CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 9 JULI 1975 ( 1 )
Mijnheer de President
mijne heren Rechters,
In deze zaak verzoekt de Pretore te Enna, Sicilië, U om een prejudiciële beslissing.
Verzoekers in het hoofdgeding zijn een aantal Italiaanse werknemers die na in de Bondsrepubliek Duitsland te hebben gewerkt daar werkloos zijn geworden en naar Italië zijn teruggekeerd. Daar zij ook in Italië zonder werk bleven, vroegen zij een werkloosheidsuitkering aan bij het betrokken Italiaanse orgaan, het Istituto Nazionale della Previdenza Sociale, de verweerder in het hoofdgeding.
Verzoekers menen op deze uitkering aanspraak te kunnen maken, daar zij zouden voldoen aan de voorwaarden van de betrokken Italiaanse wettelijke regeling, met name artikel 19 van Koninklijk Wetsdecreet nr. 636 van 14 april 1939, dat luidt:
„In geval van onvrijwillige werkloosheid door gebrek aan werk, heeft de verzekerde die kan aantonen ten minste twee jaar verzekerd te zijn geweest en in de loop van de twee jaren voorafgaande aan de aanvang van het tijdvak van werkloosheid tenminste een jaar premie te hebben betaald, recht op een daguitkering naar rata van het premiebedrag dat voor werkloosheidsverzekering werd betaald gedurende het laatste premiejaar vóór het verzoek om uitkering.”
Of verzoekers, dan wel een hunner, inderdaad aan deze voorwaarden voldoen, liet de Pretore tot dusver in het midden.
De aanvragen van verzoekers om een werkloosheidsuitkering werden door verweerder afgewezen op grond van artikel 69 van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971. Zoals bekend, is dit de thans geldende verordening betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen. Zij steunt op artikel 51 EEG-Verdrag. Artikel 69 dier verordening gaat over werklozen die zich naar een andere Lid-Staat dan de „bevoegde” begeven. De term „bevoegde staat” wordt in artikel 1, sub q), van de verordening gedefinieerd onder verwijzing naar de definitie van het „bevoegd orgaan” in artikel 1, sub c). Een analyse van deze definities is echter niet nodig, daar niet betwist wordt dat „de bevoegde Staat” in casu de Bondsrepubliek Duitsland was, zijnde de Lid-Staat waar verzoekers het laatst werkzaam en verzekerd waren.
Artikel 69 nu bepaalt dat de werkloze werknemer die recht heeft op uitkering krachtens de wettelijke regeling van de bevoegde Staat en zich naar een of meer andere Lid-Staten begeeft om aldaar werk te gaan zoeken, het recht op deze uitkering onder zekere voorwaarden en beperkingen behoudt. Eén dezer voorwaarden is dat „hij voor zijn vertrek gedurende ten minste vier weken na de aanvang van zijn werkloosheid als werkzoekende ingeschreven dient te zijn geweest en ter beschikking van de diensten voor arbeidsbemiddeling van de bevoegde Staat dient te zijn gebleven” (PB nr. L 149 van 5.7. 1971, blz. 2). De bevoegde diensten of organen kunnen hem evenwel toestemming geven vóór het verstrijken van die termijn te vertrekken.
Verweerder heeft de aanvragen van verzoekers afgewezen, omdat zij vóór die vier weken om waren, zonder toestemming uit Duitsland waren vertrokken.
Naar het schijnt, heeft een der partijen — welke is niet duidelijk — voor de Pretore eveneens de vraag opgeworpen of artikel 71 van verordening nr. 1408/71 hier niet speelt. Dit artikel gaat over „werklozen die tijdens het verrichten van hun laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonden.” Het artikel verdeelt dergelijke werknemers in twee categorieën, „grensarbeiders” en anderen, met verschillende regelingen. Verweerder betoogde voor de Pretore dat met deze „anderen” slechts waren bedoeld seizoenarbeiders, werknemers bij het internationaal vervoer, handelsreizigers en diplomatiek personeel, die, ofschoon werkzaam in het buitenland, hun woonplaats in hun eigen land behielden.
Wat daarvan zij, de Pretore heeft Uw Hof twee vragen voorgelegd. In de eerste plaats verzoekt hij U de term „grensarbeider” in artikel 71 nader te verklaren. In zijn verwijzingsbeschikking spreekt hij van „lavoratore giornaliero” (dagloner), maar hiermede — daarover zijn zowel verweerder als de Commissie het eens (verzoekers hebben geen opmerkingen bij Uw Hof ingediend) — is kennelijk „lavoratore frontaliero” bedoeld, aangezien in artikel 71 nergens sprake is van „lavoratore giornaliero”. In de tweede plaats vraagt de Pretore „of artikel 69 dat een wachttijd van vier weken voorschrijft, bij niet-inachtneming daarvan de werknemer uitsluit van het recht op verkrijging van de werkloosheidsuitkering van de Lid-Staat waartoe hij behoort”.
Voor Uw Hof betoogde verweerder, alvorens op de zaak zelf in te gaan, dat deze vragen niet-ontvankelijk zijn daar hun relevantie ervan afhangt of verzoekers onder Italiaans recht eigenlijk wel aanspraak kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen. Volgens verweerder had de Pretore eerst die vraag moeten beantwoorden. Ik ben het hiermede niet eens. Mij dunkt dat de Pretore — alvorens dit punt van Italiaans recht te beantwoorden — wel degelijk zijn problemen van gemeenschapsrecht aan het Hof mocht voorleggen. Niemand kan zeggen dat deze vragen kennelijk irrelevant zijn, hetgeen de enige grond is waarop Uw Hof een antwoord zou kunnen weigeren — zie o.m. zaak 13-68, Salgoil (Jurispr. 1968, blz. 631).
Wat nu de vragen van de Pretore betreft, zou ik willen beginnen met de tweede, over de werking van artikel 69.
In deze zaak doet zich het merkwaardige feit voor dat verweerder, die voor de Pretore betoogde dat artikel 69 een werkloze die niet aan de voorwaarden van dat artikel voldoet, niet alleen uitsluit van werkloosheidsuitkeringen in de „bevoegde Staat”, maar ook van enigerlei uitkering waartoe hij anders in een andere Staat gerechtigd zou zijn, voor Uw Hof blijk gaf van de tegenovergestelde opvatting, die ook door de Commissie naar voren is gebracht.
Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat de opvatting die nu dus door verweerder en de Commissie wordt gedeeld en uiteraard door verzoekers ten overstaan van de Pretore werd bepleit, de juiste is. Daartoe lijkt het mij zelfs niet nodig te verwijzen naar het algemeen bekende beginsel, neergelegd in tal van Uw arresten, dat de door de Raad op grond van artikel 51 EEG-Verdrag vastgestelde verordeningen slechts tot gevolg kunnen hebben dat aan migrerende werknemers en hun gezinsleden rechten worden toegekend die zij alleen onder de nationale wettelijke regeling niet zouden hebben gehad — of meer rechten dan zij daaronder zouden hebben gehad —, maar niet dat rechten die zij ingevolge een dergelijke wettelijke regeling hebben, hun worden ontnomen. Mijns inziens blijkt bij lezing van artikel 69 al dadelijk dat dit alleen gaat over de voorwaarden (en beperkingen) waaronder een werkloze die zich naar een andere Lid-Staat begeeft, zijn rechten in de „bevoegde Staat” behoudt, maar geenszins over zijn rechten in een andere Staat.
Zulks brengt mijns inziens niet mee, zoals werd gesuggereerd, dat op grond van de verdragsbeginselen van gelijkheid van behandeling en non-discriminatie iedere werkloze migrerende werknemer die onderdaan is van een andere Lid-Staat dan Italië en zich naar dit land zou begeven, daar zonder meer aanspraak zou kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen. Wel is Italië een der Lid-Staten waar de wetgeving niet discrimineert tussen personen op grond van nationaliteit (zie RDL nr. 1827 van 4 oktober 1935). In het geval van dergelijke Lid-Staten zijn de antidiscriminatiebepalingen van het Verdrag in zekere zin pro tanto overbodig. Het punt is echter dat de Italiaanse wet, zoals gezegd, een aanspraak op werkloosheidsuitkering afhankelijk stelt van minimum tijdvakken van arbeid en premieplichtige verzekering in Italië. Dit is uiteraard ook zo in andere Lid-Staten. Derhalve is er hier geen sprake van een vrijbrief voor uitkering-zoekers binnen de Gemeenschap.
Wat artikel 71 van verordening nr. 1408/71 betreft, houde men voor ogen dat de Pretore Uw Hof slechts één vraag stelt, die uitsluitend slaat op het eerste lid, sub a), van dat artikel, dat over „grensarbeiders” gaat. Gevraagd wordt te term „grensarbeider” nader te verklaren.
Dit is niet moeilijk omdat die term is omschreven in artikel 1, sub b), van de verordening, luidende:
„wordt onder, grensarbeider' verstaan: iedere werknemer die werkzaam is op het grondgebied van een Lid-Staat en woont op het grondgebied van een andere Lid-Staat, waarheen hij in beginsel dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeert; de grensarbeider die door de onderneming waaraan hij normaal is verbonden, op het grondgebied van dezelfde of een andere Lid-Staat wordt gedetacheerd, behoudt echter gedurende een tijdvak van ten hoogste vier maanden de hoedanigheid van grensarbeider, ook al kan hij tijdens de detachering niet dagelijks of ten minste eenmaal per week terugkeren naar zijn woonplaats” (PB nr. L 149 van 5.7. 1971, blz. 2).
In de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen en ook tijdens de mondelinge behandeling is — deels door Uw eigen toedoen — gediscussieerd over de toepasselijkheid op verzoekers van artikel 71, lid 1, sub b), dat gaat over het geval van een werknemer die geen grensarbeider is en tijdens het verrichten van zijn laatste werkzaamheden op het grondgebied van een andere dan de bevoegde Lid-Staat woonde. In het bijzonder rees de vraag of verzoekers zich konden beroepen op artikel 71, lid 1, sub b), (ii), dat een dergelijke werknemer onder bepaalde omstandigheden recht geeft op werkloosheidsuitkering in het land waar hij woont. Het antwoord op die vraag hangt voor ieder der verzoekers grotendeels ervan af of hij bij zijn werkzaamheden in Duitsland „woonde” in Italië, hetgeen uiteraard weer afhangt van wat in dit verband onder „wonen” wordt verstaan. Hierover maakte de Commissie enkele opmerkingen waarmee ik het in grote lijnen eens ben; zij sprak in dit verband over een besluit — waarop de aandacht was gevestigd door verweerder — van de administratieve commissie van de Europese Gemeenschappen voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers betreffende de strekking van artikel 71, lid 1, sub b), (ii), namelijk besluit nr. 94 van 24 januari 1974 (PB nr. C 126 van 17.10. 1974, blz. 22). Daar de Pretore echter geen vraag over dit onderwerp stelt, lijkt mij niet dat U hierop hoeft in te gaan.
Samenvattend concludeer ik dat op de eerste vraag worde geantwoord overeenkomstig artikel 1, sub b), van verordening nr. 1408/71 en op de tweede vraag dat artikel 69 dier verordening slechts gaat over de voorwaarden (en beperkingen) waaronder een werknemer een werkloosheidsuitkering in de bevoegde Lid-Staat kan verkrijgen, en niet afdoet aan zijn recht op een dergelijke uitkering in een andere Staat.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy