CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 23 OKTOBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is in zekere zin een vervolg op zaak 79-74. Voor de feiten kan ik derhalve met enkele opmerkingen volstaan.
De aanleiding voor beide gedingen was dat het Europees Parlement had besloten bij het Directoraat-generaal Commissies en Interparlementaire Delegaties een post in de rang A 3 te doen bezetten. Eén der vereisten hiervoor was een grondige kennis van de Engelse taal.
Op deze grond had de heer Küster, een ambtenaar in de rang A 4 bij het Europees Parlement, reeds tegen de eerste handeling in de voorzieningsprocedure, aankondiging nr. 1059, beroep ingesteld. Dit was de zaak 79-74. Naar is gebleken, heeft hij daarmee geen succes gehad. Het Hof heeft bij arrest van de Eerste Kamer van 19 juni 1975 uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de verlangde taalkennis gerechtvaardigd en in het belang van de dienst was.
Reeds voor de afloop van dit geding is het Parlement van de eerste fase in de voorzieningsprocedure — dat wil zeggen volgens artikel 29 Statuut het onderzoek van de mogelijkheden tot bevordering en overplaatsing — naar de tweede overgegaan door de aankondiging van intern vergelijkend onderzoek nr. A 50.
De heer Küster heeft daaraan deelgenomen. Eveneens heeft hij echter, na vruchteloos te hebben geklaagd over de opening van het vergelijkend onderzoek, andermaal beroep bij het Hof ingesteld en daarmee de onderhavige procedure aanhangig gemaakt. Naar zijn mening had dit intern vergelijkend onderzoek niet mogen worden ingeleid. In zijn beroepschrift concludeert hij dienovereenkomstig.
Het gewraakte vergelijkende onderzoek is intussen overigens afgesloten. Hoewel de heer Küster door de jury op de lijst van geschikte kandidaten werd geplaatst, werd een ander benoemd, en wel — anders dan verzoeker aanvankelijk veronderstelde — niet een ambtenaar van Britse of Ierse maar van Nederlandse nationalitiet.
In juridisch opzicht is van het oorspronkelijk onderwerp van geschil in deze zaak nog maar een deel overgebleven.
Het Parlement heeft op grond van het arrest in de zaak 79-74 zijn ontvankelijkheidsbezwaren teruggenomen. Men zou zeggen terecht, want de aanvankelijke stelling van het Parlement, dat verzoeker voor zijn grieven met één beroep had kunnen volstaan, was niet houdbaar, omdat het pas in het onderhavige tweede geding mogelijk is zich te beklagen over een schending van artikel 29, lid 1, sub a), van het Ambtenarenstatuut.
Ook verzoeker heeft, eveneens op grond van het arrest in de zaak 79-74, een deel van zijn aanvankelijke grieven laten vallen. Ook hier terecht, want als het bezwaar tegen de eis van grondige kennis van het Engels niet opgaat in de eerste fase van de voorzieningsprocedure, zal uiteraard hetzelfde gelden in de tweede fase van het intern vergelijkend onderzoek.
Resten dan nog twee grieven: schending van artikel 29, lid 1, sub a, van het Ambtenarenstatuut en misbruik van bevoegdheid.
Wat het eerste betreft, zegt verzoeker dat hij bij herhaling geschikt voor bevordering was bevonden en ook bij het vergelijkend onderzoek A/50 op de lijst van geschikte kandidaten was geplaatst. Hij kwam derhalve onbetwist in aanmerking voor bevordering, waarmee ingevolge artikel 29 Statuut rekening had moeten worden gehouden. Het had er echter alle schijn van dat de mogelijkheid van bevordering in dit geval niet eens was onderzocht. In ieder geval heeft het Parlement geen feitelijke gronden kunnen aanvoeren voor het negeren van verzoekers bevorderingsmogelijkheden.
Deze zelfde grief heeft verzoeker reeds in de zaak 79-74 voorgedragen. In mijn conclusie heb ik toen uiteengezet hoe artikel 29, lid 1, sub a, van het Statuut moet worden gelezen. Ik blijf daarbij. Intussen heeft het Hof arrest gewezen, waaruit duidelijk blijkt dat, wanneer een aantal personen voor bevordering in aanmerking komt, het tot aanstelling bevoegde gezag in het belang van de dienst en ter wille van de objectiviteit heel wel kan besluiten tot een intern vergelijkend onderzoek.
Mij dunkt dat alleen al op deze grond de onderhavige grief negatief is te beoordelen. Het Parlement heeft in zijn verweer namelijk uitdrukkelijk verwezen naar de bedoelde motivering van het arrest. Men mag derhalve aannemen dat het met de feiten in de onderhavige zaak gelijkelijk gesteld is als in de zaak 23-74, dat wil zeggen dat er voor de vacature blijkbaar verschillende „bevorderbare” kandidaten waren. Onder die omstandigheden is het echter niet te laken doch veeleer juist te achten dat het Parlement niet volgens de eerste statutaire modaliteit in deze post heeft voorzien, maar voor een objectieve vergelijking der kandidaten een vergelijkend onderzoek heeft uitgeschreven.
Zou men deze overweging niet toereikend vinden, bijvoorbeeld omdat het Parlement zich niet nader heeft uitgelaten over de samenstelling van de groep sollicitanten, dan is er nog een ander alleszins steekhoudend punt, namelijk de tegenwerping van het Parlement dat het onderzoek van de mogelijkheden tot bevordering — ingevolge artikel 29, lid 1, sub a — geen bevredigende resultaten had opgeleverd. Men mag immers niet vergeten dat bij de voorziening in een vacature door bevordering ook de aan de post verbonden eisen een rol spelen. In dit geval was dit luidens de aankondiging een grondige kennis van het Engels. Zo gezien en tegen de achtergrond zoals die ons werd geschilderd, lijkt het niet zo vreemd dat het niet mogelijk was reeds in het kader van de bevorderingsprocedure, dus op grond van verzoekers sollicitatie en persoonsdossier, vast te stellen dat verzoeker aan die eisen voldeed. In het inleidend verzoekschrift in de onderhavige zaak wordt met betrekking tot verzoeker namelijk alleen gesproken van een „goede actieve en passieve kennis van het Engels” (blz. 2) en een „vrij uitgebreide kennis van het Engels” (blz. 5). Dit komt overeen met verzoekers beweringen in de voorgaande zaak 79-74. Op blz. 2 van het verzoekschrift wordt gezegd: „Volgens aankondiging nr. 1059 zou in de vacature worden voorzien door bevordering of overplaatsing, hoewel het toch bekend was dat er geen enkele daarvoor in aanmerking komende kandidaat was, die de vereiste grondige kennis van het Engels had.” Op blz. 4 van de memorie van repliek wordt na de verklaring dat verzoeker een „goede kennis van het Engels” bezit, de vraag gesteld, of hij zonder voltooide universitaire studie van deze taal kan staande houden dat hij hiervan een grondige kennis heeft. — Even veelzeggend zijn de gereserveerde verklaringen in verzoekers sollicitatie van 2 april 1974 en de van hem afkomstige gegevens in het ingevolge artikel 43 Statuut opgestelde beoordelingsrapport van 5 december 1973. In de sollicitatie wordt alleen gezegd dat verzoeker sinds 1959 alle talen — bedoeld zijn alle officiële talen behalve Deens — in woord en geschrift heeft gebezigd. Verzoeker merkt in zijn commentaar op zijn beoordelingsrapport ten aanzien van de andere officiële talen — dat wil zeggen uitgezonderd Deens en Frans — slechts op dat hij bij zijn werkzaamheden sedert 1959 de gelegenheid had die te gebruiken.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij het Parlement ondanks verzoekers geschiktheid voor bevordering niet bereid was alleen op grond van de bestaande en in verzoekers persoonsdossier opgenomen gegevens te besluiten door bevordering in de vacature te voorzien, doch de voorkeur gaf aan een intern vergelijkend onderzoek, waarbij met name ook de taalkennis in een mondelinge test kon worden getoetst.
Men kan derhalve geenszins staande houden dat de aankondiging van het intern vergelijkend onderzoek wegens miskenning van artikel 29, lid 1, sub a, Statuut nietig moet worden verklaard.
Wat thans nog het misbruik van bevoegdheid betreft, dienen na het arrest in de zaak 79-74 twee omstandigheden die verzoeker als aanwijzingen wil doen gelden, buiten beschouwing te blijven. En wel ten eerste het feit dat voor de vacante post een grondige kennis van het Engels werd verlangd, en ten tweede de beweerde uitlating van een hoge ambtenaar van het Parlement, dat de post voor een Engelsman was bestemd.
Voor verzoekers stelling blijven aldus nog slechts twee punten over, namelijk dat verzoeker niet aan de beurt kwam bij de bezetting van een A 3 post, ondanks zijn gunstige beoordelingsrapporten ex artikel 43 Statuut en zijn plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten bij drie vergelijkende onderzoeken, en voorts dat de aankondiging van vacature weliswaar voorzag in een mondelinge toetsing van de talenkennis en van de overige voor deze post verlangde kennis, maar dat de talenkennis met slechts maximaal 10 punten werd gehonoreerd, terwijl voor diploma's maximaal 40 punten en voor andere kennis maximaal 30 punten konden worden behaald.
Ten aanzien van het eerste punt kan eigenlijk worden volstaan met een verwijzing naar de uitspraken van het Hof, volgens welke het passeren van een kandidaat bij bevorderingsprocedures niet kan worden aangevochten, en de bevinding dat verzoeker bij de vergelijkende onderzoeken niet aan de beurt kwam, omdat de voorkeur werd gegeven aan beter geslaagde kandidaten. Enig misbruik van bevoegdheid is hierin niet te zien.
Bij het tweede punt heeft het Parlement zwaar aangeleund aan het arrest in de zaak 23-74. Volgens dit arrest kan in het onderhavige verband slechts sprake zijn van misbruik van bevoegdheid, indien de voor het vergelijkend onderzoek vastgestelde criteria tot een willekeurige benadeling van kandidaten leiden. Op dit terrein is er dan ook een ruime beoordelingsvrijheid, welke pas wordt overschreden indien bedoeld bewijs kan worden geleverd. Hier is dit mijns inziens zeker niet het geval. Het lijkt mij althans niet kennelijk onredelijk, dat bij een vergelijkend onderzoek aan de bewijsstukken en de zaakkennis van de sollicitanten meer gewicht wordt toegekend dan aan de talenkennis.
Ook de grief over misbruik van bevoegdheid kan verzoeker derhalve niet baten.
Samenvattend concludeer ik mitsdien tot ongegrondverklaring van het beroep en tot de in deze gevallen gebruikelijke beslissing inzake de kosten overeenkomstig artikel 70 Reglement procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy