CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 17 DECEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in deze zaak, IBC Importazione Bestiame Carni, een te Triëst gevestigde vleesimporteur, vordert krachtens de artikelen 178 en 215, lid 2, EEG-Verdrag schadevergoeding van de Commissie op grond dat zij (verzoekster) bij importen op 3 maart, 27 april en 10 augustus 1973 — op de eerste en derde datum van levende runderen uit Hongarije, op de tweede van achtervoeten van runderen uit Joegoslavië — te hoge invoerrechten heeft moeten betalen doordat de Italiaanse douane bepalingen toepaste die door de Commissie op onwettige wijze zouden zijn vastgesteld en waarbij de compenserende bedragen voor rundvlees waren verlaagd.
Uit de schriftelijke memories blijkt niet duidelijk hoe groot precies de schade is waarvan vergoeding wordt gevorderd. Aan het eind van de mondelinge behandeling daarover ondervraagd door het Hof, antwoordde verzoekster echter dat het om een bedrag van 320729 lire ging; partijen zijn het erover eens dat, zo verzoekster in het gelijk wordt gesteld, dit het te veel betaalde bedrag is.
De monetaire compenserende bedragen (verder gemakshalve mcb's te noemen) zijn zoals bekend na de verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten ingesteld bij verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971.
Artikel 1, lid 1, dezer verordening, zoals gewijzigd bij artikel 2 van 's Raads verordening nr. 509/73 van 22 februari 1973 (PB 1973, nr. L 50), bepaalt dat een Lid-Staat waarvan de munteenheid in waarde stijgt tot boven de fluctuatiegrens toegelaten bij de op 12 mei 1971 geldende internationale regeling, bij invoer van landbouwprodukten mcb's moet heffen en bij uitvoer toekennen, en omgekeerd, dat een Lid-Staat waarvan de munteenheid tot beneden de toegelaten grens in waarde daalt, mcb's moet heffen bij uitvoer en toekennen bij invoer van genoemde produkten. Italië is, zoals bekend, een van de landen waarvan de munt is gedevalueerd, zodat het bij invoer mcb's toekent.
Artikel 3 van verordening nr. 509/73 voegde aan verordening nr. 974/71 een nieuw artikel 4 bis toe dat, voor zover hier van belang, luidt als volgt:
„1.
In het handelsverkeer met derde landen worden de bij invoer toegekende compenserende bedragen in mindering gebracht op de belasting bij invoer …
2.
In het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en met derde landen mogen de compenserende bedragen die ten gevolge van een waardedaling van de betrokken munteenheid van toepassing zijn, niet hoger zijn dan de belasting bij invoer uit derde landen.
De Raad kan echter, op voorstel van de Commissie, volgens de stemprocedure van artikel 43, lid 2, van het Verdrag besluiten dat in bepaalde uitzonderlijke gevallen de eerste allinea niet van toepassing is.”
Artikel 6 van verordening nr. 974/71 bepaalt dat de uitvoeringsbepalingen van deze verordening worden vastgesteld volgens de procedure van het „Comité van beheer”, zoals deze in elk van de verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is geregeld. Volgens die procedure kan de Commissie rechtstreeks werkende maatregelen vaststellen, behoudens goedkeuring van de Raad wanneer zij afwijken van het advies van het betrokken Comité van beheer.
Artikel 7 van verordening nr. 974/71, zoals gewijzigd bij artikel 2 van 's Raads verordening nr. 2746/72 van 19 december 1972 (PB 1972, nr. L 291/148), bepaalt onder meer:
„De in het handelsverkeer met derde landen toegekende compenserende bedragen worden … voor wat de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreft, beschouwd deel uit te maken van de restituties bij uitvoer naar derde landen.”
Dit betekent dat de uiteindelijke aansprakelijkheid voor die bedragen bij het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw berust.
Dit voor wat betreft de in casu relevante wetgeving van de Raad.
De eerste handeling van de Commissie krachtens haar bevoegdheid ex artikel 6 van verordening nr. 974/71 was de vaststelling van verordening nr. 1013/71 van 17 mei 1971, „houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EEG) nr. 974/71”, die later niet minder dan zes maal is gewijzigd. Maar evenmin als de wijzigingsverordeningen is zij voor deze zaak van belang.
Op 1 maart 1973 stelde de Commissie verordening nr. 648/73 vast, wederom krachtens haar bevoegdheid ex artikel 6 van verordening nr. 974/71. Deze verordening, voor zover hier van belang, had een tweeledig doel. In de eerste plaats werden de bepalingen van verordening nr. 1013/71 met die van de wijzigingsverordeningen gecoördineerd en opnieuw vastgesteld. In de tweede plaats werden in artikel 6 bepalingen opgenomen ter uitvoering van artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 974/71. Dit artikel 6 luidt als volgt:
„1. voor de toepassing van artikel 4 bis, lid 2, van verordening (EEG) nr. 974/71 stelt de Commissie de bedragen vast die van de monetaire compenserende bedragen moeten worden afgetrokken ( 2 )
2. De af te trekken bedragen die overeenkomstig lid 1 zijn vastgesteld, worden periodiek gewijzigd wanneer veranderingen in de belasting bij invoer uit derde landen dit noodzakelijk maken.”
Artikel 17 van verordening nr. 648/73, voor zover van belang, luidt als volgt:
„Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen.
De uit de toepassing van deze verordening voortvloeiende bedragen gelden evenwel met ingang van 26 februari 1973.”
De verordening werd bekendgemaakt in het Publikatieblad van 9 maart 1973 (nr. L 64).
Op dezelfde datum werd in het Publikatieblad verordening nr. 649/73 bekendgemaakt, die eveneens op 1 maart 1973 door de Commissie was vastgesteld en waarbij de mcb's voor een periode beginnende op 26 februari werden bepaald; artikel 3 van deze verordening is gelijkluidend aan artikel 17 van verordening nr. 648/73.
Op 23 maart 1973 stelde de Commissie verordening nr. 905/73 vast, waarbij ingevolge artikel 6 van verordening nr. 648/73 de bedragen werden bepaald waarmee de in verordening nr. 649/73 vastgestelde mcb's moesten worden aangepast ter uitvoering van artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 974/71. Verordening nr. 905/73 trad in werking op de dag van bekendmaking in het Publikatieblad — dat wil zeggen 7 april 1973 —, maar de betrokken bedragen golden met ingang van 26 februari 1973.
Ik memoreer dat de eerste van de drie importen in geding plaatsvond op 3 maart 1973, dus vóór de inwerkingtreding van de verordeningen nrs. 648, 649 en 905/73, maar na de dag — 26 februari 1973 — met ingang waarvan de uit deze verordeningen voortvloeiende mcb's en aanpassingsbedragen van toepassing waren verklaard.
De eerste import betrof, zoals gezegd, levende runderen uit Hongarije. De enige belasting op zo een import was destijds een ad-valoremrecht van 8 %. Het bij verordening nr. 649/73 vastgestelde mcb bedroeg 46,70 lire per kg, ingevolge verordening nr. 905/73 verminderd met 5,45 lire per kg.
De totale waarde van het ingevoerde rundvee was 11292260 lire. De invoerbelasting van 8 % bedroeg 903380 lire.
Het totale gewicht van het rundvee was 17085 kg. Het mcb, ad 46,70 lire per kg, bedroeg in totaal 797869 lire.
Was de verlaging overeenkomstig verordening nr. 905/73 achterwege gebleven, dan zou dat mcb van 797869 lire ingevolge artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 974/71 in mindering zijn gebracht op de invoerbelasting ad 903380 lire, zodat verzoekster 105511 lire had moeten betalen.
Maar de Italiaanse douane verlaagde het mcb met de 5,45 lire per kg overeenkomstig verordening nr. 905/73, dus tot 41,25 lire per kg, ofwel 704760 lire in totaal. Na aftrek van dit bedrag van de invoerbelasting ad 903380 lire resteerde een door verzoekster te betalen som van 198620 lire.
Het verschil tussen die 198620 lire en 105511 lire is de eerste post van het totaal van 320729 lire dat door verzoekster wordt teruggevorderd.
Op 6 april 1973 stelde de Commissie verordening nr. 974/73 vast, waarbij de mcb's werden gewijzigd. Deze verordening trad in werking op de dag van bekendmaking in het Publikatieblad, 12 april 1973. Zij gold met ingang van 9 april 1973, wat echter in casu niet van belang is, omdat de tweede import zoals vermeld eerst op 27 april plaatsvond.
Op 12 april 1973 volgde vaststelling van verordening nr. 1031/73 van de Commissie houdende wijziging van de aanpassingsbedragen bedoeld in artikel 6 van verordening nr. 648/73. Ook deze verordening trad op de dag van bekendmaking, 21 april 1973, in werking en gold eveneens met ingang van 9 april. Om reeds genoemde reden is dit laatste hier wederom niet van belang.
Zoals gezegd ging het bij de tweede import om achtervoeten van runderen uit Joegoslavië. De enige belasting was een ad-valoremrecht van 10 %. Het bij verordening nr. 974/73 bepaalde mcb was 135,41 lire per kg, verminderd met 17,85 lire per kg ingevolge verordening nr. 1031/73.
De totale waarde van het ingevoerde vlees bedroeg 14619000 lire, waaruit een invoerbelasting van 1461900 lire resulteerde.
Het totale gewicht was 10368 kg. Het mcb, ad 135,41 lire per kg, bedroeg dus in totaal 1403930 lire. Zou geen verlaging overeenkomstig verordening nr. 1031/73 zijn toegepast, dan had verzoekster 1461900 minus 1403930 lire is 57970 lire moeten betalen.
Doch de Italiaanse douane paste die verlaging wel toe: verordening nr. 1031/73 had de aanpassing op 17,85 lire per kg bepaald, zodat een bedrag van 117,56 lire per kg resteerde, of in totaal 1218870 lire. De door verzoekster verschuldigde som bedroeg derhalve 243030 lire.
Het verschil tussen die 243030 en 57970 lire is de tweede post van het totale bedrag dat verzoekster van de Commissie terugvordert.
Op 30 mei 1973 stelde de Commissie verordening nr. 1463/73 vast. Zij trad in werking op de dag van bekendmaking in het Publikatieblad, 4 juni 1973, en werd gewijzigd bij verordening nr. 1957/73 van 18 juli 1973, gepubliceerd op 20 juli 1973 en drie dagen later in werking getreden.
Verordening nr. 1463/73 in haar gewijzigde vorm is in tweeërlei opzicht van belang.
In de eerste plaats verving zij verordening nr. 648/73 door deels gewijzigde bepalingen. Op het tijdstip van de derde door verzoekster verrichte invoer was zij dus de voornaamste verordening van de Commissie ter uitvoering van verordening nr. 974/71 van de Raad.
In de tweede plaats constateerde zij in tegenstelling tot verordening nr. 648/73 uitdrukkelijk een onderscheid tussen rundvlees en alle andere landbouwprodukten, hetgeen, althans volgens de Commissie, moest leiden tot een verschil in behandeling waar het de aanpassing van de mcb's betrof.
Dit onderscheid berustte kennelijk op de omstandigheid dat voor rundvlees de belasting bij invoer uit derde landen bestond — of, in sommige gevallen, mede bestond — uit een ad-valoremrecht, terwijl die belastingen (veelal heffingen) voor alle andere produkten aan de hand van het gewicht of iets dergelijks en ongeacht de waarde werden bepaald. Met andere woorden, bij de andere produkten kon het bedrag dat overeenkomstig artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 974/71 op de mcb's in mindering moest worden gebracht om te vermijden dat deze hoger waren dan de belasting op invoer uit derde landen, gemakkelijk worden berekend; zowel die belasting als het mcb werden immers op dezelfde wijze bepaald en konden dus eenvoudig worden vergeleken. Voor rundvlees evenwel verschilde het douanerecht per gewichtseenheid naar gelang van de waarde van het produkt. Bij invoer uit derde landen leverde dit geen problemen op, omdat men daarbij de waarde van iedere partij moest bepalen en het invoerrecht ervoor berekenen. Maar deze waardebepaling en deze berekening waren niet vereist bij uitvoer naar derde landen of, wat wellicht nog belangrijker was, in het intracommunautaire handelsverkeer. Een verplichting voor de douane-instanties van de Lid-Staten om de waarde te bepalen van elke partij goederen die naar een derde land of een andere Lid-Staat werd uitgevoerd, alleen maar om na te gaan of en zo ja welke aanpassing van het toe te passen mcb noodzakelijk was, zou voor deze instanties een onaanvaardbare taakverzwaring zijn geweest en zou bedenkelijke handelsbelemmeringen hebben veroorzaakt. De Commissie besloot dat de enige, zij het niet geheel bevredigende oplossing was, de aanpassing van de mcb's voor rundvlees forfaitair te bepalen, en daarbij niet uit te gaan van de werkelijke waarde van de betrokken waar, maar van de „invoerprijzen” die de Commissie overeenkomstig verordening nr. 805/68 berekende. (Laatstgenoemde verordening, houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, bepaalde in artikel 10 dat „aan de hand van de prijsnoteringen op de meest representatieve markten van derde landen” invoerprijzen moesten worden berekend, die vervolgens werden vergeleken met de communautaire „oriëntatieprijs” teneinde vast te stellen of bij invoer uit derde landen eventueel naast het douanerecht een heffing moest worden toegepast.) Voorts besloot de Commissie dat zich kunstmatige verkeersverleggingen zouden kunnen voordoen, tenzij de forfaitair berekende aanpassingen van de mcb's op al het handelsverkeer van rundvlees, dus ook invoer uit derde landen, werden toegepast.
Dit zou reeds de redenering van de Commissie zijn geweest bij de bepaling van aanpassingen overeenkomstig artikel 6 van verordening nr. 648/73. Verordening nr. 1463/73 was in zoverre nieuw, dat zij dit uitdrukkelijk voorschreef. Een ander element dat in overeenstemming hiermee werd ingevoerd, was dat de berekening van de aanpassingsbedragen voor alle andere produkten aan de Lid-Staten werd overgelaten, terwijl de Commissie zich voortaan beperkte tot het bepalen van de forfaitaire aanpassingsbedragen voor rundvlees.
Het lijkt mij overbodig hier de desbetreffende gedeelten van de considerans van verordening nr. 1463/73 te citeren. De relevante bepalingen zijn vervat in artikel 5, zoals gewijzigd bij artikel 1 van verordening nr. 1953/73 PB 1973, nr. L 200), en luiden:
„1. De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen teneinde de naleving van de bepalingen van artikel 4 bis, lid 2, verordening (EEG) nr. 974/71 te verzekeren.
2. Nochtans, in de sector rundvlees brengen de Lid-Staten de monetaire compenserende bedragen in mindering op de bedragen die hun te dien einde worden medegedeeld. De Commissie stelt deze bedragen vast op grond van de invoerprijs berekend overeenkomstig artikel 10, lid 1, van verordening (EEG) nr. 805/68 …”
Zoals gezegd, de derde import waarop deze zaak betrekking heeft, betrof wederom levende runderen uit Hongarije en vond plaats op 10 augustus 1973. Hiervoor gold het ad-valoremrecht van 8 %. Ingevolge verordening nr. 2102/73 van de Commissie van 31 juli 1973 bedroeg het mcb 136,78 lire per kg.
De totale waarde van het ingevoerde rundvee was 7888410 lire, het invoerrecht beliep 631080 lire.
Het totale gewicht van het vee was 11470 kg. Het mcb, ad 136,78 per kg, bedroeg in totaal 1156996 lire. Dit was meer dan de belasting bij invoer en had gaan aanpassing plaats gevonden, dan zou ingevolge artikel 4 bis van verordening nr. 974/71 die invoerbelasting geheel zijn weggevallen.
De Italiaanse douane evenwel paste op het mcb een vermindering toe van 85,48 lire per kg overeenkomstig een beschikking van de Commissie van 30 juli 1973 (73/268/EEG) ter uitvoering van artikel 5 van verordening nr. 1463/73. Men kan mijns inziens betwijfelen of dit hoe dan ook juist was, want de bij die beschikking bepaalde verminderingen golden voor de mcb's vastgesteld bij vroegere verordeningen die met verordening nr. 2102/73 waren vervallen. Doch dit punt is door geen van beide partijen aangevoerd.
Door die vermindering met 85,48 lire per kg werd het mcb verlaagd van 1156996 tot 588420 lire. Dit in mindering gebracht op de invoerbelasting van 631080 lire resulteerde in een door verzoekster te betalen bedrag van 42660 lire.
Dit is dus de derde post in het totaal van 320729 lire waarop verzoekster tegenover de Commissie aanspraak maakt.
Bij verweerschrift stelde de Commissie de vraag aan de orde of het beroep wel ontvankelijk was, zonder evenwel een formele exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen. Maar door het Hof gevraagd om zich hierover nader uit te spreken, stelde zij tijdens de mondelinge behandeling dat het beroep niet-ontvankelijk was.
Zij baseerde deze stelling op twee argumenten: in de eerste plaats zou verzoeksters vordering in feite een vordering zijn tot terugbetaling van wat zij te veel had betaald, en dus een vordering uit quasi-contract, die met het oog op toepassing van artikel 215 van het Verdrag moest worden gelijkgesteld met een vordering uit contract; en in de tweede plaats zou de vordering betrekking hebben op de eigen middelen van de Gemeenschap zoals omschreven in het besluit van de Raad van 21 april 1970 (70/243/EGKS, EEG/Euratom), zodat overeenkomstig artikel 6 dezer beschikking en 's Hofs arrest in de zaak 96-71 (Haegeman, Jurispr. 1972, blz. 1014 en 1015) de vordering moest worden ingesteld voor de bevoegde rechterlijke instantie van de Lid-Staat die voor de heffing van die middelen verantwoordelijk is, in casu Italië.
Het eerste argument is voor mij onaanvaardbaar. Ik geloof niet dat in het moderne recht van onze landen quasi-contract als een onderdeel van het overeenkomstenrecht wordt beschouwd. Men zie bij voorbeeld artikel 1370 van de Franse Code civil en het systeem van boek II van het Duitse Bürgerliches Gesetzbuch. In het Engelse recht vinden contract en quasi-contract historisch gezien beide hun oorsprong in de oude actie „assumpsit”, maar tegenwoordig zijn het geheel verschillende rechtsfiguren. Om het verschil duidelijk te maken, gebruiken de meeste moderne schrijvers bij voorkeur de term „restitution” in plaats van quasi-contract. Ik kan mij niet voorstellen dat de opstellers van het Verdrag met de woorden „contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap” mede hebben gedoeld op de verplichting tot terugbetaling van wat buiten overeenkomst te veel is betaald.
Evenmin geloof ik dat het zonder meer juist is de vordering af te wijzen op de enkele grond dat zij betrekking heeft op de eigen middelen van de Gemeenschap. De door verzoekster betaalde bedragen zijn betaald als douanerechten en op het betrokken tijdstip (1973) werden de door de Lid-Staten uit douanerechten verkregen inkomsten slechts gedeeltelijk in de eigen middelen van de Gemeenschap gestort — zie artikel 3 van 's Raads besluit van 21 april 1970. De door verzoekster gewraakte verlaging van de mcb's leidde weliswaar ingevolge artikel 7 van verordening nr. 974/71 (reeds aangehaald) tot een verlichting van de lasten van het Europees Ontwikkelings- en Garantiefonds voor de Landbouw, maar dit betekende veeleer een vermindering van de uitgaven van de Gemeenschap dan een eigenlijke vergroting van de eigen middelen .
Niettemin kom ik mèt de Commissie tot de conclusie dat het beroep nietontvankelijk is. In zekere zin volgt dit onmiddellijk uit het arrest-Haegeman, Voor zover de als douanerechten van verzoekster ontvangen bedragen aan de Gemeenschap zijn gekomen, gaat dat arrest ook hier op. Voor zover die bedragen in de Italiaanse schatkist zijn gevloeid, rust een eventuele verplichting tot terugbetaling op de Italiaanse Staat,, ook al is het EOGFL uiteindelijk gehouden Italië wegens verplichting schadeloos te stellen.
In de memories wordt verwezen naar verscheidene zaken waarin het Hof de verzoeker ontving in een vordering tot schadevergoeding, ingesteld tegen een gemeenschapsinstelling krachtens artikel 215, tweede alinea, op grond dat verzoeker door de gedraging van de instelling verlies had geleden. Het komt mij evenwel voor dat het in die zaken am andere rechtssituaties ging. In elk van die zaken klaagde de verzoekende partij erover dat de gemeenschapsinstelling hem het recht op een bepaald geldbedrag had onthouden.
Zo verweet in zaak 43-72 (Merkur, Jurispr. 1973, blz. 1055) een Duitse handelsfirma de Commissie gedurende een bepaalde periode geen mcb's voor produkten vervaardigd uit gerst te hebben vastgesteld, zodat haar in die periode bij de uitvoer van zodanige produkten geen mcb's waren toegekend, Het verschil tussen deze vordering en de terugvordering van het aan nationale instanties te veel betaalde, zoals in de zaak-Haegeman, werd in het licht gesteld door advocaat-generaal Mayras, die erop wees dat de ontvankelijkheid van een beroep afhangt van de aard en het voorwerp van het gevorderde (Jurispr. 1973, blz, 1081 en 1082).
In zaak 153-73 (Holtz & Willemsen, Jurispr. 1974, blz. 675) beklaagde een Duitse oliefabrikant zich erover dat Commissie en Raad een bepaalde subsidie alleen aan Italiaanse oliefabrikanten hadden toegekend; als schadevergoeding vorderde hij het bedrag dat hij zou hebben ontvangen indien die subsidie aan alle oliefabrikanten in de Gemeenschap was verleend. Ditmaal was het advocaat-generaal Reischl die het verschil tussen dit type vordering en die in de zaak-Haegeman duidelijk maakte (Jurispr. 1974, blz. 702).
In zaak 74-74 (CNTA, Jurispr. 1975, blz. 533) besliste het Hof dat een Franse exporteur van koolzaad de Commissie krachtens artikel 215, tweede alinea, kon aanspreken op grond dat zij had nagelaten in een verordening waarbij mcb's in het handelsverkeer van koolzaad werden afgeschaft, overgangsbepalingen op te nemen ter bescherming van degenen die uitvoercontracten hadden afgesloten in het vertrouwen mcb's te ontvangen.
Uit deze arresten kan dus niet het door verzoekster gestelde algemene beginsel worden afgeleid, dat eenieder die stelt als gevolg van beweerdelijk onrechtmatig gedrag van een gemeemschapsinstelling schade te hebben geleden, die instelling krachtens artikel 215, tweede alinea, kan aanspreken, Dat dit niet zo is, blijkt immers niet slechts uit het arrest-Haegeman, maar ook uit het arrest van 26 november 1975 (zaak 99-74, Société des Grands Moulins des Antilies, nog niet gepubliceerd).
Wat verzoekster dus had moeten doen, was de bevoegde Italiaanse instantie dagvaarden voor de Italiaanse rechter en zich daar overeenkomstig artikel 184 van het Verdrag beroepen op ongeldigheid van de litigieuze handelingen der Commissie; daarbij had zij het aan de Italiaanse rechter kunnen overlaten om de geldigheidsvraag krachtens artikel 177 naar het Hof van Justitie te verwijzen. Hierbij zie ik niet over het hoofd dat het, getuige de zaken-Merkur, -Holtz & Willemsen en -CNTA, onwenselijk is de procedure onnodig omslachtig te maken. Dat dit onwenselijk is, is zonneklaar, maar mag er mijns inziens niet toe leiden dat het procespartijen in de Gemeenschap vrij staat zich op de verkeerde wijze voor de verkeerde rechter te voorzien. Ook hier zijn natuurlijk de zaken-Haegeman en -Grands Moulins des Antilies van toepassing.
Hoewel ik dus meen dat het beroep niet-ontvankelijk is, komt het mij juist voor ook op de zaak ten gronde in te gaan.
Het is merkwaardig dat verzoekster, afgezien van een terloopse verwijzing naar verordening nr. 648/73 in het beroepschrift, haar vordering uitsluitend doet steunen op de beweerde ongeldigheid van artikel 5 van verordening nr. 1463/73, die immers alleen op de laatste der drie importen van toepassing is. Aan het slot van de behandeling verklaarde verzoekster, desgevraagd dat zij dit gemakshalve had gedaan, aangezien verordening nr. 1463/73 de meest recente is en de considerans de redenering van de Commissie duidelijk weergeeft.
In wezen komt verzoeksters betoog erop neer dat de Commissie niet bevoegd was de mcb's te verlagen op de wijze waarop zij dit in feite heeft gedaan. Onder verwijzing naar de artikelen 145 en 155 van het Verdrag voerde verzoekster ter ondersteuning van dit betoog in hoofdzaak vier argumenten aan.
In de eerste plaats stelt zij dat de door de Commissie ingevoerde regeling de mcb's eenvoudig van hun doel beroofde, omdat zij een exacte overbrugging van het verschil tussen de officiële pariteit en de werkelijke wisselkoers van een munteenheid verhinderde. Dit werkte in het voordeel van handelaars in Lid-Staten met een sterke munt en ten nadele van die met een zwakke munt. Deze stelling gaat mijns inziens te ver. Verlaging van de mcb's tot het peil van de belasting bij invoer uit derde landen in gevallen waarin die mcb's anders hoger zouden zijn geweest, wordt uitdrukkelijk voorgeschreven door artikel 4 bis, lid 2, van verordening nr. 974/71 van de Raad, waarvan verzoekster de geldigheid niet betwist. Waar verzoekster in feite bezwaar tegen maakt, zijn de forfaitaire verlagingen die door de Commissie in de sector rundvlees zijn vastgesteld; wanneer immers, zoals in het geval van de drie betrokken importen, de ingevoerde produkten meer waard zijn dan de „invoerprijs” aan de hand waarvan de forfaitaire verlaging wordt berekend, komt het mcb na toepassing van deze verlaging niet uit op het bedrag van de invoerbelasting, maar daaronder. En omgekeerd, als de produkten minder waard zijn dan de „invoerprijs”, is het mcb hoger dan de invoerbelasting.
In de tweede plaats stelt verzoekster dat het verschil maakt of het mcb in mindering wordt gebracht op de invoerbelasting, zoals artikel 4 bis bepaalt, dan wel of het mcb wordt verlaagd, zoals de Commissie heeft voorgeschreven. Inderdaad maakt dit verschil. Maar dit verschil is onbetekenend, aangezien de verlaging van het mcb er slechts op neerkomt dat het wordt teruggebracht tot het peil van de invoerbelasting. Ook hier richt verzoeksters werkelijke bezwaar zich tegen de vaststelling van forfaitaire verlagingen, die een hogere (of lagere) uitkomst kunnen geven.
Verzoeksters derde argument raakt de zaak in de kern. Zij stelt dat de forfaitaire verlagingen in strijd zijn met artikel 4 bis. In elk geval met betrekking tot invoer uit derde landen zou de Commissie het aan de nationale douane-instanties hebben moeten overlaten dat artikel op elke werkelijk aangeboden partij waren toe te passen, dat wil zeggen, de douane had het werkelijke mcb in mindering moeten brengen op de in concreto op die partij toepasselijke invoerbelasting. De Commissie voert hiertegen aan dat forfaitaire verlagingen dan alleen zouden moeten worden bepaald voor handelsbewegingen, niet zijnde importen uit derde landen, zodat de werkelijke mcb voor die importen zouden afwijken van die voor andere handelsbewegingen, of dat anders de douaneinstanties de waarde van de goederen bij alle handelsbewegingen zouden moeten berekenen. Verzoeksters repliek kan, dacht ik, in twee delen worden gesplitst.
In de eerste plaats zou artikel 4 bis, lid 2, — bepalende dat „in het handelsverkeer tussen de Lid-Staten en met derde landen de compenserende bedragen … niet hoger (mogen) zijn dan de belasting bij invoer uit derde landen” — in de handel tussen Lid-Staten en bij uitvoer naar derde landen slechts gelden voor het handelsverkeer van goederen die als zodanig uit derde landen zijn ingevoerd. Met andere woorden, artikel 4 bis, lid 2, zou niet van toepassing zijn wanneer de goederen hun oorsprong in de Gemeenschap hebben, dan wel, bij goederen van oorsprong uit derde landen, wanneer zij na de oorspronkelijke invoer uit een derde land hun identiteit hebben verloren (door verwerking of anderszins). Mij dunkt dat deze stelling niet kan worden aanvaard. Artikel 4 bis, lid 2, betekent mijns inziens duidelijk dat in een land waarvan de munteenheid is gedevalueerd, het maximum van de mcb's gelijk is aan het bedrag van de belasting bij invoer uit derde landen.
Anderzijds betoogt verzoekster dat het het werk van de douane is om de waarde van grensoverschijdende goederen te bepalen, en dat zij dit met het oog op de BTW tóch moet, doen. Voor zover het de BTW betreft, sprak dit argument mij aanvankelijk wel aan. Als bij uitvoer naar derde landen en bij het handelsverkeer tussen Lid-Staten de waarde van de goederen in elk geval met oog op de BTW moet worden bepaald, zou men inderdaad kunnen menen dat de Commissie geen been had om op te staan. Maar afgezien van de vraag of die waardebepaling in het geval van Italië werkelijk is voorgeschreven — welke vraag niet zonder meer kan worden beantwoord —, meen ik dat de Commissie dit argument tenslotte overtuigend heeft weerlegd: goederen die van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of zich in een Lid-Staat in het vrije verkeer bevinden, aldus de Commissie, bezitten vanwege de gemeenschapspreferentie een grotere marktwaarde dan geheel overeenkomstige, uit derde landen ingevoerde goederen, zodat, zelfs als het om gelijksoortige waren gaat, ter vaststelling van de belasting die voor eerstbedoelde categorie goederen — indien ingevoerd uit een derde land — zou gelden, een andere methode van waardebepaling zou moeten worden toegepast dan in verband met de BTW worden gebruikt.
Verzoeksters vierde argument steunt niet slechts op de artikelen 145 en 155 van het Verdrag, maar ook op artikel 162. Dit laatste, vervallen ingevolge artikel 19 van het Fusieverdrag en vervangen door de artikelen 15 en 16 hiervan, lijkt mij evenwel allesbehalve relevant.
Dit vierde argument luidt dat artikel 5 van verordening nr. 1463/73 zo sterk afwijkt van artikel 4 bis van verordening nr. 974/71, dat alleen de Raad zelf het had kunnen vaststellen. Ten deze wijst verzoekster op de tweede alinea van artikel 4 bis, lid 2, waarin de Raad zich de bevoegdheid heeft voorbehouden om te „besluiten dat in bepaalde uitzonderlijke gevallen de eerste alinea niet van toepassing is.” Ook dit argument kan ik niet aanvaarden. Met het voorschrift betreffende de forfaitaire verlagingen der mcb's voor rundvlees en met de bepaling in concreto van die verlagingen, is de Commissie niet van artikel 4 bis afgeweken noch heeft zij het geheel of gedeeltelijk buiten toepassing gelaten. Zij paste het toe op de wijze die, gezien de mogelijkheden van de administratieve praktijk, het minst bezwaarlijk leek. Daartoe was zij mijns inziens ingevolge artikel 6 van verordening nr. 974/71 alleszins bevoegd: zie 's Hofs arrest in zaak 154-73 (Becher, Jurispr. 1974, blz. 19). Uit deze zaak blijkt trouwens dat ook de mcb's zelf noodzakelijkerwijze forfaitair zijn, omdat het nu eenmaal ondoenlijk is ze vast te stellen aan de hand van de bij elke afzonderlijke import- of exporttransactie werkelijk betaalde prijs. Er kan toch niets princieel verkeerds zijn aan forfaitaire aanpassingen van bedragen die zelf ook forfaitair zijn.
Dit wat betreft het door verzoekster schriftelijk ontwikkelde betoog. Tijdens de mondelinge behandeling heeft zij het punt aangevoerd van de terugwerkende kracht der verordeningen die op de eerste en de tweede import van toepassing waren.
Zoals reeds aangetoond, kan dit punt geen betrekking hebben op de tweede import; de verordeningen waarbij het daarvoor geldende mcb en de betrokken aanpassingsbedragen zijn vastgesteld (verordeningen ns. 974/73 en 1031/73), hadden wel gedeeltelijk terugwerkende kracht, maar dit had geen invloed op de hierbedoelde import.
Het argument kan dus alleen voor de eerste import van belang zijn. Ik ben echter van mening dat verzoekster dit middel te laat heeft aangevoerd. Ingevolge het Reglement voor de procesvoering, met name de artikelen 38, paragraaf 1, sub c, 41 en 42, moeten de gronden waarop een beroep steunt, schriftelijk worden voorgedragen; een uitbreiding van die gronden tijdens de mondelinge behandeling is mijns inziens ontoelaatbaar. De reden hiervan is dat de verwerende partij dan onvoldoende gelegenheid heeft om erop in te gaan. De onderhavige zaak is daarvan een voorbeeld. Tot de verordeningen met terugwerkende kracht die op de eerste import van toepassing waren, behoorde verordening nr. 649/73, waarbij het mcb is vastgesteld. Het is best mogelijk dat dit mcb, zelfs na de aanpassing overeenkomstig verordening nr. 905/73, hoger was dan het daarvóór geldende mcb, zodat verzoekster door toepassing van die terugwerkende regeling uiteindelijk in het geheel niet is benadeeld. Maar de Commissie, onverhoeds met dit argument overvallen, had geen gelegenheid deze mogelijkheid te onderzoeken. Eerlijkheidshalve moet ik verzoekster toegeven dat zij desgevraagd erkende zich niet op het argument betreffende de terugwerkende kracht te kunnen beroepen indien het inderdaad eerst tijdens de mondelinge behandeling naar voren was gebracht. Zij beweerde evenwel dat het in de schriftelijke memories impliciet aan de orde was gesteld. Ik kan daar echter zelfs geen impliciete verwijzing naar dit punt vinden.
Ik concludeer derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, kosten rechtens.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
( 2 ) De gepubliceerde tekst van de verordening heeft, kennelijk abusievelijk, „aangepast” (N.v.d.V.)
Full & Egal Universal Law Academy