CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 2 DECEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Vandertaelen en Maes, verdachten in het hoofdgeding waaruit de hier te behandelen prejudiciële vragen zijn voortgevloeid, verrichtten in het tijdvak van 6 december 1968 tot 5 maart 1969 importen uit derde landen in de Gemeenschap. Dit geschiedde op grond van invoervergunningen die golden voor post 18.06, onderverdeling B II b) van het gemeenschappelijk douanetarief („chocolade en andere voedingsmiddelen, welke cacao bevatten: consumptie-ijs, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 7 of meer gewichtspercenten”). Zo luidde ook de benaming van de waar, die bij de inklaring werd vermeld.
Van de waren werden herhaaldelijk monsters getrokken en door het Belgische Rijkslaboratorium der douane en accijnzen onderzocht. Daarbij kwam het laboratorium tot de vaststelling dat het ging om bevroren, bruin-beigekleurig, naar boter smakend vet met 66 gewichtspercenten aan vetstoffen (waarvan 53 gewichtspercenten van melk afkomstig), 20 gewichtspercenten saccharose, ongeveer 14 gewichtspercenten water, met toevoeging van kleurstoffen, maar zonder cacao. Bovendien werd geconstateerd dat het produkt bij een temperatuur van 20o C na 24 uur geen enkel spoor van smelten vertoonde. Daaruit werd geconcludeerd dat het produkt, dat overigens tot boterolie werd verwerkt en aan buitenlandse kopers werd doorverkocht, niet als consumptie-ijs kon worden beschouwd, maar hoogstens als een waar van tariefpost 21.07 F VII b 1 („produkten voor menselijke consumptie, elders genoemd noch elders onder begrepen: andere: met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 45 of meer, doch minder dan 65 gewichtspercenten: … met een saccharosegehalte van 5 of meer gewichtspercenten: geen of minder dan 5 gewichtspercenten zetmeel bevattend”).
Op deze gronden werd tegen genoemde importeurs een strafgeding ter zake van overtreding van de douanewetgeving aanhangig gemaakt. De correctionele rechtbank veroordeelde hen wegens illegale invoer, omdat bij de import der waren geen vergunning voor tariefpost 21.07 F VII b 1 aanwezig was.
Het Hof van Beroep te Brussel vernietigde dit vonnis en sprak de verdachten vrij. Daarbij was het voor het Hof doorslaggevend dat er ten tijde van de invoer geen wettelijke omschrijving van het begrip „consumptie-ijs” bestond. Derhalve — zo overwoog dit college — moest worden uitgemaakt of de produkten klaarblijkelijk en voor iedereen duidelijk de benaming consumptie-ijs in generlei mate hadden verdiend. Daarvan kon geen sprake zijn, daar niet was aangetoond dat de produkten niet kunnen worden verbruikt als bevroren voedingsprodukten die als consumptie-ijs zouden kunnen worden beschouwd.
Van dit arrest werd beroep in cassatie ingesteld bij het Belgische Hof van cassatie.
Voor deze rechterlijke instantie doet zich de vraag voor hoe het begrip „consumptie-ijs” in de zin van het gemeenschappelijk douanetarief, dat geen omschrijving bevat, moet worden verstaan. Anderzijds wijst het Hof van cassatie erop dat verordening nr. 495/69 van de Commissie van 18 maart 1969 betreffende de indeling van goederen onder de posten 18.06, onderverdeling D II c, en 21.07, onderverdeling F VII, van het gemeenschappelijk douanetarief wel een definitie van het begrip consumptie-ijs bevat. Daar de verordening echter na de betrokken importen is vastgesteld en in werking getreden, lijkt het het Hof van cassatie problematisch of de verordening bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief kan worden geraadpleegd met betrekking tot importen die vóór haar inwerkingtreding hebben plaatsgevonden. Het Hof van cassatie besloot bij arrest van 20 mei 1975 dan ook het geding te schorsen en krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de volgende vragen ter prejudiciële beslissing voor te leggen:
1.
of de verordening nr. 495/69 van 18 maart 1969 van de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap van toepassing is voor de indeling van goederen ingevoerd vóór haar inwerkingtreding, met name voor de indeling van goederen ingevoerd tijdens de periode van 6 december 1968 tot en met 5 maart 1969;
2.
welke de omschrijving was van het begrip „consumptie-ijs” voor de toepassing van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief vóór de inwerkingtreding van de verordening nr. 495/69, met name tijdens de periode van 6 december 1968 tot en met 5 maart 1969, en meer bepaald of dit begrip kon slaan op produkten met een betrekkelijk hoog gehalte aan vetstoffen, waarvan de van melk afkomstige vetstoffen 45 of meer, doch minder dan 65 gewichtspercenten van het totale gewicht van deze produkten uitmaken, die in het bijzonder saccharose en water bevatten, in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 0 graad Celsius niet smelten en zelfs bij een omgevingstemperatuur van 20o C na 24 uren geen enkel spoor van smelten vertonen, ook al zijn die produkten door inblazen van lucht geëxpandeerd en worden zij gekoeld of bevroren aangeboden.
Daarover dienen naar mijn mening de volgende opmerkingen te worden gemaakt.
I — Eerste vraag: toepasselijkheid van verordening nr. 495/69 op goederen die vóór haar inwerkingtreding zijn ingevoerd
Deze vraag werd gesteld, omdat de tariefindeling van de betrokken goederen volgens genoemde verordening klaarblijkelijk volkomen duidelijk is. Blijkens de derde overweging dezer verordening, bevat consumptie-ijs zoals dit in de handel wordt verkocht, niet altijd van melk afkomstige vetstoffen; ingeval het ijs deze vetstoffen wel bevat is het gehalte aan de van melk afkomstige vetstoffen gewoonlijk niet hoger dan 15 gewichtspercenten; ook bezit consumptie-ijs de kenmerkende eigenschap te smelten indien het in een omgeving met een temperatuur van ongeveer 0 graad Celsius wordt geplaatst. Daar de geïmporteerde waren echter 66 gewichtspercenten aan vetstoffen bevatten — waarvan 53 gewichtspercenten van melk afkomstig waren —, en zelfs bij een omgevingstemperatuur van 20o C na 24 uur geen enkel spoor van smelten vertoonden, hadden zij volgens genoemde verordening in feite noch onder post 18.06 B II b, noch onder post 21.07 C II b, dat wil zeggen de tariefposten voor consumptie-ijs, kunnen worden ingedeeld, maar hadden, naargelang zij al dan niet cacao bevatten, onder post 18.06 D II C of onder post 21.07 F VII moeten worden ingedeeld.
Voor de beslissing van het geschil in het hoofdgeding komt deze weg echter niet in aanmerking. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof is het zeker uitgesloten genoemde verordening toe te passen op importen die vóór haar inwerkingtreding zijn verricht.
Ik kan hiervoor in de eerste plaats verwijzen naar het arrest in de zaak 30-71 (arrest van 24 november 1971, Kurt Siemers & Co t. Hauptzollamt Bad Reichenhall; Jurispr. 1971, blz. 929). Hierin wordt overwogen dat verordeningen voor de indeling van waren, namelijk verordeningen, waarin de voorwaarden voor indeling van waren onder bepaalde posten nader worden omschreven, geen toepassing kunnen vinden op waren die vóór de inwerkingtreding dier verordeningen zijn ingevoerd. Uitdrukkelijk wordt gezegd dat de constitutieve aard van dergelijke verordeningen terugwerkende kracht uitsluit. In gelijke zin, en wel ten aanzien van dezelfde indelingsverordening, werd beslist in zaak 77-71 (arrest van 15 december 1971, Gervais-Danone AG t. Hauptzollamt München-Schwanthalerstraße, Jurispr. 1971, blz. 1137 en 1138). Hier werd met nadruk vastgesteld dat verordeningen constitutief van aard zijn en derhalve geen terugwerkende kracht hebben, wanneer zij krachtens 's Raads verordening nr. 97/69 werden vastgesteld; in deze verordening wordt de Commissie gemachtigd tot vaststelling van de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief met het oog op de indeling der goederen, welke bepalingen de inhoud van de posten en postonderverdelingen nader aangeven, zonder evenwel de tekst daarvan te wijzigen.
Ook in de onderhavige zaak moet men zich aan dit beginsel houden. Enerzijds omdat de hier relevante verordening van de Commissie krachtens 's Raads verordening nr. 97/67 is vastgesteld. Anderzijds is van belang dat de Commissieverordening de datum van inwerkingtreding, dus van verbindend-worden, uitdrukkelijk op 22 maart 1969 bepaalt en dus geen terugwerkende kracht heeft voorzien.
Wat bovendien de door de Commissie nog opgeworpen vraag betreft, of de Commissieverordening niet althans als hulpmiddel voor de uitlegging betreffende eerder verrichte importen in aanmerking komt, omdat zij de enig mogelijke uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief bevat, geloof ik dat er geen aanleiding bestaat daarop in te gaan. De redenen voor deze opvatting zullen zonder meer duidelijk worden in het kader van de behandeling van de tweede vraag.
II — Tweede vraag
In de tweede plaats wordt gevraagd, welke de omschrijving was van het begrip „consumptie-ijs” voor de toepassing van de posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 495/69. Voorts moet worden nagegaan of dit begrip kan slaan op produkten die gekoeld of bevroren worden aangeboden, met een betrekkelijk hoog gehalte aan vetstoffen (waarvan de van melk afkomstige vetstoffen 45 of meer, doch minder dan 65 gewichtspercenten van het totale gewicht van deze produkten uitmaken), die saccharose en water bevatten, en bij een omgevingstemperatuur van 20o Celsius na 24 uur geen enkel spoor van smelten vertonen.
Daarbij kan men zich allereerst afvragen of de verwijzende rechter wel op een sluitende definitie van het begrip consumptie-ijs is aangewezen dan wel of niet reeds de opsporing van enige kenmerken volstaat voor de vaststelling dat het in het hoofdgeding litigieuze produkt geen consumptie-ijs is.
Inderdaad zijn voor laatstgenoemd standpunt tijdens het geding goede gronden naar voren gekomen. In dit verband zijn de opmerkingen van de Commissie van belang over de noodzaak om bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief de tekst van de tariefposten in acht te nemen alsmede over het feit dat bij ontbreken van een precisering van een begrip in het douanetarief, van de normale betekenis van het woord en ook van de in het maatschappelijk verkeer heersende opvatting mag worden uitgegaan. Volgens deze opvatting moet een produkt waarvan de benaming het bestanddeel „consumptie” bevat, naar aard en smaak voor onmiddellijke consumptie geschikt en bestemd zijn. Ook schijnt algemeen erkend te zijn, dat consumptie-ijs wegens de hoeveelheid water bij een temperatuur van ongeveer 0o Celsius smelt en dat een waar die deze eigenschap wegens een te hoog vetgehalte niet vertoont, de benaming „consumptie-ijs” volgens de verkeersopvatting niet verdient. Daar men wel mag aannemen, dat de litigieuze produkten niet aan deze criteria voldoen, zou het voor de beslissing van het hoogdgeding inderdaad volstaan op deze criteria te wijzen.
Ik acht het nochtans evenals de Commissie raadzaam, om in het belang van een gemotiveerde beantwoording der gestelde vraag ook nog na te gaan of voor het begrip „consumptie-ijs” geen aanvullende criteria, met name betreffende de samenstelling, kunnen worden vastgesteld, uitgaande van de rechtstoestand die reeds vóór de inwerkingtreding van genoemde verordening der Commissie bestond.
Inderdaad zijn er — het zij reeds dadelijk gezegd — duidelijk zulke criteria. De Commissie heeft mijns inziens overtuigend aangetoond, dat reeds vóór de inwerkingtreding van haar verordening nr. 495/69 communautaire bepalingen bestonden waaraan voor de vaststelling van het begrip „consumptie-ijs” betrouwbare elementen kunnen worden ontleend.
In dit verband is van belang de handelsregeling voor bepaalde verwerkte landbouwprodukten, die bij 's Raads verordening nr. 160/66 van 27 oktober 1966 werd ingevoerd. Het kenmerkende van deze regeling is — ik behoef hier niet in detail te treden omdat wij reeds vaker daarmee te doen hebben gehad — dat de invoerbelasting van verwerkte landbouwprodukten, wat de heffing en wel het zogenaamde variabele element betreft, berekend wordt naar de hoeveelheden basisprodukten die in het eindprodukt zijn verwerkt. Bij toepassing der regeling bleek intussen spoedig dat het wegens de verscheidenheid van de onder een tariefpost vallende waren in een aantal gevallen niet mogelijk was, slechts een enkele hoeveelheid basisprodukten vast te stellen. Veeleer was differentiatie naar groepen van produkten vereist, dus de vaststelling van post-onderverdelingen. Dit gold onder meer ook voor de in de bijlage bij verordening nr. 160/66 genoemde posten 18.06 en 21.07, die destijds als enige voor consumptie-ijs in aanmerking kwamen.
Vandaar, dat op 18 april 1967 's Raads verordening nr. 83/67 werd aangenomen „houdende vaststelling van de tariefspecificaties voor de goederen waarop verordening nr. 160/66/EEG van de Raad van toepassing is, alsmede van de vaste elementen die daarop van toepassing zijn en van de hoeveelheden basisprodukten die worden geacht bij de vervaardiging daarvan te zijn verwerkt.” Deze is van bijzonder belang, omdat in haar bijlagen voor het eerst het begrip „consumptie-ijs” wordt gebezigd. Voor dit produkt werden in bijlage I onderverdelingen ingevoerd, namelijk — al naargelang van de aanwezigheid van cacao — onderverdeling B I van post 18.06 en onderverdeling C van post 21.07. Deze onderverdelingen werden eensluidend — het element cacao kan zonder meer buiten beschouwing worden gelaten — onderverdeeld volgens het gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen: consumptie-ijs met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen a) van minder dan 3 gewichtspercenten, b) van 3 of meer, doch minder dan 7 gewichtspercenten, c) van 7 of meer gewichtspercenten. In hetzelfde kader werden in bijlage II van de verordening de forfaitair vastgestelde hoeveelheden basisprodukten vermeld, die van belang zijn voor de berekening van de variabele elementen. Dat zijn voor de post die hier relevant is — consumptie-ijs met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 7 of meer gewichtspercenten — 20 kg suiker en 35 kg melk in poedervorm. Dit laatste komt overeen — dat schijnt vast te staan — met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 9,1 %.
Daaruit kan worden geconcludeerd dat bij consumptie-ijs met een hoog vetgehalte de aangegeven waarden de normale samenstelling kenmerken. Bedenkt men voorts dat het om forfaitaire vaststellingen gaat, die afwijkingen naar boven en naar beneden toelaten, en gaat men derhalve van een noodzakelijke veiligheidsmarge uit, dan kan, ook wanneer deze ruim wordt gehouden, namelijk door het vetgehalte te verdubbelen — het suikergehalte vormt in casu geen probleem — in het uiterste geval een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 18 % in aanmerking komen. Dit is feitelijk het maximale gehalte, ook al wordt in de betrokken tariefpost geen bovengrens genoemd. In dit verband is eenvoudig beslissend dat anders de zin van de regeling, namelijk de verwerkte basisprodukten zo nauwkeurig mogelijk in aanmerking te nemen, zou worden miskend, dat de regeling niet doeltreffend zou zijn, en dat de betrokken heffing zou kunnen worden omzeild. Een blik op de destijds geldende heffingsbedragen toont de juistheid van deze stelling aan. Zo heeft de Commissie ons laten zien dat begin 1969 voor post 18.06 B II b, dus geldend voor waren met een gemiddeld gehalte aan vetstoffen van 9,1 %, een variabel element ad 20,3785 rekeneenheden per 100 kg verschuldigd was, terwijl het variabele element voor post 18.06 D II C — produkten met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen van 26 of meer gewichtspercenten — 124 rekeneenheden per 100 kg bedroeg.
Wat de tweede vraag betreft kan derhalve in feite worden vastgesteld, dat ook voor het tijdvak vóór de inwerkingtreding van verordening nr. 495/69 van de Commissie betrouwbare criteria voor de omschrijving van het begrip „consumptie-ijs” voorhanden zijn, en wel enerzijds door uit te gaan van de verkeersopvatting alsmede van het spraakgebruik en anderzijds door raadpleging van de Raadsverordening die een handelsregeling voor verwerkte landbouwprodukten bevat en waarvan de nomenclatuur overigens in het algemeen in het gemeenschappelijk douanetarief (verordening nr. 950/68) is overgenomen.
Daar deze vaststellingen voor het nationale geding volstaan, behoeft mijns inziens niet te worden onderzocht — zoals de Commissie heeft voorgesteld — of latere verordeningen, toelichtingen van het Comité voor de nomenclatuur bij de hoofdstukken 18 en 21 van het gemeenschappelijk douanetarief uit 1970 of een voorstel voor een richtlijn van de Commissie van september 1970 kunnen worden gehanteerd als aanvullende hulpmiddelen voor de uitlegging.
III — Samenvattend concludeer ik derhalve dat de vragen van het Belgische Hof van cassatie worden beantwoord als volgt:
1.
Verordening nr. 495/69 van de Commissie van 18 maart 1969 is constitutief van aard. Daar de inwerkingtreding ervan uitdrukkelijk op 22 maart 1969 werd bepaald, kan zij niet worden toegepast op waren die vóór dit tijdstip zijn geïmporteerd.
2.
Onder consumptie-ijs in de zin van posten 18.06 B en 21.07 C van het gemeenschappelijk douanetarief zijn te verstaan voedingsmiddelen in bevroren toestand die geschikt en bestemd zijn voor onmiddellijke consumptie. Zij kenmerken zich daardoor, dat zij bij een temperatuur van 0o Celsius smelten en dat zij een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen bevatten dat 20 gewichtspercenten niet overschrijdt.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy