'Algérie.
Het probleem is nu of laatstbedoeld verzekeringstijdvak in aanmerking moet worden genomen, zowel bij de hem door de Bundesknappschaft vanaf 1 januari 1962 toegekende Bergmannsrente wegens in december 1961 ingetreden verminderde geschiktheid voor het beroep van mijnwerker, als bij de Knappschaftsrente welke hem na het intreden van volledige invaliditeit vanaf 3 juli 1971 is toegekend. Anders dan verzoeker acht het bevoegde Duitse verzekeringsorgaan, de Bundesknappschaft, dit namelijk niet mogelijk.
Dit leidde tot een geding voor het Sozi-algericht Hannover, aanvankelijk alleen met betrekking tot de Bergmannsrente, waarin verweerster werd veroordeeld de aan de heer Horst toegekende Berg-mannsrente te verhogen naar evenredigheid van de Algerijnse verzekeringstijdvakken, omdat dit Franse tijdvakken zouden zijn.
Dit vonnis werd evenwel vernietigd door het Landessozialgericht Niedersachsen; dit motiveerde de afwijzing van de vordering, die thans mede betrekking had op de Knappschaftsrente, aldus, dat de samentelling van de 25 Algerijnse verzekeringsmaanden met verzoekers 209 erkende verzekeringsmaanden in strijd was met het stelsel van artikel 28 van veror-' dening nr. 3, volgens hetwelk de aanspraken van een verzekerde uit hoofde van in verschillende Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken niet tot één enkele aanspraak samensmelten. Tegen de toerekening van Algerijnse verzekeringsperioden pleitte volgens het Landessozialgericht ook de omstandigheid dat Algerije zonder voorbehoud in bijlage A van verordening nr. 3 was geschrapt en dat overgangsbepalingen betreffende vóór 19 januari 1965 ingetreden verzekerde voorvallen ontbraken. Wat de Knappschaftsrente betreft, was ten slotte van doorslaggevend belang, dat het verzekerde voorval eerst na de schrapping van Algerije in bijlage A van verordening nr. 3 was ingetreden.
Verzoeker stelde van dit arrest beroep tot „revisie” in bij het Bundessozialgericht. In de eerste plaats betoogt hij dat genoemde Caisse autonome de retraite et de prévoyance des mines d'Algérie tot 1 juli 1962 een Frans orgaan was. De schapping van Algerije in bijlage A van verordening nr. 3 kan volgens hem voorts slechts gevolg hebben voor verzekeringstijdvakken die na 18 januari 1965 in Algerije zijn vervuld. Daarom vordert de heer Horst — en alleen dit is thans voprwerp van het geding — verklaring voor recht dat zijn Algerijnse verzekeringstijdvakken in het kader van de verordeningen nrs. 3 en 4 in aanmerking moeten worden genomen.
Daartegenover beroept de Bundesknapp-schaft (verweerster) zich met name op een besluit van het bevoegde Franse verzekeringsorgaan, de Caisse autonome nationale de la sécurité sociale dans les mi-nes, waarbij met een beroep op genoemde Franse wet van 26 december 1964 werd geweigerd verzoekers Algerijnse verzekeringstijdvakken als Franse tijdvakken te honoreren. De Bundesknapp-schaft acht zich op grond van artikel 1, sub p), van verordening nr. 3 aan dit besluit gebonden.
Het Bundessozialgericht heeft bij beschikking van 4 december 1974 het geding geschorst en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag verzocht om een prejudiciële beslissing inzake de volgende vragen:
a)
Moeten pensioenaanspraken uit hoofde van bijdragen die voor 19 januari 1965 in Algerije door een Duitser zijn voldaan aan de Caisse autonome de retraite et de prévoyance des mines d'Algérie, bij de vaststelling van pensioenen overeenkomstig het tweede en derde hoofdstuk (van titel III) van verordening (EEG) nr. 3 ook in aanmerking worden genomen, wanneer het intreden van het verzekerde voorval en de pensioenaanvrage van de thans in de Bondsrepubliek Duitsland wonende verzekerde van na dat tijdstip dateren?
b)
Zijn de door een nationale wettelijke regeling van een Lid-Staat voorgeschreven toerekening en aanpassing van aanspraken en sociale uitkeringen voor verzekeringstijdvakken, vervuld in een inmiddels zelfstandig geworden gebied van die Staat, op grond van het beginsel van gelijke behandeling, vervat in artikel 8 van verordening nr. 3, ook van toepassing op alle onderdanen van een andere Lid-Staat, die in één der andere Lid-Staten woonachtig zijn?
Dit alles geeft mij aanleiding tot de volgende opmerkingen.
De vragen draaien hoofdzakelijk om het punt of in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking moeten worden genomen, voor zover dit voor de vaststelling van de pensioenaanspraak noodzakelijk is.
Of die noodzaak aanwezig is met betrekking tot de litigieuze pensioenaanspraak, is een probleem dat principieel niet door het Hof, maar door de verwijzende rechter moet worden opgelost. Ik wil mij ten deze beperken tot de volgende opmerking. Uit 's Hofs jurisprudentie (bij voorbeeld de arresten van 5 juli 1967, zaak 1-67, Ciechelski, Jurispr. 1967, blz. 225; 10 november 1971, zaak 27-71, Keiler, Jurispr. 1971, blz. 885; 28 mei 1974, zaak 191-73, Niemann, Jurispr. 1974, blz. 571) blijkt dat samentelling van verzekeringstijdvakken onnodig is, wanneer reeds op grond van het nationale recht alleen en zonder dat samentelling plaatsvindt, aanspraak op een uitkering wordt verkregen. In casu heeft de Commissie er echter op gewezen dat verzoeker, gezien de eigenaardigheden van het Knappschaftspen-sioen, er wel degelijk belang bij kan hebben dat de Algerijnse verzekeringstijdvakken in aanmerking worden genomen. Daarom kan zeker niet worden gezegd dat de door het Bundessozialgericht gestelde vraag kennelijk irrelevant is.
Waar de Bundesknappschaft blijkbaar van mening is dat zij bij de beoordeling van de vraag of bepaalde Algerijnse verzekeringstijdvakken als Franse tijdvakken kunnen worden aangemerkt, is gebonden aan desbetreffende beslissingen van het Franse verzekeringsorgaan, lijkt het wenselijk eerst aan te tonen dat zij het Gemeenschapsrecht ten deze onjuist uitlegt.
Weliswaar omvat volgens artikel 1, sub p), van verordening nr. 3 — waarop de Bundesknappschaft zich baseert — de term „tijdvakken van verzekering” de „tijdvakken van premie- of bijdragbeta-ling of van arbeid welke als tijdvakken van verzekering worden omschreven of in aanmerking worden genomen volgens de wetgeving welke een op premie- of bijdragebetaling berustend stelsel betreft en waaronder die tijdvakken zijn vervuld”, maar uiteraard behoeft dit niet te betekenen dat alleen het orgaan van de betrokken Lid-Staat tot zodanige omschrijving bevoegd is. Uit de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3 en artikel 33 van verordening nr. 4 blijkt duidelijk dat ook een Duits orgaan zeer wel bevoegd is te bepalen of in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken — waar nodig — in aanmerking moeten worden genomen. Alleen de vaststelling van uitkeringen uit hoofde van vreemde, in casu dus Algerijnse, verzekeringstijdvakken is ingevolge artikel 34 van verordening nr. 4 eventueel de taak van het Franse verzekeringsorgaan. Dit blijkt duidelijk uit hetgeen de Commissie dienaangaande heeft opgemerkt, zodat ik thans niet nader daarop behoef in te gaan.
Komen wij vervolgens tot de eigenlijke vragen van het Bundessozialgericht en wel in de eerste plaats of bij eventuele samentelling van verzekeringstijdvakken Algerijnse tijdvakken in aanmerking moeten worden genomen, dan lijkt de beantwoording daarvan na de toelichtingen van de Commissie dienaangaande geen bijzondere moeilijkheden op te leveren.
De enige voorwaarde voor samentelling van verzekeringstijdvakken met het oog op invaliditeitsuitkeringen volgens de re-gelingen van type B — waarbij genoemde uitkeringen in principe volgens de duur der vervulde tijdvakken worden berekend — en met het oog op ouderdomspensioenen, is volgens artikelen 26 en 27 van verordening nr. 3, dat de verzekerde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest. Zoals wij bij onze uiteenzetting van de feiten reeds opmerkten, gaat het ten aanzien van Algerijnse verzekeringstijdvakken dus uitsluitend om het toepassingsgebied van verordening nr. 3, zoals dit in de bijlagen A en B is omschreven, en om de gevolgen van de latere verordening nr. 109/65 van de Raad.
Zo gezien dienen wij in casu drie tijdvakken te onderscheiden:
—
het tijdvak eindigend op 30 juni 1962,
—
het tijdvak 1 juli 1962 tot 18 januari 1965, en
—
het tijdvak 19 januari 1965 tot 31 juli 1965.
Gedurende het eerste tijdvak behoorde Algerije tot het Franse grondgebied. Ver- zekeringstijdvakken die in deze periode in Algerije zijn vervuld, dienen derhalve te worden beschouwd als naar Frans recht te zijn vervuld, en moeten dus stellig in aanmerking worden genomen. En zoals de Commissie overtuigend heeft aangetoond, komt het daarbij alleen aan op de vraag of bijdragen zijn betaald. Daarentegen zijn het tijdstip waarop het verzekerde voorval is ingetreden, en dat waarop de aanvraag is ingediend, welke het Bundessozialgericht kennelijk bepalend acht, niet relevant.
Gedurende het tweede tijdvak was blijkens verordening nr. 109/65 Algerije in bijlage A van verordening nr. 3 nog niet geschrapt. Het viel toen dus nog onder het territoriale toepassingsgebied van verordening nr. 3, hoewel het na het verkrijgen van de onafhankelijkheid geen deel van Frankrijk meer was. Verordening nr. 3 bleef dus volledig van toepassing op onderdanen van de Lid-Staten voor wat in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken betreft; althans, aldus te-recht de Commissie, bestaat er een rechtsvermoeden van toepasselijkheid. Daar anderzijds een overgangsregeling met uitdrukkelijk andersluidende bepalingen ontbreekt, is het een eis van rechtszekerheid dat men voor deze periode ten aanzien van Algerijnse verzekeringstijdvakken tot dezelfde conclusie komt als voor de periode eindigend op 30 juni 1962.
Wat ten slotte het derde tijdvak betreft — dat niet in de vraagstelling is betrokken, doch volledigheidshalve wel moet worden besproken en dat, zoals bekend, eindigde op 31 juli 1965, de dag vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 109/65 — , zij opgemerkt dat Algerije in deze periode niet meer binnen het toepassingsgebied van verordening nr. 3 viel (zie artikel 16, lid 2, sub a, van verordening nr. 109/65). Van belang is evenwel dat de schrapping van Algerije in bijlage A met terugwerkende kracht is geschied. Daarom werd in de overgangsregeling van artikel 16, lid 2, bepaald dat de vóór 1 augustus 1965 verworven rechten behouden zouden blijven. Dit kan slechts betekenen dat ook de in deze periode vervulde Algerijnse verzekeringstijdvakken in aanmerking moeten worden genomen. De Commissie heeft er terecht op gewezen dat tot verworven rechten in de zin van deze bepaling ook verwachtingen behoren, en niet alleen aanspraken op uitkering, die door het intreden van het verzekerde voorval zijn ontstaan. Daartoe kon zij niet slechts wijzen op 's Hofs jurisprudentie ter zake (arrest van 15 juli 1964, zaak 100-63, Van der Veen, Jurispr. 1964, blz. 1167; arrest van 13 juli 1966, zaak 4-66, Hagenbeek, Jurispr. 1966, blz. 294), maar ook op het feit dat deze interpretatie overeenkomt met internationaal geldende beginselen van sociale zekerheid, zoals bij voorbeeld vervat in artikel 22, lid 2, van de Convention internationale tu travail nr. 48 sur la con-servation des droits à pension des migrants van 1935.
Wat in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken betreft, moet derhalve voor alle drie tijdvakken die hier van belang zijn, naar Gemeenschapsrecht dezelfde conclusie worden getrokken.
Met betrekking tot de eerste vraag is hiermee al het nodige gezegd. Gezien de uit de verwijzigingsbeschikking af te leiden opvatting van het Bundessozialgericht, zou men hoogstens nog kunnen toevoegen dat het voorgestelde antwoord geldt ongeacht of er tegenover het Franse orgaan een aanspraak op uitkeringen bestaat. Ook dit heeft de Commissie mijns inziens overtuigend aangetoond. Daarbij komt nog dat blijkens de rechtspraak (zaak 110-73) bijlage A (oud) van verordening nr. 3 de Franse organen zonder meer de verplichting oplegt de vóór 19 januari 1965 in Algerije verworven rechten van migrerende werknemers te eerbiedigen.
Aan de hand van deze conclusies moet het Bundessozialgericht in staat zijn de gerezen problemen op te lossen. Ik acht het daarom niet noodzakelijk op de — in feite slechts subsidiaire — tweede vraag in te gaan, waarover de Commissie overigens eveneens belangwekkende en overtuigende opmerkingen heeft gemaakt.
Ik moge derhalve concluderen de door het Bundessozialgericht gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
Voor zover dit voor het verkrijgen, het behoud of het herstel van aanspraken op uitkeringen noodzakelijk is, moeten de tot en met 31 juli 1965 in Algerije vervulde verzekeringstijdvakken bij de vaststelling van pensioenen overeenkomstig het tweede en derde hoofdstuk (van titel III) van verordening (EEG) nr. 3 ook dan ten volle in aanmerking worden genomen, wanneer het intreden van het verzekerde voorval en de pensioenaanvrage van na dat tijdstip dateren.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy