CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 24 JUNI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Volgens artikel 40 van het ambtenarenstatuut kan een ambtenaar op eigen verzoek in het genot worden gesteld van verlof om redenen van persoonlijke aard. Het artikel bepaalt verder dat de ambtenaar in zijn ambt kan worden vervangen. In de bij verordening van 18 december 1961 vastgestelde versie luidde lid 4, sub d:
„Na het verstrijken van het verlof om redenen van persoonlijke aard moet de ambtenaar bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomt…”
Bij verordening nr. 1473/72 van 30 juni 1972 werd hieraan toegevoegd:
„mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit.”
Verzoeker in deze procedure, die enige tijd als ambtenaar A 6 bij het Directoraat-generaal Financiële controle werkzaam was geweest, was bij verscheidene besluiten in het genot gesteld van verlof om redenen van persoonlijke aard gedurende het tijdvak van 1 juni 1969 tot en met 31 mei 1972. Gedurende dit verlof werd hij in zijn ambt vervangen. Kort voor het einde van zijn verlof deelde verzoeker het Direktoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer bij brief van 30 mei 1972 mede, dat hij per 1 juni 1972 weer ter beschikking van de Commissie stond. Een herplaatsing bleef aanvankelijk echter uit, hoewel in de periode na het verstrijken van verzoekers verlof zich een hele reeks vacatures in de rang A 6 voordeed en verzoeker naar zijn zeggen steeds weer door persoonlijke bezoeken of telefonisch contact opnam met diensten van de Commissie. Bij schrijven van het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer van 27 maart 1973 werd verzoeker alleen medegedeeld dat hij zo spoedig mogelijk van een vacature in kennis zou worden gesteld. Bovendien werd hem een sollicitatieformulier toegezonden, dat hij eind april 1973 zonder verder commentaar ingevuld terugzond.
Daar verzoeker ook in 1973 geen functies aangeboden kreeg, stelde hij pogingen in het werk om weer te worden aangenomen bij het Franse ministerie van Economische Zaken en Financiën, waar hij vroeger reeds als belastinginspecteur werkzaam was geweest en van waaruit hij bij de Europese Gemeenschappen was gedetacheerd. Hierin slaagde hij per 1 september 1973.
Toen er bij het Directoraat-generaal Financiële controle van de Commissie twee vacatures werden verwacht, één per 1 mei, de andere per 1 juli 1974, zou verzoeker eind april 1974 een onderhoud hebben gehad met de assistent van de Directeur-generaal Financiële controle, waarbij over bijzonderheden betreffende eerstgenoemde vacature zou zijn gesproken. Gevraagd of hij voor die post belangstelling had, schijnt verzoeker om bedenktijd te hebben verzocht, die hem ook werd toegestaan. Na afloop hiervan heeft verzoeker naar zijn zeggen — bewezen is dit niet — telefonisch meegedeeld dat hij belangstelling had voor de post en snel een officieel herplaatsingsbesluit wenste. Uit de stukken blijkt in dezen slechts dat de Commissie op 22 mei 1974 verzoeker een schriftelijk aanbod tot herplaatsing heeft gedaan. Dit schrijven, dat blijkbaar naar verzoekers oude adres in Brussel werd verzonden en derhalve met vertraging werd ontvangen, werd op 30 mei 1974 gevolgd door een telegram waarin verzoeker nogmaals een A 6-post werd aangeboden. Daarbij ging het klaarblijkelijk om de tweede van de eerdergenoemde vacatures. Bij brief van 10 juni 1974 verklaarde verzoeker dat hij bereid was deze functie te aanvaarden en dat dit waarschijnlijk per 1 augustus 1974 mogelijk zou zijn. Kort daarna, op 15 juni 1974, diende hij bij zijn Franse werkgever het verzoek in hem met ingang van 1 augustus 1974 in Brussel te detacheren. Op 7 juli 1974 vroeg hij nogmaals toestemming om per 1 augustus 1974 zijn post in Frankrijk te mogen verlaten. Voor het geval hem dit niet zou worden toegestaan, verzocht hij ontslag per deze datum. De Franse overheid antwoordde verzoeker daarop bij schrijven van 22 juli 1974, dat zijn verzoek niet kon worden ingewilligd, daar geen deta-cheringsaanvraag vanwege de Commissie was ingekomen; zijn verzoek tot ontslag zou echter in behandeling worden genomen.
Hoewel over zijn detachering in Brussel nog geen beslissing was genomen, gaf verzoeker op 31 juli 1974 zijn functie in Frankrijk op om per 15 augustus zijn werkzaamheden bij de Commissie in Brussel weer te kunnen opnemen. Op 10 september 1974 kwam er een besluit af van de Commissie betreffende verzoekers herplaatsing bij de Gemeenschappen. De herplaatsing ging in per 15 augustus 1974; de anciënniteit in de rang A 6 was berekend vanaf 15 september 1973 en de anciënniteit in salaristrap 1 van die rang vanaf 1 mei 1973. Op 22 november 1974 richtte verzoeker zich tot het Directoraat-generaal Personeelszaken en Algemeen beheer met het verzoek om de Franse overheid een aanvraag tot detachering voor te leggen. Bij schrijven van het directoraat-generaal van 12 december 1974 werd verzoeker echter erop gewezen dat hijzelf bij de Franse overheid een de-tacheringsbesluit moest aanvragen. Wegens onregelmatige beëindiging van zijn dienstverband in Frankrijk werd verzoeker op 7 januari 1975 bij ministerieel besluit ontslagen en werd hem de betaling van een schadeloosstelling opgelegd.
Al enige weken daarvoor, op 3 december 1974, had verzoeker een klacht ingediend bij de Commissie, waarin hij erop wees dat gedurende de periode na het verstrijken van zijn verlof een groot aantal vacatures bij de Commissie was vervuld en dat hij voor de meeste ervan de vereiste geschiktheid had bezeten. De Commissie zou dus artikel 40 van het ambtenarenstatuut hebben geschonden en verzoeker schade hebben berokkend. Derhalve verzocht hij de Commissie om wijziging van het herplaatsingsbesluit voor wat betreft de datum van inwerkingtreding en de vaststelling van de anciënniteit. Bovendien diende verzoeker in een andere salaristrap van de rang A 6 te worden ingedeeld en de Commissie moest erkennen dat hij voor de periode van 1 juli 1972 tot 15 augustus 1974 pensioenrechten had verworven, en alsnog overgaan tot uitbetaling van salaris over die periode, vermeerderd met rente.
Daar verzoeker hierop geen antwoord ontving, is hij op 7 juli 1975 in beroep gekomen bij het Hof van Justitie.
In de procedure gaat het volgens verzoekers conclusies, waarvan ik de details nu zal weglaten, om de volgende punten:
—
enerzijds wijziging van het herplaatsingsbesluit voor wat betreft de ingangsdatum zowel als voor de anciënniteit in rang en salaristrap;
—
anderzijds schadevergoeding voor gemiste bevorderingskansen, niet genoten salaris, voor het verschil tussen de inkomsten van verzoeker in Frankrijk en het salaris bij de Gemeenschap, alsmede voor de onkosten die verzoeker moest maken wegens zijn werkzaamheden bij de Franse overheid en de daardoor veroorzaakte scheiding van zijn gezin.
I — De ontvankelijkheid van het beroep
De Commissie heeft verschillende excepties van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, die ik allereerst moet behandelen.
1.
Met betrekking tot de eis tot wijziging van verzoekers herplaatsingsbesluit betoogt de Commissie dat indien verzoekers bezwaren gerechtvaardigd zouden blijken, dit hoogstens kan leiden tot gedeeltelijke nietigverklaring van het besluit en tot terugverwijzing naar de Commissie, doch dat het Hof niet bevoegd is — in de plaats van het bestuurlijk gezag tredend — zelf de loopbaan van verzoeker opnieuw vast te stellen. Bovendien kon het aangevochten besluit volgens het Statuut al in het geheel niet de door verzoeker gewenste terugwerkende kracht hebben. Het is namelijk genomen naar aanleiding van een vacature die pas op 1 juli 1974 is ontstaan, terwijl bovendien verzoeker de ermee verbonden werkzaamheden eerst op 15 augustus 1974 heeft aangevangen.
Hierop moet worden geantwoord dat, zou verzoeker in het gelijk worden gesteld, er geen principiële bedenkingen zijn tegen rechtstreekse beslissingen van het Hof over de ingangsdatum van de herplaatsing en over de vaststelling van verzoekers anciënniteit. Van een ontoelaatbare inbreuk op de bevoegdheid van de administratie kan immers niet worden gesproken wanneer bepaalde, door het Hof vastgestelde rechtsgevolgen rechtstreeks uit de wet of uit duidelijke rechtsbeginselen voortvloeien, dat wil zeggen indien de administratie in zoverre geen discre-tionaire bevoegdheid heeft. Zo nu zou het in het onderhavige geval (ik kom hierop nog terug) kunnen liggen, gezien de verplichting van het tot aanstelling bevoegde gezag tot herplaatsing van een ambtenaar na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard. Wat verzoekers eerste vordering betreft, is 's Hofs bevoegdheid mijns inziens dus geenszins beperkt tot de mogelijkheid van gedeeltelijke vernietiging van het betrokken besluit en terugwijzing naar de Commissie.
De andere excepties zoeken de gegrondheid van de vordering in twijfel te trekken. De Commissie beroept zich ten deze op artikel 4 van het ambtenarensta tuut, volgens hetwelk een aanstelling uitsluitend mogelijk is ter voorziening in een vacature, en op artikel 3, dat aanstelling op een vroegere datum dan die van indiensttreding verbiedt.
Dit argument is juist voor zover het de vervulling van de vacature van najaar 1974 betreft. Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren hetgeen verzoeker stelt, namelijk dat de in het begin genoemde en in artikel 40, lid 4, sub d, vervatte verplichting van het tot aanstelling bevoegde gezag opzettelijk niet is nagekomen, waardoor de Commissie tot schadevergoeding en wel voor zover mogelijk tot ongedaanmaking van het verzuim verplicht zou zijn. Daar het verzoeker dus in werkelijkheid om schadevergoeding gaat, valt aan de gegrondheid van de vordering niet te twijfelen.
2.
Tegen de vordering van verzoeker, dat de Commissie hem middels schadevergoeding dient te brengen in de situatie waarin hij zou hebben verkeerd als de schending van artikel 40 van het statuut niet had plaatsgevonden, brengt de Commissie voorts in dat verzoeker een doel nastreeft dat hij voorheen als had kunnen bereiken als hij van de mogelijkheden van het statuut — klacht en beroep — te rechter tijd gebruik had gemaakt. Daar hij echter heeft nagelaten op te komen tegen hem bezwarende handelingen van de administratie en daardoor zijn recht op beroep heeft verwerkt, kan hem niet worden toegestaan een gelijkwaardig resultaat na te streven door middel van een verzoek om schadevergoeding. Hierbij verwijst de Commissie naar de rechtspraak in de zaken 59-65 (Heinrich Schreckenberg, arrest van 15. 12. 1966, Jurispr. 1966, blz. 780), 4-67 (Anne Müller-Collignon, arrest van 12. 12. 1967, Jurispr. 1967, blz. 456), 53-70 (Willem Vinck, arrest van 24. 6. 1971, Jurispr. 1971, blz. 601) en 9-75 (Martin Meyer-Burckhardt, arrest van 22. 10. 1975, Jurispr. 1975, blz. 1171). De Commissie beschouwt verzoekers brief van 30 mei 1972 als een verzoek overeenkomstig artikel 90 van het statuut en wijst op de aanstellingsbesluiten, genomen in de periode na verzoekers verlof, voor vacatures waarvoor ook verzoeker in aanmerking zou zijn gekomen.
Bij de beoordeling van deze exceptie komt het vóór alles erop aan, of verzoeker inderdaad reeds in 1972 en 1973 beroep had kunnen instellen wegens schending van artikel 40 van het statuut, en de hem daardoor veroorzaakte schade.
Deze vraag kan mijns inziens bezwaarlijk bevestigend worden beantwoord voor zover de Commissie zich daarbij beroept op verzoekers brief van 30 mei 1972 en stelt dat niet-beantwoording hiervan binnen een periode van vier maanden een stilzwijgende afwijzing betekende, waartegen kon worden opgekomen met een klacht en vervolgens, bij stilzwijgende afwijzing van de klacht, met een beroep in rechte. Mijns inziens is het uitgangspunt van de Commissie onjuist: men kan in genoemde brief niet werkelijk een verzoek lezen in de zin van artikel 90 van het ambtenarenstatuut, zeker niet indien men de inhoud, alsmede verzoekers objectieve rechtspositie en ook zijn belangen in aanmerking neemt. Waar het op aankomt, is dat de brief uitsluitend de mededeling bevat dat verzoeker vanaf 1 juni 1972 weer ter beschikking van de Commissie staat. Verder is van belang dat artikel 40 niet voorschrijft dat er een verzoek wordt ingediend. Ten slotte dient men in te zien dat verzoeker er op dat moment, vlak voor het einde van zijn verlof en onbekend met mogelijke bestaande vacatures, nauwelijks belang bij kon hebben te verlangen dat het tot aanstelling bevoegde gezag een herplaatsingsbesluit zou nemen binnen de termijn die destijds krachtens het ambtenarenstatuut gold voor antwoord op een formeel verzoek.
Wat evenwel de besluiten van de Commissie betreft, die na het verstrijken van verzoekers verlof zijn genomen ter voorziening in vacatures waarvoor hij ook in aanmerking kwam, moet worden erkend dat het besluiten waren waardoor verzoe ker zich bezwaard kon achten. Voor zover daterend van na 1 juli 1972, dus na het in werking treden van het gewijzigde statuut, had daartegen een klacht kunnen worden ingediend, en wel met inachtneming van een termijn die bij maatregelen van algemene aard vanaf de datum van bekendmaking, en bij maatregelen van individuele aard vanaf de datum van kennisneming door de bezwaarde of uiterlijk vanaf de datum van bekendmaking loopt. In zoverre schijnt dus de conclusie voor de hand te liggen dat verzoeker, nu hij de rechtsmiddelen van het statuut onbenut heeft gelaten, juist deze maatregelen niet achteraf in geding kan brengen via een actie uit onrechtmatige overheidsdaad.
Na rijp beraad ben ik echter tot het inzicht gekomen dat deze conclusie niet kan worden getrokken.
In de eerste plaats is van belang dat de hiervóór aangehaalde rechtspraak uitgaat van medeschuld van de verzoekers, namelijk een verwijtbaar verzuim om van een rechtsmiddel gebruik te maken. In zijn artikel „Grundfragen der Gemein-schaftshaftung” (Europarecht 1968, blz. 369) wijst Fuss daar terecht op. Verder is van belang, dat genoemde arresten betrekking hebben op besluiten die ofwel tot de verzoekers zelf waren gericht ofwel waarvan vaststond dat de verzoekers ervan op de hoogte waren. Daar was dus duidelijk sprake van een medeschuld en de harde consequentie — niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens verwerking van het beroepsrecht — was derhalve op haar plaats.
De onderhavige zaak ligt anders. Verzoeker heeft verklaard — en dit is niet weerlegd — dat hij van de aanstellingsbesluiten waarbij hij belang had, nooit kennis heeft gekregen. Eerst een onderzoek dat hij na zijn herplaatsing had ingesteld, had hem geleerd dat de Commissie in 1972 artikel 40 van het statuut tot zijn nadeel had geschonden. Dit lijkt aannemelijk, aangezien het maandelijkse mededelingenblad waarin dergelijke besluiten worden gepubliceerd, in beginsel alleen wordt uitgereikt aan personeel dat normaal in dienst is, en niet aan ambtenaren met verlof om redenen van persoonlijke aard, zoals verzoeker. In deze situatie zou men alleen tot niet-ontvankelijkheid van het beroep kunnen besluiten, indien men de objectieve mogelijkheid tot kennisneming van genomen besluiten wil gelijkstellen met de daadwerkelijke bekendheid ermee. Deze consequentie acht ik echter onaanvaardbaar. Voor een zo strikte opstelling zie ik niet alleen in onze rechtspraak geen aanknopingspunten, doch ook is niet aangetoond dat zij op grond van rechtsbeginselen die aan de Lid-Staten gemeen zijn, als gerechtvaardigd ware te beschouwen.
Ook de tweede exceptie van niet-ontvankelijkheid is mitsdien ongegrond.
3.
De Commissie acht ten slotte ook niet-ontvankelijk de schadevorderingen in verband met verzoekers ontslag uit Franse overheidsdienst, evenals die in verband met het bescheiden leven van zijn gezin' gedurende zijn werkzaamheden in Frankrijk, op grond dat verzoeker deze vorderingen niet in zijn administratieve klacht heeft vermeld.
Ten aanzien van de financiële gevolgen van verzoekers ontslag uit Franse overheidsdienst is naar mijn mening doorslaggevend, dat de desbetreffende conclusie geen schadevordering is. Op het beroep van verzoeker tegen zijn ontslag is nog geen beslissing gevallen, zodat van een vaststaande schade nog niet kan worden gesproken; daarom staat in het beroep niet meer dan een vaag geformuleerd voorbehoud. Dit behoeft dan ook niet te worden behandeld. Ik herinner hierbij aan een op overeenkomstige wijze geformuleerde vordering in zaak 188-73 (Daniele Grassi, arrest van 30. 10. 1974, Jurispr. 1974, blz. 110). Destijds heeft het Hof overwogen
„dat de betekenis van het sub 4 gevorderde op zijn minst onduidelijk is en dat niet is aangetoond dat het ter zake die nend is voor de beslechting van het geschil; dat dit onderdeel van de vordering bijgevolg niet-ontvankelijk moet worden geacht.”
Hetzelfde kan in casu worden vastgesteld, zodat onbeslist kan blijven of ook het niet noemen van dit punt in verzoekers klacht tot niet-ontvankelijkheid leidt.
Wat de andere schadevordering betreft en de omstandigheid dat zij in de klacht niet is genoemd, dient te worden toegegeven dat in de nieuwe versie van het statuut, die toen reeds van kracht was, de voorafgaande administratieve 'procedure algemeen, dus ook voor schadevorderingen verplicht is gesteld. Daarvan gaat ook uit het arrest van 22 oktober 1975 (zaak 9-75, Martin Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1182), waarin uitdrukkelijk wordt overwogen dat tussen beroepen tot nietigverklaring en schadevergoedingsacties van ambtenaren geen verschil bestaat ter zake van zowel de administratieve als de gerechtelijke procedure.
Evenals verzoeker acht ik het echter juist om geen overdreven formalistische toepassing van dit beginsel te verlangen. Het zou voldoende moeten zijn dat verzoeker in zijn klacht heeft gesteld dat de Commissie artikel 40 van het statuut heeft geschonden en dat daardoor voor hem in verschillend opzicht schade is ontstaan. Deze opvatting lijkt mij te meer de aangewezene te zijn, omdat een zakelijk verband tussen de verschillende door verzoeker aangevoerde schadeposten zeker niet kan worden ontkend, en omdat zowel in de administratieve als in de gerechtelijke procedure is gebleken dat de, Commissie een verplichting tot schadevergoeding principieel afwijst, zodat een altijd nog mogelijke nieuwe klacht bij de Commissie duidelijk geen zin zou hebben.
Met uitzondering van het onderdeel betreffende de financiële gevolgen van verzoekers ontslag uit Franse overheidsdienst, zijn dus de vorderingen ontvankelijk.
II — Het beroep ten gronde
1.
De eerste vraag, die overeenkomstig de motivering van het beroep in dit verband rijst, namelijk of de Commissie met haar handelwijze tegenover verzoeker na het verstrijken van diens verlof het Statuut heeft geschonden, geeft duidelijk geen moeilijkheden.
Artikel 40 van het statuut legt het tot aanstelling bevoegde gezag de duidelijke verplichting op — los van enig verzoek door betrokkene — een ambtenaar na het verstrijken van zijn verlof bij de eerste vacature te herplaatsen in een tot zijn categorie of groep behorend ambt. Met de vraag of voor verzoeker nog het oude statuut gold, waarin nog niet de eis van geschiktheid voor het ambt werd gesteld, dan wel of en sedert wanneer met deze geschiktheid rekening ware te houden, behoeven wij ons niet bezig te houden. Voor het onderhavige geval is het zonder betekenis, daar de Commissie tijdens de mondelinge behandeling zonder meer heeft toegegeven dat het inderdaad mogelijk was geweest verzoeker meteen na het verstrijken van zijn verlof, dus eigenlijk al per 1 juni 1972, te herplaatsen.
Het staat dus vast dat de Commissie, tegen haar statutaire verplichtingen in, er geen zorg voor heeft gedragen dat verzoeker op de in het beroep genoemde datum, 1 juli 1972, weer bij haar in dienst kon treden. Deze handelwijze was onrechtmatig.
2.
Ook de beantwoording van de vraag of de Commissie schuld verweten kan worden, of zij een dienstfout heeft gemaakt, geeft weinig problemen.
Het is niet overdreven van een ordelijk geleide administratie te verwachten dat zij een goed overzicht behoudt over de gevallen van verlof om redenen van persoonlijke aard. Er worden geen te hoge eisen gesteld, wanneer men verwacht dat steeds bij het einde van een verlof het ingevolge artikel 40 vereiste onderzoek wordt ingesteld en met betrekking tot bestaande en toekomstige vacatures wordt nagegaan of toepassing van artikel 40 mogelijk is. Indien de hiertoe noodzakelijke maatregelen, in het bijzonder door samenwerking van de verschillende bevoegde afdelingen, niet worden getroffen en de verplichting tot herplaatsing deswege niet wordt nagekomen, kan stellig worden gesproken van een ernstige schending door de Commissie van de op haar rustende zorgvuldigheidsplicht.
3.
Bij de vraag, in welke omvang de Commissie dient op te komen voor de schade die verzoeker door de vertraagde herplaatsing heeft geleden, is evenwel ook van belang of ook verzoeker een verwijt valt te maken en in hoeverre daarmee rekening moet worden gehouden.
In beginsel ben ik van mening dat bij vorderingen op grond van artikel 40 medeschuld in aanmerking moet worden genomen, hoewel zoals gezegd, in dit voorschrift niet is vastgelegd dat de betrokken ambtenaar ook zijnerzijds actie moet nemen. Doorslaggevend is — de Commissie heeft terecht daarop gewezen — dat het hier gaat om een vordering wegens onrechtmatige overheidsdaad. Maar ook daarvoor geldt het algemene beginsel dat in het bijzonder bij voortdurende schade de benadeelde gehouden is al het redelijk mogelijke te doen om de schade zo gering mogelijk te houden.
Verzoeker heeft bij brief van 30 mei 1972 de Commissie medegedeeld dat hij vanaf 1 juni 1972 weer beschikbaar was. Verder heeft hij in april 1973 een hem toegezonden sollicitatieformulier ingevuld en zonder commentaar aan de Commissie teruggestuurd. Verzoeker stelt weliswaar dat hij ook anderzins contact heeft gehad met diensten van de Commissie, maar dit wordt door de Commissie ontkend; verder kan verzoeker niet meer precies aangeven wanneer die contacten hebben plaatsgevonden en wat er toen is besproken, en in ieder geval ontbreekt daarvoor elk bewijs. Zij moeten derhalve buiten beschouwing blijven en wij kunnen dan slechts vaststellen dat verzoekers initiatieven om bij de Commissie te worden herplaatst, van zeer bescheiden aard zijn geweest.
Tevens kan worden gezegd dat verzoeker beslist intensiever voor zijn belangen had kunnen opkomen, aangezien hij tot het najaar van 1973 in Brussel woonde en ook zijn echtgenote bij de Commissie werkzaam is. Op zijn minst had hij na verloop van enige tijd een actief onderzoek naar vacatures kunnen instellen — bij voorbeeld door de mededelingen op de aanplakborden in het gebouw van de Commissie te lezen of door te verzoeken om toezending van de Personeelskoerier — en hij had de Commissie meer doeltreffend aan haar verplichtingen kunnen herinneren, bij voorbeeld door middel van een klacht of eventueel ook door een gerechtelijke procedure. Aanleiding daartoe bestond voor hem zeker in de tijd dat hij zich — blijkbaar berustend — opmaakte om zijn terugkeer in Franse overheidsdienst voor te bereiden. Was hij toen op de beschreven wijze te werk gegaan, dan zou zijn positie naar mijn overtuiging nog in de zomer van 1973 zijn geregeld.
Ik aarzel derhalve niet om verzoeker medeschuldig te noemen ten aanzien van de omvang der schade. Dit dient bij de vaststelling van de schadevergoeding mee te tellen en wel in principe zo, dat verzoeker de gevolgen van de schending van artikel 40 van het statuut, voor zover ze na 1 september 1973 optraden, alleen moet dragen.
Voor de verschillende door verzoeker gestelde schadeposten komt men dan tot het volgende:
—
Daar zeker is dat verzoeker per 1 juli 1972 weer in dienst had kunnen treden bij de Commissie, moet deze datum voor de berekening van de anciënniteit bepalend zijn en dienen hiernaar de pensioenrechten te worden berekend. Uitgaande van de anciënniteit van verzoeker in salaristrap 1 van de rang A 6 bij het begin van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard, moet dus zijn huidige anciënniteit worden bepaald. De Commissie, waaraan de details kunnen worden overgelaten, moet daarbij ook rekening houden met de in artikel 44 van het statuut geregelde overgang naar volgende salaristrappen en verzoekers salaris dienovereenkomstig vaststellen.
—
Wat de gemiste bevorderingskansen en de daarmee samenhangende schade betreft, is ten eerste van belang dat verzoeker aan het begin van zijn verlof een anciënniteit van elf maanden in de rang A 6 had en bij herplaatsing op 1 juli 1972 de krachtens artikel 45 van het statuut vereiste minimumdiensttijd van twee jaar op 1 augustus 1973 zou hebben bereikt. Na het besluit van 10 september 1974, dat de herplaatsing op 15 augustus 1974 deed ingaan, moest de administratie er echter van uitgaan dat verzoeker eerst per 15 september 1975 voor bevordering in aanmerking kwam. Verzoeker heeft dus voor een periode van iets meer dan twee jaar bevorderingsmogelijkheden gemist.
—
De waardering van deze kansen is echter buitengewoon problematisch. Bij bevorderingen spelen allerlei omstandigheden een rol, zoals de mogelijkheden tot overplaatsing binnen een orgaan en binnen de Gemeenschap alsmede de bekwaamheden van andere kandidaten. Ook statistische gegevens zoals de Commissie heeft verstrekt, helpen verzoeker nauwelijks verder. Daarmee komt men voor de jaren 1969 tot 1974 bij een vergelijking tussen het aantal voor bevordering in aanmerking komende kandidaten en de werkelijke bevorderingskansen tot een kans van 1.9. Indien met dit voor ogen houdt en verder bedenkt dat voor verzoeker geen bevordering binnen zijn loopbaan — waarvoor de mogelijkheden waarschijnlijk groter zijn — in aanmerking kwam, en indien men er bovendien rekening mee houdt dat een bevordering tot de rang A 5 doorgaans pas bij een anciënniteit van vijf jaar plaatsvindt, dan kan men moeilijk besluiten verzoeker voor gemiste bevorderingskansen een schadeloosstelling toe te kennen.
Wat de vordering tot betaling van achterstallig salaris betreft, kan men enerzijds stellen dat de — overigens bij de mondelinge behandeling niet meer volgehouden — tegenwerping van de Commissie, dat verzoeker in feite geen arbeidsprestatie heeft geleverd, niet ter zake mag doen. Dit is irrelevant, zeker voor de periode onmiddellijk na verzoekers verlof, daar toen niet-leveren van een arbeidsprestatie alleen te wijten was aan de handelwijze van de Commissie.
Anderzijds dient echter bij de vaststelling van de periode waarover achterstallig sa-, laris moet worden betaald, de medeschuld van verzoeker in aanmerking te worden genomen. Gelet op hetgeen ik hieromtrent heb uiteengezet, lijkt het inderdaad billijk om verzoeker slechts voor de periode van 1 juli 1972 tot 31 augustus 1973 recht op achterstallig salaris toe te kennen. Dit, en niet meer, zou het Hof moeten vaststellen. De details van de berekening, op grond van de destijds geldende salaristabellen, kunnen aan de Commissie worden overgelaten.
—
Met betrekking tot de vordering tot uitbetaling van het verschil tussen de inkomsten genoten in Franse overheidsdienst, en het Gemeenschapssalaris dat hij bij tijdige herplaatsing zou hebben ontvangen, alsmede betreffende de vordering tot vergoeding der onkosten die hij vanaf 1 september 1973 door het ge scheiden zijn van zijn gezin en zijn verblijf in Parijs heeft moeten maken, is met het hiervoor betoogde al het noodzakelijke reeds gezegd. Ervan uitgaande dat verzoeker, had hij zich tijdig de nodige moeite getroost, op 1 september 1973 weer in dienst van de Gemeenschap zou zijn geweest, en dat zijn nalatigheid op dat punt als medeschuld moet worden gekwalificeerd, kan men slechts concluderen dat verzoeker zelf voor deze schade aansprakelijk is. Een vordering tot vergoeding ervan acht ik derhalve niet gerechtvaardigd.
—
Ook verzoekers aanspraak op rentevergoeding kan in weinig woorden worden afgedaan.
Daarbij kan de vraag of en op welke voorwaarden in het Gemeenschapsrecht moratoire dan wel processuele interessen verschuldigd zijn, openblijven. In casu kunnen wij namelijk volstaan met vast te stellen dat verzoeker rechten heeft uit hoofde van een dienstfout van de Commissie. Dit betekent dat verzoeker in dezelfde situatie moet worden gebracht als waarin hij was geweest indien de nu verschuldigde achterstallige bedragen hem naar behoren, dat wil zeggen te rechter tijd, waren uitbetaald. Daarbij hoort ook de betaling van rente vanaf de respectieve vervaldata. Aangezien de door verzoeker genoemde rentepercentages billijk lijken en door de Commissie niet zijn betwist, zie ik geen bezwaar ze in de uitspraak over te nemen, dat wil dus zeggen een rente van 61/2 % tot 31 oktober 1974 en van 8 % vanaf 1 november 1974.
III — Samenvattend stel ik voor dat op het voorliggende beroep als volgt wordt beslist:
1.
De Commissie wordt veroordeeld om, in afwijking van het besluit van 10 september 1974, verzoekers anciënniteit in de rang A6 opnieuw vast te stellen en wel alsof hij op 1 juli 1972 ware herplaatst. De aan verzoeker vanaf 15 augustus 1974 toekomende bedragen moeten dienovereenkomstig worden berekend.
2.
De Commissie wordt veroordeeld om verzoeker over de periode van 1 juli 1972 tot 31 augustus 1973 alsnog de bedragen uit te betalen waarop hij recht zou hebben gehad wanneer zijn herplaatsing per 1 juli 1972 had plaatsgevonden. Deze bedragen zijn vanaf hun respectieve vervaldata te vermeerderen met een rente van 6 1 / 2 % tot 31 oktober 1974 en van 8 % vanaf 1 november 1974.
3.
Voor het overige wordt het beroep verworpen,
4.
De Commissie draagt de helft van de door verzoeker gemaakte kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy