CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 13 NOVEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De weduwe van een werknemer ontvangt een weduwenpensioen in Luxemburg, waar haar echtgenoot van 1954 tot 1962 heeft gewerkt, en een tweede pensioen van dezelfde aard in Duitsland, waar hij van 1965 tot 1967 werkzaam was. Omdat de verzekerde vóór zijn 55e levensjaar is overleden en de weduwe minderjarige kinderen ten laste heeft, betaalt het Duitse verzekeringsorgaan een verhoogd pensioen, waarvoor niet slechts de daadwerkelijk vervulde verzekeringsmaanden in aanmerking zijn genomen, maar ook het aantal maanden tussen het tijdstip van overlijden en dat waarop de overledene 55 jaar zou zijn geworden. Vervolgens heeft het Duitse orgaan het pro-rata-aandeel berekend overeenkomstig artikel 28 van verordening nr. 3 van de Raad inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers, zulks op basis van de verhouding tussen de in Duitsland vervulde verzekeringstijdvakken en de totale duur van de tijdvakken vervuld krachtens de wetgeving van beide betrokken Lid-Staten.
In gevallen als hierboven beschreven geeft ook de Luxemburgse wetgeving recht op een verhoging van het normale pensioen. Deze verhoging wordt berekend op basis van een op het sociale minimumloon toegepast vaste coëfficiënt en aan de rechthebbende betaald tot het tijdstip waarop de werknemer 55 jaar zou zijn geworden.
Voor de interne organen van de beiden betrokken Staten is een geschil ontstaan over de vraag of de cumulatie van uitkeringen als gevolg van de gelijktijdige toepassing van de verhoging naar Luxemburgs en naar Duits recht, in overeenstemming is met het Gemeenschapsrecht.
Het Luxemburgse verzekeringsorgaan bestrijdt voor de rechter in cassatie de uitspraak van de Conseil supérieur des assu-rances sociales — die het recht van belanghebbende op de bijzondere verhogingen ingevolge de Luxemburgse wet heeft erkend — met het argument dat het Gemeenschapsrecht de toepassing van deze verhogingen verbiedt.
Voorts stelt genoemd orgaan dat de werknemer bij zijn overlijden in Duitsland werkzaam was, en derhalve ingevolge artikel 13 van 's Raads verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers niet geacht kan worden op dat tijdstip bij het Luxemburgse pensioenfonds verzekerd te zijn geweest. Mitsdien zou het Luxemburgse verzekeringsorgaan ontheven zijn van zijn verplichting de verhoging uit te betalen, omdat volgens de nationale wettelijke regeling in geval van achtereenvolgende aansluiting bij verschillende op bijdragebetaling berustende pensioenregelingen bedoelde verhoging ten laste komt van het orgaan waarbij de verzekerde op het tijdstip van overlijden is aangesloten.
Voorts doet het Luxemburgse pensioenfonds een beroep op artikel 51 van het Verdrag en de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3, waaruit het het verbod van cumulatie in het onderhavige geval meent te kunnen afleiden, aangezien de betrokken uitkeringen elkaar niet zouden aanvullen, maar veeleer samenlopen; of men zou ook voor de Luxemburgse verhoging een toerekening pro rata moeten kunnen toepassen, hetgeen evenwel door de rechter over de feiten is ontkend.
Naar aanleiding van dit geschil heeft de Cour supérieure de justice du Luxembourg enkele vragen gesteld betreffende de uitlegging van verordening nr. 3 en artikel 51 van het Verdrag.
In de eerste plaats vraagt de Luxemburgse rechter of, ingeval de verzekerde bij zijn overlijden onder het verzekeringsstelsel van een andere Lid-Staat valt, artikel 12 van verordening nr. 3 ertoe leidt dat het nationale orgaan wordt ontheven van zekere verplichtingen die het nationale recht hem oplegt, in casu dus de verplichting om bovenbedoelde verhoging uit te betalen.
Artikel 12 bepaalt dat werknemers die werkzaam zijn op het grondgebied van een Lid-Staat, onder de wetgeving van deze Staat vallen, zelfs indien zij in een andere Lid-Staat woonachtig zijn. Zoals het Hof in zaak 19-67 (Van der Vecht, Jurispr. 1967, blz. 432) heeft overwogen, is artikel 12 een collisieregel die beoogt elke cumulatieve toepassing van nationale wetgevingen, waardoor de sociale verzekeringslasten van werknemers en werkgevers onnodig zouden kunnen worden verzwaard, te vermijden; dit zou het geval kunnen zijn als de werknemer tijdens zijn periode van werkzaamheid tegen zijn wil tegelijkertijd onder meerdere nationale stelsels van sociale zekerheid zou vallen. Afgezien van dit geval en van dit doel, bevat artikel 12 geen enkel verbod tot gelijktijdige toepassing van verschillende wetgevingen (vgl. zaak 93-62, Nonnenmacher, Jurispr. 1964, blz. 589).
Dit artikel kan derhalve niet dor een verzekeringsorgaan worden gebruikt om zich te onttrekken aan verplichtingen ingevolge nationale wettelijke bepalingen met betrekking tot tijdvakken die een verzekerde bij dat orgaan heeft vervuld.
De ontekenning of de beperking van de rechten der verzekerden, die anders daarvan het gevolg zou zijn, is onverenigbaar met de doelstelling van de artikelen 48 tot 51 van het Verdrag; deze doelstelling kan alleen worden verwezenlijkt door afschaffing van wettelijke belemmeringen van het vrije verkeer van werknemers, en verbiedt stellig de invoering, met behulp van het Gemeenschapsrecht, van nieuwe belemmeringen, bij voorbeeld door dit recht zo toe te passen, dat de migrerende werknemer wat de sociale zekerheid betreft, in een positie komt te verkeren die minder gunstig is dan die welke door de nationale wetgevingen wordt gewaarborgd.
Deze conclusie, die een algemene draagwijdte heeft, dringt zich te meer op wanneer, zoals in casu het geval schijnt te zijn, de verzekerde zijn recht verkrijgt uit de enkele kracht van de nationale wet.
In de tweede plaats vraagt de Luxemburgse rechter of artikel 51 EEG-Verdrag en de artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3 de cumulatie verbieden die het gevolg kan zijn van een integrale gelijktijdige toepassing van twee nationale wettelijke regelingen, zodat de Staat wiens wetgeving een bijzondere pensioenverhoging zonder toerekening pro rata voorschrijft, deze aanvullende uitkering moet weigeren aan een weduwe die ingevolge de wetgeving van een andere Staat een pensioenverhoging geniet met betrekking tot hetzelfde fictieve verzekeringstijdvak en berekend op basis van samentelling en proratisatie.
Vooreerst zij opgemerkt dat in het door de verwijzende rechter omschreven geval niet van een echte cumulatie sprake is, want ondanks het samenvallen van het fictieve verzekeringstijdvak, lijkt dit in de twee betrokken staten niet met hetzelfde doel en op dezelfde wijze in aanmerking te zijn genomen; in elk geval gaat het slechts om een gedeeltelijke cumulatie, omdat het bedrag van het Duitse pensioen, na de toerekening pro rata over de door de Duitse wetgeving voor de verhoging in aanmerking genomen periode, uiteindelijk slechts met een fractie stijgt.
Het nadeel van de cumulatie, waarop het Luxemburgse pensioenfonds doelt, kan blijkbaar ook niet worden opgeheven op basis van artikel 28 van verordening nr. 3, aangezien volgens 's Hofs vaste rechtspraak op een uitkering die zonder samentelling is verkregen, geen toerekening pro rata kan worden toegepast (zaak 2-67, De Moor, Jurispr. 1967, blz. 256-257, en voorts zaak 140-73, Mancuso, Jurispr. 1973, blz. 1455). Omdat de Duitse verhoging door toerekening pro rata moet worden vastgesteld, zou anderzijds de inhouding zonder meer van de Luxemburgse verhoging voor belanghebbende een verlies zijn dat ook door het algemene vereiste cumulatie te vermijden, niet wordt gerechtvaardigd.
Wanneer het evenwel gaat om sociale voordelen die, zonder dat daar een prestatie van de werknemer in de vorm van premiebetaling tegenover staat, uitsluitend berusten op het sociale vereiste een minimum inkomen te garanderen, dient — het onderhavige geval daargelaten — te worden erkend dat de gelijktijdige toepassing van meerdere nationale regelingen ten gunste van een zelfde persoon stellig tot ongerechtvaardigde cumulaties kan leiden, met name indien er sprake is van samenval van de fictieve verzekeringstijdvakken die door de verzekeringsorganen van de verschillende Staten bij de berekening van de uitkeringen in aanmerking worden genomen. En dit kan juist het geval zijn wanneer het om fictieve verzekeringstijdvakken gaat, waaruit wel blijkt dat er geen strikte overeenkomst tussen de uitkeringen bestaat.
In de bovengenoemde zaak-Mancuso hebben wij reeds gewezen op het ongerechtvaardigde voordeel waartoe het ongecoördineerd naast elkaar bestaan van nationale verzekeringsstelses kan leiden voor degenen die wegens een zelfde risico meerdere invaliditeitspensioenen genieten. In zijn arrest in die zaak heeft het Hof evenwel overwogen dat verordening nr. 3 de nationale instanties niet verplicht cumulatie van invaliditeitsuitkeringen die door hun nationale wetgeving autonoom zijn vastgesteld, te vermijden. Wanneer het Hof moest kiezen tussen enerzijds het risico dat in bepaalde gevallen onvoldoende bescherming zou worden geboden indien men cumulatie van nationale prestaties die zonder samentelling zijn berekend, in het algemeen zou verbieden, en anderzijds een te grote bescherming van de werknemer, heeft het steeds voor het laatste gekozen. Het Hof is er daarbij stellig van uitgegaan dat bij gebreke van nauwkeurige regels inzake de coördinatie van nationale regelingen met verschillende berekeningswijzen en voorzieningen (en het onderhavige geval geeft daarvan een voorbeeld), een algemeen non-cumulatiebeginsel de bescherming van de werknemer wat de sociale zekerheid betreft, te zeer zou inperken.
In de zaak 34-69 (Duffy, Jurispr. 1969, blz. 604) overwoog het Hof immers „dat in de gevallen waarin de verordeningen de werknemers voor wat de sociale zekerheid betreft voordelen verschaffen welke zij niet zouden kunnen verkrijgen wanneer dezelve niet van toepassing waren, hun tegenover de voordelen welke zij daaraan ontlenen, beperkingen kunnen worden opgelegd; dat zodanige beperkingen, wanneer daartegenover geen voordelen als vermeld staan, niet gerechtvaardigd zouden zijn, omdat zij ertoe zouden leiden dat de werknemer in een minder gunstige positie zou komen te verkeren dan die welke, bij gebreke van de verordeningen, uit de toepassing van het nationale recht of van bijzondere overeenkomsten tussen Lid-Staten zou voortvloeien.” Dit algemene beginsel, geformuleerd met betrekking tot de overlevingsrente van een weduwe en later in de zaak-Mancuso toegepast op een geval van cumulatie van wegens een zelfde risico toegekende invaliditeitspensioenen, is ook in casu van belang. Te meer nu als gevolg van 's Hofs recente arrest van 21 oktober van dit jaar (zaak 24-75, Petroni) de poging van de Gemeenschapswetgever
in verordening nr. 1408/71, die in de plaats is gekomen van verordening nr. 3
om de mogelijkheden voor het vermijden van cumulatie van sociale uitkeringen te verruimen, geacht moet worden althans gedeeltelijk te zijn mislukt. Dit arrest heeft voorts het beginsel bevestigd, dat wanneer de verzekerde of zijn rechtverkrijgenden uit de enkele kracht van de nationale wet, dus zonder dat samentelling overeenkomstig het Gemeenschapsrecht behoeft te worden toegepast, aanspraak hebben op een sociale uitkering, deze uitkering niet ingevolge de communautaire bepalingen mag worden verminderd.
Aangezien het recht op het pensioen en de litigieuze verhogingen in Luxemburg is verkregen uit de enkele kracht van de nationale wet kan derhalve het betrokken verzekeringsorgaan niet met een beroep op het Gemeenschapsrecht aan de gewraakte cumulatie ontkomen.
Ter vermijding van situaties die met het oog op de sociale behoeften waarin de nationale verzekeringsstelsels moeten voorzien, kennelijk ongerechtvaardigd zijn, zouden de bevoegde nationale instanties hun bestaande sociale wetgeving zo kunnen wijzigen, dat rekening kan worden gehouden met de problemen voortvloeiend uit het feit van het vrije verkeer van werknemers over de nationale grenzen heen en het naast elkaar bestaan van onderling afwijkende en autonome stelsels van sociale zekerheid. Zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, kan deze oplossing evenwel leiden tot ongelijkheid van behandeling en rechtsonzekerheid. Ook op dit gebied zal alleen harmonisering van de verschillende nationale wetgevingen tot een bevredigende oplossing van de problemen voeren.
Wij concluderen dat het Hof de vragen van de Luxemburgse rechter beantwoorde als volgt:
1.
Artikel 12 van verordening nr. 3 inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers kan er niet toe leiden dat de rechthebbende op een uitkering van sociale zekerheid zijn aan de nationale wettelijke regeling ontleende rechten verliest.
2.
De artikelen 27 en 28 van verordening nr. 3, uitgelegd in het licht van artikel 51 EEG-Verdrag, verbieden niet de cumulatie van uitkeringen van sociale zekerheid over een zelfde periode, wanneer het recht op de uitkeringen uit de enkele kracht van het nationale recht is verkregen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy