CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 22 SEPTEMBER 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Met het onderhavig beroep dat is gericht tegen het verzuim van het tot aanstelling bevoegde gezag om zich te vergewissen van de regelmatigheid en de wettigheid van de op 18 maart 1975 bij het Europees Parlement gehouden verkiezingen voor de samenstelling van een nieuw personeelscomité, verlangen verzoeker en twee van zijn collega's nietigverklaring van die verkiezingen.
Gezien een verzoek aan partijen om zich in hun pleidooien te beperken tot de bevoegdheid van het Hof en de ontvankelijkheid van het beroep, zullen ook wij in dit stadium alleen op deze twee vragen ingaan.
I —
In de bepalingen betreffende het Hof wordt het Hof nergens uitdrukkelijk bevoegd verklaard om kennis te nemen van geschillen over verkiezingen voor vertegenwoordigende lichamen binnen de gemeenschapsinstellingen.
Voor de rechterlijke behandeling van dergelijke geschillen zou men zich onzes inziens echter kunnen baseren op de algemene bepaling van artikel 179 EEG-Verdrag: „Het Hof van Justitie is bevoegd, uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden, binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is”.
Hoewel het Europees Parlement niet rechtstreeks is betrokken bij de verkiezingsactiviteiten van het personeelscomité en het zich daarmee niet heeft te bemoeien, heeft het er toch duidelijk belang bij dat dit orgaan deugdelijk is samengesteld.
Immers, de in artikel 9, lid 3, van het Statuut genoemde taken van het personeelscomité „dragen in verhouding tot de werkzaamheden van de instelling zelve het karakter van hulpfuncties. Het personeelscomité is een intern orgaan van de instelling” (beschikking van 14. 11. 1963, Lasalle, Jurispr. 1964, blz. 107).
In artikel 9, lid 2, van het Statuut wordt aan elke instelling de bevoegdheid gegeven om de samenstelling en werkwijze van dit orgaan vast te stellen. De instelling heeft derhalve het recht en de plicht erop toe te zien dat het personeelscomité op regelmatige wijze tot stand komt. Zij moet ingrijpen, als niet blijkt te zijn voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 1 van bijlage II, waarin de samenstelling en werkwijze van de in artikel 9 genoemde organen nader is geregeld.
Ditzelfde moet echter ook gelden voor het verloop en de geldigheid van de verkiezingen van het personeelscomité. Hoewel volgens het reglement betreffende de personeelsvertegenwoordiging in de eerste plaats het college van stemopnemers zich dient uit te spreken over klachten met betrekking tot de verkiezingen, is het tot aanstelling bevoegde gezag toch uiteindelijk jegens het gehele personeel aansprakelijk voor de regelmatigheid van die verkiezingen.
Het Europese Parlement is bevoegd en verplicht om controle te oefenen op de verkiezing van het personeelscomité en in het verleden heeft het althans éénmaal ook gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. De voorzitter van het Europees Parlement heeft de op hem rustende aansprakelijkheid trouwens ook aanvaard door op 7 oktober 1975 uitdrukkelijk, zij het in afwijzende zin, op de klacht van verzoekers te antwoorden.
In het stadium van de rechterlijke controle is deze autoriteit de „natuurlijke verweerder”, en niet het comité dat uit de betwiste verkiezingen is voorgekomen en dat volgens de beschikking Lasalle niet bevoegd is in rechte op te treden, en evenmin het college van stemopnemers.
In zoverre geldt hetzelfde als voor jury's in vergelijkende onderzoeken, waaromtrent U bij Uw arrest van 14 juni 1972, Marcato (Jurispr. blz. 433) hebt uitgesproken dat „het enige rechtsmiddel waarover betrokkenen met betrekking tot een dergelijk besluit (van de jury van een vergelijkend onderzoek waardoor zij zich bezwaard achten) beschikken, gelegen is in een beroep bij het Hof dat als enige bevoegd is dergelijke besluiten te vernietingen”.
En overigens, als het Hof niet bevoegd zou zijn, valt niet in te zien welke andere rechter dan wel bevoegd is in een geschil als het onderhavige. Uw arrest van 15 juni 1976, Mills, gaat over een dergelijk geval.
Ten slotte zie ik ook geen enkel probleem bij de gevolgen van een arrest waarin de onregelmatigheid van verkiezingen wordt vastgesteld: de zaak zou worden terugverwezen naar het Europees Parlement dat de nodige maatregelen ter uitvoering van Uw arrest zou hebben te nemen. Het is natuurlijk wel zo dat, wanneer een onregelmatigheid welke de geldigheid der verkiezingen aantast, pas na afloop van het mandaat van het onregelmatig gekozen personeelscomité wordt vastgesteld en wanneer „de nietigheid van de verkiezingen van 18 maart 1975 niet noodzakelijk de nietigheid meebrengt van de procedures waarin het personeelscomité een statutaire rol heeft te vervullen”, zoals de President van de Tweede Kamer overwoog in zijn beschikking van 2 juli 1975, de kans bestaat dat een dergelijke vaststelling in de lucht blijft hangen. Des te klemmender is dan ook een spoedige afhandeling van dergelijke geschillen, te meer vanwege de mogelijkheid van een aansprakelijkheidsactie, die trouwens in casu ook al is ingesteld.
II —
Wat de termijnen betreft, hebben de drie verzoekers tijdig een klacht ingediend bij het college van stemopnemers, dat deze op 22 april 1975 heeft afgewezen. Op 5 mei 1975 hebben deze zelfde personen tegen deze afwijzing een administratieve klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediend bij de voorzitter van het Europees Parlement. Op 16 juni 1975 werd door hen ten slotte het onderhavige beroep ingesteld.
Op 14 juli 1975 besloot de President van de Tweede Kamer met toepassing van artikel 91, lid 4, laatste zin, de procedure ten principale op te schorten totdat een uidrukkelijk of stilzwijgend besluit tot afwijzing van de klacht was genomen.
Toen één der verzoekers op 10 oktober daaropvolgend mededeling kreeg van een besluit van de Voorzitter van het Europees Parlement van 7 oktober, waarbij zijn klacht uitdrukkelijk werd afgewezen, is de procedure hervat.
In termijnopzicht lijkt het beroep derhalve te voldoen aan het gestelde in de artikelen 90 en 91.
In hun bestaande formulering zijn de artikelen 90 en 91 van het Statuut toegesneden op de oplossing van door ambtenaren en andere personeelsleden voorgelegde individuele geschillen. Uiteindelijk heeft het onderhavige geschil een collectief karakter, omdat het zich, via de verzoekers en verweerder, in feite tussen vakbonden afspeelt. Maar de verzoekers zijn, hoewel allen bij een vakbond aangesloten, in elk geval in het Statuut bedoelde personen; als kiezers of als regelmatig ingeschreven, verkiesbare of zelf verkozen kandidaten kunnen zij — verkozen of niet — de geldigheid van de verkiezingen betwisten: het aantal stemmen dat een kandidaat heeft verkregen, is immers rechtstreeks van invloed op zijn „representativiteit”.
Wat betreft de aard van het bestreden besluit, wordt in Uw rechtspraak onderscheid gemaakt tussen besluiten die de statutaire positie van de ambtenaren aantasten en interne dienstverhoudingen. Met betrekking tot deze laatste hebt U in de zaak Nemirovsky (arrest van 14. 7. 1976) uitgemaakt dat de grieven in de klacht niet betrekking hadden op verzoeksters statutaire positie, doch uitsluitend op aangelegenheden betreffende de inrichting van de administratie en de arbeidstucht bij de diensten. Hoewel strikt genomen ambtenaren en personeelsleden van een instelling niet in hun „statutaire” rechten worden aangetast door de manier waarop de verkiezingen voor het personeelscomité plaatsvinden, toch hebben zij — evenals de instelling zelf — er belang bij dat de administratieve organen op regelmatige wijze worden gekozen en samengesteld. Door het besluit waarbij het college van stemopnemers de klacht van verzoekers heeft afgewezen, werden zij in dat belang getroffen; derhalve waren zij gerechtigd en verplicht (artikel 91, lid 2) zich eerst met een klacht tot het tot aanstelling bevoegde gezag te wenden, als zij het geschil bij het Hof aanhangig wilden maken. Ook het besluit waarbij de Voorzitter van het Parlement, de autoriteit die in laatste instantie moet toezien op de juiste toepassing van artikel 9 Statuut en artikel 1 van Bijlage II, hun klacht afwijst, is voor hen bezwarend en kan aan Uw oordeel worden onderworpen.
Wij concluderen dat het Hof zich bevoegd verklare tot kennisneming van het onderhavige geschil, dat het beroep ontvankelijk worde verklaard en dat de in deze stand van het geding gemaakte kosten ten laste worden gebracht van het Europese Parlement.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy