CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 20 NOVEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het gaat in deze prejudiciële zaak om bepaalde regelingen betreffende het in de Bondsrepubliek Duitsland bestaande monopolie voor gedistilleerd. Ik zou daarom willen beginnen met enkele opmerkingen betreffende de basisvoorschriften voor dit monopolie, die zijn vervat in een wet van 8 april 1922, zoals die laatstelijk bij de wet van 2 maart 1974 is gewijzigd.
Volgens die voorschriften moet binnenlands gedistilleerd normaliter tegen een bepaalde overnameprijs aan het monopolie worden afgeleverd. Die overnameprijs berust op een basisprijs voor gedistilleerd die door het monopoliebestuur in dier voege wordt vastgesteld „dat de gemiddelde produktiekosten van een hectoliter ethylalcohol in goed geleide agrarische „Kartoffelbrennereien” van gemiddelde grootte — dat is met een gemiddelde jaarlijkse produktie van 500 hl ethylalcohol — erdoor worden gedekt”. Voorts worden er, vooral naar gelang van de geproduceerde hoeveelheden, „Abzüge” en „Zuschläge” berekend. Het gedistilleerd wordt door het monopolie verkocht tegen een eveneens door het bestuur vastgestelde verkoopprijs. De normale verkoopprijs — er zijn ook in verband met bepaalde gebruiksbestemmingen verlaagde verkoopprijzen, maar die doen hier verder niet ter zake — omvat de belasting op het gedistilleerd en de zogenaamde „Preisspitze”, dat wil zeggen de overnameprijs en het bedrag dat tot dekking van de kosten van het monopolie bestemd is.
Voorzover er uitzonderingen op de afleveringsplicht bestaan, bij voorbeeld voor uit vruchten gewonnen brandewijn, wordt er een „Branntweinaufschlag” geheven, die in de regel gelijk is aan het verschil tussen de normale verkoopprijs van gedistilleerd en de basisprijs, verminderd met hetgeen het bestuur van het monopolie zich door het achterwege blijven van de overname gemiddeld aan kosten bespaart; voor de periode waarom het in het hoofdgeding gaat waren deze mindere kosten bepaald op 21 DM. Daarnaast zijn er naar aard en hoeveelheid van het geproduceerde gedistilleerd ook „Zuschläge” en „Abschläge” voorzien, waarbij met name een rol speelt of het gedistilleerd is geproduceerd in het kader van het door het monopoliebestuur verleende „Brennrecht”.
Bij invoer van gedistilleerd en ethylalcoholhoudende produkten moet een compenserende monopolieheffing (Monopolausgleichsabgabe) worden betaald. Als ethylacoholhoudende produkten worden mede beschouwd wijn en dergelijke dranken, met inbegrip van gearomatiseerde dranken, waarvan het ethylalcoholpercentage een bepaald minimum te boven gaat. De normale compenserende monopolieheffing op voor consumptie bestemd gedistilleerd en op ethylalcoholhoudende dranken is gelijk aan het verschil tussen de normale verkoopprijs van gedistilleerd en de basisprijs van gedistilleerd. Zij omvat dus de belasting op het gedistilleerd en de „top” („Monopolausgleichspitze”), overeenkomende met de forfaitair per hectoliter ethylalcohol berekende kosten door het monopolie gemaakt wegens de overneming — en verkoop — van binnenlands gedistilleerd dat als voormeld moet en kan worden afgeleverd.
In het geding voor de nationale rechter dat tot de onderhavige prejudiciële zaak heeft geleid, gaat het vooral om de vraag of deze topheffing als rechtmatig is te beschouwen.
De firma Rewe-Zentrale, verzoekster in het hoofdgeding, heeft in oktober 1970 vermout uit Italië als entrepôt-goed ingevoerd en daarvan in januari 1971 bepaalde hoeveelheden in het vrije verkeer gebracht. Op grond van voormelde bepalingen had zij toen de compenserende monopolieheffing te betalen. Voorzover die heffing genoemde top omvatte, stelt de firma Rewe haar op grond van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, van het EEG-Verdrag onrechtmatig te achten aangezien zij op gelijksoortige binnenlandse produkten niet wordt geheven. Zij stelt zich voorts op het standpunt dat de kosten van de monopolie-administratie niet als een wettelijk vastgelegde — en dus vaststaande — binnenlandse last, doch als een van prijselementen afhankelijke variabele last zijn te beschouwen en zich derhalve niet voor compensatie lenen. Maar ook voorzover ingevoerde produkten worden vergeleken met binnenlandse produkten die de „Branntweinaufschlag” te dragen hebben zou er van discriminatie sprake zijn, immers op die verhoging worden de gemiddelde mindere kosten van het monopolie in mindering gebracht, terwijl er ook bepaalde „Zuschlage” en „Abschläge” zijn voorzien. Bedoelde vergelijking zou alleen correct zijn wanneer de laagste op binnenlandse produkten gelegde last in aanmerking werd genomen.
Op deze gronden maakte de firma Rewe een procedure aanhangig bij het Finanzgericht Rheinland-Pfalz, dat bij beschikking van 10 april 1975 het geding schorste en krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag om een prejudiciële beslissing vroeg inzake de navolgende vragen:
1.
Moet artikel 37, lid 1, van het EEG-Verdrag — evenals artikel 95, lid 1 — aldus worden uitgelegd, dat de onderdanen van de Lid-Staten na het einde van de overgangsperiode daaraan rechtstreeks subjectieve rechten kunnen ontlenen welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven?
2.
Is de heffing van de zogenaamde top van de monopoliecompensatie („Monopolausgleichspitze”) bij de invoer van Italiaanse vermout in strijd met de beginselen van artikel 95, lid 1, van het EEG-Verdrag — en zo vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, ook met die van artikel 37, lid 1 —, en wel omdat zij niet dient ter compensatie van een belasting op vergelijkbare binnenlandse produkten, maar van de administratiekosten van het staatsmonopolie?
3.
Zo neen:
Moeten bij de toepassing van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, EEG-Verdrag slechts de top van de monopoliecompensatie enerzijds en de monopoliekosten anderzijds worden vergeleken, of komt het erop aan dat de totale prijs van het ingevoerde produkt door de heffing van die top niet ongunstiger wordt dan die van vergelijkbare binnenlandse produkten?
4.
Zo het eerste deel van vraag 3 bevestigend wordt beantwoord:
Is er sprake van discriminatie (in de zin van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1) van ingevoerde Italiaanse vermout, nu in het Branntweinmonopolgesetz een uniforme topheffing op de ethylalcohol in voor consumptie bestemde ingevoerde produkten is voorzien, doch voor vergelijkbare binnenlandse produkten een progressieve — aan de geproduceerde hoeveelheden gerelateerde — omslag van de administratiekosten van het staatsmonopolie?
Ik zou aan de bespreking van deze vragen twee opmerkingen willen laten voorafgaan. Zij betreffen enerzijds het begrip marktordening en anderzijds de vergelijkingsmaatstaf welke in casu wegens de aard der ingevoerde produkten moet worden gehanteerd.
a)
De Bundesregierung zowel als de Commissie hebben betoogd dat de Duitse regeling inzake het Branntweinmonopol met betrekking tot ethylalcohol gewonnen uit landbouwprodukten als eennationale marktordening voor landbouwprodukten is te beschouwen. Het is mijns inziens met klem van redenen aangetoond en dient bij de bespreking van dit geval niet uit het oog te worden verloren.
Om te beginnen kan worden gewezen op de definitie welke het Hof in zijn arrest 48-74 van 10 december 1974 (gewezen in de zaak Charmasson t. Ministre de l'Économie et des Finances, (Jurispr. 1974, blz. 1383) heeft gegeven van de term marktordening — en van de kenmerken welke zo en marktordening naar Gemeenschapsrecht zou dienen te vertonen —. Als nationale marktorganisatie is volgens dat arrest te beschouwen een regulering der markten onder toezicht van de overheid, die er op gericht is de markt te stabiliseren, via verzekering van de afzet de landbouwbevolking een redelijke levensstandaard te verzekeren en de verzorging der consumenten te garanderen.
Anderzijds staat vast dat uit landbouwprodukten gewonnen ethylalcohol bij 's Raads verordening nr. 7 a van 18 december 1959 in bijlage II van het EEG-Verdrag is opgenomen en daarmede als landbouwprodukt in de zin van de artikelen 38 tot en met 46 van het Verdrag is erkend.
Ook is de voor dit monopolie gegeven regeling kennelijk bedoeld om evenwicht op de markt te verzekeren — in dier voege dat produktie en behoefte elkaar zo goed mogelijk in evenwicht houden — en om via waarborgen voor de valorisatie van agrarische basisprodukten en voor de afzet van alcohol het landbouwinkomen met behulp van een prijsgarantie te verzekeren, des dat bij de bepaling der overnameprijzen c.q., voorzover het gaat om alcohol waarvoor de afleveringsplicht niet geldt, bij de bepaling van de „Branntweinaufschlag”, met verschillen in bedrijfsgrootte en produktiekosten rekening wordt gehouden. Dit agrarisch beleidsoogmerk wordt ook in een aantal voorschriften betreffende het Branntweinmonopolie duidelijk geformuleerd. Ik denk bij voorbeeld aan paragraaf 25 van het Branntweinmonopolgesetz, volgens hetwelk agrarische branderijen met een landbouwbedrijf verbonden moeten zijn, terwijl er in die branderijen alleen maar aardappelen en graan verwerkt mogen worden en de afvalprodukten volledig aan het vee van het bedrijf moeten worden gevoederd. Voorts herinner ik er aan dat volgens paragraaf 32 van dezelfde wet nieuwe agrarische branderijen slechts kunnen worden opgericht wanneer daaraan behoefte blijkt te bestaan, dat naar luid van paragraaf 33 het „Brennrecht.” met inachtneming van het gebruikte areaal wordt vastgesteld en dat het daarbij volgens paragraaf 33 a van belang is of voor de produktie van „Brennereigüter” de aardappelteelt en de verwerking van aardappelen tot gedistilleerd onontbeerlijk is. Ook dient te worden bedacht dat ingevolge paragraaf 37 „Brennereien” van coöperaties van fruittelers gedistilleerd uitsluitend bereiden uit fruit dat door de leden zelf is geoogst en dat er naar luid van paragraaf 65 van de vaststelling van de basisprijs voor gedistilleerd wordt uitgegaan van de gemiddelde produktiekosten van een hectoliter ethylalcohol in goed geleide agrarische „Kartoffelbrennereien”. Hierbij wil ik het vóór het ogenblik laten; de opsomming is geenszins volledig.
Mijns inziens zijn deze gegevens van zoveel belang dat er aan het begin van dit onderzoek niet genoeg op kan worden gewezen; op de consequenties welke er in casu aan dienen te worden verbonden komen wij nog te spreken.
b)
Hetzelfde geldt voor de tweede vooropmerking, die ik meen te moeten maken om te voorkomen dat ons onderzoek ons al te ver voert.
Centraal staat de vraag of er ten nadele van geïmporteerde alcohol wordt gediscrimineerd. Het gaat er dan maar om welk binnenlands produkt als vergelijkingsmaatstaf wordt gebezigd. In het hoofdgeding gaat het om de invoer van Italiaanse vermout. Bij de vervaardiging van vermout wordt ongetwijfeld uit wijn verkregen alcohol gebruikt. Het vergelijkbare binnenlandse produkt moet dus eveneens uit wijn verkregen alcohol zijn. Maar ten processe is komen vast te staan dat krachtens het Branntweinmonopolgesetz de afleveringsplicht er niet voor geldt en dat zulke alcohol (men zie slechts § 76) niet door het monopolie kan worden overgenomen. Als dit juist is, hetgeen de verwijzende rechter zal moeten uitmaken, dat wil zeggen als zulke alcohol niet door het monopolie wordt gekocht of verkocht, dan kunnen de met het monopolie verband houdende lasten ook niet worden gesteld op het verschil tussen overnameprijs en verkoopprijs; de vergelijkbare binnenlandse last is veeleer de „Branntweinaufschlag”, een heffing welke — omdat volgens paragraaf 106 van het Branntweinmonopolgesetz ook voor zulke alcohol de door het monopolie vastgestelde verkoopprijzen gelden — overeenkomt met het verschil tussen verkoopprijs en basisprijs, in dier voege dat daarbij de gemiddelde mindere kosten (21 DM) en eventueel bepaalde Zuschläge en Abschläge in aanmerking worden genomen.
Ik meen er goed aan te doen hierop reeds thans te wijzen; wij dienen een en ander bij de verdere bespreking niet uit het oog te verliezen.
De eerste vraag
Na deze onvermijdelijke opmerkingen vooraf zijn wij dan nu toegekomen aan de bespreking van de eerste vraag, namelijk of sinds het einde van de overgangstijd aan artikel 37, lid 1, en aan artikel 95, lid 1, van het EEG-Verdrag rechtstreeks subjectieve rechten kunnen worden ontleend welke de nationale rechterlijke instanties moeten handhaven.
Strikt letterlijk opgevat, is de vraag niet moeilijk te beantwoorden. Voorzover betrokkenen zich erover hebben uitgesproken, concluderen zij eenstemmig tot een bevestigende beantwoording, en daarvoor zijn inderdaad goede gronden aan te voeren.
Om te beginnen zij er op gewezen, dat hier sprake is van een duidelijke verplichting. Dit geldt niet slechts voor artikel 95, lid 1, maar ook voor artikel 37, lid 1, volgens hetwelk er bij nationale monopolies van commerciële aard aan het einde van de overgangsperiode van discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten, wat de voorwaarden van de voorziening en afzet betreft, geen sprake mag zijn. Voorts is van belang dat het Hof reeds in de zaak 6-64 (arrest van 15 juli 1964, Flaminio Costa t. Enel, Jurispr. deel X, blz. 1207) artikel 37, lid 2, dat nieuwe discriminaties verbiedt, rechtstreeks toepasselijk heeft verklaard. Daaruit mag worden geconcludeerd dat de term discriminatie op zichzelf, aangezien er in lid 1 en lid 2 van artikel 37 dezelfde betekenis aan moet worden toegekend, aan rechtstreekse toepasselijkheid niet in de weg staat (vgl. conclusie in de zaak 82-71, Avvocatura Generale dello Stato t. Società agricola industria latte (SAIL) Jurispr. 1972, blz. 153).
Ik acht het evenwel de vraag of wij het bij deze vaststellingen mogen laten en niet evenals in sommige anderen zaken bovendien zullen moeten stilstaan bij een aantal uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt belangrijke, voor de beslissing wezenlijke gezichtspunten.
Ik denk daarbij met name aan het standpunt van de Bondsregering die, wijzende op artikel 37, lid 4, heeft betoogd dat daarin voor bepaalde casusposities een relativering van het discriminatieverbod van artikel 37, lid 1, te lezen zou zijn, Wij dienen althans op dit aspect nader in te gaan.
Wij lezen in artikel 37, lid 4:
„Wanneer er een monopolie van commerciële aard bestaat, dat een regeling ter vergemakkelijking van de afzet of van de valorisatie van landbouwprodukten omvat, dienen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel gelijkwaardige waarborgen te worden gegeven voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten;…”
Mijns inziens volgt reeds uit de bewoordingen van lid 4 dat beide leden met elkaar in verband dienen te worden gelezen: het discriminatieverbod kan slechts gelden voorzover er met behulp van bepaalde positieve maatregelen inderdaad gelijkwaardige waarborgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten worden gegeven. Maar wij dienen hierbij niet te denken aan een juridisch onvolkomen „verplichting tot doen”. Gezien de wordingsgeschiedenis der bepaling en het feit dat de delegaties van verschillende Lid-Staten er veel prijs op hebben gesteld dat genoemde passages in het Verdrag werden opgenomen, moet de bepaling wel degelijk als dwingend worden beschouwd.
Gelijkwaardige waarborgen kunnen weliswaar, naar ten processe terecht is betoogd, met behulp van nationale maatregelen worden verschaft. Meer op hun plaats zijn echter communautaire maatregelen, met name maatregelen in het kader van de invoering van gemeenschappelijke marktordeningen. Dit geldt vooral op een terrein als het onderhavige, waar men inderdaad tot een gemeenschappelijke marktordening wil komen (vgl. het voorstel van de Commissie van 6 maart 1972 voor een verordening houdende een gemeenschappelijke ordening van de markt voor ethylalcohol uit landbouwprodukten, alsmede aanvullende bepalingen voor ethylalcohol van nietagrarische oorsprong en voor bepaalde produkten welke alcohol bevatten (PB C 43 van 29. 2. 1972, blz. 3).
In dezelfde richting wijst een aanbeveling welke de Commissie op 22 december 1969 tot de Bondsrepubliek Duitsland heeft gericht; zij betrof de reorganisatie van het nationaal monopolie voor de handel in alcohol en strekte tot vervanging van de nationale marktordening voor ethylalcohol door een communautaire ordening; tot aan de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening worden met verwijzing naar artikel 37, lid 4, bijzondere maatregelen nodig geacht. Zo mag geïmporteerd en voor consumptie bestemd gedistilleerd, wat de bij invoer toegepaste heffingen betreft, in beginsel worden behandeld alsof het in een branderij met een jaarlijkse produktie van 10000 hl. ethylalcohol is geproduceerd; ook wordt bij invoer van alcoholhoudende dranken een compenserende heffing geoorloofd verklaard. Voorts mag het gebruik van ethylalcohol van nietagrarische oorsprong, waarop eveneens een bijzondere heffing kan worden toegepast, aan banden worden gelegd.
Men kan zich dus op goede gronden op het standpunt stellen dat artikel 37. lid 1, voor de in artikel 37, lid 4, bedoelde produkten niet zonder voorbehoud geldt zolang niet op Gemeenschapsniveau de beoogde gelijkwaardige waarborgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten zijn geschapen.
Gezien de hiervoor gemaakte opmerkingen betreffende het bestaan van een nationale Duitse marktordening voor alcohol en in aanmerking genomen het feit dat in zodanig geval de bijzondere bepalingen vervat in de artikelen 39 tot en met 46 van het EEG-Verdrag van toepassing zijn, zal men zich dan echter ook mogen afvragen of de algemene bepalingen van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, die in alle vragen van de verwijzende rechter een rol spelen, bij afloop der overgangsperiode wel zondermeer gelden zolang de nationale marktorganisatie nog niet door een communautaire marktordening is vervangen.
Ik ben er mij terdege van bewust dat het Hof hieraan reeds overwegingen gewijd heeft in de zaak 48-74. Ik herinner aan 's Hofs overweging dat nationale marktorganisaties tot de oprichting van een gemeenschappelijke marktordening in stand kunnen blijven, maar niet meer nadat de overgangsperiode verstreken is; bij de inwerkingtreding van het Verdrag bestaande nationale marktorganisaties rechtvaardigen dan niet langer een afwijking van net in artikel 33 omschreven verbod van kwantitatieve beperkingen, ook al is er nog geen overeenkomstig gemeenschappelijk beleid vastgesteld. Maar men dient te bedenken dat 's Hofs overweging kwantitatieve beperkingen van de invoer van bananen in Frankrijk betrof; volgens het Hof houdt het overgangsperiode van contingenteringsregelingen alleen nog niet in dat de voorwaarden die aan het voort bestaan van een nationale marktordening mogen worden gesteld, zouden zijn vervuld. Hetgeen het Hof verder met betrekking tot het voortbestaan van nationale marktorganisaties overweegt is dus als obiter dictum te beschouwen, zodat er op mag worden teruggekomen in een geval waarin het probleem der marktordening werkelijk rijst en de consequenties ener voor de nationale marktordeningen nadelige opvatting in alle duidelijkheid aan de dag treden.
Ik wil reeds thans opmerken dat er veel voor té zeggen is bij de bespreking van de vraag of nationale marktorganisaties na afloop van de overgangsperiode kunnen voortbestaan, niet al te eenzijdig de nadruk te leggen op het principe van de artikelen 8
— het einde van de overgangsperiode is tevens de dag waarop alle voorziene voorschriften in werking moeten zijn getreden en alle met de oprichting van de gemeenschappelijke markt verband houdende maatregelen moeten zijn genomen —
en 40
— de Lid-Staten stellen het gemeenschappelijk landbouwbeleid vóór het einde van de overgangsperiode vast —.
Want dan komen mijns inziens andere, eveneens duidelijk in het Verdrag vastgelegde, stelregels in de verdrukking. Zo dient men te bedenken dat er in de inleidende bepaling van de Titel over de landbouw, artikel 38, lid 4, de nadruk op wordt gelegd dat het gelijk op met de verwezenlijking en ontwikkeling van de gemeenschappelijke markt voor landbouwprodukten tot de uitwerking van een gemeenschappelijk landbouwbeleid der Lid-Staten moet komen: zonder gemeenschappelijk landbouwbeleid geen uitbouw van de gemeenschappelijke markt voor landbouwprodukten. Ook mag niet worden vergeten dat er in artikel 43, lid 2, sprake is van de vervanging der nationale marktorganisaties door een van de in artikel 40, lid 2, genoemde ordeningsvormen en in artikel 43, lid 3, van het in de plaats komen der in artikel 40, lid 2, bedoelde gemeenschappelijke ordening voor de nationale marktorganisaties, waarbij de eis geldt dat er voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten gelijkwaardige waarborgen moeten worden geboden. Hierin komt de gedachte tot uitdrukking dat het niet tot een breuk mag komen, dat de nodige continuïteit moet worden betracht en voor de nodige aanpassing behoort te worden gezorgd. Reeds hierom kan men zich bezwaarlijk op het standpunt stellen dat er, ongeacht de vraag in hoeverre er reeds een gemeenschappelijk landbouwbeleid verwezenlijkt is, na afloop van de overgangsperiode op nationale marktorganisaties geen beroep meer zou mogen worden gedaan ten betoge dat aan algemene Verdragsbepalingen geen of slechts een beperkte gelding zou toekomen.
Achteraf mag trouwens worden vastgesteld dat de verwezenlijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid als gevolg van velerlei belangen — tegenstellingen een ingewikkelde en tijdrovende zaak is gebleken. Voor nog meer moeilijkheden zorgde de bekende Luxemburgse resolutie van januari 1966 waarbij het eenstemmigheidsbeginsel werd ingevoerd, terwijl het Verdrag — in artikel 43 — een besluitvorming met gekwalificeerde meerderheid kent. Vooral daaraan, ik bedoel aan de bekende moeizaam verlopen „package deal”, moet het waarschijnlijk worden toegeschreven dat voor 31 december 1969 een definitieve bespreking van alle agrarische sectoren niet mogelijk is gebleken. Bij deze stand van zaken, die ten dele reeds tijdens het formuleren der Verdragsbepalingen te voorzien was, lijkt het mij ten enenmale onaannemelijk dat het in de bedoeling van de auteurs van het Verdrag zou hebben gelegen dat de algemene bepalingen van het Verdrag bij afloop van de overgangsperiode in ieder geval toepassing zouden moeten vinden, onafhankelijk van de mate waarin het tot een werkelijk gemeenschappelijk landbouwbeleid zou zijn gekomen en ook wanneer door nationale marktorganisaties beschermde belangen aldus ernstig in het gedrang zouden komen. Het is ook zeer wel denkbaar dat slechts een of enkele Lid-Staten bij de vervanging van een nationale marktorganisatie door een gemeenschappelijke marktordening belang hadden. Zou er na afloop van de overgangsperiode werkelijk in geen geval meer een beroep op een nationale marktordening mogen worden gedaan, dan zou het de betrokken Lid-Staten veel moeilijker worden gemaakt hun doel te bereiken, terwijl andere Lid-Staten, die alleen bij de toepassing der algemene Verdragsbepalingen belang hadden, hun bedoelingen alleen door obstructie en stilzitten zouden zien verwezenlijkt. Juist omdat het er niet voor mag worden gehouden dat ook maar een enkele Lid-Staat zodanig resultaat — dat op een lichtvaardig prijsgeven van de eigen belangen zou neerkomen — zou hebben aanvaard, lijkt ons de enig verdedigbare opvatting dat de afloop der overgangsperiode, wat de toepassing der algemene Verdragsbepalingen betreft, niet als een starre tijdslimiet is te beschouwen en dat zolang het niet tot een gemeenschappelijke marktordening is gekomen, aan bijzondere regelingen van nationale marktorganisaties ook nadien een zekere betekenis moet worden toegekend.
Daarvoor kunnen trouwens nog twee argumenten worden aangevoerd die ik volledigheidshalve wil vermelden.
Het is niet onmogelijk dat bepaalde gemeenschappelijke marktorganisaties er pas kort voor het einde der overgangsperiode zijn gekomen. Tot aan hun inwerkingtreding moet zich dan de behoefte hebben doen gevoelen aan een overgangs- en aanpassingstijdvak, waarin er voor de afzonderlijke Lid-Staten bijzondere regels dienden te gelden. Maar dit zou ongeoorloofd geweest zijn wanneer dadelijk bij afloop van de overgangsperiode nog slechts de algemene Verdragsvoorschriften dan wel de regelen van de gemeenschappelijke marktordeningen mochten worden toegepast.
Voorts zij herinnerd aan artikel 44, lid 6, volgens hetwelk er aan het einde der overgangsperiode een overzicht van de dan nog bestaande minimumprijzen wordt opgesteld — en de Raad „de regeling vast [stelt] die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moet worden toegepast”. Op grond van dit voorschrift nam de Raad zijn beschikking van 20 december 1969, waarvan de rechtsgeldigheid meermalen is verlengd. Het bleek ondoenlijk vóór afloop van de overgangsperiode voor alle produkten waarvoor minimumprijzen waren vastgesteld een gemeenschappelijke marktorganisatie te scheppen, en de Raad vond daarin aanleiding alleen voor bepaalde Lid-Staten geldende uitzonderingsregelingen (compenserende heffingen; voorlopige handhaving van een minimum-prijzenregime) te creëren. Ook dit is bezwaarlijk te rijmen met de opvatting dat bij gebreke van een gemeenschappelijke marktordening na het verstrijken van de overgangsperiode alleen de algemene Verdragsbepalingen toepasselijk zouden zijn geweest.
Zou men desondanks de hier voorgestane uitlegging van de artikelen 39 tot en met 46 — en de opvatting dat nationale marktordeningen ook na afloop van de overgangsperiode konden voortbestaan — niet aanvaarden, dan is er in ieder geval nog een ander argument dat zich niet van de tafel laat vegen.
In Titel II (betrefffende de landbouw) wordt meermalen vastgehouden aan het principe dat de noodzakelijke aanpassingengeleidelijk dienen te geschieden. Ik wijs bij voorbeeld op artikel 39, lid 2, en op artikel 43 (men zie ook artikel 37, lid 4). De geleidelijkheid is zelfs een grondbeginsel van het gemeenschappelijk landbouwbeleid; een abrupte overgang van de ene ordening op de andere dient zo veel mogelijk te worden vermeden. Ik ben van mening dat deze gedachte ook in casu moet worden gehonoreerd, eventueel door er de uitgangspunten van de artikelen 171 en 174 van het EEG-Verdrag bij te pas te brengen. Wij zouden dan tot het volgende resultaat komen: Dat sinds de afloop der overgangsperiode de algemene Verdragsbepalingen toepasselijk zijn, is een inzicht dat van de tot voor kort heersende algemene opvatting afwijkt en pas onlangs in de rechtspraak werd gewonnen; het kan dus niet terstond, doch pas na afloop van een door het Hof zelfstandig vast te stellen coulance-termijn worden doorgevoerd. Alleen wanneer aldus wordt tewerkgegaan, kan mijns inziens nodeloze hardheid worden vermeden en de overgang harmonisch en met de nodige aanpassingen verlopen.
Of men de zaak nu benadert vanuit de opvatting dat nationale marktordeningen zijn blijven voortbestaan, vanuit het in artikel 37, lid 4, gemaakte voorbehoud of vanuit de zojuist besproken gedachtengang, met betrekking tot de eerste vraag zal onze slotsom moeten zijn dat de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, na afloop van de overgangsperiode in een geval als het onderhavige niet zonder voorbehoud kunnen gelden. Van hun toepassing kan slechts sprake zijn voorzover het bestaan van het nationale handelsmonopolie of de nationale marktorganisatie er niet door in gevaar gebracht wordt en er geen wezenlijk nadeel wordt toegebracht aan belangrijke elementen van de nationale regeling.
Tweede vraag
In de tweede plaats moet worden nagegaan of de bij invoer van Italiaanse vermout geheven „top” met de artikelen 95, lid 1, en 37, lid 1, onverenigbaar is omdat zij is bedoeld om de op vergelijkbare binnenlandse produkten rustende last met de kosten van het monopolie te compenseren.
Deze vraag houdt verband met het standpunt van verzoekster in het hoofdgeding, die meent dat de volgens het Verdrag nodige compensatie van lasten slechts wettelijk vastgelegde, vaste, binnenlandse heffingen kan betreffen en niet posten die prijs- en kostenfactoren (kosten van produktie en verhandeling) omvatten welke een forfaitair karakter dragen en niet op alle binnenlandse produkten in dezelfde mate drukken.
In dit verband wil ik er reeds thans nogmaals aan herinneren dat het gelijksoortig binnenlands produkt waarom het in het hoofdgeding gaat van de afleveringsplicht vrijgestelde alcohol is. De door verzoekster bedoelde last speelt bij zulke alcohol geen rol, omdat zij niet via het monopolie „loopt” — dat wil zeggen wordt behandeld, vervoerd, verkocht —. Wel is die alcohol belast met een variabele „Aufschlag”, fiscaal eenzelfde positie te doen innemen als — en geen mededingingsvoordeel te verschaffen ten opzichte mededingingsvoordeel — andere alcohol; slechts inzoverre kan hier van „Monopolzwang” worden gesproken.
Wanneer wij, dit in gedachten houdend, nu tot de gevraagde uitlegging van artikel 95 trachten te komen, dienen wij vooral te bedenken dat dit artikel zeer ruim is geformuleerd; de Commissie heeft daarop terecht gewezen. De term „belastingen van welke aard ook” omvat meer dan heffingen ten behoeve van de fiscus. Waar deze belastingen (heffingen) blijven doet kennelijk niet ter zake, en omdat voor de Branntweinaufschlag van overheidswege vastgestelde factoren (verkoopprijs, basisprijs) de doorslag geven — nog daargelaten dat de wet deze heffing met zoveel woorden een verbruiksbelasting noemt —, zodat hier stellig van een door de overheid geven belasting mag worden gesproken, ligt het voor de hand er ook voor artikel 95 rekening mee te houden, en wel tenvolle, dus niet alleen voorzover de fiscus ervan profiteert.
In ieder geval bestaat er geen aanleiding in dit verband te wijzen op uw arrest van 14 december 1962 in de zaken 2 en 3-62 (Commissie t. Groothertogdom Luxemburg en Koninkrijk België, Jurispr. 1962, blz. 851), — om te trachten aan de hand daarvan tot een andere beoordeling te komen —. Zoals bekend, wordt in dit arrest overwogen dat artikel 95 niet mag worden gehanteerd om een last van economische aard te compenseren — en op die manier tot prijsaanpassing te komen —. Immers, de monopoliecompensatie is geen compensatie van de last welke op een bij de vervaardiging van alcohol gebruikt basisprodukt rust, maar compensatie tussen de rechtstreeks op het eindprodukt rustende last en de Branntweinaufschlag. Van prijsaanpassing kan anderzijds ook geen sprake zijn omdat ondanks de monopoliecompensatie de binnenlandse produktiekosten afwijkende kostprijselementen zich natuurlijk ten volle doen gelden.
Maar het doet hier weinig ter zake hoe artikel 95 — en de daarin gebezigde term „belastingen” — moet worden uitgelegd. Mijns inziens gaat het bij de beoordeling van monopolieheffingen en van monopoliecompensatie alleen maar om artikel 37, dat vergeleken met artikel 95 als lex specialis is te beschouwen. Deze opvatting vindt steun in uw arrest van 16 december 1970, gewezen in de zaak 13-70 (Francesco Cinzano & Cia GmbH t. Hauptzollamt Saarbrücken (Jurispr. deel 1970, blz. 1089). Het ging daarin om een heffing, toegepast bij de invoer van waren die binnenslands aan een monopolie zijn onderworpen, en welke heffing alleen aan artikel 37 — en het daarin omschreven discriminatieverbod — werd getoetst. Uw Hof overwoog met zoveel woorden dat „van discriminatie… geen sprake is wanneer voor het ingevoerde produkt voortaan dezelfde voorwaarden gelden als voor het onder het monopolie vallende nationale produkt”. Bij invoer toegepaste heffingen die met het bestaan van een nationaal overheidsmonopolie verband houden, zijn niet met artikel 37 in strijd wanneer de last eenzelfde omvang bereikt als die op binnenlandse produkten.
Het enige wat dan nog ter zake doet is dat er geen verschillende afzetvoorwaarden bestaan. Het komt er voor artikel 37 niet op aan waar de belastingopbrengst blijft en er is dus niets tegen dat in het kader van dat artikel ook de monopoliekosten in aanmerking worden genomen.
Hiertegen kan niet worden ingebracht dat men door dit te doen nochtans ten nadele van ingevoerde waren zou discrimineren, omdat ze in het exporterende land toch reeds de kosten van verwerking en verhandeling te dragen hebben. Dit zou hoogstens opgaan wanneer de vergelijking produkten zou betreffen die hun weg via het monopolie vinden, en dan nog alleen voorzover het daarbij werkelijk om de kosten van vervaardiging en verhandeling zou gaan. Maar het argument faalt ten aanzien van de Branntweinaufschlag — en daarom gaat het hier —; immers de binnenlands vervaardigde alcohol loopt niet over het monopolie; het monopolie „doet” niets voor de vervaardiging en verhandeling van zulke alcohol, die evenals ingevoerde produkten een compenserende heffing te dragen heeft.
In dit verband dient ook de juistheid te worden erkend van het argument der Bundesregierung, die betoogde dat men door het kostenelement dat in de „top” schuilgaat bij de hierbedoelde vergelijking van lasten te elimineren, tot een voor het monopolie volkomen onaanvaardbaar resultaat zou komen.
Het zou namelijk tot een aanzienlijk mededingingsvoordeel leiden voor ingevoerde produkten, die toch al met geringere kosten zijn vervaardigd. De afzetmogelijkheden van de onder het monopolie vallende produkten zouden daardoor aanzienlijk worden verkleind, hetgeen een ernstige benadeling van het monopolie zou betekenen en het zelfs in zijn bestaan zou kunnen bedreigen, ondanks het feit dat nationale handelsmonopolies volgens artikel 37 niet behoeven te verdwijnen.
Dan wel: men ware gedwongen ook binnenlandse produkten van dit deel van de monopolieheffing vrij te stellen en de monopoliekosten uit de algemene middelen te bestrijden. Maar niemand zal het billijk kunnen achten de financiering van het monopolie te algemenen laste te brengen. Het is ongetwijfeld juister de monopoliekosten te laten dragen door degenen die de produkten van het monopolie wensen te betrekken. Dat het zichzelf dient te bedruipen is, naar de Bundesregierung terecht heeft betoogd, een wezenlijk bestanddeel van de monopolieregeling; en de consequenties waartoe dit leidt dienen in het kader der volgens artikel 37 geoorloofde compensatie stellig in aanmerking te worden genomen.
Daarmede is de tweede vraag afdoende beantwoord. Ik zou alleen nog een aanvullende opmerking willen maken in verband met de door de Commissie in haar memorie opgeworpen vraag of de bestemming van de hierbedoelde „top”, aangenomen dat zij dient ter financiering van het monopolie, dat is van een werkzaamheid die alleen aan binnenlandse produkten ten goede komt, niet medebrengt dat hier van een met het Verdrag strijdige belasting met gelijke werking als douanerechten dient te worden gesproken. De Commissie had daarbij op het oog de arresten van 19 juni 1973, gewezen in de zaak 77-72, (Carmine Capolongo t. Azienda Agricola Maya, Jurispr. 1973, blz. 611) en 18 juni 1975 (gewezen in de zaak 94-74, Industria Gomma Articolo Vari t. Ente Nazionale per la Cellulosa e per la Carte Jurispr. 1975, blz. 699). Als van gelijke werking als een invoerrecht is daarin aangemerkt een heffing die nationale produkten en ingevoerde produkten volgens dezelfde criteria treft, doch bestemd is om de werkzaamheid van een publiekrechtelijk lichaam te financieren en te begunstigen en dus inzonderheid aan binnenlandse produkten ten goede komt, zodat zij, voorzover geheven op binnenlandse produkten, als tegenprestatie voor genoten voordelen is te beschouwen.
Uit hetgeen wij ten processe vernamen blijkt evenwel dat deze jurisprudentie op het onderhavig geval niet van toepassing is. Naar de Commissie thans kennelijk ook inziet, geeft het ten deze de doorslag dat de „top” niet tot financiering van het monopolie dient en zonder meer ten goede komt aan de algemene middelen van de Bundesrepublik. Waar anderzijds het monopolie uit die middelen generlei subsidie geniet, bestaat er geen enkele aanleiding in casu met bedoelde jurisprudentie en met de term „belasting van gelijke werking” te komen aandragen.
Derde vraag
In de derde plaats wordt de vraag gesteld of bij toepassing van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, alleen de „top” en de monopoliekosten mogen worden vergeleken dan wel of er ook op moet worden gelet dat de totale prijs van het ingevoerde produkt, wanneer de „top” erop wordt toegepast, niet ongunstiger wordt dan die van vergelijkbare binnenlandse produkten.
Deze vraag is kennelijk gesteld in verband met het feit dat de kostprijs van buitenlandse produkten vaak lager is, zodat zij, ook wanneer de top er op wordt toegepast, in het binnenland zeer wel kunnen worden afgezet, en wel zelfs goedkoper dan binnenlandse produkten.
Alle betrokkenen hebben als hun standpunt te kennen gegeven dat de totale prijs voor de toepassing van genoemd Verdragsartikel niet ter zake doet. Ik houd dit voor de enig juiste opvatting.
Volgens artikel 37 mag er, wat betreft de voorwaarden van voorziening en afzet tussen de onderdanen der Lid-Staten van discriminatie geen sprake zijn. Dat wil zeggen dat ten deze alleen de met het monopolie verband houdende lasten in aanmerking mogen worden genomen. Alleen in zoverre mag ook de invoer worden belast. Aan prijsvergelijking, aan prijsaanpassing zoals ons die uit verschillende agrarische marktordeningen bekend is, is in artikel 37 kennelijk niet gedacht. Hier kan worden gewezen op het arrest 2 en 3-62 van 14 december 1962 (Commissie EEG t. Groothertogdom Luxemburg en Koninkrijk België, Jurispr. 1962, blz. 851), waarin de gedachte ontwikkeld is dat ten deze ook weer niet alle denkbare compensaties, zoals die van economische lasten gelegd op nationale produkten, mogelijk zijn.
Vierde vraag
In de vierde plaats wordt ons de vraag voorgelegd of er van discriminatie ten nadele van geïmporteerde Italiaanse vermout mag worden gesproken, nu daarop een uniforme topheffing wordt toegepast, terwijl voor vergelijkbare binnenlandse produkten een progressieve, aan de geproduceerde hoeveelheden gerelateerde omslag van de administratiekosten van het monopolie voorzien is.
Ten processe is gebleken dat de monopoliecompensatie de belasting op het gedistilleerd alsook bedoelde administratiekosten omvat. Die compensatie bedroeg ten tijde van de litigieuze importen 1266 DM. Voor vergelijkbaar binnenlands gedistilleerd, waarvoor geen afleveringsplicht gold, was de „Branntweinaufschlag” variabel, dat wil zeggen afhankelijk gesteld van de „Zuschläge” en „Abschläge” die worden toegepast op de ook hier doorslaggevende basisprijs. Deze „Aufschläge” konden van 929,80 DM oplopen tot 1463 DM, of, juister gezegd, 1266 DM (volgens § 19 van het Branntweinmonopolgesetz vormt namelijk het bedrag van de monopoliecompensatie de bovengrens). En dan ligt het voor de hand van discriminatie te spreken, vooral wanneer men deze term in die zin opvat dat ingevoerde produkten in geen geval hogere lasten te dragen mogen hebben dan welke vergelijkbare binnenlandse produkten ook.
Toch zou ik de juistheid van dit standpunt in twijfel willen trekken. Ten processe vernamen wij dat wanneer de produktie een bepaalde omvang (322 hl ethylalcohol per jaar) bereikt, op binnenlandse produkten een Branntweinaufschlag wordt geheven die met de Monopolausgleich op ingevoerde produkten overeenkomt. Omdat de „Brennrechte” die in dit verband een rol spelen in de regel worden overschreden, zou dit voor 97 % van deze produktie gelden. Slechts zeer geringe hoeveelheden binnenslands geproduceerd gedistilleerd worden dus minder zwaar belast. En ik meen dat met deze situatie rekening dient te worden gehouden. Ik acht het, anders gezegd, te verdedigen hier uit te gaan van de last die binnenlandse produkten normaliter te dragen hebben, en aan de hand daarvan de last te berekenen die op ingevoerde produkten mag worden gelegd. Naar in bepaalde gevallen binnenslands verlaging van lasten mogelijk is, kan mijns in ziens van een door overwegingen van agrarisch en middenstandsbeleid ingegeven steunmaatregel worden gesproken. Door de enkele gevallen waarin de lasten geringer zijn onder de steunvoorschriften te brengen, sluit men iedere kritiek uit: deze steun werd kennelijk reeds ten tijde van de inwerkingtreding van het Verdrag verleend en de Commissie is daartegen niet krachtens artikel 92 en volgende in het geweer gekomen, nog daargelaten dat men er die artikelen wellicht zelfs tevergeefs bij te pas zou brengen omdat zij niet voor de landbouw geschreven zijn. Men kan dus mijns inziens in geen geval stellen dat de lasten voor alle invoertransacties naar evenredigheid lager behoren te zijn.
Mocht Uw Hof het hiermede niet eens zijn, dan dienen wij nader stil te staan bij hetgeen hiervoor reeds werd opgemerkt met betrekking tot artikel 37, lid 4, alsook inzake het bestaan van een nationale marktordening en de noodzaak om zo nodig ook nu nog bepaalde afwijkingen van de algemene Verdragsvoorschriften toe te laten, opdat de afzet- en inkomensgaranties, zoals die naar de geproduceerde hoeveelheden zijn gedifferentieerd, hun voor de nationale marktordening wezenlijke functie kunnen blijven vervullen. In casu zal men zich moeten realiseren dat een even gedifferentieerde toepassing op ingevoerde produkten bij gebreke van voldoende kennis van — en mogelijkheden tot controle op — de produktieomstandigheden elders niet mogelijk is, zodat de vraag rijst tot welke consequenties een volkomen gelijke behandeling, bestaande in het laten vervallen van voormelde faciliteiten, zou leiden.
Die consequenties, waarover de verwijzende rechter natuurlijk het laatste woord heeft te spreken, zijn mijns inziens volkomen duidelijk.
Zou men bij invoer de topheffing laten vervallen, zoals verzoekster in het hoofdgeding ergens in de stukken verlangt, of zou men, zoals zij elders bepleit, op ingevoerde produkten de laagste binnenlandse heffing, dat wil zeggen de laagst mogelijke „Branntweinaufschlag” toepassen, dan zou dat vooral wegens het in een aantal Lid-Staten bestaande lagere prijsniveau voor ingevoerde waren een zodanig prijsvoordeel betekenen dat de afzet van binnenlandse produkten ernstig in gevaar zou komen. Men zou dan, met andere woorden, met een ernstige benadeling van de nationale marktordening en het nationale monopolie, zoal niet met uitschakeling van het monopolie, hebben te rekenen.
Maar zou men, gebruik makende van een tweede mogelijkheid om alle discriminatie te vermijden, kleinere binnenlandse producenten de normale last te dragen geven — dat wil zeggen de overname — of verkoopprijzen verlagen —, dan zou de hogere kostprijs er in zulke bedrijven niet meer uit komen. Zij houden hun produktie moeten staken, hetgeen voor de valorisatie van landbouwprodukten en de inkomenssituatie der betrokken producenten niet zonder gevolgen zou blijven. De Bundesregierung heeft dit met sprekende cijfers aannemelijk gemaakt; het zou gaan om rond 1300 agrarische branderijen, 27000 branderijen die fruit uit eigen oogst verwerken en daarvoor een som ineens („Abfindung”) betalen en 200000 bezitters van voor de produktie van 85000 hl per jaar gebruikte grondstoffen. Via de veestapel zou dit, omdat de bij de alcoholproduktie overblijvende afvallen aan het vee worden gevoederd, weer tot gevolgen leiden voor omstreeks 4000 andere landbouwbedrijven, vooral ook in streken als het aan de DDR grenzende gebied, die toch al tot de zwakkere behoren en waar in de laatste jaren een groot aantal nieuwe, zwaar verhypothekeerde bedrijven is gevestigd. Dat hiermede een juist beeld van de werkelijke toestand wordt gegeven, blijkt ook uit de reeds genoemde aanbeveling der Commissie van 22 december 1969, volgens welke men door de Duitse markt vóór de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening der markten (voor ethylalcohol van agrarische oorsprong) zonder meer open te stellen voor de produkten der overige Lid-Staten de afzet van Duitse ethylalcohol van agrarische oorsprong en de concurrentiepositie van voor consumptie bestemd Duits gedistilleerd, en daarmede ook de werkgelegenheid en levensstandaard van de producenten der betrokken agrarische grondstoffen, ernstig in gevaar zou hebben gebracht.
Het mag er dus voor worden gehouden dat een starre toepassing van de beginselen van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, op de onderhavige casuspositie vergaande consequenties zou hebben voor de nationale marktordening en het nationale handelsmonopolie, waarmede aan de nationale regeling een harer wezenstrekken, te weten haar gerichtheid op de belangen van het klein bedrijf en het middelgrote bedrijf, zou worden ontnomen. Geconcludeerd mag worden dat de geschetste differentiatie, die als een belangrijk element der nationale regeling is te beschouwen, voorshands niet kan worden gemist, althans dat zij, — indien al als discriminerend te beschouwen — wegens de relativering van het discriminatieverbod die in artikel 37, lid 4, en in de bijzondere voorschriften voor de landbouw besloten ligt — moet worden aanvaard.
Daarmede is mijns inziens in het kader van de prejudiciële behandeling ook ten aanzien van de vierde vraag het nodige gezegd; op verdere, aan artikel 90, lid 2 (fiscale monopolies) ontleende, argumenten behoeft niet te worden nagegaan.
5.
Op grond van een en ander geef ik Uw Hof in overweging de vragen van het Finanzgericht Rheinland Pfalz als volgt te beantwoorden:
a)
Sinds de afloop van de overgangsperiode ontlenen particulieren aan de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, van het EEG-Verdrag rechten welker handhaving van de nationale rechter mag worden verlangd; genoemde voorschriften gelden echter niet onbeperkt voorzover artikel 37, lid 4, van toepassing is, er een nationale marktordening bestaat en er niet — door een gemeenschappelijke marktordening — gelijkwaardige garanties voor de werkgelegenheid en levensstandaard der betrokken producenten worden geboden.
b)
De artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, sluiten niet uit dat bij vergelijking van de last die enerzijds uit andere Lid-Staten geïmporteerde produkten en anderzijds vergelijkbare binnenlandse produkten te dragen hebben, de kosten van een nationaal monopolie in aanmerking worden genomen.
c)
Bij toepassing van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, kan het uitsluitend gaan om vergelijking der door de overheid rechtstreeks op ingevoerde en binnenlandse produkten gelegde lasten en niet om de vraag of de totale prijs van ingevoerde produkten, de bij invoer toegepaste heffingen in aanmerking genomen, niet ligt boven het prijsniveau dat voor vergelijkbare binnenlandse produkten geldt.
d)
Van discriminatie in de zin van de artikelen 37, lid 1, en 95, lid 1, is geen sprake wanneer de monopoliecompensatie ten laste van ingevoerde produkten uniform is vastgesteld, terwijl de last welke vergelijkbare binnenlandse produkten te dragen hebben met de geproduceerde hoeveelheden varieert. Dit geldt in ieder geval wanneer de op ingevoerde waren gelegde last overeenkomt met de last die normaliter op binnenlandse produkten rust en wanneer, gezien de in verband met de goede werking ener nationale marktordening te stellen eisen, differentiatie der op binnenlandse produkten gelegde last onvermijdelijk is.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy