CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 15 OKTOBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Tot goed begrip van het prejudicieel verzoek dat voor ons ligt, zij eerst het volgende opgemerkt.
Volgens artikel 9, lid 2, EEG-Verdrag zijn de bepalingen inzake de afschaffing van de douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten — dat wil zeggen die van hoofdstuk 1, eerste afdeling, en hoofdstuk 2, Titel I, Tweede Deel van het Verdrag — „van toepassing op de produkten welke van oorsprong zijn uit de Lid-Staten alsook op de produkten uit derde landen welke zich in de Lid-Staten in het vrije verkeer bevinden”. Luidens artikel 10, lid 2, stelt de Commissie vast „op welke wijze de administratieve samenwerking inzake de toepassing van artikel 9, lid 2, zal geschieden …”.
Allereerst is dit gebeurd bij een beschikking van 4 december 1958„betreffende het gebruik van een certificaat voor het goederenverkeer tussen de Lid-Staten …” (PB nr. 33 van 31. 12. 1958), die per 1 januari 1961 werd vervangen door een andere beschikking van de Commissie van 5. 12. 1960 over hetzelfde onderwerp (PB nr. 4 van 20. 1. 1961). Volgens deze beschikking waren de genoemde verdragsbepalingen inzake de afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen van toepassing in de Lid-Staat van invoer op vertoon van een bewijsstuk hetwelk … door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer is afgegeven. Artikel 2 der beschikking zegt voorts:
„1.
Indien de goederen rechtstreeks van de Lid-Staat van uitvoer naar de Lid-Staat van invoer worden vervoerd, is het in artikel 1 bedoelde bewijsstuk een certificaat inzake goederenverkeer volgens het model DD 1.
In de overige gevallen is dit bewijsstuk een certificaat inzake goederenverkeer volgens het model DD 3.
2.
Voor de toepassing van het vonge lid worden aangemerkt als rechtstreeks vervoerd van de Lid-Staat van uitvoer naar de Lid-Staat van invoer:
a)
de goederen waarvan het vervoer plaatsvindt zonder gebruikmaking van het grondgebied van een niet-Lid-Staat;
b)
de goederen waarvan het vervoer plaatsvindt met gebruikmaking van het grondgebied van een of meer niet-Lid-Staten, mits het vervoer door laatstbedoelde landen geschiedt onder dekking van een enkel transportbescheid opgemaakt in een Lid-Staat.”
Artikel 3 bepaalt dat het certificaat inzake goederenverkeer volgens het model DD 1 wordt afgegeven door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer. Volgens artikel 5 geldt ditzelfde voor certificaat DD 3. Modelformulieren van deze certificaten zijn als bijlage bij de beschikking gevoegd.
In dit verband is ook van belang een beschikking der Commissie van 17 juli 1962„tot invoering van bijzondere methodes van administratieve samenwerking inzake de toepassing van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid ingestelde intracommunautaire heffingen” (PB nr. 76 van 24. 8. 1962, blz. 2140). Artikel 1 van deze beschikking luidt:
„Met het oog op de toepassing in de Lid-Staat van invoer van het stelsel van de intracommunautaire landbouwheffingen wordt, in het kader van de methoden van administratieve samenwerking bedoeld in artikel 10, lid 2, eerste alinea, van het Verdrag, een certificaat inzake goederenverkeer van het model DD 4 ingesteld. Dit certificaat wordt afgegeven op verzoek van de exporteur en eventueel na visering door een autoriteit die bevoegd is voor de bevestiging van bepaalde opgaven die in het certificaat voorkomen, door de douaneautoriteiten van de Lid-Staat van uitvoer.”
En artikel 2, lid 1:
„Het certificaat inzake goederenverkeer van het model DD 4 kan slechts worden gebezigd voorzover de goederen waarop het betrekking heeft, rechtsstreeks van de Lid-Staat van uitvoer naar de Lid-Staat van invoer worden vervoerd.”
Het begrip „rechtstreeks vervoerd” is hier op dezelfde wijze omschreven als in artikel 2 van de beschikking van 5 december 1960. Artikel 3, lid 1, tweede alinea, bepaalt voorts:
„In uitzonderingsgevallen kan het certificaat inzake goederenverkeer van het model DD 4 worden geviseerd, nadat de uitvoer van de goederen waarop het betrekking heeft, is geschied, indien de overlegging bij de uitvoer achterwege is gebleven, ten gevolge van dwaling of onopzettelijk verzuim …”
Ook aan deze beschikking is een modelformulier van het certificaat DD 4 gehecht.
Ten slotte zij nog gewezen op verordening nr. 13/64 van de Raad van 5 februari 1964 „houdende de geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de zuivelsector (PB nr. 34 van 27. 2. 1964, blz. 549). Deze verordening, waarvan de regeling voor de interventies en het handelsverkeer ingevolge artikel 32 (versie raadsverordening nr. 82/64) op 1 november 1964 in werking trad, bracht nog geen uniforme prijzen. Voor de belangrijkste zuivelprodukten konden de Lid-Staten zelf binnen bepaalde grenzen richtprijzen vaststellen. Onder deze verordening golden dus niet alleen heffingen op importen uit derde landen, maar ook intracommunautaire heffingen hoewel hierin een zekere gemeenschapspreferentie was ingebouwd.
Al deze bepalingen spelen een rol in het onderhavige hoofdgeding voor het Italiaanse Hof van Cassatie.
Verzoekster in het hoofdgeding — of eigenlijk een onderneming die later met haar is gefuseerd — had in Italië kaas geïmporteerd uit Duitsland en Nederland. De importen vonden plaats na 1 november 1964, hoewel de kaas reeds in oktober 1964 uit de exportlanden was verzonden, en wel deels met certificaten DD 1 en deels met certificaten DD 3. Daar geen certificaten DD 4 waren overgelegd, achtte de Italiaanse administratie der financiën de herkomst uit andere Lid-Staten niet bewezen en legde zij heffingen op als bij invoer uit derde landen.
Volgens verzoekster was de herkomst ten tijde van de invoer echter genoegzaam bewezen met de certificaten DD 1 en DD 3. Voor de rechtbank te Milaan vorderde zij van de administratie der financiën dan ook gedeeltelijke restitutie van de betaalde heffingen. De rechtbank wees de vordering toe op grond dat certificaat DD 4 weliswaar was ingevoerd bij wetsdecreet van 29 oktober 1964, maar dat dit decreet wegens achterwege gebleven omzetting in wet geen effect was gaan sorteren. Dit is pas gebeurd bij een wetsdecreet van 13 december 1964, dat op 19 februari 1965 tot wet werd verheven. Deze wet had echter geen terugwerkende kracht en was dan ook niet bindend ten tijde van de importen in geding.
Na appel van de administratie der financiën werd deze uitspraak van de rechtbank vernietigd door het Hof van Beroep te Milaan op grond dat certificaat DD 4, ingevolge de in de Lid-Staten rechtstreeks toepasselijke beschikking der Commissie van 17 juli 1962, was gaan gelden voor alle produkten die onder het heffingsstelsel vielen. Bovendien leidde het Hof van Beroep uit het arrest van het Hof van Justitie van 22 oktober 1970 in de zaak 12-70, Craeynest en Vandewalle tegen Belgische Staat, (Jurispr. 1970, blz. 905), af dat certificaat DD 4 het enige bewijs van herkomst vormt in het intracommunautaire verkeer van goederen die onder marktordeningen vallen.
Van deze uitspraak is verzoekster in cassatie gegaan. Hiertoe voert zij allereerst aan dat bij verordening nr. 13/64 geen rechtsregeling voor de vaststelling van de herkomst van goederen tot stand is gebracht. Anderzijds kan de beschikking der Commissie van 17 juli 1962 niet rechtstreeks toepasselijk worden geacht: zolang zij niet formeel in nationaal recht was omgezet, moest het vorige systeem toepassing vinden, dat wil zeggen dat met de certificaten DD 1 en DD 3 als bewijs van herkomst kon worden volstaan. Voorts meent verzoekster dat certificaat DD 4 in geen geval kon worden verlangd voor goederen die vóór 1 november 1964 waren verzonden met de enige toen geldende certificaten DD 1 en DD 3. Het tijdstip van invoer — na 1 november 1964 — doet hier niet ter zake. Ten slotte is verzoekster van oordeel dat uit de overlegging van certificaat DD 3 blijkt dat de desbetreffende goederen niet rechtstreeks uit een andere Lid-Staat zijn gekomen. Veeleer doet zich dan een „ander geval” in de zin van de beschikking der Commissie van 5 december 1960 voor, waarbij de herkomst evenals voorheen genoegzaam wordt bewezen met certificaat DD 3, omdat certificaat DD 4 slechts in de plaats is gekomen van certificaat DD 1.
Het Hof van Casssatie besloot in verband hiermede bij beschikking van 22 november 1974 het geding te schorsen en U overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag de drie volgende vragen te stellen:
a)
— 1.
Of krachtens de voorschriften die in de zin van de artikelen 9 en 10 van het Verdrag zijn gegeven in de beschikking van de EEG-Commissie dd. 17 juli 1962 en in 's Raads verordening nr. 13/64 van 5 februari 1964, de rechtstreekse toepasselijkheid in iedere Lid-Staat van het bij die verordening ingevoerde stelsel van heffingen in de zuivelsector sedert de ingangsdatum, vastgesteld in artikel 32 dier nadien gewijzigde verordening en onafhankelijk van de uitvaardiging van nationale voorschriften in de onderscheiden Staten, medebrengt dat men voor toelating tot de comunautaire behandeling het in die beschikking bedoelde certificaat DD 4 moet overleggen, overeenkomstig hetgeen door het Hof van Justitie in zijn uitspraak van 22 oktober 1970 in de zaak 12-70 is overwogen?
a) — 2.
Of zulks ook geldt wanneer voormelde datum met ingang van welke verordening nr. 13/64 van toepassing wordt, valt tussen de uitvoer uit een der Lid-Staten en de invoer in een andere LidStaat?
b)
Zo ja, of de in voormelde verordening 13/64/EEG in het leven geroepen regeling — ex artikel 2, lid 1 en 2, van voormelde beschikking van 17 juli 1962 en aantekening II der bijlage junctis de laatste overweging van de considerans — alleen geldt bij rechtstreeks vervoer met een certificaat DD 1 volgens de beschikking der EEG-Commissie van 5 december 1960 (artikel 2, lid 1, eerste alinea, en lid 2) dan wel ook in de „andere gevallen” bedoeld in het afwijkend certificaat DD 3, eveneens voorzien in die beschikking van 5 december 1960 (art. 2, lid 1, tweede alinea)?
Ten aanzien van deze vragen, waarover opmerkingen zijn gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, de Italiaanse Regering en de Commissie, wil ik mijn mening als volgt bepalen.
I — Vraag 1
Voor de vraag, of importeurs die in aanmerking wilden komen voor de intracommunautaire heffing, vanaf 1 november 1964 en ongeacht de uitvaardiging van nationale voorschriften, verplicht waren zich van certificaat DD 4 te bedienen, hebben de Italiaanse Regering en de Commissie terecht gewezen op arrest 12-70, waarmee de vraag inderdaad grotendeels kan worden beantwoord.
Uit het arrest volgt namelijk zeer duidelijk dat men zich voor het bewijs van de herkomst uit de Gemeenschap van goederen die onder de marktorganisatie van verordening nr. 13/64 vallen, moet richten naar de beschikking der Commissie van 17 juli 1962. In het arrest wordt het dwingend karakter dier beschikking beklemtoond, mede onder verwijzing naar artikel 7 dat slechts in bepaalde gevallen een uitzondering toelaat. Ten slotte wordt verklaard dat aan importeurs van goederen afkomstig uit een andere Lid-Staat, het intracommunautaire regime alleen ten goede kan komen bij overlegging van het certificaat DD 4.
Anders dan verzoekster meent, komt uit verschillende overwegingen van het arrest naar voren dat het gebruik van certificaat DD 4 als absoluut bewijsmiddel dwingend is voorgeschreven. Zo zegt het Hof dat de beschikking van 17 juli 1962 ten doel heeft „bij te dragen tot de uitschakeling van alle belemmeringen van het handelsverkeer tussen Lid-Staten door middel van unificatie van de formaliteiten waaraan de handel binnen de Gemeenschap is onderworpen.” Voorts dat de beschikking dient te verzekeren „dat intracommunautaire liberalisatiemaatregelen op volkomen identieke wijze op goederen van oorsprong uit de Lid-Staten toepassing vinden.” Vervolgens dat van het certificaat DD 4, als uniform bewijsmiddel, in alle Lid-Staten op geheel identieke wijze gebruik moet worden gemaakt, en dat het hiermede niet zou zijn te verenigen, wanneer de nationale administraties zich, buiten het in de vorm van genoemd certificaat geleverde bewijs van oorsprong om, nog van andere bewijsmiddelen zouden mogen bedienen.
Verzoeksters verwijziging naar artikel 2 van de beschikking van 17 juli 1962 en naar het daar gebezigde woord „kan”, vermag de zaak niet in een ander licht te stellen. Uit de bepaling in haar geheel blijkt al zeer duidelijk dat het hier niet gaat om het toekennen van een discretionaire bevoegdheid aan de nationale administratie, maar alleen om een dwingende bevoegdheid aan de nationale administratie, maar alleen om een dwingende gebruiksbeperking van het certificaat DD 4 tot de gevallen van rechtstreeks vervoer van de Lid-Staat van uitvoer naar de Lid-Staat van invoer.
Evenmin kan, zoals verzoekster doet, worden gezegd dat het arrest 12-70 alleen betrekking heeft op gevallen van sluikinvoer. De bovengenoemde overwegingen zijn immers zeer algemeen geformuleerd; pas in de laatste overweging wordt gezegd dat het vorenoverwogene, bij gebreke van bepalingen in tegengestelde zin, ook geldt wanneer het bedrag van bij sluikinvoer ontdoken heffingen moet worden vastgesteld.
Intussen is de eerste vraag hiermee nog niet volledig beantwoord. Immers, gold de verplichte overlegging van certificaat DD 4 nu ook vanaf 1 november 1964 — toen de gemeenschappelijke zuivelordening in werking trad — en onafhankelijk van de uitvaardiging van nationale voorschriften?
Verzoekster betwist dit, omdat verordening nr. 13/64 geen dwingende bepalingen over de procedure en over de controle op de oorsprong van goederen zou bevatten. De beschikking van de Commissie van 17 juli 1962 zou een dergelijke werking niet kunnen hebben; veeleer waren nadere nationale maatregelen noodzakelijk, die in Italië ten tijde van de betrokken importen echter nog niet waren getroffen.
De Commissie staat daarentegen op het standpunt dat het ten deze enerzijds van belang is dat verordening nr. 13/64 met de daarin vervatte handelsregeling vanaf 1 november 1964 rechtstreeks toepasselijk was; anderzijds komen in beschikkingen ook wel bepalingen voor, die geen nadere nationale wettelijke voorschriften behoeven. Dit zou het geval zijn met de beschikking van 17 juli 1962: zij is voldoende duidelijk en nauwkeurig, bevat een onvoorwaardelijke verplichting voor de Lid-Staten zonder hun een discretionaire bevoegdheid te laten, en geeft zelfs een modelformulier van het certificaat DD 4 als bijlage.
Ook op dit punt wil ik al dadelijk zeggen dat ik de voorkeur geef aan het standpunt van de Commissie.
Er is namelijk al enige jurisprudentie over beschikkingen met rechtstreekse werking in de Lid-Staten: het arrest van 18 februari 1970 in de zaak 38-69, Commissie tegen Italiaanse Republiek, (Jurispr. 1970, blz. 47) en nog duidelijker het arrest van 6 oktober 1970 in de zaak 9-70, Grad t. Finanzamt Traunstein, (Jurispr. 1970, blz. 825). Er is overigens geen enkele dwingende reden voor de veronderstelling dat de genoemde argumenten uitsluitend betrekking hebben op beschikkingen met verplichtingen voor de Lid-Staten waaraan in individuele gevallen rechten zouden kunnen worden ontleend, en dat dus iets anders zou gelden ingeval van beschikkingen met verplichtingen voor marktdeelnemers of wanneer — zoals in casu — faciliteiten uit hoofde van marktordeningen (interne communautaire heffingen) zijn gekoppeld aan voorwaarden, die in een beschikking nader zijn aangegeven.
Daar men echter de voorwaarden die in de arresten over de rechtstreekse toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht worden vermeld, bij de beschikking van 17 juli 1962 stellig op de door de Commissie genoemde gronden vervuld kan achten, mag inderdaad worden aangenomen dat met de inwerkingtreding van de handelsregeling van verordening nr. 13/64 — dus vanaf 1 november 1964 — de intracommunautaire heffing slechts toepassing kon vinden bij nakoming van de voorschriften in de beschikking der Commissie.
Aldus is wel komen vast te staan dat de eerste vraag niet anders dan in de door de Commissie voorgestelde zin kan worden beantwoord.
II — Vraag 2
Het punt is hier of de regeling van de beschikking van 17 juli 1962 ook geldt, wanneer de export vóór 1 november 1964 en de import na die datum plaatsvond.
Zoals door de Commissie terecht werd opgemerkt, is het voor de beantwoording van deze vraag om te beginnen al doorslaggevend dat de handelsregeling van verordening nr. 13/64 sedert 1 november 1964 dwingend van toepassing was. Vanaf die datum vervielen douanerechten en kwantitatieve beperkingen en gold ook artikel 44 van het Verdrag niet meer. Eventuele prijsverschillen tussen de Lid-Staten werden gecompenseerd door de intracommunautaire heffing.
Anderzijds voorziet de handelsregeling van verordening nr. 13/64 in een controle dat de betrokken waren voldoen aan de voorwaarden van de verordening, met name artikel 12, lid 4. De waren moesten in de uitvoerende Lid-Staat zijn geoogst of geproduceerd, of zij moesten voor verbruik op de markt van de uitvoerende Staat zijn toegelaten, dat wil zeggen dat de invoerformaliteiten moesten zijn vervuld. Met andere woorden diende te worden gezorgd dat de waren inderdaad op het prijsniveau lagen dat uit de gemeenschappelijke marktordening voortvloeit.
Nu is het zonder meer duidelijk dat de certificaten DD 1 en DD 3 hiertoe niet toereikend zijn, daar zij alleen konden dienen voor het bewijs van herkomst en de identificatie van de waren. Alleen certificaat DD 4 komt in aanmerking als bewijs dat aan de voorwaarden van verordening nr. 13/64 is voldaan, omdat het rubrieken en verklaringen bevat die betrekking hebben op de aard der goederen, de toepassing van heffingen en de toekenning van restitutie.
Derhalve ligt de gevolgtrekking voor de hand dat in het stelsel van verordening nr. 13/64 het tijdstip van invoer bepalend is en dat de intracommunautaire heffing is gekoppeld aan de overlegging van certificaat DD 4.
Voor de juistheid van dit standpunt — dus de noodzaak om met ingang van 1 november 1964 heffingen toe te passen — kan voorts, zoals ook de Commissie heeft gedaan, worden gewezen op verordening nr. 138/64 (PB 1964, blz. 2604) inzake produkten die vóór 1 november 1964 in Duitsland in entrepot waren opgeslagen en pas daarna definitief zijn ingevoerd. De verplichting om voor importen vanaf 1 november 1964 certificaten DD 4 te gebruiken, blijkt eveneens uit de bepalingen van verordening nr. 159/64 der Commissie (PB 1964, blz. 2728) over de na 31 oktober 1964 in certificaat DD 4 te vermelden gegevens.
Tegen dit standpunt kan anderzijds niet met vrucht worden ingebracht dat in het onderhavige geval ten tijde van de verzending der goederen de bepalingen inzake certificaat DD 4 nog niet van kracht waren, als gevolg waarvan deze certificaten die in beginsel door de uitvoerende Lid-Staat bij de uitvoer moeten worden afgegeven, niet verkrijgbaar waren.
De Italiaanse Regering merkt in dit verband terecht op dat volgens artikel 32, laatste alinea, van verordening nr. 13/64 overgangsbepalingen hadden kunnen worden vastgesteld. Daar dit niet is gebeurd, werden dergelijke bepalingen blijkbaar niet nodig geacht vanwege andere bestaande regelingen. Als zodanig komt ten deze alleen artikel 3, lid 1, tweede alinea, van de beschikking van 17 juli 1962 in aanmerking, waarin wordt bepaald dat certificaat DD 4 in uitzonderingsgevallen kan worden geviseerd na de uitvoer van de betrokken goederen. Deze bepaling moet derhalve buiten de met name genoemde gevallen van „dwaling” en „onopzettelijk verzuim” worden geacht mede gevallen te omvatten waarin het certificaat op de datum van uitvoer nog niet kon worden geviseerd.
Ten aanzien van de tweede vraag kan derhalve in beginsel worden vastgesteld dat voor de toepassing van de intracommunautaire heffing een certificaat DD 4 eveneens moest worden overgelegd voor goederen die in het land van uitvoer vóór 1 november 1964' waren verzonden en pas daarna het land van invoer binnenkwamen.
Of dit ook zo is, wanneer het certificaat in bepaalde omstandigheden naderhand niet meer kan worden opgemaakt, is een vraag welke door het verwijzende college niet is gesteld maar in de mondelinge opmerkingen van verzoekster wel naar voren is gekomen. De Italiaanse douane had namelijk, aldus verzoekster, bij de invoer niet naar een certificaat DD 4 gevraagd, doch was dit pas 17 maanden later gaan eisen, toen dergelijke certificaten bij de autoriteiten van de exportlanden niet meer verkrijgbaar waren.
Hieromtrent zou aanduidenderwijs hoogstens alleen het volgende zijn te zeggen: uiteraard mag het niet om een geval gaan waarin een certificaat DD 4 wegens ontbreken van de voorwaarden van verordening nr. 13/64 in het geheel niet zou kunnen worden opgemaakt. Uitsluitend ware te denken aan gevallen waarin van de autoriteiten van het exportland na een zekere tijd om dwingende objectieve redenen niet meer kan worden gevergd dat zij alsnog een certificaat DD 4 afgeven. In een dergelijke situatie zou men zich inderdaad kunnen voorstellen dat ook met andere middelen wordt bewezen dat is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van intracommunautaire heffingen. De importeurs behoeven immers niet op te komen voor schade die bij een deugdelijke afhandeling van hun import-transacties door de autoriteiten van het land van invoer had kunnen worden vermeden. Wel dienen bij het onderzoek van dit soort gevallen strenge maatstaven te worden aangelegd, daar anders het stelsel van de intracommunautaire heffingen en de uniforme toepassing hiervan in de gehele Gemeenschap ernstig zou kunnen worden ondermijnd.
III — Vraag 3
Ten slotte moet nog worden uitgemaakt of de regeling van verordening nr. 13/64 (toepassing van intracommunautaire heffingen) alleen gold ingeval van rechtstreeks vervoer of ook in andere gevallen, met name wanneer volgens de beschikking van 5 december 1960 een certificaat DD 3 moest worden gebruikt.
Naar mijn mening levert dit punt na de voorgaande uiteenzetting en gelet op de tekst van de beschikking van 17 juli 1962 geen moeilijkheden op.
Artikel 1 van deze beschikking zegt dat voor de toepassing van het stelsel van de intracommunautaire heffingen in de Lid-Staat van invoer een certificaat inzake goederenverkeer van het model DD 4 wordt ingesteld. Volgens de considerans van de beschikking was het gewettigd de aan het stelsel van landbouwheffingen onderworpen goederen uit te sluiten van het toepassingsgebied van de beschikking der Commissie van 5 december 1960 en hiervoor andere methoden van administratieve samenwerking in te voeren. Artikel 2 der beschikking bepaalt voorts dat het certificaat DD 4 slechts kan worden gebezigd, indien de betrokken goederen rechtstreeks van de Lid-Staat van invoer naar de Lid-Staat van invoer worden vervoerd. In zover komt certificaat DD 4 dus in de plaats van certificaat DD 3 van de beschikking van 1960. Hieruit volgt logischerwijs dat in het stelsel van de intracommunautaire heffingen de herkomst niet kan worden bewezen met certificaat DD 3 dat voor indirect vervoer geldt. Dit ligt ook voor de hand: bij goederen die aan de intracommunautaire heffing zijn onderworpen, is certificaat DD 3 niet te gebruiken, omdat de afgifte hiervan niet gepaard gaat met een verificatie die bij heffingsplichtige goederen moet worden verricht. Certificaat DD 3 geeft, anders gezegd, niet de garantie dat de betrokken goederen voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 13/64.
IV — Samenvattend concludeer ik dat de vragen van het Italiaanse Hof van Cassatie als volgt zijn te beantwoorden:
a)
Ingevolge verordening nr. 13/64 juncto de beschikking der Commissie van 17 juli 1962 kwamen, afgezien van de in de beschikking genoemde uitzonderingen en onafhankelijk van de uitvaardiging van nationale voorschriften, importen van uit andere Lid-Staten ingevoerde en onder verordening nr. 13/64 vallende goederen vanaf 1 november 1964 slechts dan in aanmerking voor intracommunautaire behandeling, indien voor die goederen een certificaat DD 4 werd overgelegd.
In beginsel geldt dit ook in gevallen waarin de goederen vóór genoemde datum uit de Lid-Staat van uitvoer waren verzonden.
b)
De intracommunautaire behandeling beperkte zich tot goederen waarvoor een certificaat DD 4 werd overgelegd, dus die rechtstreeks van de Lid-Staat van uitvoer naar de Lid-Staat van invoer waren vervoerd.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy