CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 20 NOVEMBER 1975 ( 1 )
Mijnbeer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeker in deze zaak, de heer Mario Costacurta, heeft in Italië een gymnasiale opleiding genoten, waarna hij geen universitair onderwijs heeft gevolgd, maar gedurende twee jaar in Frankrijk heeft gestudeerd aan een technisch instituut van het Conservatoire des arts et métiers. Er is niet gezegd wat hij daar studeerde en of zijn studie ook tot een diploma heeft geleid.
In 1966 is verzoeker bij de EGKS in dienst getreden als linofilm-operator bij de Publikatiedienst. Na eerst als plaatselijk functionaris en toen als hulpfunctionaris bij die dienst werkzaam te zijn geweest, werd hij op 1 april 1969 in vaste dienst benoemd in de rang C 3. In juli 1967 nam hij deel aan een vergelijkend onderzoek voor een B-post, maar ofschoon hij op de lijst van geschikte kandidaten werd geplaatst, is hij niet gekozen.
In 1971 nam verzoeker zonder succes deel aan een vergelijkend onderzoek voor een post van corrector Italiaans in de loopbaan B 3/B 2. Tegen de geldigheid van dat vergelijkend onderzoek stelde hij toen beroep in bij het Hof (zaak 78-71 Costacurta t. Commissie, Jurispr. 1972, blz. 163). Terwijl de zaak aanhangig was, werd hij op eigen verzoek overgeplaatst naar het Directoraat-generaal Personeelszaken in Luxemburg. Tijdens de schriftelijke en de mondelinge behandeling is veel aandacht besteed aan het feit dat verzoeker ook na deze overplaatsing nog de vaste vergoeding volgens artikel 4 bis van bijlage VII van het Statuut bleef ontvangen. Mijns inziens is dit niet relevant, behalve misschien voorzover daaruit blijkt dat verzoeker op dat moment nog een C-ambtenaar was.
Op 22 maart 1972 heeft het Hof ten gunste van verzoeker beslist dat het betrokken vergelijkend onderzoek en de daaropvolgende benoemingsbesluiten nietig waren, omdat in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek geen leeftijdsgrens was vermeld en ook niet was aangegeven dat een leeftijdsgrens niet noodzakelijk was, zoals toentertijd volgens het Statuut was vereist.
Het resultaat van dit alles was, dat verzoeker na een nieuw vergelijkend onderzoek of na heropening van het oude vergelijkend onderzoek — dit is niet helemaal duidelijk — op 21 juni 1972 met ingang van 1 juni op een post in de rang B 3 bij de Publikatiedienst werd benoemd. De taakomschrijving van deze post is vermeld in verzoekers beoordelingsrapport over het tijdvak 1 juli 1971 -30 juni 1973 (bijlage 9 van het verzoekschrift). Dit rapport is in het Italiaans gesteld. De door de Commissie verstrekte Franse vertaling van de betrokken passage luidt als volgt:
„Fonctionnaire de conception chargé d'effectuer, dans le cadre de directives générales, des travaux difficiles et complexes en matière d'imprimerie, en particulier:
—
préparer des manuscrits du point de vue de la langue et de la typographie;
—
corriger les épreuves en langue ïtalienne et vérifier la pagination;
—
établir la mention bon à tirer.”
Eind 1973 (de juiste datum blijkt niet uit de stukken) kondigde de Commissie een intern vergelijkend onderzoek aan COM/ A/ 15/73) tot vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs in de loopbaan A 7/A 6 voor de afdeling „drukkerij en uitgeverij”. Geëist werd onder meer:
1.
een universitair diploma of gelijkwaardige beroepservaring en
2.
enige ervaring met betrekking tot de posten in kwestie.
Het vergelijkend onderzoek zou plaats hebben op grond van schriftelijke bewijsstukken en een examen (een exemplaar van de aankondiging van het vergelijkend onderzoek is als bijlage 1 bij het verzoekschrift gevoegd).
Verzoeker en 21 andere personen gaven zich voor het vergelijkend onderzoek op.
De jury was van mening dat 4 van de 22 kandidaten, waaronder verzoeker, niet aan de gestelde eisen voldeden. Bij verzoeker werd in aanmerking genomen dat hij geen universitair diploma had noch, aldus de jury, een gelijkwaardige beroepservaring De jury zei niet dat hij geen ervaring had met betrekking tot de posten in kwestie.
Van de 18 overige kandidaten werden 14 bij unanieme beslissing van de jury en 4 bij meerderheidsbeslissing tot het vergelijkend onderzoek toegelaten. Bij deze vier waren er twee die ik respectievelijk M. en S. zal noemen.
Verzoeker werd van zijn uitsluiting in kennis gesteld bij brief van 27 juni 1974 van het Hoofd van de Personeelsafdeling van de Commissie (Bijlage 3 bij verzoekschrift). De dag daarna schreef verzoeker een brief aan het Hoofd van de Personeelsafdeling, waarin hij vroeg waarom hij niet was toegelaten, en waarin hij betoogde dat er onder de wel toegelaten kandidaten personen waren die hetzelfde werk in dezelfde loopbaan verrichtten als hijzelf, en die in sommige gevallen minder opleiding hadden genoten (Bijlage 4 bij verzoekschrift).
Op deze brief kwam geen antwoord voor 5 augustus 1974, toen het vergelijkend onderzoek al was afgesloten, daar het examen had plaatsgehad op 16 juli 1974. Van de 18 kandidaten slaagden overigens maar twee, waaronder noch M. noch S.
Op 5 augustus 1974 kreeg verzoeker een brief van het Hoofd van de Personeelsafdeling (Bijlage 5 bij verzoekschrift), waarin de redenen van zijn uitsluiting in de volgende bewoordingen werden uiteengezet:
„
Ontbreken van een universitair diploma en van gelijkwaardige beroepservaring
Het niveau van Uw beroepservaring is vergeleken met de werkzaamheden van een ambtenaar die een met een diploma afgesloten universitaire opleiding heeft genoten en die taken van de categorie A in de zin van artikel 5 van het Ambtenarenstatuut vervult.”
Deze zelfde formulering is gebezigd in het juryverslag (Bijlage 1 bij verweerschrift).
Op 22 augustus 1974 diende verzoeker bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht in krachtens artikel 90 Statuut (Bijlage 6 bij verzoekschrift), en wel zulks — zo zegt hij — ten einde te voldoen aan artikel 91, lid 2, Statuut. In deze klacht wees verzoeker erop dat zijn brief van 28 juni 1974 ruim op tijd was verstuurd om de jury in staat te stellen nog vóór het examen terug te komen op haar beslissing waarbij hij van het vergelijkend onderzoek werd uitgesloten. Ook beklaagde hij zich dat zijn uitsluiting onvolledig en vaag was gemotiveerd en dat niet duidelijk was waarom hij werd „gediscrimineerd”.
Het tot aanstelling bevoegde gezag beantwoordde verzoekers klacht niet binnen de in artikel 90, lid 2, Statuut genoemde termijn van vier maanden. Op 15 januari 1975 echter schreef de Commissie aan verzoeker (Bijlage 8 bij verzoekschrift) dat zij niet wilde treden in de redengeving van de jury; tevens verwees zij naar het arrest van het Hof in de zaak 44-71, Marcato t. Commissie, Jurispr. 1972, 1, blz. 433) waarin het Hof had overwogen dat de Commissie een besluit van de jury niet kan vernietigen of wijzigen en dat het enige rechtsmiddel waarover personen met betrekking tot een dergelijk besluit beschikken, bestaat in een beroep bij het Hof.
Verzoeker wendde dit middel aan op 18 maart 1975. In zijn verzoekschrift komt hij op tegen het besluit waarbij hij van het vergelijkend onderzoek werd uitgesloten en — voorzoveel nodig — tegen de afwijzing van zijn klacht van 22 augustus 1974.
De eerste vraag waarover Uw Hof zal moeten beslissen, betreft verzoekers ontvankelijkheid. In haar memories twijfelt de Commissie hieraan zonder formeel een exceptie in die zin op te werpen. Bij de mondelinge behandeling heeft zij echter rechtuit tot niet-ontvankelijkheid geconcludeerd.
Het argument van de Commissie in deze is gebaseerd op de arresten van het Hof in de tweede en derde Marcato-zaak: zaak 44-71 (reeds geciteerd) en zaak 37-72 (Jurispr. 1973, blz. 361).
Men moet daarbij wel bedenken dat de feiten in deze beide zaken hebben plaatsgehad vóór de wijziging van de artikelen 90 en 91 Statuut bij verordening nr. 1473/72 (Euratom EEG) in juli 1972. Afgezien van ondergeschikte wijzigingen bij verordening nr. 259/68, luidden die artikelen toentertijd als volgt:
„Artikel 90
Iedere ambtenaar kan een verzoek of klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag van zijn instelling indienen.
Deze verzoeken of klachten moeten langs de hiërarchieke weg worden ingediend, behalve wanneer zij de directe chef van de ambtenaar betreffen; alsdan kunnen zij rechtstreeks bij de onmiddellijke meerdere van deze chef worden ingediend.
Artikel 91
1. Elk geschil tussen een der Gemeenschappen en een persoon waarop dit statuut van toepassing is, over de wettigheid van een voor deze persoon bezwarend besluit wordt aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen voorgelegd. In de in dit statuut vermelde gevallen en bij geschillen van geldelijke aard tussen een der Gemeenschappen en een persoon waarop dit statuut van toepassing is, heeft het Hof van Justitie volledige rechtsmacht.
2. Het in dit artikel bedoelde beroep moet binnen drie maanden worden ingesteld. Deze termijn gaat, indien het een maatregel van algemene aard betreft, in op de dag van bekendmaking van het besluit der bevoegde autoriteit van de instelling, en indien het een maatregel van individuele aard betreft, op de dag waarop het besluit aan de betrokkene ter kennis wordt gebracht.
Indien de bevoegde autoriteit van de instelling twee maanden na de dag van indiening van een verzoek of klacht van een persoon waarop dit statuut van toepassing is, geen besluit heeft genomen, moet dit worden beschouwd als een besluit tot afwijzing. Het beroep hiertegen moet binnen twee maanden na dit tijdstip worden ingesteld.”
Met andere woorden: een ambtenaar die een klacht wilde indienen tegen een hem bezwarend besluit, kon kiezen. Hij kon hetzij een klacht indienen via de administratieve weg krachtens artikel 90 hetzij onmiddellijk een procedure bij het Hof inleiden krachtens artikel 91. Voor dit laatste was hij gebonden aan een termijn van drie maanden.
Volgens de arresten in de Marcato-zaken nu had het geen zin een administratieve klacht in te dienen tegen een besluit van een jury, aangezien het tot aanstelling bevoegde gezag een dergelijk besluit niet kon wijzigen of vernietigen. In dat geval diende men onmiddellijk een procedure bij het Hof in te leiden. Maar in beide gevallen overwoog het Hof dat het, gezien de gewoonte van ambtenaren om vóór een beroep bij het Hof altijd eerst een administratieve klacht in te dienen, onbillijk zou zijn een verzoeker nietontvankelijk te achten, wanneer hij vanwege de klacht de termijn van drie maanden na kennisgeving van het besluit heeft overschreden.
Het lijkt mij onnodig alle wijzigingen te vermelden, die in juli 1972 in de artikelen 90 en 91 zijn aangebracht. Waar het op aankomt, zijn de nieuwe leden 2 en 3 van artikel 91. Deze luiden als volgt:
„2.
Een beroep op het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is slechts ontvankelijk:
—
indien men zich van tevoren tot het tot aanstelling bevoegde gezag heeft gewend met een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, en binnen de aldaar gestelde termijn, en
—
indien op deze klacht een uitdrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing is genomen.
3.
Het in lid 2 bedoelde beroep moet binnen een termijn van drie maanden worden ingesteld:
Deze termijn gaat in:
—
op de dag van kennisgeving van het naar aanleiding van de klacht genomen besluit;
—
op de dag waarop de antwoordtermijn verstrijkt, indien het beroep betrekking heeft op een stilzwijgend besluit tot afwijzing van een krachtens artikel 90, lid 2, ingediende klacht; wanneer echter een uitdrukkelijk besluit tot afwijzing van een klacht is afgekomen na het stilzwijgend besluit tot afwijzing, doch binnen de termijn voor het instellen van beroep, dan gaat laatstgenoemde termijn hierdoor opnieuw in.”
De enige uitzondering op deze bepalingen staat in lid 4: na indiening van een lacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag overeenkomstig artikel 90, lid 2, mag bij het Hof onmiddellijk beroep worden ingesteld, indien dit gepaard gaat met een verzoek om voorlopige maatregelen.
Ondanks de categorische bewoordingen van deze bepalingen meent de Commissie dat 's Hofs overwegingen in de Marcato-zaken nog steeds opgaan, omdat het tot aanstelling bevoegde gezag een besluit van een jury thans evenmin kan vernietigen of wijzigen, zodat het geen zin heeft zich over een dergelijk besluit bij dat gezag te beklagen. Volgens de Commissie diende verzoekers klacht van 22 augustus 1974 dan ook nergens toe. Overigens was, aldus de Commissie, het arrest in de derde Marcato-zaak gewezen na de wijziging van de artikelen 90 en 91. Ten slotte meent de Commissie dat hetgeen terecht als onbillijk kon worden beschouwd ten tijde van de Marcato-arresten, het nu niet meer is, aangezien die arresten nu algemeen bekend zijn.
Wel, inderdaad mag het derde Marcato-arrest zijn gewezen na de wijziging van de artikelen 90 en 91, maar volgens mij is dit niet van belang. Alle materiële feiten in die zaak, ook de aanvang van de procedure bij het Hof, vonden plaats voor juli 1972 en bleven door de wijziging derhalve onberoerd. De zaak moest worden uitgemaakt op basis van de oorspronkelijke tekst van de artikelen 90 en 91.
Mij dunkt dat de wijziging van de artikelen 90 en 91 wel degelijk heeft getornd aan de rechtspraak in de Marcato-zaken en dat volgens de huidige tekst van die artikelen elke mogelijkheid van beroep op het Hof is uitgesloten, wanneer daaraan niet een administratieve klacht vooraf is gegaan.
Een dergelijke klacht behoeft ook niet altijd zinloos te zijn. In de derde Marcato-zaak was Advocaat-Generaal Mayras de mening toegedaan, welke ik met alle respect onderschrijf, dat wanneer bij het tot aanstelling bevoegde gezag een klacht wordt ingediend tegen een besluit van een jury, dit gezag gehouden is de klacht door te zenden naar de jury ten einde deze in staat te stellen haar besluit te herzien (Jurispr. 1973, blz. 376). Het onderhavige geschil zou wellicht nooit zover zijn gekomen, als het Hoofd van de Personeelsafdeling verzoekers brief van 28 juni 1974 onmiddellijk aan de jury had doorgegeven en niet had laten liggen tot na het vergelijkend onderzoek.
Ook als ik het in zoverre verkeerd zou hebben, dan lijkt mij toch dat het redelijkheidsbeginsel dat het Hof in de Marcato-zaken heeft toegepast, hier evenzeer opgeld doet. Als het onbillijk zou zijn geweest verzoeker in die zaken tegen te werpen dat hij had gehandeld volgens de toenmalige ambtenarengewoonte, dan is het net zo onredelijk, zo niet onredelijker, verzoeker in het onderhavige geval te verwijten dat hij zich heeft gehouden aan wat volgens artikel 91 een statutair vereiste is. Tijdens de mondelinge behandeling gaf de Commissie te kennen dat verzoeker gelijktijdig een klacht ex artikel 90, lid 2, had moeten indienen en beroep bij het Hof had moeten instellen. Een voorzichtig advocaat zou hem dit wellicht hebben aangeraden, maar rechtens is dit niet de juiste weg. Overigens bleek uit het antwoord van verzoekers raadsman op een vraag die tijdens de mondelinge behandeling was gesteld, dat verzoeker bij de indiening van zijn klacht geen juridische bijstand had.
Ik ben derhalve van mening dat verzoeker ontvankelijk is in zijn beroep.
Wat nu de zaak ten principale betreft, bestrijdt verzoeker op twee gronden het besluit van de jury om hem niet toe te laten tot het vergelijkend onderzoek. Ten eerste zou het besluit onvoldoende zijn gemotiveerd en ten tweede zou het besluit misbruik van bevoegdheid opleveren.
Na enige aarzeling ben ik tot de conclusie gekomen dat het eerste middel van verzoeker moet slagen.
Wij moeten hierbij wederom uitgaan van de tweede en de derde Marcato-zaak. In deze zaken wees het Hof erop dat er in de werkzaamheden van een jury twee fasen zijn. In de eerste fase onderzoekt de jury de sollicitaties en de overgelegde stukken om te zien welke sollicitanten voldoen aan de eisen die in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek zijn gesteld, en dus tot dit onderzoek kunnen worden toegelaten. In de tweede fase onderzoekt de jury de hoedanigheden van de in de eerste fase toegelaten sollicitanten ten einde een lijst van geschikte kandidaten voor de te bezetten post of posten op te stellen. Terwijl de tweede fase aldus voornamelijk bestaat uit een vergelijkende beoordeling van de verdiensten der verschillende kandidaten en bijgevolg vertrouwelijk is, vereist de eerste fase alleen een objectieve toetsing van hun kwalificaties aan de eisen die in 'de aankondiging van de vacature zijn gesteld. Besluiten van de jury in de eerste fase moeten dan ook voldoende duidelijk zijn gemotiveerd.
In de Marcato-zaken had de jury de afwijzing van verzoeker in de eerste fase helemaal niet gemotiveerd, buiten de opmerking dat hij niet beschikte over een hogere middelbare schoolkennis of een gelijkwaardige beroepservaring (het ging toen om posten van de categorie B). In het onderhavige geval is de jury met de wat ruimere motivering gekomen dat zij de beroepservaring van verzoeker had vergeleken met de werkzaamheden van een ambtenaar die een universitair diploma bezit en taken vervult van de categorie A in de zin van artikel 5 van het Ambtenarenstatuut. Het is de vraag of dit voldoende was.
Ik meen van niet.
Zoals Advocaat-Generaal Mayras in de derde Marcato-zaak heeft opgemerkt, (Jurispr. 1973, blz. 376), heeft de eis dat een jury de afwijzing van een kandidaat in de eerste fase moet motiveren, een tweeledig doel. Ten eerste dient de kandidaat zelf van die redenen kennis te kunnen nemen ten einde die in voorkomend geval te kunnen betwisten. En ten tweede moet, ingeval van beroep, het Hof zijn toetsingsbevoegdheden kunnen uitoefenen, hetgeen ten deze wil zeggen dat het moet kunnen nagaan of de jury feitelijk of rechtens een materiële fout heeft begaan of eventueel misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt.
In casu is het Hof hiertoe niet in staat. Bij de betogen voor het Hof is namelijk zeer veel aandacht besteed aan de vroegere carrière van verzoeker in vergelijking met die van M. en S. Dit komt omdat verzoeker voor zijn bewering dat er sprake was van misbruik van bevoegdheid, in hoofdzaak heeft aangevoerd dat de jury hem niet had mogen afwijzen op grond van onvoldoende beroepservaring welke zij bij M. en S. wel voldoende achtte. De Commissie probeerde onvervaard aan te tonen dat hiervoor wellicht toch wel goede redenen waren. Maar haar argumenten waren gebaseerd op vermoedens. Zo bracht zij naar voren dat M. sinds 1967 corrector was geweest bij de Publikatiedienst, eerst op free-lance basis, toen als tijdelijk functionaris en ten slotte als ambtenaar in vaste dienst, hetgeen betekende dat hij al sinds 1967 op B-niveau werkzaam was geweest terwijl dit bij verzoeker pas sinds 1972 het geval was. Maar als de duur van de ervaring in B-werkzaamheden het criterium is, waarom, zo werd gevraagd, is dan S., die nog tot december 1973 een C-ambtenaar was, wel tot het vergelijkend onderzoek toegelaten? Hierop antwoordde de Commissie dat de toelating van S. verwonderlijk mag lijken, maar dat de mogelijke verklaring hiervan is dat S. in Brussel, zij het in de categorie C, gedurende drie jaar verantwoordelijk werk had gedaan bij de verspreiding van documenten van de Commissie.
Wel, ik meen dat van niemand, zeker niet van het Hof, kan worden gevraagd, zich in te laten met dit soort gissingen naar de beweegredenen van de jury. Het Hof had die redenen heel wel van de jury zelf mogen vernemen.
Ik zeg niet dat verzoeker, of wie dan ook, in kennis moet worden gesteld van de redenen waarom M. en S. zijn toegelaten tot het vergelijkend onderzoek. Maar verzoeker en het Hof mogen wel precies weten waarom hijzelf niet werd toegelaten.
Ik onderschat niet de moeilijkheden waarmee jury's worden geconfronteerd, zeker niet bij de vraag of een bepaalde beroepservaring gelijkwaardig is aan een bepaalde onderwijsopleiding. Het is zeker moeilijk om criteria voor die gelijkwaardigheid vast te stellen. Maar ik ben, zoals gezegd na enige aarzeling, tot de conclusie gekomen dat de jury gehouden is bij elk vergelijkend onderzoek objectieve maatstaven vast te leggen die voor dat bepaalde doel bij dat onderzoek moeten worden toegepast, zodat kan worden nagegaan a) of zij in overeenstemming zijn met de wet, b) zo ja, of de jury zich in feite heeft vergist bij de toepassing van deze maatstaven op een bepaalde kandidaat die zij heeft afgewezen en c) of de jury geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.
Ik heb geaarzeld, omdat men zich op het standpunt zou kunnen stellen dat de vraag of een bepaalde beroepservaring gelijkwaardig is aan een bepaalde onderwijsopleiding, zo netelig is dat zij eigenlijk alleen is op te lossen door middel van een waardeoordeel, dat wil zeggen een oordeel dat per definitie niet in aanmerking komt voor rechterlijke toetsing. Mijns inziens dient dit standpunt echter te worden afgewezen op grond van 's Hofs jurisprudentie evenals uit een oogpunt van rechtvaardigheid jegens de sollicitanten bij vergelijkende onderzoeken voor posten bij de Gemeenschapsinstellingen. Waardeoordelen komen eerst te pas in de tweede fase van de jurywerkzaamheden. Uit zaak 18-64 (Alvino t. Commissie, Jurispr. 1965, blz. 837) blijkt hoe nuttig het is dat de jury duidelijk de criteria vastlegt welke zij in de eerste fase heeft gehanteerd.
Met dit laatste is niet gezegd dat bij iedere in de eerste fase afgewezen kandidaat omstandig in het juryverslag moet worden uiteengezet in hoeverre diens kwalificaties onder de maat blijven. Niet alleen zou zulks voor de jury buitengewoon bezwarend zijn bij een groot aantal kandidaten voor een vergelijkend onderzoek, maar het zou mijns inziens ook niet in de lijn liggen van 's Hofs jurisprudentie, met name in de zaak 188-73, Grassi t. Raad, Jurispr. 1974, blz. 1099), waarin werd uitgemaakt dat het tot aanstelling bevoegde gezag niet is gehouden zijn keuze te motiveren, voorzover dit afgewezen kandidaten zou kunnen schaden. Ditzelfde zal moeten gelden voor een jury in een vergelijkend onderzoek.
Gezien mijn standpunt ten aanzien van verzoekers eerste middel, kan ik kort zijn ten aanzien van het tweede middel.
Zoals uit het voorgaande moge blijken, komt mijn standpunt erop neer dat het Hof niet kan beoordelen of verzoeker in deze gelijk heeft of niet, omdat de vaagheid van de jury een dergelijk oordeel onmogelijk maakt.
Misbruik van bevoegdheid houdt volgens 's Hofs rechtspraak in dat een administratief orgaan gebruik maakt van een bevoegdheid voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven. Bij de mondelinge behandeling heb ik de raadsman van verzoeker gevraagd voor welk ander doel de jury haar bevoegdheid om kandidaten uit te sluiten van een vergelijkend onderzoek, in dit geval dan zou hebben gebruikt. Hij antwoordde dat geen enkele wetgetrouwe jury tot zulke inconsequente beslissingen had kunnen komen als in dit geval ten aanzien van verzoeker, de kandidaat M. en de kandidaat S. — wel, dit mag waar zijn, of ook niet.
Hoe kunnen wij dat weten, nu de jury zich niet verder heeft uitgelaten?
Samenvattend concludeer ik dat verzoeker in het gelijk moet worden gesteld en dat derhalve het verslag van de jury in het vergelijkend onderzoek COM/ A/ 15/73 en de op grond hiervan verrichte benoemingen moeten worden vernietigd, met verwijzing van de Commissie in de kosten van het geding.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy