CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 3 JUNI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de onderhavige zaak gaat het in de eerste plaats om de vraag of een ambtenaar van de Commissie, die in Brussel werkzaam is, kan verlangen dat zijn bezoldiging naar een bank in Luxemburg wordt overgemaakt. Daarnaast wordt van de Commissie schadevergoeding geëist wegens de vertraagde doorzending van een dagvaarding voor een burgerlijk proces, waarbij verzoeker in het onderhavige geding was betrokken.
Ten aanzien van de feiten kan het volgende worden opgemerkt:
Verzoeker was als ambtenaar van de Commissie aanvankelijk een tijd lang in Luxemburg werkzaam. In oktober 1968 werd hij naar Brussel overgeplaatst. Nochtans bleef de Commissie zijn bezoldiging op zijn verzoek naar een Luxemburgse bank overmaken. Dit bleef ook zo, nadat verzoeker in oktober 1971 van Luxemburg naar Brussel was verhuisd.
Op 22 augustus 1974 verzocht hij de Commissie zijn bezoldiging naar een andere Luxemburgse bank over te maken. Dit gebeurde omdat aan verzoeker door deze bank een persoonlijk krediet was toegezegd op voorwaarde dat zijn bezoldiging op een rekening bij de kredietgeefster werd gestort; dit wil zeggen verzoeker moest de Commissie een daartoe strekkende onherroepelijke opdracht tot overschrijving geven die slechts met toestemming van de bank had kunnen worden ingetrokken. In een nota van 27 augustus 1974 werd dit verzoek echter afgewezen, op grond dat de Luxemburgse bank waar tot dusver de bezoldiging van verzoeker was uitbetaald, geen verklaring van afstand had gedaan. In feite kwam de verklaring van deze bank van 9 augustus 1974 eerst op 3 september 1974 bij de Commissie aan. Verder werd in de nota verwezen naar artikel 17, lid 1, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut, hetwelk luidt: „De aan de ambtenaar verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent.”
Ongeveer tegelijkertijd was verzoeker wegens betaling van huur in een geschil verwikkeld met de verhuurders van het appartement dat hij in Brussel bewoonde. In dit verband moest hem een dagvaarding voor de terechtzitting van 10 oktober 1974 worden betekend. Daartoe wendde het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken zich bij brief van 26 september 1974 waarbij twee afschriften van een dagvaarding waren gevoegd, tot de Commissie. De bevoegde Commissiediensten trachtten — zoals ten processe werd verklaard — verzoeker telefonisch in zijn bureau te bereiken. Daar dit niet lukte — verzoeker was destijds wegens ziekte niet aanwezig — werd de dagvaarding op 10 oktober 1974 naar het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken teruggezonden. Aan een nieuw verzoek van dit Ministerie tot dagvaarding van verzoeker, ditmaal gedaan bij brief van 24 oktober 1974, kon worden voldaan door verzoeker op 4 november 1974 de dagvaarding te overhandigen. Intussen, namelijk op 25 oktober 1974, was tegen hem echter reeds een verstekvonnis gewezen.
Dit alles noopte verzoeker op 26 november 1974 een formele klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag in te dienen. Daarin betoogde hij dat de weigering van 27 augustus 1974 om zijn bezoldiging over te maken onrechtmatig was. Hierdoor zou, omdat verzoeker daarna geen gebruik kon maken van de gunstigste kredietmogelijkheden van de Luxemburgse bank, materiële schade, daarnaast echter ook morele schade zijn veroorzaakt. De vertraagde terhandstelling van de dagvaarding voor het Belgische burgerlijke proces had tot een verstekvonnis geleid waardoor het noodzakelijk was hiertegen in verzet te komen, hetgeen met kosten gepaard gaat. Ook uit dien hoofde zou hij materiële en morele scha, de hebben geleden.
Daar de klacht ontbeantwoord bleef — helaas komt het, terloops gezegd, in administratieve procedures veel te vaak tot deze ongepaste reactie van de administratie — stelde verzoeker op 26 juni 1975 beroep in bij het Hof.
Verzoeker concludeert dat het den Hove behage:
—
het afwijzend besluit met betrekking tot de overmaking van de bezoldiging naar Luxemburg nietig te verklaren;
—
te verstaan dat de Commissie verplicht is, verzoekers bezoldiging over te maken naar de door hem aangeduide Luxemburgse bank;
—
de Commissie te veroordelen tot vergoeding van schade uit hoofde van deze afwijzing — 50000 Belgische franken voor de materiële en eenzelfde bedrag voor de morele schade;
—
te verstaan dat de Commissie een dienstfout heeft begaan bij de doorzending van de dagvaarding voor het burgerlijk proces waarbij verzoeker was betrokken;
—
de Commissie te veroordelen tot een bedrag van 10000 Belgische franken schadevergoeding wegens deze dienstfout.
De vorderingen tot betaling van schadevergoeding werden bij verzoekers repliek gewijzigd. Thans wordt verzocht de Commissie wegens haar afwijzing om het salaris naar Luxemburg over te maken te veroordelen tot betaling van 43500 Belgische franken voor materiële schade en tot betaling van één Belgische frank voor morele schade. Bovendien werd de vordering tot schadevergoeding wegens de vertraagde doorzending van de dagvaarding tot één Belgische frank gereduceerd.
1.
Bij mijn onderzoek van de zaak zal ik eerst de vragen betreffende de overmaking van verzoekers bezoldiging naar Luxemburg behandelen.
a)
Daarbij moet in de eerste plaats de algemene vraag worden bezien of ingevolge het Statuut voor Luxemburgse ambtenaren die in Brussel dienst doen een dergelijk recht bestaat of dat de uitleg van de bepalingen van het Statuut die de Commissie ter rechtvaardiging van de in augustus 1974 uitgesproken weigering heeft gegeven, juist is.
Luidens artikel 63 van het Ambtenarenstatuut wordt de bezoldiging van de ambtenaar uitgedrukt in Belgische franken en wordt zij uitbetaald in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent. Artikel 62 verwijst daarnaast naar bijlage VII bij het Statuut; het bepaalt uitdrukkelijk dat de ambtenaar met inachtneming van genoemde bijlage recht heeft op de bezoldiging.
Artikel 17, lid 1, van bijlage VII — de fundamentele bepaling die ik reeds heb genoemd — bepaalt dat de aan de ambtenaar verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent. Artikel 17, lid 2, voorziet dan in afwijkingen van de basisregel. Zo worden regelmatige overmakingen in andere valuta's en daardoor naar andere plaatsen toegestaan; dit geldt echter slechts, voor een deel van de bezoldiging, namelijk voor de ontheemdingstoelage en voor bedragen die noodzakelijk zijn ter bestrijding van uitgaven die verband houden met regelmatig terugkerende lasten welke de ambtenaar buiten het land waar de zetel is gevestigd of waar hij zijn functie uitoefent, draagt en met bewijzen kan staven. Een andere afwijking bevat artikel 17, lid 3, volgens hetwelk aan de ambtenaar bij hoge uitzondering en in deugdelijk gemotiveerde gevallen kan worden toegestaan, de bedragen waarover, hij in de in lid 2 aangeduide valuta's zou willen beschikken, te doen overmaken.
In casu gaat het slechts om de draagwijdte van lid 1 van artikel 17. Alleen daarop beroept verzoeker zich, niet echter op de mogelijkheden die in de andere leden van artikel 17 worden geboden.
Gelet op de algemene opzet van artikel 17 en met name op de bewoordingen van het eerste lid daarvan, kan er mijns inziens geen twijfel over bestaan, dat alleen de door de Commissie als juist beschouwde uitdegging opgaat. Wanneer artikel 17, lid 1, bepaalt dat de aan de ambtenaar verschuldigde bedragen worden uitbetaald op de plaats en in de valuta van het land waar de ambtenaar zijn functie uitoefent, dan mogen klaarblijkelijk geen betalingen worden gedaan in de valuta van een andere Lid-Staat alsmede op een plaats buiten de staat van de standplaats. Mijns inziens is het ook in strijd met alle gangbare beginselen van uitdegging om bij een zo duidelijke tekst als die van artikel 17, lid 1, beschouwingen aan het doel van het voorschrift te wijden en met een beroep daarop aan een uitlegging vast te houden die met de bewoordingen niet verenigbaar is en die indien deze was beoogd zonder meer met behulp van andere formuleringen had kunnen worden vastgelegd. Afgezien daarvan moet echter ook worden gezegd, dat de opmerkingen van verzoeker over de ratio van artikel 17 — voorkoming van betalingen in de verschillende Lid-Staten en van distorsies in het monetaire beleid van de Lid-Staten — niet alleen door niets — bijvoorbeeld door de voorbereidende werkzaamheden — worden gestaafd; zij zijn volgens de verklaringen van de Commissie zich voor het overmaken van het salaris van banken bedient en omdat zij in alle Lid-Staten rekeningen heeft. De ratio van artikel 17 is derhalve, zoals de Commissie terecht heeft opgemerkt, eerder te zien in samenhang met de in artikel 20 van het Ambtenarenstatuut verankerde plicht betreffende de standplaats, dat wil zeggen de verplichting in de standplaats te wonen of op zodanige afstand daarvan dat de ambtenaar niet wordt gehinderd in de uitoefening van zijn werkzaamheden. In feite is artikel 17 van bijlage VII niets anders dan de logische consequentie van deze verplichting en daardoor wordt vooral ook een eenvormige behandeling van alle ambtenaren bij de uitbetaling van salarissen gewaarborgd.
Overigens is het volgens mij ook niet mogelijk de door verzoeker gewenste uitlegging van artikel 17 te rechtvaardigen met een beroep op de bijzondere verhouding tussen België en Luxemburg in de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie. In dit verband is beslissend dat deze bijzondere verhouding bij de vaststelling van het Ambtenarenstatuut wel bekend was, echter niet in aanmerking werd genomen. Daaruit kan slechts worden geconcludeerd, dat ook voor Belgische en Luxemburgse ambtenaren of, algemener, voor ambtenaren met bijzondere betrekkingen tot deze landen, in afwijking van artikel 17, lid 1, slechts op de voet van de voor alle ambtenaren geldende leden 2 en 3 van dit artikel salarissen buiten het land van de standplaats kunnen worden overgemaakt.
Wij kunnen derhalve in de eerste plaats vaststellen dat de Commissie artikel 17, lid 1, van bijlage VII bij het Personeelsstatuut correct heeft uitgelegd en dat op grond van deze bepaling geen recht van verzoeker op overmaking van zijn bezoldiging naar Luxemburg bestaat.
b)
In aansluiting daarop moet dan worden nagegaan welke betekenis toekomt aan het feit dat de bezoldiging van verzoeker ondanks diens overplaatsing naar Brussel in 1968, in feite nog jarenlang naar Luxemburg werd overgemaakt. De vraag is dus of op grond hiervan mag worden gesproken van verworven rechten, die niet zo maar kunnen worden ingetrokken.
Daarbij kan overigens buiten beschouwing blijven of een dergelijke praktijk verdedigbaar scheen met het oog op de bijzondere omstandigheden waarin verzoeker zich na zijn overplaatsing en tot eind 1971 bevond (langdurig verblijf wegens ziekte in Luxemburg en handhaving van de woonplaats in Luxemburg). Dergelijke omstandigheden deden zich namelijk in de zomer van 1974 zeker niet meer voor. Op het feit dat hier eveneens een rol zou kunnen spelen, namelijk dat verzoeker in de zomer van 1974 van een Luxemburgse bank een krediettoezegging heeft gekregen, zal ik later nog terugkomen.
Voor de beslissende vraag, of een begunstigende handeling van de administratie — het overmaken van het salaris naar Luxemburg — die, zoals wij hebben gezien, op zichzelf in strijd was met net Statuut, na jarenlang toegepast te zijn in de zomer van 1974 voor de toekomst kon worden ingetrokken, beroept verzoeker zich, teneinde een verwijt aan het adres van de Commissie te rechtvaardigen, vooral op het arrest van 12 juli 1957 in de gevoegde zaken 7-56 en 3 t/m 7-57 (Mejuffrouw D. Algera en anderen tegen Gemeenschappelijke Vergadering van de EGKS, Jurispr. 1957, blz. 85). Hij leidt daaruit, evenals uit de rechtsorde van enige Lid-Staten — namelijk het Franse, Belgische en Duitse recht — het beginsel af, dat de administratie is gebonden aan een redelijke termijn. Bovendien gaat het er zijns inziens om of er sprake is van een zware inbreuk op het recht en of opheffing daarvan voor de toekomst noodzakelijk is ter voorkoming van grote schade voor de administratie. Daar van dit alles in casu geen sprake was, kon niet worden aangenomen dat het de Commissie vrij stond in de zomer van 1974 terug te komen op een ten gunste van verzoeker in 1968 genomen beslissing.
Ook op dit punt kan men verzoeker echter niet volgen.
Terecht werd ten processe erop gewezen dat de noodzaak om een redelijke ter mijn aan te houden in beginsel slechts geldt voor de herroeping met terugwerkende kracht van onrechtmatige begunstigende handelingen der administratie. Bovendien zou kunnen worden opgemerkt dat dit beginsel in de rechtspraak inzake de schrootverevening aanzienlijk werd gerelativeerd (arrest van 12 juli 1962 in de zaak 14-61, Koninklijke Nederlandsche Hoogovens en Staalfabrieken NV tegen Hoge Autoriteit van de EGKS, gesteund door Société des Aciéries du Temple, Jurispr. 1962, blz. 507). — In het onderhavige geval gaat het daarentegen slechts om een wijziging van de administratieve praktijk voor de toekomst. Voor een dergelijke situatie werd in het arrest van 1 juni 1961 in de zaak 15-60 (Gabriel Simon t. Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Jurispr. 1961, blz. 227) de juiste weg aangeduid. In dat geding werd de ten onrechte aan een ambtenaar verleende separatievergoeding voor de toekomst ingetrokken. Hierover werd in het arrest overwogen: „indien een administratieve instantie erkent dat een bepaalde uitkering is verleend op grond van de onjuiste interpretatie van een wettelijk voorschrift, heeft zij de bevoegdheid haar vroegere beslissing te wijzigen. De intrekking van een beschikking op de grond dat deze onwettig is, heeft — zelfs indien in sommige gevallen, vanwege verkregen rechten, nietigverklaring ex tunc is uitgesloten — steeds een werking ex nunc.” Men kan derhalve aannemen, dat ook na langere tijd nog de administratie een als onrechtmatig erkende toestand met werking voor de toekomst kan wijzigen.
In tegenstelling tot verzoeker acht ik het ook niet gerechtvaardigd in dit verband beschouwingen te wijden aan de ernst van de rechtskrenking. Rechtsschennis blijft rechtsschennis en zo gezien moet ook de veronachtzaming van een niet buitengewoon belangrijk voorschrift bij ontdekking van de begane vergissing een correctie voor de toekomst toelaten.
Tenslotte zou verzoeker ook niet zijn gediend met een belangenafweging waarover in zaak 14-61 wordt gesproken. Daarbij moet — wat de belangen van verzoeker betreft — vorral aan de reeds genoemde krediettoezegging van de Luxemburgse bank worden gedacht, waaraan de voorwaarde was gekoppeld dat de bezoldiging van verzoeker via deze bank zou worden uitbetaald. In dit verband is van belang dat verzoeker bij de indiening van zijn aanvrage in augustus 1974 de krediettoezegging niet heeft vermeld en daarmee de administratie niet in staat heeft gesteld, rekening te houden met zijn belangen. Bovendien heeft de Commissie aangetoond dat het verzoeker ook zonder directe overmaking van zijn bezoldiging naar Luxemburg mogelijk was geweest, het volgens hem gunstigere krediet in Luxemburg te verkrijgen. Ik verwijs daartoe naar twee door de Commissie geproduceerde brieven van 3 en 4 december 1975, waaruit blijkt dat de betrokken Luxemburgse bank met een aan een Belgische bank gegeven onherroepelijke opdracht tot automatische overschrijving van de bezoldiging van verzoeker naar Luxemburg tevreden zou zijn geweest, en dat een Belgische bank een dergelijke permanente opdracht zou hebben aanvaard.
Het staat derhalve vast dat handhaving van de salarisovermakingen naar Luxemburg ook niet met een beroep op verworven rechten kan worden geëist. De wijziging van de administratieve praktijk, in het najaar van 1974, die trouwens niet van vandaag op morgen, maar slechts met ingang van oktober 1974 plaatsvond, was dan ook volkomen gerechtvaardigd.
c)
Wat het eerste punt van geschil betreft, is dus duidelijk dat niet alleen de vorderingen tot nietigverklaring van het besluit van 27 augustus 1974 en tot vaststelling dat de Commissie verplicht is verzoekers inkomsten naar een Luxemburgse bank over te maken, ongegrond zijn. Omdat het gedrag van de Commissie niet onrechtmatig was is eveneens duidelijk — en wel zonder dat op andere voorwaarden voor de actie behoeft te worden ingegaan — dat ook verzoekers actie wegens aansprakelijkheid van de administratie niet gegrond is.
2.
Het tweede geschilpunt waarover ik thans kom te spreken betreft het feit dat de Commissie een voor verzoeker bestemde dagvaarding om ter terechtzitting in een burgerlijk proces te verschijnen te laat zou hebben doen toekomen. Volgens de laatste versie van verzoekers conclusies omtrent deze vraag, moet de Commissie althans worden veroordeeld tot betaling van één Belgische frank als vergoeding van de aan verzoeker toegebrachte morele schade.
In dit verband zij er bij voorbaat op gewezen dat het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Gemeenschappen een rechtstreekse dagvaarding van ambtenaren der Gemeenschappen voor burgerlijke processen met behulp van de bevoegde nationale organen niet uitsluit en de inschakeling van gemeenschapsinstellingen derhalve niet dwingend is voorgeschreven. Gezien de in feite bestaande moeilijkheden — de ambtenaren van de Gemeenschappen behoeven zich niet in het vreemdelingregister te laten inschrijven — is het echter blijkbaar tot mondelinge afspraken tussen de Commissie en het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken gekomen ten gevolge waarvan in het belang van een vergemakkelijking van het rechtsverkeer dagvaardingen tot de Commissie kunnen worden gericht die deze dan aan de betrokken ambtenaar doet toekomen.
In de onderhavige zaak gaat het erom hoever de verplichting van de Commissie op grond van deze afspraak, waarvan niet alle bijzonderheden zijn bekend geworden, gaat. De Commissie staat op het standpunt dat zij in beginsel slechts in de bureaus van het personeel voor doorzending moet zorgen; doorzending aan ambtenaren die geen dienst doen is hoogstens gebruikelijk wanneer hun verblijf bekend is. Verdergaande verplichtingen heeft de Commissie daarentegen niet; met name is zij niet gehouden een onderzoek in te stellen wanneer ambtenaren onregelmatig afwezig zijn. Dit is echter bij verzoeker in de betrokken periode het geval geweest. Hij is op advies van de invaliditeitscommissie op 8 september 1974 voor acht dagen ter observatie in een kliniek opgenomen. Daarna is hij niet op het werk verschenen en heeft hij ook in strijd met de bepalingen van artikel 59 van het Personeelsstatuut eerst op 8 oktober 1974 een medisch attest over het voortduren van zijn arbeidsongeschiktheid overgelegd.
Verzoeker bestrijdt de juistheid van laatstgenoemde beweringen over zijn afwezigheid niet Hij is echter van mening dat de Commissie ook in een dergelijk geval niet mag blijven stilzitten en de dagvaarding — hetgeen trouwens eerst op 10 oktober 1974 is geschied — naar het Ministerie van Buitenlandse Zaken terugzenden; het zou veeleer haar taak zijn in het belang van de handhaving der persoonlijke rechten van de betrokkenen bepaalde onderzoekingen te doen, dat wil zeggen telefonisch of schriftelijk contact met de betrokken ambtenaar op te nemen en een dagvaarding eventueel naar zijn privé adres door te zenden.
Bij de beoordeling van dit geschil — zoveel lijkt mij zeker — kan men er wel van uitgaan dat de plicht van de Commissie in dit verband niet zo ver gaat dan de verplichtingen van nationale ambtenaren die met de betekening zijn belast. Dit kan reeds daarom worden gezegd, omdat in elk geval ook een directe betekening aan de betrokkenen mogelijk is en wel op grond van inlichtingen die de Commissie of het Belgische Ministerie van Buitenlands Zaken zonder meer doorgeeft aan de nationale organen die de betekening verrichten. Afgezien daarvan ben ik echter ook van mening, dat de zorgvuldigheids- en bijstandsplicht van de Commissie, die zich zonder een wettelijke basis met de medewerking op een moeilijk gebied, met eventueel zeer korte termijnen, heeft ingelaten, moet worden uitgebreid. Dat betekent dat men van haar in gevallen waarin ambtenaren niet op hun werk verschijnen en hun verblijf onbekend is, weliswaar moeilijk tijdrovende en kostbare onderzoekingen kan verlangen; daarop zijn haar diensten niet ingericht en daarvoor behoeft zij bij het grote aantal ambtenaren ook geen voorzorgsmaatregelen te treffen. Anderzijds zal zij zich echter ook bij een ongemeld wegblijven van de dienst niet eenvoudig tevreden mogen stellen met deze vaststelling en met de verklaring dat terhandstelling op kantoor niet mogelijk is. Mijns inziens is het geenszins te veel gevraagd dat de Commissie in dergelijke gevallen althans probeert telefonisch contact met het privé-adres van de betrokken ambtenaar op te nemen, en dat van haar wordt verwacht, dat zijn in aansluiting daarop de dagvaarding naar het privé-adres zendt, zoals zij beweerdelijk steeds doet wanneer haar het verblijf van een ambtenaar bekend is. In het geval van verzoeker geldt dit te meer daar de Commissie kort tevoren, bij een andere poging om verzoeker te dagvaarden, het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken althans het vakantie-adres had medegedeeld en zij zelfs op 20 september 1974, dat wil zeggen op een tijdstip dat verzoeker eveneens zonder bericht afwezig was, een bode met de dagvaarding naar zijn woning had gestuurd.
Gaat men hiervan uit, dan kan men er in casu niet omheen, van een grof plichtsverzuim en daarmee van een dienstfout van de Commissie te spreken, daar immers de inspanningen van haar diensten in het geval van verzoeker zich tot telefoontjes naar zijn bureau hebben beperkt, terwijl verdere stappen die verwacht hadden mogen worden — verzoeker verbleef naar zijn beweringen op 26 september 1974 thuis — achterwege bleven en de dagvaarding niet eens op 8 oktober 1974, toen verzoeker zijn medisch attest overlegde, aan hem werd overhandigd.
Daarnaast kan ook niet worden ontkend — en daarmee kom ik op een ander noodzakelijk element van de actie wegens aansprakelijkheid van de administratie —, dat verzoeker belangrijk werd benadeeld. Ten processe hebben wij vernomen dat hij de van hem gevorderde achterstallige huurpenningen na het verstekvonnis heeft betaald, en dus de betwiste vordering heeft erkend. Bedacht dient echter te worden, dat hij bij tijdige ontvangst van de dagvaarding een termijn voor antwoord en daarmee voor overleg had kunnen verkrijgen. Dit zou hem in staat hebben gesteld een schikking te bereiken voordat vonnis werd gewezen en daarmee zouden de registratiekosten, die naar het schijnt uiteindelijk door verzoeker moeten worden gedragen, zijn vermeden. In werkelijheid kan dit zeker buiten beschouwing blijven, evenals de beantwoording van de vraag, of de Commissie voor de kosten van het tegen het verstekvonnis gedane verzet heeft op te komen, dat wil zeggen voor kosten waarover nog niet definitief is beslist, omdat verzoeker in beroep is gegaan van het op zijn verzet gewezen vonnis. In feite verlangt verzoeker immers slechts veroordeling tot betaling van één Belgische frank als vergoeding voor morele schade, het gaat hem met andere woorden vooral om de vaststelling van een dienstfout en daarnaast slechts om een als het ware symbolische veroordeling van de Commissie. Dit kan men hem na alles wat tijdens het geding over de behandeling van de aangelegenheid bekend is geworden, mijns inziens moeilijk ontzeggen.
Ten aanzien van het tweede geschilpunt kan derhalve worden geconcludeerd, dat de daarop betrekking hebbende vordering in haar laatste versie volkomen gegrond lijkt.
3. Mijn conclusie luidt mitsdien als volgt:
Naar mijn overtuiging is het beroep, voor zover betrekking hebbende op het feit dat de bezoldiging van verzoeker sedert het najaar van 1974 niet meer naar Luxemburg werd overgemaakt, ongegrond, Daarentegen moet de Commissie conform de eis tot betaling van één Belgische frank worden veroordeeld terzake van het feit dat zij bij de betekening van een voor verzoeker bestemde dagvaarding voor een terechtzitting van 10 oktober 1974 een dienstfout heeft begaan. Ten aanzien van de proceskosten acht ik het bij de door mij voorgestelde beslissing van het geding juist, de Commissie de helft van de door verzoeker gemaakte kosten te laten dragen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy