CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 26 NOVEMBER 1975 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In een strafzaak betreffende de toepassing van het Franse strafrecht inzake de opsporing en vervolging in geval van vervalsing van wijnen heeft de Cour d'appel te Lyon gevraagd om een prejudiciële beslissing over de vraag of de analysemethoden vastgesteld bij verordening EEG nr. 1539 van 19 juli 1971 ook bij de opsporing en vervolging van ten aanzien van wijnen gepleegde valsheidsdelicten moeten worden toegepast.
Hoewel deze vraagstelling ruimer is dan het geval was in de zaak die met betrekking tot hetzelfde onderwerp reeds bij de Cour d'appel te Bordeaux gediend heeft (zaak 89-74, 18 en 19-75), blijkt uit de verwijzingsbeschikking duidelijk dat de verwijzende rechter alleen maar wil weten of de gezagsorganen van zijn Staat zich mogen bedienen van het rechtsvermoeden van een opgevoerd alcoholpercentage, gebaseerd op de verhouding tussen het alcoholpercentage en de droge stof, zoals die door reductie bij een temperatuur van 100 graden overeenkomstig de zogenaamde „Codice del vino” wordt vastgesteld. De rechtsvraag welke volgens de verwijzende rechter voor de beslissing van het geschil de doorslag geeft is dus in wezen dezelfde als die welke de Cour d'appel te Bordeaux in voormelde zaken aan de orde stelde en ook ter fine van een prejudiciële beslissing in de gevoegde zaken 10 tot 14-75 door de Cour d'appel aan Uw Hof werd voorgelegd.
U hebt zich hierover op 30 september 1975 uitgesproken. De uitleggingsvraag is dus identiek aan eerdere vragen waarover door Uw Hof reeds een prejudiciële uitspraak is gedaan.
Volgens Uw eerdere uitspraken geldt verordening EEG nr. 1539/71 tot vaststelling der communautaire analysemethoden — met het oog op de bepaling der wijnkwaliteiten — in beginsel ook voor de opsporing en vervolging bij vervalsing van wijnen in de zin der communautaire bepalingen. Voor zover een communautaire methode ter bepaling van zeker element dat voor de kwaliteitsbepaling van belang is als de enig geldige erkend wordt, zijn er volgens Uw Hof geen redenen diezelfde methode ter bepaling van datzelfde element, maar dan met het oog op de vervolging inzake valsheidsdelicten, buiten toepassing te laten. Om der wille van de uniformiteit moet de communautaire methode dus, voorzover technisch mogelijk, ook op ander gebied worden toegepast.
Dit algemeen beginsel belet overigens niet dat de Franse gezagsorganen, indien nodig — en onder zekere waarborgen —, de in hun nationale recht voorgeschreven methoden blijven hanteren wanneer zich in de communautaire regeling betreffende de vervolging inzake valsheidsdelicten leemten mochten blijken voor te doen.
Tijdens de procedure is niet gebleken van enig novum dat ons aanleiding moet geven de oplossing welke ik in mijn conclusies in voormelde zaken 89-74, 18 en 19-75 had voorgesteld — en die het Hof in hoofdzaak heeft overgenomen — opnieuw in overweging te nemen.
Ik stel U dus voor de vraag van de Cour d'appel te Lyon te beantwoorden overeenkomstig het dispositief in de gevoegde zaken 89-74, 18 en 19-75 — dat onder 3 ook in het dispositief in de gevoegde zaken 10 tot 14-75 is overgenomen — en nogmaals voor recht te verklaren dat „bij de huidige stand van het Gemeenschapsrecht … een Lid-Staat een rechtsvermoeden van verhoging van het alcoholgehalte gebaseerd op de verhouding tussen het alcoholgehalte en het met de „100o”-methode „bepaalde gehalte aan droge stof, als nationale controlemaatregel kan gebruiken, mits dit vermoeden weerlegbaar is en dusdanig wordt toegepast, dat wijn uit andere Lid-Staten daardoor rechtens en feitelijk niet in een nadeliger positie wordt gebracht”.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy