CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 22 OKTOBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De Duitse commanditaire vennootschap Bagusat houdt zich onder meer bezig met de invoer uit Joegoslavië van kersen voor de chocolade-industrie. Zij importeert de vruchten in een conserverend mengsel van water en gearomatiseerde ethylalcohol.
Op 9 september 1974 meldde zij bij het douanekantoor Berlin-Packhof een partij van dertig vaten van dit produkt aan ter inklaring onder post 08.11 van het gemeenschappelijk douanetarief. De omschrijving van deze post luidt: „vruchten, voorlopig verduurzaamd (b.v. door middel van zwaveldioxyde of in water waaraan zout, zwavel of andere stoffen voor het voorlopig verduurzamen zijn toegevoegd),doch als zodanig ongeschikt voor dadelijke consumptie”.
Het ad valorem-recht onder deze post is 11 %.
De douane deelde de waar echter in onder post 20.06, welke — onder het algemene opschrift „Op andere wijze bereide of verduurzaamde vruchten, ook indien met toegevoegde suiker of alcohol” — in onderverdeling B I met name betrekking heeft op vruchten, verduurzaamd met toegevoegde alcohol. Het invoerrecht onder deze onderverdeling is 32 %.
Het hieruit voortkomend geschil werd door de firma Bagusat voorgelegd aan het Finanzgericht te Berlijn.
In het verleden werd U via de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag reeds ettelijke malen geconfronteerd met tariefindelingsproblemen in verband met hetzij toelichtingen en indelingsadviezen, verstrekt in het kader van het Verdrag van Brussel inzake de douanenomenclatuur, hetzij communautaire toelichtingen.
In deze zaak gaat het evenwel niet om de uitlegging van dit soort toelichtingen en adviezen, maar om de geldigheid van verordening nr. 1709/74 van 2 juli 1974, waarbij de Commissie — krachtens haar bij 's Raads verordening nr. 97/69 verleende bevoegdheden om maatregelen te nemen voor de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief zelf heeft besloten, overeenkomstig het advies van het Comité nomenclatuur, dat kersen ingelegd in een mengsel van water en ethylalcohol, als vruchten geschikt door dadelijke consumptie in het douanetarief worden ingedeeld onder postonderverdeling 20.06-B-I.
De aanleiding voor dit besluit van de Commissie was dat het Bundesfinanzhof bij een voorafgaande uitspraak van 16 januari 1973 dit produkt had gerangschikt onder post 08.11, zulks met vernietiging van een beslissing van de Duitse douane.
Ten einde de uitlegging van het douanetarief weer in het haars inziens juiste gareel te brengen, heeft de Commissie toen deze verordening vastgesteld.
Verzoekster in het hoofdgeding voor het Finanzgericht te Berlijn betoogt nu dat deze verordening ongeldig is, daar de Commissie, met overschrijding van de haar door de Raad verleende bevoegdheden, een besluit zou hebben genomen dat ingaat tegen de systematiek van het gemeenschappelijk douanetarief.
Het Finanzgericht besloot daarop het geding te schorsen en U de twee volgende vragen te stellen:
1.
Moeten kersen, ingelegd in een mengsel van water en ethylalcohol, die op 9 september 1974 — dus na de inwerkingtreding van verordening nr. 1709/74 — in West-Berlijn werden ingevoerd, worden ingedeeld onder post 08.11 of onder postonderverdeling 20.06-B-I van het gemeenschappelijk douanetarief?
2.
Is bedoelde verordening geldig, voorzover dit produkt daarbij wordt gerangschikt onder laatstgenoemde postonderverdeling?
Wij zijn het eens met de Commissie dat de oplossing van dit indelingsprobleem afhangt van het antwoord op de tweede vraag.
Want als U erkent dat de wil van de Gemeenschapswetgever, zoals door de Raad neergelegd in het gemeenschappelijk douanetarief, in de verordening correct is weergegeven, dan lijdt het geen twijfel dat deze bindende en rechtstreeks toepasselijke verordening de douane en de nationale rechter verplicht het produkt dienovereenkomstig in te delen.
Wij zullen ons thans derhalve aan een geldigheidstoetsing van deze verordening zetten.
De verordeningen die de Commissie ingevolge de machtiging van de Raad mag nemen voor de uniforme toepassing van het douanetarief, ontsnappen immers niet aan iedere rechterlijke controle en uiteindelijk is alleen het Hof bevoegd zich over de geldigheid ervan uit te spreken. Eenvormigheid mag niet neerkomen op willekeur.
Daarbij dient U zowel naar de externe als de interne geldigheid der verordening te zien.
Wat het extern aspect betreft, wordt niet betwist dat de Commissie uitdrukkelijk door de Raad werd gemachtigd om bepalingen vast te stellen ter precisering van de omschrijving van posten en postonderverdelingen van het gemeenschappelijk douanetarief; zij mag de tariefbepalingen echter uitsluitend preciseren of verduidelijken zonder iets te veranderen aan de inhoud, die alleen door de Raad wordt vastgestelt.
Volgens de toelichting op verordening nr. 97/69 van de Raad zijn de aldus door de Commissie vast te stellen maatregelen voor de tariefindeling van bepaalde goederen bij uitstek technisch van aard en dienen de Lid-Staten bij de opstelling daarvan nauw samen te werken.
Te dien einde werd een Comité nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief opgericht, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en een vertegenwoordiger van de Commissie als voorzitter. De werkwijze van het comité vertoont enige gelijkenis met die van de beheercomité 's in de gemeenschappelijke landbouwordeningen.
De Commissie kan de voorgenomen bepalingen namelijk pas vaststellen na advies van het Comité nomenclatuur en op voorwaarde dat de bepalingen conform het advies zijn. Anders dient de Raad te beslissen.
De Commissie heeft over verordening nr. 1079/74 inderdaad eerst het advies van het comité ingewonnen en zich daaraan geconformeerd.
Tevens mag zij, zoals gezegd, niet buiten de perken van haar bevoegdheid komen door een besluit te nemen, dat inbreuk zou maken op de in het douanetarief vastgelegde dwingende bepalingen. Wij bevinden ons hier op het terrein van de interne geldigheid der verordening. In dit opzicht is Uw toetsing onzes inziens echter marginaal: een ongeldigverklaring is alleen mogelijk bij kennelijke dwaling of misbruik van bevoegdheid. U kunt zich in zoverre niet in de plaats van het Comité nomenclatuur stellen.
Dit in gedachten houdend, willen wij thans het eigenlijke probleem bezien.
Om te beginnen zij erkend dat het een en ander lijkt te pleiten voor een indeling van de onderhavige produkten onder post 08.11.
Ten eerste, de in de tariefpost gegeven opsomming van conserveringsmiddelen is niet limitatief en alcohol is een conserveringsmiddel. Een mengsel van water en ethylalcohol zou dan ook heel wel een voorlopig conserveringsmiddel kunnen zijn, ten minste bij een relatief laag alcoholgehalte.
Een moeilijkheid is hier echter dat het mengsel boven een zeker alcoholgehalte niet meer slechts een conservering van voorlopige aard (enkel voor de tijd van vervoer en verwerking van het produkt) doch van langere duur mogelijk maakt, — een illustratie overigens van de regel dat alleen het voorlopige zich bestendigt.
Naar het schijnt, had het mengsel in kwestie een alcoholgehalte, hoog genoeg om het deze eigenschap toe te kennen.
Al is verordening nr. 1709/74 op dit punt enigszins duister, omdat niet wordt gezegd wat is te verstaan onder „voldoende alcoholconcentratie voor verduurzaming gedurende een beperkte tijd”, toch valt eruit af te leiden dat der verordening zeker niet doelt op alle water/alcoholmengsels van hoe laag gehalte ook.
Er is nog een moeilijkheid, immers de gebruikte alcohol conserveert de kersen niet alleen, doch wordt — anders dan het water — niet geëlimineerd en bevindt zich dus nog in het door de chocoladefabriek verwerkte en ten slotte verkochte produkt dat daardoor in waarde zal toenemen.
Bovendien doet voor de indeling onder post 08.11 dan wel post 20.06 noch de wijze van verpakking noch de uiteindelijke bestemming van het produkt op zichzelf iets ter zake.
Uit de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel evenals uit de toelichtingen op het douanetarief van de Europese Gemeenschappen blijkt namelijk dat, terwijl de vruchten van post 08.11voornamelijk bestemd zijn voor de verwerkende industrie (jam, geconfijte vruchten etc.), de waren van post 20.06 niet altijd behoeven te zijn bestemd voor dadelijke consumptie, maar mede kunnen worden gebruikt in de banketbakkerij en jamfabrieken.
Zo ook worden de vruchten van post 08.11 gewoonlijk verpakt in vaten, manden en dergelijke, terwijl dit bij de waren van post 20.06 kan gebeuren in blikken, potten, vaten of luchtdichte verpakkingen.
Wel daarentegen staat in de toelichtingen van Brussel een interessante aantekening ter bevestiging van de interpretatie die wij U zouden willen voorstellen: post 08.11 omvat niet een zeker aantal produkten die meer specifiek in andere posten zijn omschreven, ook al zijn die produkten in plantkundig opzicht evenzeer vruchten.
Wat derhalve uiteindelijk de doorslag geeft, is de vraag of de produkten als zodanig al dan niet geschikt zijn voor dadelijke consumptie.
Ten deze verdient opmerking dat post 08.11 volgens de toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel slechts vruchten omvat, die een behandeling hebben ondergaan, welke uitsluitend ten doel heeft deze voorlopig te verduurzamen ter bewaring onderweg of tijdens de periode van opslag, vóór de definitieve verwerking; in die staat mogen zij echter niet geschikt zijn voor dadelijke consumptie. Hieruit volgt dat vruchten die een behandeling hebben ondergaan waarbij zij — ongeacht hun bestemming — niet ongeschikt worden gemaakt voor dadelijke consumptie, ook niet onder deze post kunnen vallen.
Al lijdt het wellicht geen twijfel dat het produkt in casu niet normaal is bestemd voor dadelijke consumptie en al wordt het in deze vorm niet in de handel gebracht noch in feite te dien einde verkocht, toch is daarmee nog niet gezegd dat het door de toevoeging van een water/alcoholmengsel als conserveringsmiddel ongeschikt is gemaakt voor consumptie. Zelfs wanneer de concentratie van dit mengsel slechts een betrekkelijk kortstondige verduurzaming kan bewerkstelligen, dan zijn de kersen alleen daarom nog niet ongeschikt voor dadelijke consumptie, voorzover zij althans vóór afloop van de conserveringstermijn worden verbruikt.
Het argument dat een aldus behandeld produkt niet beantwoordt aan de smaak en de gewoonten van de verbruikers, kan niet slagen. Het gaat namelijk uit van een subjectief criterium, terwijl bij een tariefindeling alleen objectieve overwegingen tellen.
Het komt ons dan ook voor dat de Commissie het gemeenschappelijk douanetarief correct heeft geïnterpreteerd door het betrokken produkt te rangschikken onder post 20.06-B-I.
Ten slotte moet onzes inziens in ieder geval de algemene bepaling voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (titel I, sub A 3) worden gevolgd:
„Indien goederen … vatbaar zijn voor indeling onder twee of meer posten, geschiedt de indeling als volgt:
a)
de post met de meest specifieke omschrijving heeft voorrang boven posten met een meer algemene strekking;
…
c)
in de gevallen waarin de indeling (aldus) niet mogelijk is, wordt de post toegepast volgens welke het hoogste invoerrecht wordt geheven en, indien bij de verschillende in aanmerking te nemen posten eenzelfde invoerrecht is vastgesteld, de post, welke in volgorde van nummering het laatst in de nomenclatuur van het tarief is geplaatst.”
In dit opzicht is de Commissie, steunend op het advies van het Comité nomenclatuur, tewerk gegaan zoals een douanekantoor zou hebben te doen. Zij heeft zich aanstonds afgevraagd of de produkten in kwestie konden worden gerangschikt onder post 20.06, — de post met de meest specifieke omschrijving en met het hoogste invoerrecht en die als laatste in het tarief is opgenomen. Een indeling onder post 08.11 had om zo te zeggen slechts een subsidiair of restkarakter.
Zo de Commissie, gesteld tegenover uiteenlopende interpretaties, een besluit bedoelde te nemen, dat was gericht op een uniforme toepassing van het douanetarief, wil het feit dat de indeling plaatsvond op het niveau van het hoogste invoerrecht, geenszins zeggen dat dit een misbruik van bevoegdheid is; hoogstens zou dat misbruik dan zijn grond vinden in het douanetarief zelf.
Bijgevolg zou verordening nr. 1709/74 alleen ongeldig kunnen worden verklaard, indien de daarbij vastgestelde indeling van de betrokken produkten klaarblijkelijk onjuist zou zijn, hetgeen slechts het geval is, wanneer het produkt door de conserveringsbehandeling niet alleen in die staat ongeschikt voor verbruik, maar definitief onbruikbaar zou worden.
Ik concludeer mitsdien dat bij onderzoek van de gestelde vragen niet is gebleken van gegronde bezwaren tegen de geldigheid van verordening nr. 1709/74 der Commissie van 2 juli 1974, en dat derhalve kersen, ingelegd in een mengsel van water en ethylalcohol, die na de inwerkingtreding dezer verordening in de Gemeenschap zijn ingevoerd, dienen te worden ingedeeld onder post 20.06-B-I van het gemeenschappelijk douanetarief.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy