CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 15 OKTOBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De heer Galati, verzoeker in het geding voor de nationale rechter dat tot de onderhavige prejudiciële procedure heeft geleid, bezit de Italiaanse nationaliteit en is zowel in de Bondsrepubliek Duitsland als in Italië in loondienst werkzaam geweest. In januari 1971 moest hij om gezondheidsredenen een onder de sociale verzekeringsplicht vallende betrekking opgeven ofwel, zoals het in de beschikking van de nationale rechter wordt gezegd, de „Versicherungsfall der Erwerbsunfähigkeit” trad in. Verzoeker maakte deswege aanspraak op een partiële uitkering wegens arbeidsongeschiktheid („Erwerbsunfähigkeit”, althans „Berufsunfähigkeit”). De Landesversicherungsanstalt Schwaben nam op 14 augustus 1973 een afwijzende beschikking op grond dat verzoeker de wachttijd van 60 kalendermaanden, voorzien in de paragrafen 1246, lid 3, en 1247, lid 3, van de Reichsversicherungsordnung, niet had vervuld.
Verzoeker was in de zin van het Duitse stelsel van sociale verzekering 27 maanden werkzaam geweest en had in Italië over een periode van 142 weken, eindigend in januari 1971, verplichte bijdragen betaald. Ook heeft hij blijkbaar, in voege als voorzien in artikel 1 van het decreet van de President van de Italiaanse Republiek nr. 1432 van 31 september 1971, over het tijdvak van 27 juni 1971 tot en met 4 juli 1971, na daartoe verkregen verlof, vrijwillig twee weekpremies betaald.
De Landesversicherungsanstalt meent evenwel dat de periode van vrijwillige verzekering in Italië buiten beschouwing moet blijven omdat zij niet voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid ligt. Naar Duits recht (paragrafen 1246, lid 3, 1247, lid 3, en 1255, lid 6, van de Reichsversicherungsordnung) zou het als wachttijd aan te merken verzekeringstijdvak voordien moeten zijn vervuld en zouden ook alleen de voordien betaalde bijdragen in aanmerking kunnen worden genomen. En ook alleen het Duitse recht zou de doorslag geven ter beantwoording van de vraag of de Italiaanse verzekeringstijdvakken onder de wachttijd kunnen worden gebracht. Laat men de in Italië vervulde vrijwillige verzekeringstijdvakken buiten beschouwing, dan komt men bij toepassing van de omrekeningsvoorschriften van artikel 13, lid 4, van verordening nr. 4 of artikel 15, lid 3, van verordening nr. 574/72 op een Italiaanse verzekeringstijd van 32,77 maanden ofwel, de 27 maanden gedurende welke verzoeker in Duitsland verzekerd was medegerekend, 59,77 maanden. Maar dat zou niet genoeg zijn omdat reeds bij omrekening van de Italiaanse weken in maanden de voor slechts 77/100 vervulde maand niet in aanmerking kan worden genomen. Men zou dus in geen geval kunnen komen tot de in paragraaf 1250, lid 3, van de Reichsversicherungsordnung voorgeschreven 60 maanden.
De heer Galati kwam in beroep bij het Sozialgericht Augsburg.
Wat bedoelde omrekeningsvoorschriften betreft: het Sozialgericht meent dat ten deze onder meer de opvatting zou kunnen worden aanvaard dat de decimale waarde bij de samentelling van verzekeringstijdvakken als een begonnen „Duitse” maand is te beschouwen, hetgeen afronding volgens paragraaf 1250, lid 3, van de Reichsversicherungsordnung mogelijk zou maken. Met betrekking tot het in aanmerking nemen van in Italië vrijwillig „vervulde” verzekeringstijdvakken acht het Sozialgericht de uitlegging te verdedigen dat het Duitse verzekeringsorgaan verplicht is ook na intreding der arbeidsongeschiktheid vrijwillig betaalde bijdragen die krachtens artikel 9 van genoemd decreet als Italiaanse wachttijd kunnen worden beschouwd, te behandelen alsof ze ook onder Duitse wachttijd kunnen worden gebracht.
Het Sozialgericht heeft bij beschikking van 27 januari 1975 het geding geschorst en het Hof krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag verzocht bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te willen doen over de beide navolgende vragen:
1.
Vervalt bij de omrekening van in weken uitgedrukte verzekeringstijdvakken in tijdvakken die in maanden zijn uitgedrukt (artikel 15, lid 3, van verordening (EEG) nr. 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van verordening (EEG) nr. 1408/71, PB nr. L 74 van 27 maart 1972) het eventueel resterende decimaalgedeelte, of dient dit bij de samentelling door het bevoegde orgaan als een volle, c.q. ingegane maand te worden beschouwd?
2.
Dient artikel 45, lid 1, laatste zinsnede, van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB nr. L 149 van 5 juli 1971) te worden verstaan als een fictie in die zin dat aan de wachttijd toe te rekenen verzekeringstijdvakken in een andere Lid-Staat door het bevoegde orgaan zonder verificatie als eigen toe te rekenen verzekeringstijdvakken worden behandeld, dan wel mogen in de andere Lid-Staat vervulde tijdvakken worden geverifieerd overeenkomstig de bepalingen die gelden voor het orgaan dat de uitkering vaststelt?
Ik zou te dien aanzien als volgt mijn standpunt will bepalen.
1. De eerste vraag
Met betrekking tot de omrekening van verzekeringstijdvakken — van weken in maanden — zij vooropgesteld dat de voorschriften der verordeningen nr. 4 en nr. 574/72 op dit punt overeenstemmen en dat ook de juistheid van de hiervoor weergegeven berekening geen twijfel lijdt — wanneer wij mogen uitgaan van een zesdaagse werkweek en alleen rekening houden met verzekeringstijdvakken die vóór intreding van de arbeidsongeschiktheid zijn vervuld —.
Het gaat er dus om of de Landesversicherungsanstalt gelijk heeft met haar opvatting dat — waar dienaangaande in de verordeningen der Gemeenschap niets wordt bepaald — decimalen niet in aanmerking mogen worden genomen of dat de Commissie het gelijk aan haar zijde heeft wanneer zij meent dat bij gebreke vari communautaire voorschriften decimalen voor de samentelling moeten worden medegerekend en dat wat de afronding betreft het nationale recht van het bevoegde verzekeringsorgaan de doorslag moet geven.
Met de opvatting van de Landesversicherungsanstalt — de coördinerende functie van de communautaire omrekeningsbepalingen zou impliceren dat alleen daarin een antwoord mag worden gezocht op de vraag in hoeverre Italiaanse tijdvakken voor de omrekening als in Duitsland vervuld dienen te worden beschouwd; en teleologische uitlegging dier bepalingen zou tot de uitkomst leiden dat slechts volledig vervulde tijdseenheden in de zin van het recht van het bevoegde verzekeringsorgaan in aanmerking kunnen komen — ben ik het niet eens. Zulk een teleologische interpretatie vindt in de verordeningen van de Gemeenschap geen enkele steun. Met betrekking tot de in de eerste plaats genoemde kwestie zij opgemerkt dat communautaire coördinatievoorschriften niet per se een sluitende regeling behoeven te behelzen; het is zeer wel mogelijk dat bij gebleken leemten met het nationale recht te rade moet worden gegaan.
Bij Uw beslissing zult U zich echter in de eerste plaats laten leiden door de in verordening nr. 3 — en de daarvoor in de plaats getreden verordening nr. 1408/71 — verankerde gedachte dat migrerende werknemers tegen nadelen en verlies van rechtsaanspraken dienen te worden beschermd. Niet voor niets moeten volgens de verordeningen de verzekeringstijdvakken die in de onderscheiden Lid-Staten zijn vervuld worden samengeteld; dit is de kern waar de gehele communautaire regeling om draait. Maar dan gaat het niet aan om — wanneer hierover in het kader van de omrekeningsbepalingen der verordeningen niets wordt gezegd — een deel van de volgens het recht van een Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken zo maar onder de tafel te laten vallen.
Men zou ter voorkoming van een dergelijk verlies van rechtsaanspraken wellicht zelfs — met een beroep op de algemene beginselen die aan het recht der Lid-Staten gemeen zijn of met verwijzing naar de heersende praktijk — kunnen stellen dat in zulke gevallen zonder meer tot afronding moet worden overgegaan. Zover zou ik echter niet willen gaan; immers het zou neerkomen op een gedeeltelijke harmonisatie van het sociale verzekeringsrecht die niet in de lijn der verordeningen ligt. De enige in aanmerking komende oplossing is dan dat men het voorstel der Commissie volgt, dat wil zeggen voor de samentelling van verzekeringstijdvakken zoals die in de verordeningen is voorgeschreven de restwaarde meerekent en naar nationaal recht beoordeelt of er tot afronding moet worden overgegaan.
Weliswaar is het dan bij gebreke van uniforme afrondingsvoorschriften niet uitgesloten dat men in de onderscheiden Lid-Staten tot verschillende resultaten komt. Maar dat mag hier niet de doorslag geven; zolang niet tot unificatie wordt overgegaan zijn zulke divergenties in het sociale verzekeringsrecht vaak niet te verwijden.
Het behoort mijns inziens al evenmin een rol te spelen dat er volgens het standpunt der Commissie soms meermalen zou moeten worden „afgerond”; de Landesversicherungsanstalt vond daarin aanleiding van begunstiging der migrerende werknemers te spreken; en volgens artikel 51 van het Verdrag mag er alleen maar sprake zijn van beëindiging van discriminatie. Zou het bij gebreke van de mogelijkheid van land tot land en van geval tot geval te differentiëren inderdaad tot begunstiging komen, dan zou men dat in de lijn van de grondbeginselen van de jurisprudentie op het sociale verzekeringsrecht — en zolang de wetgever van de Gemeenschap c.q. de nationale wetgever geen andere oplossingen biedt — eerder op de koop toe dienen te nemen dan de mogelijkheid dat migrerende werknemers hun rechtsaanspraken verliezen — en dat geval zou zich bij niet- inaanmerkingneming van een deel der door hen vervulde verzekeringstijdvakken ongetwijfeld voordoen —. Bovendien acht ik het hoogst twijfelachtig of de Landesversicherungsanstalt er — tot staving van haar stelling dat de migrerende werknemers zouden worden begunstigd — de nationale arbeidsverhoudingen bij te pas mag brengen. Ik heb de indruk dat aldus rechtsposities met elkaar worden vergeleken die zich helemaal niet voor vergelijking lenen, namelijk die van werknemers die alleen met één nationaal rechtsstelsel te maken hadden en migrerende werknemers die onder meer dan een rechtsregeling vielen en die schijnbaar bepaalde voordelen genieten, die in werkelijkheid echter alleen maar een redelijke compensatie bieden voor de talrijke an migrantie verbonden nadelen.
Tenslotte zou ik er op willen wijzen dat ook twee andere argumenten van de Landesversicherungsanstalt aan de juistheid van het standpunt der Commissie nauwelijks afbreuk kunnen doen.
De Landesversicherungsanstalt betoogt dat de kwestie van de bij omrekening overblijvende decimale restbedragen bij de herziening van verordening nr. 4 bekend was en dat men nochtans de omrekeningsbepalingen in verordening nr. 574/72 ongewijzigd heeft overgenomen. Dit is ongetwijfeld waar. Maar volgens mij betekent dat alleen dat men de zojuist besproken — door verordening nr. 4 aan de hand gedane — oplossing als de juiste heeft beschouwd en wijzigingen overbodig heeft geacht.
Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar hetgeen de Duitse wetgever met zijn afrondingsbepalingen — volgens welke alleen naar Duits recht vervulde tijdvakken in aanmerking mogen worden genomen — voor ogen heeft gestaan. Het lijdt voor mij geen twijfel dat dit op grond van het gemeenschapsrecht nu juist geen punt van overweging behoort uit te maken. De Commissie wees in dit verband terecht op artikel 8 van verordening nr. 3 en artikel 3 van verordening nr. 1408/71 — volgens welke migrerende werknemers op voet van gelijkheid met nationale werknemers moeten worden behandeld.
Met betrekking tot de eerste vraag zullen wij ons dus op het standpunt moeten stellen dat naar gemeenschapsrecht de restwaarde die bij omrekening van kleinere in grotere tijdeenheden overblijft niet buiten beschouwing mag worden gelaten en bij samentelling moet worden meegerekend, terwijl naar nationaal recht moet worden beslist of tot afronding mag worden overgegaan.
Bij naar nationaal recht eventueel toepasselijke afrondingsbepalingen als paragraaf 1250, lid 3, van de Reichsversicherungsordnung — die de verwijzende rechter in zijn overwegingen betrok — behoeven wij thans al evenmin stil te staan als bij de bezwaren welke de Landesversicherungsanstalt daaraan heeft ontleend. Of genoemde voorschriften in casu kunnen worden toegepast — eventueel per analogiam — is een vraag waarover alleen de verwijzende rechter, zij het met inachtneming van genoemde gemeenschapsrechtelijke beginselen, heeft te beslissen.
2. De tweede vraag
Misschien kan het geding voor de nationale rechter reeds op grond van het op de eerste vraag te geven antwoord worden beslist. In zijn beschikking zinspeelt hij op de mogelijkheid. Maar dit is in hoofdzaak een kwestie van uitlegging van het nationale recht en het hangt voorts af van de mate waarin de nationale rechter de door de Landesversicherungsanstalt opgeworpen vragen tot klaarheid heeft weten te brengen; wellicht is hij met zijn onderzoek nog niet geheel gereed. De tweede vraag — die ook geen subsidiair karakter draagt — kan dus in geen geval — als „zonder voorwerp geraakt” — ter zijde worden gesteld.
Wij zullen derhalve ook moeten nagaan of artikel 45, lid 1, in fine, van verordening nr. 1408/71 in die zin is te verstaan dat verzekeringstijdvakken die onder de wachttijd kunnen worden gebracht door het bevoegde verzekeringsorgaan van een andere Lid-Staat zonder nader onderzoek moeten worden geaccepteerd.
De Commissie bepleit deze opvatting, stellende dat het gemeenschapsrecht van een nationale toetsing van buitenslands vervulde — en aldaar in aanmerking te nemen — verzekeringstijdvakken niet wil weten; volgens de verordeningen van de Gemeenchap zou de rechtsorde waaronder zulke tijdvakken vervuld zijn tevens het laatste woord spreken over de vraag of zij in aanmerking mogen worden genomen. De Landesversicherungsanstalt is echter van mening dat het al of niet vervuld zijn van de voorwaarden waaronder men op uitkering aanspraak kan maken volgens het nationale recht van het bevoegde verzekeringsorgaan moet worden onderzocht; met name de vraag of een wachttijd vervuld is en of na intreding van het evenement vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking kunnen worden genomen, zou naar dat recht moeten worden beantwoord.
Bij ons onderzoek naar dit punt van geschil kunnen wij ons niet tot verordening nr. 1409/71 beperken; wij dienen er ook verordening nr. 3 bij te betrekken. Dit blijkt wel uit artikel 118 van verordening nr. 574/72, zoals bij verordening nr. 878/73 gewijzigd, en uit het feit dat het evenement zich vóór 1 oktober 1972 heeft voorgedaan, dat een onderzoek ter vaststelling van de aanspraak bij uitkering voordien niet heeft plaatsgehad en dat er op grond van het verzekerd cas uitkeringen over de daarvoor gelegen periode moeten worden betaald. Terecht heeft de Commissie er op gewezen dat dan ook voor de samentelling tot 30 september 1972 met de artikelen 24, 26, 27 en 28 van verordening nr. 3 en voor de tijd na 1 oktober 1972 met de artikelen 40 en 44 e.v. van verordening nr. 1409/71 moet worden gewerkt.
In artikel 27 van verordening nr. 3 is bepaald dat steeds wanneer een verzekerde aan de regelingen van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest, de volgens de regelingen van elke Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken en daarmee gelijkgestelde tijdvakken met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen in aanmerking worden genomen. In artikel 1, letter p, wordt de term „tijdvakken van verzekering” gedefinieerd; het zijn „de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling welke … volgens de wetgeving welke een op bijdragebetaling berustend stelsel betreft… als tijdvakken van verzekering worden omschreven of in aanmerking worden genomen”. Men heeft hier ten duidelijkste de rechtsorde op het oog waaronder de verzekeringstijdvakken worden vervuld, en het gaat er dus alleen maar om of een bepaald tijdvak daarin als verzekeringstijdvak wordt erkend. Dan ligt de conclusie voor de hand dat toetsing aan het recht van het verzekeringsorgaan dat de uitkering vaststelt, ook voorzover het gaat om de vaststelling van het tijdstip waarop het verzekeringstijdvak is vervuld, is uitgesloten.
Anderzijds dient te worden gelet op artikel 28 van verordening nr. 3. Onder a) wordt gezegd dat het orgaan van elk der Lid-Staten overeenkomstig de eigen wettelijke regeling bepaalt of de belanghebbende, de in artikel 27 bedoelde samentelling in aanmerking genomen, voldoet aan de voorwaarden waaronder hij aanspraak kan maken op de in die wettelijke regeling bedoelde uitkeringen. Onder b) wordt ten aanzien van de vaststelling van het pro rata-gedeelte der uitkering bepaald dat het orgaan, uitgaande van het basisbedrag, de verschuldigde uitkering vaststelt naar gelang van de verhouding van de duur van de tijdvakken welke voor intreding van de pensioengerechtigde leeftijd volgens de eigen wettelijke regeling en krachtens de wettelijke regelingen van alle betrokken Lid-Staten zijn vervuld.
Men bedenke evenwel dat aan de in artikel 28, sub b, gebezigde formulering „voor het bereiken van [de pensioengerechtigde leeftijd]” niet al te veel betekenis dient te worden gehecht. Zij impliceert niet noodzakelijkerwijze dat in andere gevallen van het in aanmerking nemen van — naar nationaal recht wèl in aanmerking komende — tijdvakken geen sprake kan zijn; voorzover volgens het nationale recht na intreding van de pensioengerechtigde leeftijd gelegen tijdvakken in aanmerking mogen worden genomen, is met verordening nr. 3 kennelijk niet beoogd de desbetreffende aanspraken in te perken.
Wat vervolgens artikel 28, letter a, betreft: men dient te bedenken dat dit voorschrift alleen de berekening betreft en ten aanzien van ons probleem niet geheel duidelijk is. Het dient dus te worden gelezen in het licht van de bedoeling welke in verordening nr. 3 en in artikel 51 van het Verdrag besloten ligt. Wij mogen niet vergeten dat het er in deze bepalingen vooral om gaat migrerende werknemers tegen verlies van rechtsaanspraken te beschermen; in de jurisprudentie is' daar herhaaldelijk op gewezen. Maar zulk een verlies — ten nadele van Italiaanse migrerende werknemers — zou stellig intreden wanneer de opvatting van de Landesversicherungsanstalt mocht worden gevolgd: een deel der door hen vervulde verzekeringstijdvakken zou buiten beschouwing worden gelaten, hetgeen niet zou zijn gebeurd als die tijdvakken geheel in Italië waren vervuld. De doorslag zal mijns inziens moeten geven dat verlies van aanspraken aan het vrije verkeer van werknemers in de weg kan staan. Met betrekking tot de hierbedoelde bepalingen leidt dat tot de conclusie dat alle nadruk moet komen te liggen op de artikelen 27 juncto 1, letter p, dat wil zeggen op het beginsel dat buitenslands vervulde verzekeringstijdvakken die als zodanig erkend zijn, door de verzekeringsorganen van andere Lid-Staten bij de samentelling zonder verder onderzoek moeten worden aanvaard.
In die opvatting voel ik mij bovendien gesterkt door het arrest in de zaak 2-72 (arrest van 6 juni 1972, Salvadore Murru tegen Caisse régionale d'assurance maladie de Paris) (Jurispr., Deel 1972, blz. 333.) dat door de Commissie ter sprake is gebracht. Het gaat in die zaak om het verwante probleem van de gelijkgestelde tijdvakken (artikel 1, letter r, van verordening nr. 3). Duidelijk wordt de nadruk gelegd op het beginsel „dat de verordening verwijst naar de voorwaarden waaraan naar het nationale recht moet zijn voldaan om een bepaald tijdvak met de eigenlijke verzekeringstijdvakken gelijk te stellen”, (Deel 1972, blz. 338) en wel zulks ondanks het feit dat het in dit geval voor betrokkene gunstiger zou zijn geweest wanneer het recht van het orgaan dat de uitkering vaststelt zou zijn toegepast.
Aan dit resultaat doet niet af dat migrerende werknemers in een betere positie zouden worden gebracht dan werknemers die alleen op in Duitsland vervulde verzekeringstijdvakken kunnen bogen — omdat aan buitenslands vervulde tijdvakken een sterkere werking wordt toegekend dan aan tijdvakken die na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd in Duitsland vervuld zijn. Ook hier dient men zich te onthouden van vergelijking van rechtsposities die zich daarvoor niet lenen. En wanneer er al van begunstiging zou mogen worden gesproken, dan nog zou zij ten aanzien van migrerende werknemers eerder voor lief genomen moeten worden dan verlies van rechtsaanspraken.
Hetzelfde geldt voor verordening nr. 1408/71.
Weliswaar komt in artikel 45, dat met artikel 27 van verordening nr. 3 overeenkomt, een toevoeging voor: „… alsof deze tijdvakken krachtens de door dat orgaan toegepaste wettelijke regelingen waren vervuld”. Hierin mag echter stellig geen beperking worden gelezen van het beginsel dat de volgens de rechtsvoorschriften van een andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvakken in aanmerking moeten worden genomen. De Commissie leidt dit terecht af uit het feit dat in artikel 45 van verordening nr. 1408/71 zo goed als in artikel 27 van verordening nr. 3 duidelijk het fundamentele beginsel is neergelegd dat buitenslands vervulde tijdvakken in aanmerking moeten worden genomen. Bovendien spreekt de in de Duitse tekst van artikel 1, letter r, van verordening nr. 1408/71 gegeven omschrijving van verzekeringstijdvakken nog ondubbelzinniger voor de door mij voorgestane opvatting; volgens de hier gegeven definitie zijn tijdvakken van verzekering „die Beitrags- oder Beschäftigungszeiten, die nach den Rechtsvorschriften, unter denen sie zurückgelegt worden sind, als Versicherungszeiten bestimmt oder anerkannt sind oder als zurückgelegt gelten [de tijdvakken van premie- of bijdragebetaling of van arbeid welke als zodanig worden omschreven of aangemerkt ingevolge de wetgeving waaronder zij zijn vervuld, alsmede alle met deze tijdvakken gelijkgestelde tijdvakken]…”.
Ook voor de argumenten welke men meent te kunnen ontlenen aan het met artikel 28 van verordening nr. 3 overeenkomende artikel 46 van verordening nr. 1408/71 geldt volledig hetgeen ik ten aanzien van artikel 28 reeds heb opgemerkt. Gezien de analoge formulering van beide voorschriften behoef ik hierover verder niet uit te wijden.
Ik meen dus dat met betrekking tot beide verordeningen de door de Commissie aanbevolen uitlegging de juiste is.
Dat ook de Administratieve Commissie van de Europese Economische Gemeenschap voor de sociale zekerheid van migrerende werknemers zich in haar besluit van 20 april 1964 (PB 1964, blz. 2475) in dezelfde zin uitspreekt is weliswaar geen zwaarwegend argument, nu zulke besluiten het Hof niet binden, maar verdient niettemin opmerking. Bovendien gaat het in dat besluit — anders dan de Landesversicherungsanstalt meent — ook niet alleen om de berekening van het „pour ordre”-bedrag voor staten waar na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd gelegen verzekeringstijdvakken in aanmerking kunnen worden genomen; het luidt heel algemeen. Eenvoudigheidshalve laat ik thans voorlezing van dit besluit achterwege. Ik moge voor de tekst verwijzen naar Publikatieblad 1964, blz. 2476.
3.
Ik concludeer op grond van een en ander dat Uw Hof de vragen van het Sozialgericht Augsburg beantwoorde als volgt:
a)
Decimalen die bij omrekening van in kleinere tijdseenheden uitgedrukte verzekeringstijdvakken in grotere tijdseenheden — volgens artikel 13 van verordening nr. 4 en artikel 15 van verordening nr. 574/72 — ontstaan, moeten bij de samentelling van verzekeringstijdvakken worden medegerekend. Of het bij samentelling verkregen getal mag worden afgerond hangt af van de nationale voorschriften geldende voor het verzekeringsorgaan dat de uitkering vaststelt. Daarbij hebben migrerende werknemers dezelfde aanspraken als onderdanen van de betrokken Lid-Staat.
b)
In artikel 27 van verordening nr. 3 en artikel 45 van verordening nr. 1408/71 wordt het bevoegde orgaan van een Lid-Staat verplicht de volgens de rechtsvoorschriften van andere Lid-Staten vervulde verzekeringstijdvakken die tot de wachttijd mogen worden gerekend, als in de eigen Lid-Staat in aanmerking te nemen verzekeringstijdvakken te beschouwen. Het mag de in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken niet aan het in de eigen Lid-Staat geldende recht toetsen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy