CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 14 JANUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Ingevolge artikel 4, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 (PB 204/62 van 21. 2. 1962) moeten overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, bedoeld in artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, die tot stand zijn gekomen na de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor de betrokkenen een beroep willen doen op artikel 85, lid 3, worden aangemeld bij de Commissie; zolang dit niet is gebeurd, kan de beschikking, bedoeld in artikel 85, lid 3, niet worden gegeven. Volgens artikel 4, lid 2, van verordening nr. 17 geldt genoemd lid 1 niet voor, onder meer, overeenkomsten waaraan slechts ondernemingen uit één Lid-Staat deelnemen en die geen betrekking hebben op de invoer of de uitvoer tussen Lid-Staten.
In de onderhavige zaak welke door het Cour d'Appel te Parijs aanhangig werd gemaakt, gaat het vooral om deze laatste bepaling.
Verzoekster in het hoofdgeding, de Fonderies Roubaix Wattrelos, heeft in juni 1963 een overeenkomst met de Duitse firma Gontermann-Peipers gesloten, waarbij zij het alleenverkooprecht voor de door laatstgenoemde volgens eigen procédé vervaardigde gietstukken van het merk Gopag in de noordelijke helft van Frankrijk verkreeg. Verzoekster mocht daarnaast geen concurrentieprodukten verhandelen. Begin 1964 zou het contractgebied bij mondelinge afspraak zijn uitgebreid tot geheel Frankrijk. Nadat de overeenkomst op 18 maart 1966 schriftelijk opnieuw was geformuleerd en ondertekend, werd zij op 8 september 1966 bij de Commissie aangemeld met verzoek om ontheffing krachtens artikel 85, lid 3.
Verzoekster sloot harerzijds op 6 oktober 1964 een overeenkomst met de Fonderies A. Roux te Lyon, waarbij deze het alleenwederverkooprecht voor de Gopaggietstukken in 24 departementen in Frankrijk kreeg. In dit gebied kon verzoekster zelf uitsluitend met de Fonderies A. Roux rechtstreekse transacties tegen speciale prijzen verrichten. Ook deze firma verplichtte zich geen soortgelijke produkten te vervaardigen en niet voor concurrenten van Gontermann-Peipers te werken. Voorts was uitdrukkelijk bepaald dat de geldigheid van deze overeenkomst was gekoppeld aan het voortbestaan van de overeenkomst tussen verzoekster en Gontermann-Peipers.
Bij de uitvoering van de overeenkomst met Fonderies A. Roux — lokaal waren er soortgelijke overeenkomsten gesloten met een aantal andere Franse ondernemingen — schijnen tussen de partijen moeilijkheden te zijn gerezen. De Fonderies A. Roux zou zich, niet aan het concurrentiebeding hebben gehouden en gietstukken uit Zwitserland hebben betrokken voor wederverkoop in het contractgebied. Toen verzoekster dit vernam, achtte zij zich gerechtigd het contractgebied in te krimpen. Dit was voor Fonderies A. Roux weer aanleiding de overeenkomst begin 1973 op te zeggen.
Verzoekster sprak daarop de Fonderies A. Roux en haar dochteronderneming Société des Fonderies JOT bij het Tribunal de commerce te Parijs aan voor schadevergoeding, welke haar echter niet werd toegewezen op grond dat de alleenverkoopovereenkomst tussen partijen nietig was wegens nietigheid van de onderliggende overeenkomst met Gontermann-Peipers ingevolge artikel 85, lid 1, EEGVerdrag: de Commissie had voor deze niet-aangemelde overeenkomst immers geen ontheffing verleend.
Van dit vonnis kwam verzoekster in beroep bij het Cour d'Appel te Parijs. Dit college achtte bij zijn arrest van 5 juli 1975 de overeenkomst tussen verzoekster en Gontermann-Peipers vanaf de aanmelding bij de Commissie voorlopig geldig. De geldigheid van de overeenkomst tussen verzoekster en de Fonderies A. Roux hangt, aldus het arrest, af van de vraag of de overeenkomst van aanmelding is vrijgesteld ingevolge artikel 4, lid 2, sub 1, van verordening nr. 17. Het Cour d'Appel besloot bij het arrest van 5 juli 1975 het geding te schorsen en het Hof overeenkomstig artikel 177 EEG-Verdrag de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Moet een tussen twee ondernemingen uit één Lid-Staat gesloten overeenkomst om een door een der partijen uit een andere Lid-Staat geïmporteerd produkt met zo min mogelijk kosten, door het gebruik van de opslagfaciliteiten en het verkoopnet van de andere partij, te verkopen, al dan niet worden geacht „betrekking te hebben” op de invoer en uit dien hoofde aanmeldingsplichtig te zijn ingevolge artikel 4, lid 1, van genoemde verordening?”
Hiertoe wil ik mijn mening als volgt bepalen:
1.
Om te beginnen is het verwijzende college mijns inziens terecht uitgegaan van de mededingingsregels in het EEG-Verdrag en niet van die in het EGKS-Verdrag. Bepalend ten deze is de aard van de contractprodukten. Onder het EGKS-Verdrag vallen uitsluitend de aldaar in bijlage I vermelde produkten. Deze omvatten weliswaar gietstukken, doch alleen wanneer die voor hergebruik in gieterijen zijn bestemd en niet in andere zin verder worden verwerkt. Daar dit laatste bij de onderhavige gietstukken naar het schijnt onweersproken het geval is, kunnen wij aannemen dat de desbetreffende overeenkomsten een aangelegenheid van EEG-recht zijn.
2.
Wat nu de gevraagde uitlegging van artikel 4, lid 2, sub 1, van verordening nr. 17 betreft, is het in het systeem van het EEG-mededingingsrecht — artikel 85 Verdrag en verordening nr. 17 — zonder meer duidelijk dat de woorden „betrekking hebben op de invoer of de uitvoer” niet hetzelfde betekenen als „de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden”. Anders zou die bepaling geen zin hebben. Het systeem van het EEG-mededingingsrecht gaat ervan uit dat er overeenkomsten zijn, die niet op invoer of uitvoer betrekking hebben, maar niettemin de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden. Het Hof heeft hierop reeds gewezen in arrest 43-69 van 18 maart 1970, Bilger t. Jehle (Jurispr. 1970, blz. 127).
Hoe echter de uitdrukking „betrekking hebben op de invoer of de uitvoer” precies moet worden afgebakend, is nog niet uitgemaakt. In de theorie en de praktijk worden hiervoor vele formules van zeer uiteenlopend gehalte gebruikt. Volgens sommige schrijvers moeten de bedoelde afspraken uitdrukkelijk de in- of uitvoer regelen of betreffen (Gleiss-Hirsch: EWG-Kartellrecht, 2. Auflage, Anmerkung zu Artikel 4, Absatz 2, Ziffer 1, der Verordnung Nr. 17; Schumacher: Wirtschaft und Wettbewerb 1962, blz. 480; Dörinkel: Wirtschaft und Wettbewerb 1966, blz. 560). Volgens anderen moet er sprake zijn van een welbewuste en bedoelde beïnvloeding van de in- of uitvoer, of moet de afspraak zijn gericht op de in- of uitvoer (Deringer: Das Wettbewerbsrecht der Europäischen Wirtschaftsgemeinschaft, Anmerkung zum Artikel 4, Absatz 2, Ziffer 1 der Verordnung Nr. 17; Kaul: Außenwirtschaftsdienst des Betriebsberaters 1962, blz. 156). Meestal wordt geëist — als algemeen erkend minimum — dat het niet gaat om een indirect effect, maar om een rechtstreeks inwerken op de handel, een rechtstreekse beïnvloeding (uitspraak Oberlandesgericht Karlsruhe van 23 april 1968, Wirtschaft und Wettbewerb 1969, blz. 263).
Zelf ben ik in beginsel van mening dat artikel 4, lid 2, als uitzonderingsbepaling niet te ruim mag worden uitgelegd. Trouwens, ik vraag mij af of het .eigenlijk wel zo nodig en ook mogelijk is de zin van de algemene bewoordingen van artikel 4, lid 2, in een globale formule te vatten. Het is wellicht nuttiger aan de hand van concrete praktijkgevallen geleidelijk tot een nauwkeurige omschrijving te komen. In ieder geval lijkt het mij bij een feitensituatie als de onderhavige mogelijk om, uitgaande van bovengenoemd interpretatiebeginsel en van aanknopingspunten in de jurisprudentie, bruikbare criteria te ontwikkelen.
Zo wordt in arrest 43-69 verklaard dat overeenkomsten waarin een uitsluitend recht op levering wordt toegekend en welker uitvoering niet meebrengt dat de betrokken waren de nationale grenzen overschrijden, niet op in- of uitvoer betrekking hebben. Hieruit zou men kunnen afleiden — wat sommige schrijvers ook hebben gedaan' (Mestmäcker: Europäisches Wettbewerbsrecht 1974, blz. 273) — dat een overeenkomst betrekking heeft op de in- of uitvoer, wanneer de betrokken waren voor de uitvoering van de overeenkomst de nationale grenzen moeten overschrijden. Naar ik meen, geldt dit ook voor zuiver nationale alleenverkoopovereenkomsten, die zijn gesloten ter uitvoering van een grensoverschrijdende alleenverkoopovereenkomst en derhalve een werktuig zijn voor de deugdelijke tenuitvoerlegging van dat soort overeenkomsten. Aangezien zij alleen handelen over geïmporteerde produkten — immers de leverancier moet ter nakoming van zijn verplichtingen eerst importeren —, hebben zij dus rechtstreeks betrekking op invoertransacties, waarmee de hoofdvoorwaarde van artikel 4, lid 2, sub 1, zou zijn vervuld.
Wellicht ook van belang in dit verband zijn twee omstandigheden waarop in de litteratuur eveneens is gewezen (Mestmäcker t.a.p.; Groeben-Boeckh-Thiesing: Kommentar zum EWG-Vertrag, 2. Auflage, Band 1, blz. 863 e.v.; Kaul t.a.p.). En wel ten eerste een voor de alleenverkoper geldend concurrentieverbod dat tevens de invoer van gelijksoortige produkten betreft, en ten tweede de verplichting van de alleenverkoper niet buiten zijn contractgebied te leveren. Indien het bij deze bedingen de welbewuste bedoeling is om potentiële leveringen uit en naar het buitenland onmogelijk te maken, dan zijn ook dit relevante elementen voor de toepassing van artikel 4, lid 2, sub 1.
Naar deze maatstaf lijkt het antwoord op de prejudiciële vraag te moeten luiden dat de litigieuze overeenkomst niet onder het bereik van de uitzonderingsbepaling van artikel 4, lid 2, van verordening nr. 17 valt.
3.
Met het voorgaande is echter geenszins gezegd dat de rechtsgeldigheid van dergelijke overeenkomsten afhangt van een aanmelding ter ontheffing bij de Commissie. Dit blijkt uit nadere overwegingen die bij de oplossing van ons probleem opkomen; op grond van een dier overwegingen zou men zelfs kunnen zeggen dat het in het geheel niet ter zake doet, hoe artikel 4, lid 2, sub 1, van verordening nr. 17 moet worden afgebakend.
a)
Ten processe werd terecht opgemerkt dat, als eerste voorwaarde voor een aanmelding bij de Commissie en een ontheffing, de betrokken overeenkomst onder artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag moet vallen. Dit punt zal een rechter allereerst hebben uit te maken, indien nietigheid ex artikel 85 wordt ingeroepen.
Daarbij mag men niet volstaan met de constatering dat de mededinging wordt beperkt omdat de alleenverkoper contractueel alleen van de leverancier mag betrekken, en dat de overeenkomst ook de tussenstaatse handel ongunstig beïnvloedt, omdat de alleenverkoper niet rechtstreeks van de buitenlandse producent mag betrekken.
Men moet dieper graven, want volgens de beschikkingspraktijk der Commissie en de jurisprudentie strekt artikel 85, lid 1, zich niet uit tot overeenkomsten die de concurrentieverhoudingen en de tussenstaatse handel slechts in geringe mate beinvloeden en niet merkbaar beperken. Ik verwijs hier naar 's Hofs arrest van 30 juni 1966 in de zaak 56-65 (LTM/MBU, Jurispr. 1966, blz. 391), volgens hetwelk bij alleenverkoopovereenkomsten moet worden gelet op de aard en hoeveelheid der contractprodukten alsmede op het belang van de marktpositie van de leverancier en de alleenverkoper. Zo ook wordt in het arrest van 9 juli 1969 in de zaak 5-69 (Völk t. Vervaecke, Jurispr. 1969, blz. 295), gezegd dat het voor artikel 85 niet van belang is, als de markt slechts in zeer geringe mate wordt beinvloed wegens de zwakke positie die de belanghebbenden op de markt voor de betrokken produkten innemen. Tevens zij nog gewezen op de bekendmaking van de Commissie van 27 mei 1970 inzake overeenkomsten enzovoort van geringe betekenis, die niet onder artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vallen. Ook hierin wordt te kennen gegeven dat artikel 85, lid 1, niet geldt bij geringe beïnvloeding van de handel en bij niet-merkbaar effect op de marktverhoudingen. Bepalend is hier het marktaandeel van de contractprodukten op het door de overeenkomst bestreken territoriale gedeelte van de gemeenschappelijke markt, alsmede de totale omzet van de bij de overeenkomst betrokken ondernemingen.
Het is niet uitgesloten dat het verwijzend college bij onderzoek van deze punten bevindt dat artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag hier in het geheel niet speelt. In dat geval is er ook geen ontheffing door de Commissie nodig en doet zich voor de beoordeling van de geldigheid der overeenkomst evenmin de kwestie van aanmelding bij de Commissie voor.
b)
De tweede nadere overweging betreft verordening nr. 67/67 van de Commissie van 22 maart 1967 (PB 57 van 25. 3. 1967), welke werd vastgesteld op grond van verordening nr. 19/65 van de Raad van 2 maart 1965 (PB 36 van 6. 3. 1965) inzake de toepassing van artikel 85, lid 3, van het Verdrag op groepen van overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen.
In deze verordening wordt artikel 85, lid 1, niet van toepassing verklaard op bepaalde groepen van overeenkomsten. Dit volgt indirect uit het systeem van de verordening in samenhang met verordening nr. 17, evenals uit haar considerans. Het is duidelijk dat dit van belang is voor de overeenkomst van verzoekster met Gontermann-Peipers. Hierbij zijn immers slechts twee ondernemingen partij, waarvan de ene zich jegens de andere verplicht binnen een afgebakend gebied van de gemeenschappelijke markt bepaalde produkten slechts aan hem voor wederverkoop te leveren. Bovendien lijken ook de voorwaarden van artikel 2 van verordening nr. 67/67 te zijn vervuld.
De gevolgtrekking ligt voor de hand dat hetzelfde moet gelden voor een soortgelijke, zuiver nationale overeenkomst die een instrument ter uitvoering van de hoofdovereenkomst is. Evenals deze laatste leidt zij door concentratie van de verkoopactiviteit tot een verbetering van de verdeling, zulks mede ten gunste van de verbruiker. Voor de gemeenschappelijke markt is zij daarenboven minder gevaarlijk dan soortgelijke overeenkomsten in het grensoverschrijdend verkeer.
Aan deze gevolgtrekking wordt niet afgedaan door artikel 1, lid 2, van verordening nr. 67/67, dat luidt: „Lid 1 is niet van toepassing op overeenkomsten, waarbij slechts ondernemingen uit één Lid-Staat partij zijn en die de wederverkoop van produkten binnen deze Lid-Staat betreffen”. Bij letterlijke uitlegging van deze bepaling zouden zuiver nationale alleenverkoopovereenkomsten weliswaar niet in aanmerking komen voor ontheffing krachtens de verordening inzake groepsvrijstelling, maar een dergelijke uitlegging is wegens het totaal onbevredigende resultaat volstrekt onhoudbaar. Het absurde gevolg ervan zou zijn dat voorzichtige ondernemingen — in verband met de onzekere afbakeningscriteria voor de uitzonderingen op de aanmeldingsplicht — de Commissie zouden gaan overstromen met een vloed aanmeldingen ter ontheffing van zuiver nationale alleenverkoopovereenkomsten.
Maar zover heeft het mijns inziens ook niet te komen, wanneer men let op de bedoeling van de genoemde bepaling. Zoals de Commissie met betrekking tot deze bepaling ten processe heeft verklaard, was men bij de opstelling van verordening nr. 67/67 van mening dat zuiver nationale alleenverkoopovereenkomsten in het geheel niet onder artikel 85, lid 1, vielen, daar dit soort concurrentiebeperkingen niet aan het Gemeenschapsrecht moeten worden getoetst doch aan het nationale mededingingsrecht. In de considerans van verordening nr. 67/67 wordt dit aangeduid met de overweging „dat het niet nodig is binnen één Lid-Staat geldende alleenverkoopovereenkomsten onder deze verordening te doen vallen, daar zij slechts bij uitzondering de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden”.
Zou in de praktijk blijken dat in enkele uitzonderingsgevallen dergelijke overeenkomsten toch door artikel 85, lid 1, worden bestreken, dan is de enige zinvolle beoordelingsmethode die van het argumentum a fortiori. Nationale alleenverkoopovereenkomsten die binnen de perken van verordening nr. 67/67 blijven en op de tussenstaatse handel minder storend inwerken dan soortgelijke grensoverschrijdende overeenkomsten, kunnen niet anders worden beoordeeld dan in verordening nr. 67/67 is aangegeven. Men mag zonder meer aannemen dat zij evenzeer voor de vrijstelling in aanmerking komen als grensoverschrijdende alleenverkoopovereenkomsten. De feitensituatie verlangt op zijn minst een analoge wetstoepassing. De inhoud van de betrokken bepaling waarmee de Commissie toch al niet zo gelukkig is, wordt op die manier niet overmatig opgerekt, terwijl aldus tevens is gezorgd dat de in verordening nr. 67/67 weergegeven belangenapprecciatie bevredigend tot haar recht komt.
Ten slotte kan men zeggen dat, voorzover de onderhavige nationale overeenkomst al onder artikel 85, lid 1, zou vallen, hiervoor de vrijstelling van verordening nr. 67/67 geldt, omdat de in die verordening genoemde voorwaarden stellig ook hier zijn vervuld, en wel insgelijks zonder dat aanmelding bij de Commissie nodig was. Voor de beslissing in het hoofdgeding is een uitlegging van artikel 4, lid 2, sub 1, van verordening nr. 17 derhalve in het geheel niet vereist, het verwijzend college kan integendeel de betrokken overeenkomst geldig achten op grond van verordening nr. 67/67.
4.
Mitsdien kan de prejudiciële vraag van het Cour d'Appel van Parijs als volgt worden beantwoord: voor een tussen twee ondernemingen uit één Lid-Staat gesloten overeenkomst, waarbij een der partijen voor een gedeelte van die Lid-Staat het alleenrecht tot wederverkoop van door de andere partij uit een andere Lid-Staat geïmporteerde produkten verkrijgt, geldt — voorzover zij al valt onder artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag — zonder aanmelding bij de Commissie de buitentoepassingverklaring overeenkomstig artikel 85, lid 3, evenzeer als voor soortgelijke grensoverschrijdende alleenverkoopovereenkomsten die voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 67/67.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy