CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 26 FEBRUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoeksters in alle onderhavige zaken zijn Franse oliefabrikanten. De beroepen zijn krachtens de artikelen 178 en 215, tweede alinea, tegen de Commissie ingesteld wegens schade door de beweerde onjuiste uitoefening van deze instelling aanvang 1972, van haar bevoegdheden betreffende steun en monetaire compenserende bedragen voor koolzaad en raapzaad.
De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten werd ingesteld bij 's Raads verordening nr. 136/66/EEG van 22 september 1966 (PB van 30. 9. 66, blz. 3025). Wat koolzaad en raapzaad en daaruit gewonnen olie betreft wordt in deze ordening in aanmerking genomen dat de produktie in de Gemeenschap achter blijft bij de vraag, zodat de Gemeenschap voor haar voorziening in grote mate afhankelijk is van de wereldmarkt.
Het gevolg is dat in derde landen geteeld koolzaad en raapzaad de Gemeenschap zonder enig douanerecht of enige heffing binnenkomen, en dat de daaruit geproduceerde olie slechts aan zeer lage douanerechten wordt onderworpen.
De auteurs van de verordening wilden echter de koolzaad- en raapzaadtelers in de Gemeenschap steunen en hen met name in staat stellen hogere prijzen te krijgen dan op de wereldmarkt. Hiertoe voerden zij het gebruikelijke interventiemechanisme in, uitgaande van een richtprijs: zie de artikelen 21 tot en met 26 van de verordening. Om te garanderen dat in de Gemeenschap geteeld koolzaad en raapzaad niettemin kon concur reren met lager geprijsd graan van buiten de Gemeenschap, namen zij twee middelen te baat: steun voor in de Gemeenschap geteeld en verwerkt zaad (artikel 27 van de verordening) en restitutie voor in de Gemeenschap geteeld, naar derde landen geëxporteerd zaad (artikel 28).
In de onderhavige zaken gaat het uitsluitend om in de Gemeenschap geteeld koolzaad en raapzaad dat in de Gemeenschap (door verzoeksters) werd verwerkt en daardoor voor steun, en niet voor exportrestitutie in aanmerking kwam. Hoewel door beide partijen argumenten werden aangevoerd betreffende de verhouding tussen de steun en de restitutie bij export, behoeft mijns inziens niet te worden ingegaan op de details van de wettelijke regeling inzake de restitutie. Wel meen ik bij enkele bijzonderheden van de regeling betreffende de steun te moeten blijven stilstaan.
Artikel 27, lid 1, bepaalt:
„Indien de voor een soort oliehoudend zaad geldende richtprijs hoger is dan de voor deze soort overeenkomstig artikel 29 bepaalde wereldmarktprijs, wordt voor de binnen de Gemeenschap voortgebrachte en verwerkte zaden van deze soort steun toegekend; behoudens de uitzonderingen waartoe ter toepassing van lid 3 besloten wordt, is deze steun gelijk aan het verschil tussen deze prijzen.”
Ingevolge artikel 27, lid 3, moet de Raad onder meer bepalen „de beginselen volgens welke de in lid 1 bedoelde steun wordt toegekend”, „de wijze van controle op het recht op steun”, en „de voorschriften volgens welke het van te voren vaststellen van het bedrag van de steun wordt toegestaan”.
Artikel 27, lid 4, bepaalt: „de Commissie stelt het bedrag van de steun vast.”
Artikel 29 luidt:
„De wereldmarktprijs, berekend voor een plaats van grensoverschrijding van de Gemeenschap, wordt bepaald uitgaande van de meest gunstige aankoopmogelijkheden, waarbij de prijsnoteringen eventueel worden aangepast om rekening te houden met de prijs van concurrerende produkten. De criteria voor deze bepaling, alsmede de plaats van grensoverschrijding voor elke soort zaad worden … door de Raad vastgesteld …”.
Deze criteria werden vastgesteld bij 's Raads verordening nr. 115/67/EEG van 6 juni 1967 (PB van 10. 6. 1967, blz. 2196). Artikel 1, lid 1, dezer verordening luidt: „De Commissie bepaalt periodiek een wereldmarktprijs voor koolzaad en raapzaad…”. Ook de artikelen 2 en 3 zijn in casu relevant, doch slechts in verband met een bijzondere kwestie, en ik acht het beter deze bepalingen eerst te vermelden wanneer ik daarover kom te spreken. Artikel 4 bepaalt dat „Rotterdam [wordt] aangewezen als plaats van grensoverschrijding van de Gemeenschap”.
Ter uitvoering van de bepaling van artikel 29 van verordening nr. 136/66 dat de wereldmarktprijzen eventueel moeten worden aangepast om rekening te houden met de prijs van concurrerende produkten, teneinde overeenkomstig de considerans bij verordening nr. 115/67 te voorkomen dat de verwerkende industrie van de Gemeenschap ertoe wordt gebracht aan een bepaalde zaadsoort de voorkeur te geven boven de andere, bepaalt artikel 6 het volgende:
„1.
Bij het bepalen van de wereldmarktprijs van een zaadsoort wordt de in aanmerking genomen prijs aangepast met een bedrag dat ten hoogste gelijk is aan het verschil tussen:
—
het verschil tussen de met de verwerkingskosten verhoogde prijs van 100 kilogram koolzaad, raapzaad of zonnebloemzaad, en het totaal van de prijzen van de door verwerking van de betrokken zaadsoort verkregen hoeveelheden olie en perskoeken enerzijds en
—
het verschil tussen de met de verwerkingskosten verhoogde prijs van 100 kilogram van één of meer andere zaadsoorten, en het totaal van de prijzen van de door verwerking daarvan verkregen hoeveelheden olie en perskoeken, anderzijds.
2.
Bij het bepalen van het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt rekening gehouden met de invloed van het in dat lid bedoelde verschil
a)
op de commerciële activiteiten van de handelaren en industriëlen in de Gemeenschap;
b)
op de afzet van de verschillende zaadsoorten op de wereldmarkt.”
Aan artikel 27, lid 3, van verordening nr. 136/66 werd door de Raad uitvoering gegeven bij verordening nr. 116/67/EEG van 6 juni 1967 (PB van 10. 6. 1967, blz. 2198). (Deze bleef van kracht tot 1 juli 1972, toen zij werd ingetrokken en vervangen door 's Raads verordening (EEG) nr. 2114/71 van 28 september 1971 (PB nr. L 222 van 2. 10. 1971), zoals gewijzigd bij 's Raads verordening (EEG) nr. 2730/71 van 21 december 1971).
Artikel 2 van verordening nr. 116/67 bepaalde dat elke Lid-Staat een controleregeling moest instellen van (onder meer) door oliefabrikanten verwerkt koolzaad en raapzaad om te verzekeren dat alleen steun werd ontvangen voor zaden die daarvoor in aanmerking kwamen.
De artikelen 3 tot 6 bevatten de algemene beginselen dat het bedrag van de steun het bedrag is dat van toepassing is op de dag waarop de betrokken Lid-Staat de controle op het zaad in de olieslagerij waar dit zaad wordt verwerkt op zich neemt, en dat het bewijs dat zaden onder een dergelijke controle zijn geplaatst, moet worden geleverd door afgifte van een certificaat. Deze artikelen voorzien echter in een regeling voor het van tevoren vaststellen van de steun. Volgens deze regeling is het steunbedrag gelijk aan het verschil tussen de richtprijs die geldt voor de maand waarin het zaad onder controle wordt geplaatst en het gemiddelde van de laatste vier wereldmarktprijzen welke vóór de datum van indiening van het verzoek om een certificaat werden vastgesteld. Het certificaat vermeldt het bedrag van de aldus toegekende steun. Daar een handelaar baat heeft bij deze faciliteit wordt de afgifte van het cerificaat afhankelijk gesteld van een waarborg dat wordt voldaan aan de verplichting om de zaden tijdens de geldigheidsduur van het certificaat aan controle te onderwerpen in een olieslagerij in de betrokken Lid-Staat.
Artikel 9, lid 1, bepaalt dat het recht op de steun wordt verkregen op het tijdstip van verwerking van de zaden voor de produktie van olie. Hierop is een uitzondering mogelijk, in die zin dat de steun vooruit kan worden betaald, zodra het zaad onder controle is gesteld, op voorwaarde dat een garantie gesteld wordt voor de verwerking ervan.
Artikel 9, lid 2, luidt: „De steun wordt betaald in de Lid-Staat die het certificaat heeft afgegeven aan de houder van dit certificaat”.
Tot besluit van dit overzicht van de wettelijke regeling betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markt in oliën en vetten, voor zover in casu van belang, zij nog vermeld dat artikel 1 van verordening nr. 225/67/EEG van de Commissie van 28 juni 1967 (PB van 30. 6. 1967, blz. 2919) bepaalt dat de wereldmarktprijs voor koolzaad en raapzaad tenminste éénmaal per week wordt vastgesteld.
Ter terechtzitting beschreef de vertegenwoordiger van verzoeksters de periode waarin deze ordening werd vastgesteld als „het gouden tijdperk” van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het was de tijd van de vaste wisselkoersen, toen in de considerans bij 's Raads verordening nr. 129 van 23 oktober 1962 (de verordening van welker bepalingen de beslissing in de onderhavige zaak mijns inziens uiteindelijk moet afhangen) kon worden overwogen (PB van 30. 10. 1962, blz. 2553):
„dat het noodzakelijk is de wisselkoers vast te stellen die gebruikt moet worden voor de verrichtingen die in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid moeten plaatsvinden en die met zich brengen dat in een munteenheid aangegeven bedragen in een andere munteenheid moeten worden uitgedrukt; dat alle Lid-Staten en een groot aantal derde landen een pariteit van hun munteenheid bij het Internationale Monetaire Fonds hebben opgegeven en dat deze Instelling deze heeft erkend; dat krachtens de regels van deze Instelling de wisselkoersen die gelden voor lopende transacties en die genoteerd worden op de valutamarkten die onder toezicht staan van de monetaire autoriteiten van de landen, waarvan de muntpariteit door het Fonds is erkend, slechts binnen beperkte grenzen van deze pariteit mogen afwijken; dat het gebruik van de wisselkoers die met genoemde pariteit overeenkomt het derha-ve in normale omstandigheden mogelijk maakt, moeilijkheden van monetaire aard te vermijden, die de verwezenlijking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid zouden kunnen belemmeren;
Overwegende dat, aangezien de rekeneenheid uitsluitend is uitgedrukt in een gewicht in goud, bij de omrekening in nationale munteenheden van in rekeneenheden aangegeven bedragen en omgekeerd noodzakelijkerwijs moet worden uitgegaan van de pariteit van deze munteenheden in goud of in US-dollar, welke pariteit aan het Internationale Monetaire Fonds is opgegeven en door deze Instelling is erkend.”
Artikel 1 der verordening luidt:
„Wanneer in de besluiten die door de Raad krachtens artikel 43 van het Verdrag worden genomen en die het gemeenschappelijk landbouwbeleid betreffen, of in de bepalingen vastgesteld ter uitvoering van deze besluiten, bedragen worden uitvoering van deze besluiten, bedragen worden uitgedrukt in rekeneenheden, is de waarde van deze rekeneenheid gelijk aan 0,88867088 gram fijn goud.”
Dit was op het tijdstip waarop verordening nr. 129 werd vastgesteld precies de pariteit van de US-dollar.
Artikel 2, lid 1, bepaalt:
„Wanneer verrichtingen die ter uitvoering van de in artikel 1 vermelde besluiten of bepalingen moeten plaatsvinden, meebrengen dat in een munteenheid aangegeven bedragen in een andere munteenheid moeten worden uitgedrukt, wordt de wisselkoers gebruikt die overeenkomt met de bij het Internationale Monetaire Fonds opgegeven en door deze Instelling erkende pariteit.”
Artikel 3 bepaalt:
„1. Wanneer monetaire praktijken van buitengewone aard de toepassing van de in artikel 1 bedoeld besluiten of bepalingen in gevaar kunnen brengen, kunnen de Raad of de Commissie, in het kader van de bevoegdheden waarover zij op grond van deze besluiten of bepalingen beschikken en volgens de in deze besluiten of bepalingen voor elk afzonderlijk geval voorgeschreven procedure, na raadpleging van het Monetair Comité, maatregelen nemen die van deze verordening afwijken, onder meer in de volgende gevallen:
a)
wanneer een bij het Internationale Monetaire Fonds aangesloten land dat een pariteit van zijn munteenheid bij deze Instelling heeft opgegeven, welke pariteit door deze laatste is erkend, toelaat dat zijn munteenheid binnen ruimere grenzen van de pariteit afwijkt dan krachtens de regels van deze Instelling is toegelaten;
b)
wanneer een land abnormale wisseltechnieken, zoals variabele of multipe le wisselkoersen aanwendt, of een ruilovereenkomst toepast;
c)
wanneer het landen betreft, waarvan de munteenheid niet op de officiële valutamarkten wordt genoteerd.
2. In dringende gevallen echter kunnen de in het vorige lid bedoelde maatregelen worden genomen zonder voorafgaande raadpleging van het Monetair Comité; dit Comité moet evenwel terzelfder tijd worden gevraagd advies uit te brengen. In een dergelijk geval dragen deze afwijkende maatregelen een voorlopig karakter; de definitieve maatregelen worden eerst genomen nadat het Monetair Comité advies heeft uitgebracht.”
Het begin van het einde van het „gouden tijdperk” werd ingeluid door de devaluatie van de Franse frank in de zomer van 1969, gevolgd door de revaluatie van de DM in het najaar. Hierdoor waren speciale maatregelen nodig om de werking van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te waarborgen.
Het einde kwam feitelijk in het voorjaar van 1971 toen werd toegestaan dat de DM en de Nederlandse gulden gingen zweven. Dit leidde tot de invoering van monetaire compenserende bedragen bij 's Raads verordening (EEG) nr. 974/71 van 12 mei 1971 en twee uitvoeringsverordeningen van de Commissie van 17 mei 1971, te weten verordeningen (EEG) nrs. 1013/71 en 1014/71. Aanvankelijk golden krachtens deze verordeningen de compenserende bedragen alleen in de Bondsrepubliek Duitsland en in Nederland.
In augustus 1971 hieven de Verenigde Staten, zonder de officiële pariteit van de US-dollar te wijzigen, de convertibiliteit hiervan in goud tijdelijk op. Dit betekende dat hoewel de bij het IMF opgegeven en door deze instelling erkende pariteit van de dollar onveranderd bleef, de werkelijke of beurswaarde van de dollar verminderde.
Terwijl het stelsel van compenserende bedragen oorspronkelijk niet was opgezet om deze situatie het hoofd te bieden, was het daartoe in feite wel geschikt, omdat artikel 2 van verordening nr. 974/71 (PB nr. L 106 van 12. 5. 1971) bepaalt:
„Voor produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, zijn de compenserende bedragen gelijk aan de bedragen die worden verkregen door op de prijzen een percentage toe te passen dat overeenkomt met het verschil tussen
—
de aan het Internationaal Monetair Fonds opgegeven en door dit Fonds goedgekeurde pariteit van de munteenheid van de betrokken Lid-Staat
en
—
het rekenkundige gemiddelde van de … contante wisselkoersen van deze munteenheid ten opzichte van de dollar der Verenigde Staten van Amerika.”
Het stelsel der compenserende bedragen werd in twee fasen uitgebreid tot de Lid-Staten waarop het aanvankelijk niet van toepassing was: in augustus 1971 tot België en Luxemburg, en bij verordening nr. 2887/71 van de Commissie van 30 december 1971 (PB nr. L 288 van 31. 12. 1971) tot Frankrijk en Italië.
Krachtens deze verordening, juncto verordening (EEG) nr. 2888/71 van de Commissie, eveneens van 30 december 1971, moesten vananf 24 december 1971 op importen in Frankrijk uit derde landen compenserende bedragen worden toegepast, tenzij deze importen voortvloeiden uit overeenkomsten welke vóór 19 december 1971 waren afgesloten.
De hoogte van de toe te passen compenserende bedragen werd vermeld in de bijlagen bij verordening (EEG) nr. 17/72 van de Commissie van 31 december 1971 (PB nr. L 5 van 6. 1. 1972). Bijlage IX had betrekking op de sector oliën en vetten, en met name op koolzaad en raapzaad. Hierin werd een bedrag van 3,95 Ffr per 100 kg vastgesteld voor de import van deze zaden uit derde landen in Frankrijk. De bedragen werden gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 144/72 van de Commissie van 21 januari 1972 (PB nr. L 19 van 23. 1. 1972). Hierbij werd het betrokken bedrag van 3,95 Ffr met ingang van 24 januari 1972 verhoogd tot 4,75 Ffr per 100 kg.
Op 26 januari 1972 stelde de Commissie echter verordening (EEG) nr. 189/72 (PB nr. L 24 van 28. 1. 1972) vast, waarbij bijlage IX met ingang van 1 februari 1972 werd ingetrokken. Het gevolg was, dat vanaf die datum niet langer compenserende bedragen behoefden te worden betaald voor importen van koolzaad of raapzaad in enige Lid-Staat.
Verzoeksters in de onderhavige gedingen waren allen houdster van certificaten waarin de in artikel 27 van verordening nr. 136/66 bedoelde steun van te voren was vastgesteld. Hun vorderingen vallen uitgeen in twee categorieën.
De eerste categorie betreft certificaten die waren aangevraagd tussen 24 december 1971 en 31 januari 1972, toen compenserende bedragen op importen van koolzaad en raapzaad in Frankrijk moesten worden betaald, maar krachtens welke verzoeksters eerst recht op de steun kregen na afloop van deze periode, toen de zaden hetzij waren verwerkt, hetzij onder controle waren geplaatst met een waarborg dat zij zouden worden verwerkt.
De tweede categorie vorderingen heeft betrekking op certificaten die in de maanden februari en maart 1972 waren aangevraagd.
De vorderingen van verzoeksters in zaken 67, 68, 71, 73, 79, 81, 83 en 85-75 vallen onder de eerste, de vorderingen in zaken 72, 76, 77 en 84-75 onder de tweede en de vorderingen in zaken 69, 70, 74, 78, 80 en 82-75 onder beide categorieën.
Het is tussen partijen in confesso, dat de Commissie tijdens de gehele relevante periode, teneinde de steun vast te stellen, de wereldmarktprijzen van koolzaad en raapzaad bepaalde op grond van noteringen voor Canadees koolzaad,. cif Rotterdam, uitgedrukt in US-dollars. Het staat ook vast dat de Commissie hiertoe de US-dollar behandelde alsof deze nog op het peil stond van de pariteit zoals opgegeven bij en erkend door het IMF. Het gevolg was dat de steun werd vastgesteld op grond van gefingeerde wereldmarktprijzen, die hoger waren dan de werkelijke.
Verzoeksters betogen, naar ik begrijp, dat dit er niet toe deed zolang compenserende bedragen werden toegepast op importen uit derde landen, omdat deze bedragen het verschil tussen de gefingeerde en de werkelijke wereldmarktprijzen overbrugden. In hoofdzaak is de grief van verzoeksters gericht tegen de opheffing van de compenserende bedragen zonder enige consequente aanpassing van de steun. Als gevolg hiervan dekte de steun niet langer het gehele verschil tussen de communautaire richtprijs en de prijs tegen welke koolzaad en raapzaad uit derde landen in de Gemeenschap kon worden verhandeld. Aldus werd, volgens verzoeksters, artikel 27 van verordening nr. 136/66 geschonden.
Meer in het bijzonder wordt door verzoeksters gesteld dat de Commissie niet voldeed aan haar verplichting krachtens artikel 1, lid 3, van verordening nr. 115/67, om de wereldmarktprijs te bepalen „aan de hand van de meest gunstige werkelijke aankoopmogelijkheden”. Ook werd betoogd dat verzoeksters temeer schade hadden geleden doordat zij in Frankrijk geteeld zaad hadden betrokken van erkende tussenhandelaren (intermé-diaires agrées”) tegen een prijs die dicht bij de richtprijs lag en zo in feite de steun via deze tussenhandelaren hadden doorgegeven aan de producenten, alvorens deze zelf te ontvangen. Verder werd door verzoeksters opgemerkt dat het gedrag van de Commissie drie in het EEG-Verdrag neergelegde grondbeginselen schond. In de eerste plaats werd het beginsel van de communautaire preferentie geschonden, doordat het voor oliefabrikanten in de Gemeenschap aantrekkelijker werd gemaakt in derde landen ge produceerd zaad te kopen dan in de Gemeenschap geteeld zaad. In de tweede plaats werd inbreuk gemaakt op het beginsel dat de mededinging binnen de Gemeenschap niet mag worden verstoord, omdat oliefabrikanten die niet waren gebonden aan contracten op lange termijn voor de verwerving van in de Gemeenschap geteeld zaad in staat werden gesteld om tegen gunstiger voorwaarden zaden in derde landen te kopen. In de derde plaats werd het beginsel van non-discriminatie tussen handelaren in de verschillende Lid-Staten met voeten getreden, doordat, aangezien de munteenheden dezer staten tegenover de US-dollar niet alle in gelijke mate werden verhoogd, oliefabrikanten in sommige van deze staten goedkoper zaad op de wereldmarkt konden verkrijgen dan hun concurrenten in andere Lid-Staten.
Verzoeksters laken niet het gedrag van de Commissie na 31 maart 1972. Dit komt omdat de Commissie vanaf 1 april 1972 bij het bepalen van de wereldmarktprijs van koolzaad en raapzaad gebruik maakte van haar vrijheid ex artikel 6 van verordening nr. 115/67 om deze' prijs aan te passen in het licht van een vergelijking tussen het rendement van de verwerking van deze zaden en van de verwerking van andere zaadsoorten. Deze aanpassing had kennelijk tot gevolg dat de steun zodanig werd verhoogd dat verzoeksters deze voldoende achtten.
In mei 1972 gaven de Verenigde Staten een nieuwe pariteit van de US-dollar bij het IMF op, en deze werd vanaf toen gehanteerd bij de berekening van de subsidie.
Ik acht het juist te beklemtonen dat verzoeksters niet klagen over de opheffing van de compenserende bedragen als zodanig. Daar zij verwerkers, en geen exporteurs van de Gemeenschap geteelde zaden waren, hadden zij eigenlijk geen recht op compenserende bedragen (behalve misschien bij exporten van olie, maar dit is niet het onderwerp van het onderhavige geding). Bovendien is herhaaldelijk door Uw Hof beslist dat compenserende bedragen alleen mogen worden toegepast indien zij noodzakelijk zijn om verstoringen in de werking van de gemeenschappelijke ordening van de markt van bepaalde produkten te voorkomen; dat de Commissie de bedragen moet intrekken wanneer zij ervan overtuigd is dat de marktomstandigheden deze overbodig maken voor dat doel; en dat de Commissie in dit verband een ruime beoordelingsvrijheid heeft — zie met name zaak 74-74 (CNTA t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 547 e.v.). Verzoeksters klagen in wezen, zoals ik al zei dat de Commissie de compenserende bedragen introk zonder de steun te verhogen.
Verzoeksters merkten tijdens de schriftelijke behandeling op, dat de Commissie door intrekking van de compenserende bedragen zonder voor hen overgangsmaatregelen te treffen, hen in hun gerechtvaardigd vertrouwen had teleurgesteld en op die grond aansprakelijk was voor de schade. Zij stelden dat zij in de Gemeenschap geteeld zaad tegen de gemeenschapsprijs hadden gekocht om dan te ontdekken dat zij de gewonnen olie moesten verkopen op een markt waar de lagere wereldmarktprijzen golden. Verzoeksters kwamen ter terechtzitting hierop echter niet meer terug. Mij lijkt deze stelling dan ook ongegrond. De compenserende bedragen werden, zoals gezegd, in Frankrijk ingevoerd bij verordening nr. 2887/71. Deze werd op 31 december 1971 bekendgemaakt. Zij werden wat oliën en vetten betreft ingetrokken bij verordening nr. 189/72, bekendgemaakt op 28 januari 1972. Het was dus hooguit gedurende 28 dagen dat een van verzoeksters een bedrijfsbeslissing kan hebben genomen in de verwachting dat de compenserende bedragen toepasselijk bleven. Ter terechtzitting werd het Hof door de vertegenwoordiger van verzoeksters meegedeeld dat zij zaad kochten krachtens contracten op lange termijn, die ongeveer acht maanden geldig waren, en dat dit onvermijdelijk was omdat de contracten krachtens welke zij perskoeken verkochten ook lange termijn-contracten waren.
De commerciële situatie was zodanig dat zij slechts konden doorgaan met de verwerking, of hun thuismarkt nu werd beschermd door compenserende bedragen of niet. In feite was er echter geen bewijs dat een van verzoeksters één ton zaad had gekocht of verwerkt, of één steuncertificaat had aangevraagd, erop vertrouwend dat de compenserende bedragen van kracht bleven. Bovendien was er ook geen enkel bewijs dat de intrekking van de compenserende bedragen de olieprijs op de Franse markt beïnvloedde waardoor verzoeksters verliezen leden of lagere winsten maakten. In zou hieraan willen toevoegen dat een door verzoeksters geproduceerd stuk, namelijk de notulen van een op 18 januari 1972 te Parijs gehouden vergadering van het bestuur van de Société Interprofessionnelle des Oléa-gineux (Bijlage I bij de repliek) aantoont dat het reeds op die datum bekend was dat de Commissie voor intrekking van de compenserende bedragen voor koolzaad en koolzaadolie was.
Ter terechtzitting werd door de Commissie gesteld dat deze acties, voor zover betrekking hebbende op wat ik omschreef als de wezenlijke grief van verzoeksters, niet-ontvankelijk waren, omdat verzoeksters in feite aanvullende steun vorderden en zij hiertoe de voor de betaling van steun verantwoordelijke Franse autoriteit voor de Franse rechter hadden moeten dagen. De vertegenwoordiger van verzoeksters wierp prompt tegen dat de niet-ontvankelijkheid van de acties niet was bepleit en dat het te laat was dit punt ter terechtzitting nog naar voren te brengen.
Ik kom geenszins terug van wat ik in zaak 46-75 (IBC t. Commissie, nog niet gepubliceerd) heb gezegd, namelijk dat het voor partijen voor Uw Hof ongeoorloofd is ter terechtzitting geschilpunten op te werpen, die tijdens de schriftelijke behandeling niet zijn aangevoerd. Maar ik had daar het oog op geschilpunten van materiële aard. Een kwestie als de ontvankelijkheid van een actie voor het Hof, kan door het Hof zelf, ambtshalve, in elk stadium van het proces worden opgeworpen. Hieruit volgt mijns inziens dat het een partij vrijstaat deze in elk stadium aan de orde te stellen.
Maar naar mijn mening zijn de onderhavige acties ontvankelijk. De door verzoeksters in casu ingesteld vordering verschilt van die in de zaken 96-71 (Haegeman t. Commissie, Jurispr. 1972, blz. 1005), 99-74 (Société des Grands Moulins des Antilles t. Commissie, nog niet gepubliceerd) en (IBC t. Commissie) waarin telkens werd beslist dat verzoeker de verantwoordelijke nationale autoriteit voor de bevoegde nationale rechter en niet ex artikel 178 van het Verdrag de Commissie voor Uw Hof moest dagen. In al deze zaken vorderde verzoeker terugbetaling van een vaststaand bedrag. In de eerste en derde zaak was het een bedrag dat volgens verzoeker ten onrechte van hem was gevorderd door de betrokken nationale autoriteit krachtens een gemeenschapsregeling die beweerdelijk nietig was. In de tweede zaak was het een bedrag waarop verzoekster aanspraak maakte ingevolge de betrokken gemeenschapsregeling. In geen van deze zaken was er enige twijfel of onenigheid betreffende de hoogte van het gevorderde bedrag. In de onderhavige zaak daarentegen staan de door verzoeksters gevorderde bedragen niet vast. Verzoeksters trachtten weliswaar deze tijdens de schriftelijke behandeling te kwalificeren onder verwijzing naar de hoogte van de compenserende bedragen die waren ingetrokken. Maar deze poging kan de toets der kritiek niet doorstaan, alleen al omdat hierbij wordt aangenomen dat de waarde van de US-dollar in februari en maart 1972 ongewijzigd bleef. Vandaar het alternatief van verzoeksters de bedragen door een onafhankelijk deskundige te laten vaststellen.
De feitelijke grief is tweeledig. Met betrekking tot de eerste categorie vorderingen houdt zij in dat de Commissie na de intrekking van de compenserende bedragen, niet op de een of andere wijze zorgde voor een nieuwe berekening van de geprefixeerde steun aan de hand van ge wijzigde wereldmarktprijzen. Ten aanzien van de tweede categorie vorderingen houdt zij in dat de Commissie in februari en maart 1972 week in week uit de voor de berekening van de steun gehanteerde wereldmarktprijs verkeerd bepaalde.
Ongetwijfeld is de bepaling van de steun zelf, wanneer zowel de communautaire richtprijs als de wereldmarktprijs eenmaal bekend zijn, louter een kwestie van rekenen. Maar de bepaling van de wereldmarktprijs is een zaak waarin de Commissie ingevolge verordening nr. 115/67 ruime discretionaire bevoegdheden heeft. Het volstaat wellicht in dit verband te verwijzen naar artikel 6 dezer verordening. Maar ik wil ook de artikelen 2 en 3 (door mij al eerder vermeld) en artikel 5 noemen.
De artikelen 2 en 3 luiden als volgt:
„Artikel 2
Ingeval geen enkele aanbieding en geen enkele notering in aanmerking kunnen worden genomen voor het bepalen van de wereldmarktprijs van een zaadsoort, bepaalt de Commissie deze prijs op basis van de waarde van de gemiddelde hoeveelheden olie en perskoeken die bij verwerking in de Gemeenschap van 100 kilogram zaad van de betrokken soort woorden verkregen, waarbij van bedoelde waarde een bedrag wordt afgetrokken dat overeenkomt met de kosten van de verwerking van het zaad tot olie en perskoeken.
Artikel 3
Ingeval geen enkele aanbieding en geen enkele notering in aanmerking kunnen worden genomen voor het bepalen van de wereldmarktprijs van een zaadsoort en het bovendien onmogelijk is de waarde van de daaruit verkregen perskoeken of olie te constateren, wordt de wereldmarktprijs bepaald uitgaande van de laatst bekende waarden van de oliën of de perskoeken; teneinde rekening te houden met het verloop van de wereldmarktprijzen van de concurrerende produkten worden deze waarden aangepast door daarop de in artikel 2 vervatte regels toe te passen” (PB van 10. 6. 1967, blz. 2196).
Artikel 5 verplicht de Commissie de nodige aanpassingen te verrichten voor andere aanbiedingen en noteringen dan „voor onverpakte, te Rotterdam geleverde zaden van de standaardkwaliteit waarvoor de richtprijs is vastgesteld”.
Het is mijn inziens niet juist dat, indien de Commissie de wereldmarktprijs beweerdelijk op de verkeerde wettelijke basis had vastgesteld, de nationale rechterlijke instanties van de verschillende Lid-Staten zouden hebben te beslissen hoe de Commissie deze discretionaire bevoegdheden had moeten uitoefenen.
Volgens mij is deze zaak verwant aan zaken 43-72, (Merkur t. Commissie, Jurispr. 1973, blz. 1055), 153-73 (Holtz & Willemsen t. Raad en Commissie, Jurispr. 1974, blz. 675) en de zaak CNTA (reeds genoemd) waarin het Hof verzoeker telkens gerechtigd achtte krachtens artikel 178 beroep in te stellen, indien zijn klacht betrekking had op het nalaten van de verwerende instelling of instellingen hem een recht op betaling te verlenen. Meer in het bijzonder is zij verwant met zaken 9 en 11-71 (Compagnie d'approvisionnement t. Commissie, Jurispr. 1972, blz. 403), waar het Hof een actie krachtens dat artikel tegen de Commissie op grond dat zij bepaalde subsidies op een te laag niveau had vastgesteld, ontvankelijk achtte.
Ik ben echter van mening dat de onderhavige acties, hoewel ontvankelijk, moeten falen, en wel om de eenvoudige — door de Commissie genoemde — reden, dat de Commissie krachtens artikel 2 van verordening nr. 129 de US-dollar, ondanks de tijdelijke intrekking van de convertibiliteit in goud, moest behandelen alsof deze de pariteit had zoals opgegeven bij en erkend door het IMF. In de gegeven omstandigheden had de Commissie alleen aan deze verplichting kunnen ontkomen door haar bevoegdheden ex artikel 3 van verordening nr. 129 uit te oefenen. Dit had zij alleen kunnen doen wanneer zij ervan overtuigd was dat de opheffing van de convertibiliteit van de dollar de toepassing van de bepalingen van verordening nr. 136/66 betreffende steun voor koolzaad en raapzaad in gevaar kon brengen (en dat de zaak ernstig genoeg was om het Monetaire Comité te raadplegen). Verzoeksters gingen niet zo ver te stellen dat de Commissie hiervan overtuigd had moeten zijn, en deze stelling zou trouwens niet verenigbaar zijn met het feit dat de Commissie (terecht of ten onrechte) de mening was toegedaan dat de compenserende bedragen voor deze produkten konden worden ingetrokken zonder onaangename gevolgen.
Ik conludeer derhalve tot verwerping van de onderhavige beroepen en tot verwijzing van verzoeksters in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy