CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 18 JUNI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Anselmetti, verzoeker in het geding dat tot de vandaag te behandelen vragen heeft geleid, is van Italiaanse nationaliteit Vanaf 1958 was hij in België in loondienst werkzaam — blijkbaar als mijnwerker — en woonde hij met zijn gezin in die Lid-Staat. In december 1963 werd hij ziek en is sindsdien arbeidsongeschikt bevonden. Derhalve ontvangt hij een invaliditeitsuitkering overeenkomstig het Belgische recht, op de bijzonderheden waarvan ik nog zal terugkomen.
Bovendien ontvangt hij — en daarop komt het hier in de eerste plaats aan — kinderbijslag krachtens Belgisch recht. Aanvankelijk kreeg hij de gewone kinderbijslag, na enige tijd de verhoogde. Dit laatste is blijkbaar het geval geweest tot november 1965, dat wil zeggen tot het tijdstip waarop Anselmetti met zijn gezin terugkeerde naar Italië, waar hij thans woont. Vanaf dat tijdstip werd hem weer de gewone Belgische kinderbijslag betaald, waarschijnlijk op basis van artikel 40 van verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, luidende:
„Een werknemer… werkzaam op het grondgebied van een Lid-Staat, die kinderen heeft die op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig zijn dan wel daar worden opgevoed,' heeft voor deze kinderen recht op kinderbijslag overeenkomstig de wettelijke regeling van eerstgenoemde Staat tot ten hoogste het bedrag van de bijslagen welke ingevolge de wettelijke regeling van laatstgenoemde Staat worden verleend.”
Eerst vanaf 1 oktober 1972, dat wil zeggen sedert het in werking treden van verordening nr. 1408/71 (PB 1971, L 149), die in de plaats is gekomen van verordening no. 3, werd de verhoogde kinderbijslag weer uitgekeerd, kennelijk met een beroep op de geest van de nieuwe verordening.
Daar Anselmetti het niet eens was met de tijdelijke verlaging van de kinderbijslag, wendde hij zich tot de Arbeidsrechtbank te Charleroi; toen deze zijn vordering afwees, ging hij in beroep bij het Arbeidshof te Brussel.
Verzoeker meent dat artikel 40 van verordening nr. 3 ten onrechte op hem is toegepast. In feite zou deze bepaling slechts voor werknemers in actieve dienst gelden. Bovendien meent hij zich te unnen beroepen op artikel 10 van verordening nr. 3, dat discriminatie op grond van woonplaats verbiedt.
Verweerster is daarentegen van mening dat artikel 40 terecht is toegepast. Tijdvakken van invaliditeit zouden namelijk als arbeidstijdvakken moeten gelden en invaliditeitsuitkeringen zouden kunnen worden ingetrokken wanneer de arbeidsongeschiktheid beneden een bepaald percentage komt te liggen. In ieder geval zou artikel 42 — op grond waarvan degene die slechts krachtens de wettelijke regeling van één Lid-Staat pensioengerechtigd is en op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont, aanspraak kan maken op kinderbijslag overeenkomstig de wettelijke regeling van de Staat die het pensioen is verschuldigd, alsof hij in deze Staat woonde — slechts toepassing kunnen vinden bij renten en pensioenen van duurzame aard.
Bij arrest van 20 december 1974 schorste de beroepen rechter op voorstel van verzoeker het geding en verzocht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing inzake de volgende vragen:
1.
Hebben de artikelen 10 en 42 (het laatste zoals vervangen door verordening nr. 1/64) van verordening nr. 3 met de term „rechthebbenden op een pensioen of rente” mede op het oog de migrerende werknemer die recht heeft op hetgeen in België wordt genoemd een „invaliditeitsuitkering” overeenkomstig artikel 53 van de Belgische wet van 9 augustus 1963 inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering, bedoeld in bijlage F van verordening nr. 3?
2.
Zo neen, onderstellen de aan verordening nr. 3 ten grondslag liggende grondbeginselen van verkregen rechten enerzijds en van het vrije verkeer van migrerende werknemers anderzijds, dat in geval van toepassing van de artikelen 40 en 41 dier verordening de afwijkende wettelijke regeling van een Lid-Staat niet aan betrokkene kan worden tegengeworpen?
Alvorens deze vragen te bespreken zou ik — als gezegd — in het kort willen nagaan hoe de situatie in België rechtens ligt.
De Belgische wet van 9 augustus 1963 inzake de ziekte- en invaliditeitsverzekering kende na het intreden van de arbeidsongeschiktheid eerst een primaire ongeschiktheidsuitkering gedurende een jaar toe. Vervolgens werd gedurende twee jaar een uitkering wegens voortdurende arbeidsongeschiktheid betaald, die kennelijk voor de toepassing van internationale overeenkomsten als invaliditeitsuitkering moest worden beschouwd. Aansluitend kwam verzekerde in het genot van een invaliditeitsuitkering, en wel voor mannen tot 65 en voor vrouwen tot 60 jaar, dat wil zeggen tot het tijdstip waarop het ouderdomspensioen ervoor in de plaats kwam. Bij wet van 27 juni 1969, in werking getreden op 1 januari 1970, werd de uitkering wegens voortdurende ongeschiktheid afgeschaft. Sindsdien wordt bij arbeidsongeschiktheid reeds na een jaar een invaliditeitsuitkering toegekend. In beginsel wordt vanaf het tijdstip van betaling van de invaliditeitsuitkering verhoogde kinderbijslag uitgekeerd; daarom was verzoeker in het hoofdgeding dan ook reeds vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 1408/71 enige tijd in het genot van deze verhoogde bijslag.
Het Arbeidshof te Brussel wil nu in de eerste plaats antwoord op de vraag of tot de in de artikelen 10 en 42 van verordening nr. 3 genoemde pensioengerechtigden ook behoren migrerende werknemers die — zoals verzoeker — in België in het genot zijn gesteld van een invaliditeitsuitkering, dat wil zeggen een uitkering van het type A in de zin van artikel 24 van verordening nr. 3, die los van de duur van het vervulde verzekeringstijdvak wordt berekend. Anders gezegd moet worden gedefinieerd, wat onder pensioen in de zin van de genoemde bepalingen dient te worden verstaan.
Na hetgeen met name door de Commissie hieromtrent is betoogd, lijkt mij de oplossing van dit probleem niet moeilijk.
Zo heeft de Commissie mijns inziens overtuigend aangetoond, dat verweersters argument, dat de Belgische invaliditeitsuitkering naar haar aard compensatoir is, niet ter zake is, aangezien dit immers voor de gehele sociale verzekering geldt.
Voorts behoeven renten of pensioenen niet per se van blijvende aard te zijn. In dit verband is wellicht interessant dat naar Luxemburgs recht ook bij niet- blijvende invaliditeit uitdrukkelijk een invaliditeitspensioen wordt toegekend.
Dat bij verandering van de feitelijke omstandigheden uitkeringen kunnen worden ingetrokken, dwingt voorts niet tot de conclusie dat die uitkeringen geen pensioenen kunnen zijn. In dit verband zij erop gewezen dat bij voorbeeld weduwepensioenen slechts worden uitbetaald zolang de gerechtigde niet hertrouwt. Niettemin worden zij in titel III van verordening nr. 3 in het derde hoofdstuk, dat uitdrukkelijk op pensioenen betrekking heeft, als pensioenen aan nagelaten betrekkingen omschreven.
Derhalve dient — en hierin moet men de Commissie gelijk geven — alleen de lange duur der omstandigheden waarop de uitkering berust, als doorslaggevend criterium voor het begrip „rente” of „pensioen” te worden beschouwd. Het kenmerk van een pensioen is dat het een duurzame uitkering is, dat wil zeggen een uitkering die wordt betaald zolang de omstandigheden ongewijzigd blijven.
Evenals overeenkomstige uitkeringen in andere Lid-Staten, die uitdrukkelijk als pensioenen worden aangemerkt, valt de Belgische invaliditeitsuitkering dus stellig onder het begrip „rente” of „pensioen”, hetgeen derhalve tijdens de geldigheidsduur van verordening nr. 3 de toepasselijkheid medebracht van artikel 42 dezer verordening, bepalende dat vestiging van de woonplaats in een andere Lid-Staat niet van invloed mocht zijn op het bedrag van de kinderbijslag.
In verband met de desbetreffende formulering van de gestelde vraag zou men in navolging van de Commissie hieraan nog kunnen toevoegen dat het feit dat in artikel 24 en bijlage F van verordening nr. 3 slechts sprake is van uitkeringen bij invaliditeit, niet relevant is. Hieruit immers mag stellig niet worden geconcludeerd dat verordening nr. 3 geen bepalingen over invaliditeitspensioenen bevatte. Verordening nr. 3 niet toepasselijk te achten op regelingen betreffende invaliditeitspensioenen zou namelijk niet overeenkomen met haar algemene opzet, evenmin als met de geest van artikel 51 EEG-Verdrag, dat trouwens ook slechts van uitkeringen spreekt. Ik deel dan ook de opvatting van de Commissie dat „uitkeringen” kennelijk een algemeen begrip is, dat stellig — zoals uit de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 28 blijkt — ook pensioenen omvat. Dit begrip en het gebruik daarvan in artikel 24 alsmede in bijlage F van verordening nr. 3 verzet zich er dus niet tegen dat de Belgische invaliditeitsuitkering als pensioen wordt gekwalificeerd.
Aldus is het mijns inziens duidelijk hoe de eerste vraag van het Arbeidshof moet worden beantwoord. Aanvullende argumenten zijn daartoe niet nodig. Dit geldt in de eerste plaats voor de opmerking van de Italiaanse Regering, dat de invaliditeitsuitkering volgens verordening nr. 1408/71 zonder enige wijziging in de Belgische rechtstoestand als pensioen wordt beschouwd, hoewel artikel 77 van verordening nr. 1408/71 niet wezenlijk anders luidt dan artikel 42 van verordening nr. 3. Dit geldt echter ook voor de opmerking van verzoeker, dat het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de invaliditeitsuitkering als een pensioen beschouwt, waaraan de conclusie wordt verbonden dat er geen redelijke grond bestaat voor een andere kwalificatie door de kinderbijslagkas. Niettemin kunnen deze opmerkingen mijn opvatting bevestigen.
Waar deze uitkomst zo voor zichzelf spreekt, komt het mij overbodig voor in te gaan op de tweede vraag, die slechts subsidiair is gesteld voor het geval de eerste ontkennend zou worden beantwoord. Met name kan dus in het midden blijven of — zoals de Italiaanse Regering meent — een zelfde resultaat kan worden afgeleid uit verordening nr. 1612/68 (PB 1968, L 257) en het daarin gebezigde begrip „sociale voordelen”.
Ik stel derhalve voor de vragen van het Arbeidshof te Brussel te beantwoorden als volgt:
Volgens verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers behoren tot de rechthebbenden op een pensioen of rente in de zin van de artikelen 10 en 42 de migrerende werknemers die recht hebben op een invaliditeitsuitkering, voor zover deze, gelet op de blijvende aard der omstandigheden waarop de toekenning berust, het karakter van een pensioen heeft.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy