CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 8 JULI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Inleiding
Evenals de Cour d'Appel te Bordeaux heeft die te Aix- en-Provence het Hof een aantal prejudiciële vragen voorgelegd inzake de uitlegging van de gemeenschapsregeling van de wijnmarkt.
De voor de Cour d'Appel te Aix dienende strafzaken evenwel lopen tegen wijnhandelaren uit Marseille, die in de periode november 1970 tot november 1971 Italiaanse tafelwijn in Frankrijk hebben geïmporteerd. De vragen moeten dus worden bezien in het licht van het intracommunautaire handelsverkeer.
Uit analyses op verzoek van de fraudebestrijdingsdienst bleek dat bepaalde hoeveelheden van die wijn vielen binnen de termen van het rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte, ingesteld bij het Franse decreet van 19 april 1898 en overgenomen in artikel 8 van de Code du Vin.
Zoals U weet, gaat dit rechtsvermoeden ervan uit dat rode wijn waarbij de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract een bepaalde waarde overschrijdt — in beginsel 4,6, behoudens bepaalde correcties in verband met verschillende wijzen van wijnbereiding —, „een verhoogd alcoholgehalte” heeft.
De vijf verdachten zijn door het Tribunal correctionnel te Marseille ontslagen van rechtsvervolging, doch zowel de Fédération nationale des producteurs de vins de table et vins de pays, die zich burgerlijke partij heeft gesteld, als het Openbaar Ministerie is in beroep gekomen bij de Cour d'Appel de Aix- en-Provence. Van oordeel dat voor de uitspraak in deze zaken uitlegging nodig is van 's Raads verordening nr. 816/70, houdende aanvullende bepalingen inzake de gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, vraagt deze instantie het Hof om een prejudiciële beslissing inzake de volgende vragen :
1.
Moet tafelwijn, bedoeld in verordening (EEG) nr. 816/70, om deze benaming te mogen dragen en in de Lid-Staten van de Gemeenschap in het verkeer te worden gebracht, alleen voldoen aan de analytische normen van bijlage II, punt 10, van die verordening of tevens aan nationale praktijken en regelingen?
2.
Dient het Franse rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte van tafelwijn, gebaseerd op overschrijding van een bepaalde verhouding alcoholdroge stof, zoals omschreven in de nationale wettelijke regeling, ingevolge verordening nr. 816/70 in het intracommunautaire handelsverkeer buiten toepassing te blijven?
I — De eerste vraag
De eerste vraag geeft naar ik meen geen bijzondere moeilijkheden. Immers, volgens artikel 27, lid 1, van verordening nr. 816/70 „blijft de naam tafelwijn voorbehouden aan de in punt 10 van bijlage II omschreven wijn”.
Volgens deze bepaling moet tafelwijn:
—
uitsluitend afkomstig zijn van in artikel 16 bedoelde wijnstoksoorten, dat wil zeggen wijnstoksoorten die in de Gemeenschap mogen worden geteeld;
—
geproduceerd zijn in de Gemeenschap;
—
een effectief alcoholgehalte hebben van tenminste 8,5o en een totaal alcoholgehalte van niet meer dan 15o, waarbij deze bovengrens evenwel op 17o wordt gebracht voor de op sommige nader te bepalen wijngaardoppervlakten voortgebrachte wijnen;
—
bovendien een totaalgehalte aan zuren van tenminste 4,50 g/l, uitgedrukt in wijnsteenzuur.
Deze kwalitatieve vereisten moeten echter worden aangevuld overeenkomstig het bepaalde in verordening nr. 816/70 betreffende mengsels van verse druiven, druivemost, gedeeltelijk gegiste druivemost of jonge nog gistende wijn. Zelfs wanneer slechts één dezer produkten niet voldoet aan de voor tafelwijn voorgeschreven karakteristieken, mag de wijn deze communautaire benaming niet dragen.
Ook de regeling voor het versnijden van wijn in artikel 26 bepaalt dat in beginsel en behoudens een aantal uitzonderingen slechts produkten verkregen door het versnijden van tafelwijnen onderling of door het versnijden van tafelwijn met wijn die tot tafelwijn kan worden verwerkt, ook zelf tafelwijn kunnen zijn.
Tenslotte zijn sommige oenologische procédés verboden of aan voorschriften gebonden. De procédés die voor de onderhavige zaken van belang zijn, zijn deels geregeld in de artikelen 18 en 19, deels in artikel 25 van verordening nr. 816/70.
Eerstgenoemde twee bepalingen betreffen de verhoging van het effectieve of potentiële natuurlijke alcoholgehalte, die de Lid-Staten in bepaalde wijnbouwzones en onder bepaalde voorwaarden kunnen toestaan indien de weersomstandigheden dit noodzakelijk hebben gemaakt. Met name mag deze verhoging slechts geschieden volgens de in artikel 19 genoemde procédés door toevoeging van suiker of geconcentreerde druivemost aan verse druiven of druivemost, ofwel bij druivemost of wijn door gedeeltelijke concentratie.
Artikel 25 verbiedt zonder meer toevoeging van alcohol aan tafelwijn.
Hierbij zij echter dadelijk opgemerkt dat de controle op de naleving van deze bepalingen niet wordt uitgeoefend door de gemeenschapsautoriteiten, doch door de bevoegde nationale organen, die niet slechts de bevoegdheid, doch ook de verplichting hebben toe te zien op de naleving van deze regeling.
De sanctie op overtreding van deze voorschriften is dat wijn waarop verboden procédés zijn toegepast, niet voor rechtstreekse menselijke consumptie mogen worden geleverd. Dit lag reeds stilzwijgend opgesloten in de oorspronkelijke tekst van de verordening en is uitdrukkelijk bepaald in artikel 28 bis, ingevoerd bij wijzigingsverordening nr. 2680/72.
Onder deze omstandigheden meen ik dat er geen twijfel mogelijk is — ongeacht of men ziet naar de in punt 10 van bijlage II opgesomde kenmerken voor tafelwijn of naar de voorschriften betreffende sommige oenologische procédés — dat de benaming „tafelwijn” uitsluitend wordt geregeld door verordening nr. 816/70 en aanvullende bepalingen.
Op het eerste onderdeel van de eerste vraag kan derhalve worden geantwoord, dat deze benaming niet van nationale gebruiken of regelingen afhangt
Hetzelfde geldt naar ik meen voor het handelsverkeer van communautaire tafelwijnen tussen de Lid-Staten. De in verordening nr. 816/70 bedoelde produkten uit de wijnsector kunnen slechts tot het communautaire handelsverkeer worden toegelaten wanneer zij gedekt zijn door een document, dat is gecontroleerd door de bevoegde overheidsinstantie van de producerende Lid-Staat. Krachtens verordening nr. 1022/70 van de Commissie waren op het tijdstip van de invoer van de litigieuze Italiaanse wijn voor bepaalde wijnen, waaronder tafelwijnen, geleidecertificaten ingesteld. Volgens de artikelen 4 en 5 van deze verordening wordt het geleidecertificaat afgegeven door de bevoegde instantie, aangewezen door de Lid-Staat op wiens grondgebied de wijn is geproduceerd. Deze instantie dient zich na een analytisch en organoleptisch onderzoek uitgevoerd door een officieel laboratorium of instituut, ervan te verzekeren dat de betrokken wijn van gezonde handelskwaliteit is en bovendien voldoet aan de voorschriften van artikel 27, lid 2, sub a, van verordening nr. 816/70, dat wil zeggen dat de wijn binnen de Gemeenschap voor rechtstreekse menselijke consumptie kan worden aangeboden of geleverd.
Aangezien het dus de verantwoordelijkheid van de bevoegde instantie is om na te gaan of aan deze voorwaarden is voldaan, staat voor mij vast dat het geleidecertificaat het enige document is waarvan de Lid-Staten overlegging kunnen eisen voor de toelating op hun grondgebied van tafelwijnen uit een andere Lid-Staat, die voldoen aan de communautaire benaming. Deze opvatting, die reeds voortvloeide uit de oorspronkelijke redactie van artikel 29 van verordening nr. 816/70, is uitdrukkelijk bevestigd in verordening nr. 2312/71 van de Raad, die in artikel 1, lid 2, bepaalt: „Voor de periode tot en met 31 augustus 1972 en onverminderd de nationale bepalingen betreffende het verkeer van produkten binnen een Lid-Staat, kunnen bepalingen worden vastgesteld met betrekking tot de documenten waarvan de in artikel 1 bedoelde produkten in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten vergezeld moeten gaan”.
Dit betekent dat, ofschoon iedere Lid-Staat gedurende deze overgangsperiode het in de handel brengen van op het eigen grondgebied geproduceerde wijn kon onderwerpen aan zijn eigen wettelijke voorwaarden, hij daarentegen voor wijn uit andere Lid-Staten slechts het in verordening nr. 1022/70 bedoelde geleidecertificaat kon eisen. De juiste draagwijdte van deze regeling voor het intracommunautaire handelsverkeer in tafelwijn behoeft echter toelichting. Ten deze meen ik met de Commissie dat onderscheid moet worden gemaakt tussen het verkeer van wijn uit de Gemeenschap op het grondgebied van de verschillende Lid-Staten, en het rechtstreeks voor menselijke consumptie vrijgeven van deze wijn.
Met betrekking tot de toelating op het grondgebied van een importerende Lid-Staat van wijn uit een andere producerende Lid-Staat, kan uitsluitend het geleidecertificaat worden geëist, want anders zou de communautaire regeling van artikel 29 van verordening nr. 816/70 een dode letter blijven en zou het vrije verkeer van het produkt worden belemmerd.
Naleving van dit beginsel sluit echter niet uit dat de importerende Lid-Staat controlemaatregelen kan nemen, met name om zich ervan te vergewissen dat de geïmporteerde wijn inderdaad voor rechtstreekse menselijke consumptie kan worden gebruikt.
Deze controle kan plaatsvinden in alle handelsfasen, zowel bij de importeur als bij de detailhandelaar.
Dit wordt bevestigd in artikel nr. 9 van verordening nr. 1022/70, dat de Lid-Staten opdraagt wijn van oorsprong uit de Gemeenschap, die niet voor rechtstreekse menselijke consumptie is toegelaten, te onderwerpen aan een controle teneinde erop toe te zien dat de wijn voor de toegestane doeleinden wordt gebruikt.
Ook wanneer bij controle van geïmporteerde wijn, die in het geleidecertificaat als „tafelwijn” wordt gekwalificeerd, blijkt dat dit produkt de ingevolge verordening nr. 816/70 voor deze benaming vereiste kenmerken niet bezit, kan — en moet mijns inziens — de bevoegde instantie van de importerende Lid-Staat het gebruik ervan voor rechtstreekse menselijke consumptie verbieden. Daarentegen kan hij niet de invoer van het produkt verbieden.
Ik stel daarom voor op het tweede onderdeel van de vraag van de nationale rechter te antwoorden dat het vrije verkeer van tafelwijnen tussen Lid-Staten slechts is onderworpen aan de in het gemeenschapsrecht gestelde voorwaarden en niet aan nationale regelingen of gebruiken.
II — De tweede vraag
De tweede vraag stelt een moeilijker problematiek aan de orde. Zij geldt de regeling van het Franse rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte en met name of dit vermoeden in het intracommunautaire handelsverkeer van tafelwijnen van toepassing blijft.
In werkelijkheid gaat het erom of toepassing van deze regeling al dan niet een belemmering voor dat handelsverkeer vormt.
Dit vermoeden, dat berust op de vaststelling dat de verhouding tussen het alcoholgehalte en het gereduceerde droog extract van de wijn een bepaalde waarde overschrijdt, kan enerzijds niet los worden gezien van de zogenaamde methode bij 100o, die in Frankrijk ter vaststelling van deze verhouding wordt gebruikt, en anderzijds van de voorwaarden waaronder tegenbewijs kan worden geleverd.
Ik wil daarom achtereenvolgens drie vragen behandelen:
1.
Mogen de Lid-Staten nationale bepalingen toepassen om de naleving der communautaire bepalingen inzake oenologische procédés en analytische normen te controleren en te sanctioneren? Is ten deze een controlemaatregel bestaande in een rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte verenigbaar met de communautaire voorschriften?
2.
Zo ja, is dan de methode bij 100o, die in Frankrijk wordt gebruikt om de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract te bepalen, niet verboden bij verordening nr. 1539/71 van de Commissie tot vaststelling van de in de wijnsector toe te passen communautaire analysemethoden?
3.
Leiden de feitelijke omstandigheden waaronder het tegenbewijs tegen het rechtsvermoeden moet worden geleverd, bij wijn uit andere Lid-Staten dan Frankrijk niet tot het ontstaan van een belemmering voor het intracommunautaire handelsverkeer en geven zij aan het rechtsvermoeden niet een feitelijk onweerlegbaar karakter, zodat de toepassing ervan een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking is?
1.
In de eerste plaats komt het mij voor dat de Lid-Staten niet alleen gerechtigd, maar ook verplicht zijn alle noodzakelijke controlemaatregelen te nemen om naleving van de communautaire regeling te verzekeren en frauduleus gebruik van oenologische procédés op te sporen en tegen te gaan. Met name wat het verrijken van wijn betreft, is deze verplichting uitdrukkelijk neergelegd in artikel 9 van verordening nr. 1594/70 van de Commissie, luidende: „Tot de vaststelling van communautaire bepalingen ter zake treffen de Lid-Staten alle dienstige maatregelen om inachtneming van de voorschriften betreffende de verrijking, de aanzuring en de ontzuring te waarborgen.”
Artikel 39 bis van verordening nr. 816/70 omschrijft die verplichting in meer algemene termen: „De Lid-Staten nemen de nodige maatregelen om deze verordening te doen naleven”.
Ofschoon deze bepaling bij verordening nr. 2680/72 van 27 december 1972 aan de oorspronkelijke tekst is toegevoegd, is zij mijns inziens interpretatief van aard en bevestigt zij slechts een beginsel dat reeds aan de opzet van verordening nr. 816/70 inherent is. De Commissie beschikt overigens niet over de mogelijkheid deze controletaak zelf te verrichten; zij kan de Lid-Staten hoogstens voorschrijven daarbij bepaalde methoden te gebruiken.
Zoals wij zullen zien is de gemeenschapsregeling op dit punt nog verre van volledig. Ook hier deel ik derhalve de opvatting van de Commissie, dat het rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte, dat berust op de overschrijding van bepaalde waarden van de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract, door een Lid-Staat als controlemaatregel kan worden toegepast om te onderzoeken of er onregelmatige verrijking van wijn heeft plaatsgevonden.
In beginsel is het rechtsvermoeden niet onverenigbaar met het gemeenschapsrecht.
Anderzijds kunnen de Lid-Staten stellig geen maatregelen toepassen — zelfs niet bij de controle van wijn —, die op het intracommunautaire handelsverkeer een zelfde uitwerking zouden hebben als kwantitatieve beperkingen. Het Franse rechtsvermoeden berust op bepaalde waarden van de verhouding alcohol-droge stof, bij de overschrijding waarvan het vermoeden in werking treedt. De concreet vastgestelde waarden kunnen een wezenlijk element vormen bij een eventuele belemmering van het intracommunautaire handelsverkeer, in die zin namelijk dat zij, wanneer hoofdzakelijk afgestemd op de weersomstandigheden en de wijnbereiding in het eigen land, feitelijk uitlopen op benadeling van wijn uit andere Lid-Staten. Zoals bekend stelt artikel 8 van de Code du Vin de maximum verhoudingswaarde alcohol-droge stof voor rode wijn op 4,6. Ter zitting is opgemerkt dat, bijvoorbeeld in verband met de weersomstandigheden, die waarde bij op een bepaalde breedtegraad geproduceerde wijn groter kan zijn.
Ook is gesteld dat de in de Franse regeling genoemde waarden niet zijn aangepast aan de moderne snelle wijzen van wijnbereiding, die wegens de verminderde neerslag van bepaalde stoffen de verhouding alcohol-droge stof niet onaanzienlijk beïnvloeden.
Op deze beide argumenten kan stellig worden geantwoord — hetgeen de vertegenwoordiger van de Franse regering dan ook heeft gedaan — dat de voor het rechtsvermoeden gehanteerde waarden even zeer gelden voor wijnen uit de zuidelijke gebieden van de Gemeenschap als voor wijn uit Noord-Afrika, waar de Franse regeling lange tijd goed heeft gewerkt. Verder kan worden aangevoerd dat de Franse regeling zeer soepel is, omdat ingevolge een rondschrijven van de Minister van Landbouw van 1965 de drempel van 4,6 naar gelang van het permanganaatgehalte naar boven kan worden verlegd om rekening te houden met bepaalde wijzen van wijnbereiding. En vooral, zo zegt men, omdat het rechtsvermoeden geenszins onweerlegbaar is. De Franse overheid heeft ervoor gezorgd zowel de toepassing als de wijze waarop tegenbewijs kan worden geleverd, te versoepelen en aan te passen.
Het gaat hier echter om een technische discussie, waar het Hof zich buiten moet houden. Ik beperk mij dan ook tot de conclusie dat het rechtsvermoeden als zodanig een nationaal controlemiddel is, waartegen de huidige gemeenschapsregeling zich niet verzet; dat evenwel de maximum verhoudingswaarde alcohol-gereduceerd droog extract dusdanig moet worden vastgesteld en toegepast, dat geen discriminatie plaats vindt tussen binnenlandse wijn en wijn uit de andere Lid-Staten, omdat anders de toepassing van het rechtsvermoeden een belemmering van intracommunautair handelsverkeer zou kunnen vormen.
2.
Hoewel de Cour d'Appel te Aix- en-Provence daarom niet uitdrukkelijk heeft verzocht, is het naar mijn mening noodzakelijk in te gaan op de vraag op welke wijze de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract bij wijnen kan worden onderzocht, om te kunnen vaststellen of het rechtsvermoeden al dan niet van toepassing is.
De vraag is namelijk of het rechtsvermoeden — dat op zichzelf in abstracto niet onverenigbaar is met de gemeenschapsregeling — in concreto al dan niet kan worden toegepast.
Indien, enerzijds, inderdaad alleen de methode bij 100o, die voor het opsporen van frauduleuze verhoging van het alcoholgehalte wordt gebruikt, geschikt is om de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract te bepalen, en anderzijds — zoals partijen in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie beweren — de met deze methode verkregen resultaten niet kunnen worden omgezet in de resultaten van de densimetrische methode en vice versa, dan moet worden nagegaan of de gemeenschapsregeling de methode bij 100o toelaat. Zo niet, dan valt aan te nemen dat toepassing van het rechtsvermoeden niet doeltreffend, of zelfs zinloos is.
In verordening nr. 1539/71 van de Commissie zijn de communautaire analysemethoden vastgesteld die in de wijnsector moeten worden toegepast. Volgens de considerans der verordening moeten deze methoden verplicht zijn voor elke handelstransactie en elke controleverrichting. Dit wordt althans als doel vermeld. Maar om welke controle gaat het en waartoe moet zij dienen?
Het toepassingsgebied van deze verordening van de Commissie kan klaarblijkelijk niet ruimer zijn dan dat van verordening nr. 816/70. Ofschoon nu deze basisverordening een aantal oenologische procédés reglementeert of verbiedt — zonder overigens een uitputtende regeling te geven —, het probleem van de opsporing van en de controle op fraudes lost zij niet op. Ik heb er reeds op gewezen dat artikel 39 bis — bij verordening nr. 2680/72 aan de oorspronkelijke tekst toegevoegd — de Lid-Staten machtigt de nodige maatregelen te nemen om de bepalingen der verordening te doen naleven. Artikel 39 bis gaat echter verder en bepaalt dat de Raad zelf op communautair vlak de maatregelen vaststelt welke nodig zijn voor een uniforme toepassing van de bepalingen van de verordening, met name die inzake controle.
Wat frauduleuze praktijken betreft, voert de basisverordening zelf echter geen enkel communautair opsporings- en controlestelsel in. Verordening nr. 1539/71 van de Commissie heeft daarom slechts betrekking op de analysemethoden ter verificatie van de belangrijkste hoedanigheden en bestanddelen van wijn uit de Gemeenschap; zij kan niet worden uitgelegd in die zin dat zij methoden vaststelt voor de ontdekking en bestrijding van fraudes bij de wijnbereiding.
Bovendien verwijst de verordening voor de toepassing van de analysemethoden die zij opsomt, uitdrukkelijk naar het overzicht van de internationale analysemethoden voor wijnen, opgesteld in het kader van de Internationale Conventie voor de unificatie van de analyse- en beoordelingsmethoden voor wijnen van 1954.
Deze internationale methoden zijn echter niet bedoeld voor het opsporen van fraudes en vervalsingen, doch uitsluitend voor het bepalen van de bestanddelen van wijn. En ofschoon de bijlage van de verordening der Commissie voor de bepaling van het totale gehalte aan droge stof de densimetrische methode voorschrijft — een methode die alleen geschikt is om de som van de bestanddelen van wijn te bepalen —, vindt men er dan ook geen methode voor het vaststellen van de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract, het enige middel om frauduleuze verrijkingen te ontdekken.
De Commissie heeft trouwens in haar antwoord van 29 mei 1974 op een schriftelijke vraag in het Parlement erkend dat het gemeenschapsrecht op het gebied van de fraudecontrole een lacune bevat; zij verklaart immers op grond van artikel 39 bis van verordening nr. 816 de Raad voorstellen te willen doen betreffende gemeenschappelijke methoden of voorschriften inzake opsporing van de voorschriften met betrekking tot de oenologische procédés. Hieruit blijkt enerzijds dat de Commissie zichzelf onbevoegd acht om gemeenschappelijke methoden op het gebied van de controle vast te stellen, en anderzijds dat de bij verordening nr. 1539/71 vastgestelde analysemethoden op een ander vlak liggen of in elk geval niet toereikend zijn om fraudes op te sporen.
Voorts antwoordde de Commissie op 31 oktober 1974 op een andere schriftelijke vraag naar aanleiding van het aan de nationale rechter voorgelegd — of een soortgelijk — geval, dat „wat de instelling van een doeltreffend systeem ter bestrijding van overtredingen van het gemeenschapsrecht betreft, de Commissie te zamen met de Lid-Staten werkt aan een ontwerp voor „gemeenschappelijke regels” betreffende de bestrijding van door particulieren begane overtredingen op gebieden welke geregeld zijn in verordeningen, richtlijnen en beschikkingen van de Gemeenschappen”.
Ik meen derhalve dat verordening nr. 1539/71 van de Commissie, die niet betrekking heeft op alle methoden waarmee bestanddelen van wijn kunnen worden vastgesteld, zich niet verzet tegen het gébruik van de methode bij 100o overeenkomstig een nationale regeling van fraudebestrijding.
Subsidiair moet dan nog worden ingegaan op de vraag of het rechtsvermoeden van de Code du Vin Franse wijnhandelaren die communautaire wijnen invoeren, voor grotere moeilijkheden kan plaatsen dan de nationale wijnproducenten.
Dit vermoeden is rechtens niet onweerlegbaar, want artikel 8 van de Code du Vin laat tegenbewijs toe, dat wil zeggen door de vergelijking van de verschillende bestanddelen van de wijn, de smaak, de omstandigheden van de produktie en de plaats van herkomst kunnen de betrokkenen aantonen dat de wijn uitsluitend het produkt is van gisting van verse druiven.
Ter zitting is gesteld dat deze aan de wijnhandelaren opgelegde bewijslast neerkomt op een beperking van het vrije handelsverkeer binnen de Gemeenschap, aangezien het de betrokkenen in de praktijk zeer moeilijk zal vallen dit bewijs bij geïmporteerde wijnen te leveren.
Dit is blijkbaar ook de mening van de Cour d'Appel te Aix- en-Provence, die daaruit concludeert dat ernstig moet worden getwijfeld aan de verenigbaarheid van het Franse rechtsvermoeden met de gemeenschapsregeling.
Maar in het kader van een procedure overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag kan het niet de taak van de gemeenschapsrechter zijn zich met dit punt in te laten, dat niet slechts betrekking heeft op de uitlegging, doch ook op de feitelijke toepassing van het nationale recht.
Blijkens het arrest van 23 januari 1975 (zaak 51-74, Van der Hulst, Jurispr. 1975, blz. 92) kan het Hof in een procedure krachtens artikel 177 van het Verdrag geen uitspraak doen over zodanig punt, waarvoor, zoals trouwens ten aanzien van elke andere waardering van de feiten, de nationale rechter bevoegd is.
Ik wil hier slechts opmerken dat het hanteren van een rechtsvermoeden alleen toegelaten is wanneer is voldaan aan de volgende voorwaarden:
1.
De fraudebestrijdingsdienst moet bij de toetsing der resultaten van het onderzoek aan de vereiste specificaties rekening houden met de toegestane afwijkingen, en met name met de herkomst van de wijn.
2.
De belanghebbenden, wijnproducenten dan wel -handelaren, moeten de mogelijkheid hebben tegen de besluiten van deze dienst op te komen.
3.
Het moet mogelijk zijn een nieuw onderzoek te verrichten.
4.
Tenslotte dienen alle belanghebbenden zonder onderscheid gelijke praktische mogelijkheden voor het leveren van tegenbewijs te hebben.
Dit laatste is niet het geval indien het tegenbewijs voor handelaren die regelmatig in een Lid-Staat in het verkeer gebrachte tafelwijn importeren, moeilijker is dan voor producenten of handelaren in binnenlandse tafelwijn (arrest van 11 juli 1974, zaak 8-74, Dassonville, Jurispr. 1974, blz. 852).
Indien de methode waarop het rechtsvermoeden is gebaseerd, of de wijze waarop het wordt gehanteerd, vanwege de moeilijkheden bij het leveren van tegenbewijs discriminerend zou werken dan wel zou neerkomen op een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking, dan is het eventueel de taak van de Commissie een procedure wegens nalaten tegen de betrokken Lid-Staat in te leiden, respectievelijk dienen de nationale rechterlijke instanties — behoudens toepassing van artikel 177 — de rechten van de betrokken handelaren te handhaven.
In het kader van het onderhavige beroep acht ik het uitgesloten dat het Hof zich in de plaats van deze autoriteiten zou stellen.
Ik concludeer derhalve dat het Hof verklare voor recht:
1.
Om de communautaire benaming „tafelwijn” te mogen dragen, is het voldoende dat de in 's Raads verordening nr. 816/70 bedoelde wijnen voldoen aan de analytische normen van bijlage II, punt 10, dier verordening.
2.
Voor toelating tot het vrije handelsverkeer tussen de Lid-Staten is voorts voldoende dat de wijn wordt gedekt door een zogenaamd „geleidecertificaat”, zoals ten tijde van de invoer der onderhavige, uit Italië afkomstige tafelwijnen, was voorgeschreven bij verordening nr. 1022/70 van de Commissie.
3.
Voor toelating voor rechtstreekse menselijke consumptie op het grondgebied van een Lid-Staat moet een tafelwijn voldoen aan de nationale voorschriften op het gebied van de controle en bestrijding van fraude; noch 's Raads verordening nr. 816/70, noch de ter uitvoering daarvan vastgestelde teksten verbieden dat een Lid-Staat daartoe gebruik maakt van een rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte, gebaseerd op de verhouding alcohol-gereduceerd droog extract.
4.
Voor de bepaling van deze verhouding verbiedt verordening nr. 1539/71 van de Commissie niet het gebruik van de analysemethode bij 100o.
5.
Toepassing van het nationale rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte — met name in verband met de gestelde maximum verhoudingswaarden alcohol-gereduceerd droog extract en de vereisten waaraan het tegenbewijs moet voldoen —, mag niet leiden tot feitelijke discriminatie tussen handelaren noch een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking opleveren.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy