CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 14 JANUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
De vragen die het Tribunale te Genua in deze prejudiciële zaak heeft gesteld, betreffen het probleem of een geldelijke last op huiden die uit een andere Lid-Staat en uit een geassocieerde Afrikaanse staat in Italië zijn ingevoerd, een heffing van gelijke werking als een douanerecht is en als zodanig verboden zowel ingevolge het EEG-Verdrag als ingevolge de tussen de Gemeenschap en de Afrikaanse Staten en Madagascar gesloten Associatieovereenkomsten van Jaoende van 20 juli 1963 en 29 juli 1969.
Aan dit verzoek liggen de volgende feiten ten grondslag. De leerlooierij Bresciani te Genua voerde in 1969 en 1970 verscheidene partijen ongelooide runderhuiden in uit Frankrijk en Senegal. De Italiaanse douane paste op de huiden een heffing wegens veterinaire keuring toe overeenkomstig wet nr. 30 van 23 juanuri 1968. Deze heffing, die bij de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag 240 lire per 100 kg gedroogde huiden bedroeg, is bij genoemde wet voor alle soorten ruwe huiden verhoogd tot 300 lire per 100 kg.
De importeur was van mening dat die heffing onverenigbaar was met het verbod van artikel 13, lid 2, van het Verdrag en artikel 2, lid 1, van de beide Associatieovereenkomsten tussen de EEG en de Afrikaanse Staten en Madagascar, en verzocht de president van het Tribunale van Genua om uitvaardiging van een dwangbevel tegen de Italiaanse administratie van de Staatsfinanciën tot terugbetaling van de bedragen die hij, zijns inziens ten onrechte, had moeten betalen.
Daarop heeft de kennisnemende rechter krachtens artikel 177, tweede alinea, EEG-Verdrag het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld:
„1.
Vormt de bij artikel 32, lid 4, van de „Gecoördineerde tekst der sanitaire wetten” van 27 juli 1934 ingevoerde en bij wet nr. 30 van 23 januari 1968 op een bepaald bedrag vastgestelde heffing wegens sanitaire keuring van ingevoerde dierlijke produkten, gezien haar bovengenoemde kenmerken, een heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag?
2.
Zijn ingevolge artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag alle heffingen van gelijke werking als een douanerecht voor intracommunautaire importen per 1 juli 1968 dan wel per 1 januari 1970 afgeschaft?
3.
Heeft de term heffing van gelijke werking als een douanerecht dezelfde betekenis in:
a)
artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag,
b)
artikel 2, lid 1, van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en de Afrikaanse Staten en Madagascar, ondertekend te Jaoende op 20 juli 1963, geratificeerd door Italië bij wet nr. 406 van 20 mei 1964 en in de communautaire rechtsorde opgenomen bij besluit nr. 64/345/EEG van de Raad van 5 november 1963,
c)
artikel 2, lid 1, van de Associatieovereenkomst tussen de EEG en de Afrikaanse Staten en Madagascar, ondertekend te Jaoende op 29 juli 1969, geratificeerde door Italië bij wet nr. 1408 van 7 december 1970 en in de communautaire rechtsorde opgenomen bij besluit nr. 539/70/EEG van de Raad van 29 september 1970?
4.
a)
Heeft artikel 2, lid 1, van de Associatieovereenkomst van Jaoende van 20 juli 1963 rechtstreekse werking?
b)
Verleent dit artikel de onderdanen der Gemeenschap een subjectief recht om betaling aan de staat van heffingen van gelijke werking als een douanerecht te weigeren, welk recht door de nationale rechter moet worden gehandhaafd?
c)
Heeft dit artikel deze werking vanaf 1 juli 1968 dan wel 1 januari 1970?
5.
Heeft de bij artikel 2, lid 1, der beide Associatieovereenkomsten van Jaoende ingestelde verplichting van de staten om geen heffingen van gelijke werking als een douanerecht toe te passen, sedert het in antwoord op vraag 4 c bepaalde tijdstip onafgebroken bestaan?”
Wil het antwoord van het Hof praktisch bruikbaar zijn, dan dient men zich eerst een beeld te vormen van de nationale wettelijke regeling die naar het gevoelen van de verwijzende rechter wellicht in strijd zou kunnen zijn met de uit het Gemeenschapsrecht voorvloeiende verplichtingen van de staat. Zoals nog onlangs in een arrest van 30 september 1975, zaak 32-75 (Cristini, Jurispr. 1975, blz. 1085) is overwogen, is het Hof in het kader van artikel 177 weliswaar niet bevoegd een communautaire regel op een bepaald geval toe te passen en een bepaling van nationaal recht te kwalificeren, doch wel kan het de nationale rechter interpretatiegegevens met betrekking tot het Gemeenschapsrecht verstrekken, die bij de beoordeling van de nationale bepaling als richtlijn kunnen dienen.
2.
Laten wij dus eens nagaan met welk doel en op welke wijze de keuring wordt verricht respectievelijk bij het slachten van voor menselijke consumptie bestemde dieren en bij de invoer van ongelooide huiden van die dieren, alsmede hoe de heffing in de gevallen wordt berekend.
Binnenlands slachtvee moet in Italië veterinair worden gekeurd om vast te stellen of het vlees (dat in het Verdrag als een landbouwprodukt wordt beschouwd) geschikt is voor consumptie.
Deze keuring vindt twee keer plaats: eerst vóór het slachten aan het levende dier, en vervolgens aan het dode dier. Ofschoon het dus voornamelijk om de gezondheid van het vlees gaat, heeft die keuring zijdeling ook op de huid betrekking, namelijk voor zover deze een aanwijzing kan opleveren voor de toestand van het dier.
Het wegens deze keuring geheven recht wordt ofwel „per stuk” ofwel forfaitair berekend.
De keuring van ingevoerde ruwe huiden, geclassificeerd als dierlijke produkten en slachtafvallen voor industrieel gebruik, dient ter bestrijding van epidemies onder het vee een ter bescherming van de binnenlandse fauna (artikel 32 van de Gecoördineerde Gezondheidswetten, Koninklijk decreet nr. 1265 van 27 juli 1934, Gazzetta Ufficiale nr. 186 van 9. 8. 1934, supplement). Het geheel van de daartoe uitgevaardigde regels en bepalingen vormt de verordening betreffende de veterinaire politie (decreet van de president van de republiek nr. 320 van 8. 2. 1954, met name de artikelen 56 en 57, GU nr. 142 van 24. 6. 1954, nr. 142).
De keuring wordt verricht door de veterinaire diensten van de grensposten, havens en luchthavens genoemd in het ministerieel decreet van 29 februari 1960 (GU nr. 80 van 1. 4. 1960). De wijze van uitvoering verschilt al naar gelang de huiden nog ziektekiemen kunnen bevatten (verse huiden, verse gezouten huiden) dan wel vanwege hun toestand of de ondergane bewerking geen infectieziekten meer kunnen overbrengen (nat gezouten of gepekelde dan wel gedroogde gezouten huiden).
In het algemeen beperkt men zich tot een controle op de conserveringstoestand van de waar en op zijn overeenstemming met de controlecertificaten van herkomst, indien deze vereist zijn. Terwijl bij verse huiden, ook indien gezouten, soms een aanvullende laboratoriumanalyse nodig kan zijn, heeft de veterinaire keuring van nat gezouten (gepekelde) en van gedroogde huiden veelal niet meer om het lijf dan een simpele administratieve controle.
De rechten die worden geheven, dienen ter bestrijding van de kosten van de „proeven” van het sanitaire onderzoek of van de eventueel noodzakelijke laboratoriumanalyse. Zij worden volgens het gewicht berekend.
3.
Ter beantwoording van de vraag of het wegens veterinaire keuring van ingevoerde huiden geheven recht de in 's Hofs rechtspraak omschreven karaktertrekken van een heffing van gelijke werking vertoont, moeten wij allereerst nagaan of het ook op gelijksoortige nationale produkten wordt toegepast.
Dit blijkt niet het geval te zijn. Voor huiden van in het binnenland geslachte dieren bestaat er immers geen keuring overeenkomend met die in verband waarmee de litigieuze heffing wordt opgelegd. Eerstbedoelde keuring heeft zowel een ander object als een ander doel: zij heeft niet specifiek betrekking op de huid, maar op het dier in zijn geheel; bovendien is zij niet bedoeld om besmetting van de binnenlandse veestapel te voorkomen, maar alleen om vast te stellen of het vlees geschikt is voor menselijke consumptie.
Het gaat dus om een last die wordt opgelegd bij de toelating van de waar op het nationale grondgebied, en die geen deel uitmaakt van een algemeen binnenlands belastingstelsel dat systematisch en volgens identieke maatstaven wordt toegepast op binnenlandse en ingevoerde produkten.
Gelet op de wijze waarop in de rechtspraak van het Hof een heffing van gelijke werking als een douanerecht is omschreven, en met name op 's Hofs uitspraak betreffende lasten wegens sanitaire grenscontroles, arrest in zaak 29-72 (Marimex, Jurispr. 1972, blz. 1317), zou de litigieuze invoerheffing bij gebreke van een overeenkomstige binnenlandse heffing slechts dan niet onder het verbod van artikel 13 vallen, indien zij een tegenprestatie zou zijn voor een aan de individuele importeur bewezen dienst. Dit is evenwel niet het geval, want, zoals gezegd de betrokken keuring is voorgeschreven om redenen van algemeen belang.
4.
De onderhavige zaak heeft echter ook betrekking op invoeren uit Senegal, een met de Gemeenschap geassocieerde staat. Daarom wordt het Hof in de derde plaats gevraagd of de term heffing van gelijke werking als een douanerecht in artikel 2, lid 1, van de Associatieovereenkomsten tussen de EEG en de Afrikaanse Staten en Madagascar, ondertekend te Jaoende op 20 juli 1963 en 29 juli 1969, dezelfde betekenis heeft als de onvereenkomstige term in artikel 13 EEG-Verdrag. Het Hof heeft zich reeds bevoegd verklaard om onder artikel 177 uitlegging te geven aan internationale overeenkomsten die de Gemeenschap ingevolge artikel 228 van het Verdrag heeft gesloten. Aldus stilzwijgend het arrest van 7 februari 1973, zaak 40-72 (Schroeder, Jurispr. 1973, blz. 125) en uitdrukkelijk het arrest van 30 april 1974, zaak 181-73 (Haegeman, Jurispr. 1974, blz. 459).
Tegen deze bevoegdverklaring zijn bedenkingen ingebracht voor zover zij ook geldt voor andere gevallen dan die waarin de prejudiciële uitlegging van de overeenkomst verband houdt met een vraag betreffende de uitlegging of geldigheid van een Gemeenschapshandeling. Men bedenke evenwel dat wanneer van een nationale rechter een uitspraak wordt gevraagd of een handeling of gedraging van een Lid-Staat in overeenstemming is met de verplichtingen van de Gemeenschap ingevolge een internationale overeenkomst die krachtens artikel 228, lid 2, EEG-Verdrag ook elke Lid-Staat afzonderlijk bindt, het stellig toelaatbaar, ja zelfs noodzakelijk is daarbij mede die overeenkomst in aanmerking te nemen om te kunnen bepalen welke de communautaire verplichting van de staat is, die ofschoon voortvloeiend uit het Verdrag, materieel omschreven is in de overeenkomst welke de Gemeenschap bindt.
Weliswaar is de overeenkomst noodzakelijkerwijze een twee- of meerzijdige rechtshandeling, die als zodanig niet met naar hun aard eenzijdige handelingen van de Gemeenschapsexecutieve kan worden vergeleken. Maar het bepalen van de draagwijdte van een communautaire verplichting van de staat is niettemin een vraag van uitlegging van het Gemeenschapsrecht, en om de prejudiciële bevoegdheid van het Hof in zulke gevallen te funderen, is het dus niet nodig een internationale overeenkomst met een handeling van een Gemeenschapsinstelling gelijk te stellen.
Zo gezien kan 's Hofs verwijzing in de zaak-Haegeman naar de Gemeenschapshandeling in verband met door de Gemeenschap gesloten internationale overeenkomsten als bedoeld in artikel 228, aldus worden begrepen, dat het internationale Verdrag, als een tot de internationale rechtsorde behorende rechtsregel, niet uit zichzelf rechtstreekse gevolgen heeft voor de onderdanen van de Gemeenschap, doch slechts door tussenkomst van een handeling van de Gemeenschapsexecutieve.
Dit vooropgesteld, willen wij thans overgaan tot de derde vraag van de Italiaanse rechter.
Vooreerst zij opgemerkt, dat de beide Overeenkomsten van Jaoende, zij het in andere vorm en in de gewijzigde omstandigheden van inmiddels onafhankelijk geworden landen, in wezen een voortzetting zijn van de oorspronkelijk eenzijdig door het EEG-Verdrag tot stand gebrachte associatie met de landen en gebieden overzee, nader geregeld in de krachtens artikel 136 aan het Verdrag gehechte Toepassingsovereenkomst.
Wat nu de betrokken bepalingen van de beide Overeenkomsten van Jaoende betreft, verwijst de eerste in artikel 2, lid 1, uitdrukkelijk naar de overeenkomstige bepalingen van het EEG-Verdrag (artikel 12 en volgende). Genoemd artikel bepaalt immers dat 'voor produkten van oorsprong uit de geassocieerde staten de douanerechten en heffingen van gelijke werking als dergelijke rechten bij invoer in de Lid-Staten geleidelijk worden afgeschaft zoals dit tussen de Lid-Staten geschiedt overeenkomstig de artikelen 12, 13, 14, 15 en 17 van het Verdrag en de genomen of nog te nemen besluiten over de versnelling van het tempo van verwezenlijking der doelstellingen van het Verdrag.'
Hieruit blijkt duidelijk dat de inhoud van het daar bedoelde begrip heffing van gelijke werking dezelfde is als in de genoemde artikelen van het Verdrag, al behoeft dit in de onder deze bepaling vallende internationale betrekkingen van de Gemeenschap niet alle gevolgen te hebben die daaruit voortvloeien binnen de gemeenschappelijke markt, waar zij immers slechts hun rechtvaardiging vinden in het integratieproces dat het EEG-Verdrag tussen de Lid-Staten op gang heeft gebracht. Evenmin kan een andere betekenis worden aangenomen in de tweede overeenkomst, die na het einde van de overgangsperiode in werking moest treden toen het handelsverkeer tussen de Lid-Staten volledig was geliberaliseerd, zodat het voldoende was te bepalen dat „produkten van oorsprong uit de geassocieerde staten met vrijdom van douanerechten en heffingen van gelijke werking in de Gemeenschap mogen worden ingevoerd”, waarbij evenwel de regeling voor deze produkten niet gunstiger mocht zijn dan die welke de Lid-Staten onderling toepassen.
5.
De vierde vraag komt erop neer of genoemde bepalingen van de beide overeenkomsten rechtstreekse werking hebben in de communautaire rechtsorde, dat wil zeggen subjectieve rechten verlenen aan de particulieren die bij een juiste toepassing belang hebben.
In de eerste plaats kan men zich afvragen of een bepaling van een overeenkomst die buiten de communautaire en binnen een algemene internationale rechtsorde existeert en als zodanig haar eigen regels volgt, een zelfde rechtstreekse werking kan hebben in het interne stelsel van de Gemeenschap als een communautair rechtsvoorschrift. Daarbij kan ook van belang zijn of de betrokken internationale overeenkomst, gelet op haar inhoud en doel, gebaseerd is op het beginsel van strikte wederkerigheid — niet om haar rechtstreekse werking te doen afhangen van de omstandigheid dat het betrokken derde land zich aan de Verdragsbepalingen houdt, maar om vast te stellen of de overeenkomst in principe geëigend is rechtstreeks werkende normen te bevatten.
Dit is een tamelijk ingewikkeld probleem dat, indien gesteld in verband met internationale verdragen van het klassieke type waarbij de Gemeenschap partij is, een grondiger bespreking zou verdienen.
Dat een willekeurig, door de Gemeenschap gesloten internationaal verdrag, dat alle partijen dezelfde verplichtingen oplegt en dus strikt op wederkerigheid is gebaseerd, de particulieren subjectieve rechten tegenover de Gemeenschap en de Lid-Staten zou verlenen, is iets wat wij niet zonder voorbehoud en zonder nadere bestudering kunnen accepteren.
Hoewel het Hof in zijn arrest in de gevoegde zaken 21 en 24-72 (International Fruit, Jurispr. 1972, blz. 1219) heeft gewezen op de noodzaak van een communautaire oplossing bij de omschrijving van de draagwijdte van een verdrag in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten, heeft het terecht vermeden de begrippen en criteria die het heeft aanvaard voor gevallen waarin de verhouding tussen communautair en nationaal recht een rol speelt, automatisch ook op de verhouding tussen communautair recht en volkenrecht toe te passen. Ten aanzien van zulke fundamentele beginselen en begrippen als de voorrang van het Gemeenschapsrecht op het nationale recht en de rechtstreekse werking ervan, is 's Hofs rechtspraak steeds uitgegaan van de bijzondere kenmerken en functionele eisen van het communautaire systeem, waardoor de rechtsorde van de Europese Gemeenschap zich in wezen zo duidelijk onderscheidt van de volkenrechtelijke orde. Juist dankzij dit verschil, dat het Hof herhaaldelijk in het licht heeft gesteld — zie inzonderheid de arresten 26-62 (Van Gend & Loos, Jurispr. 1963, blz. 1) en 6-64 (ENEL, Jurispr. 1964, blz. 1127) — kon het verzet van rechtspraak en doctrine worden overwonnen in de staten die het Gemeenschapsrecht als volkenrecht beschouwden en allerlei hinderpalen opwierpen voor de verwezenlijking van het beginsel van de eenvormigheid van het Gemeenschapsrecht in de gehele gemeenschappelijke markt.
Het zou wellicht hiermee in strijd kunnen schijnen, en in de praktijk zelfs schadelijk, tenminste met betrekking tot bepaalde landen, om het communautaire begrip van een rechtstreeks toepasselijke norm, dat juist als garantie van bovenbedoelde eenvormigheid is ontwikkeld, zonder meer in het internationele verdragenrecht over te nemen.
In casu gaat het evenwel om internationale overeenkomsten met een bijzonder karakter. In de grond beschouwd, kan men in de eerst plaats vaststellen dat zij een volmaakte voortzetting zijn van de associatieregeling die oorspronkelijk door het EEG-Verdrag zelf tot stand is gebracht. Aangezien de associatie in de eerste plaats als een begunstiging van de ontwikkelingslanden is gedacht, zijn de betrokken overeenkomsten niet op strikte wederkerigheid gebaseerd. De verplichtingen van de Gemeenschap en de Lid-Staten zijn niet dezelfde als die van de geassocieerde staten. Met name voorzien de overeenkomsten in concessies van de Gemeenschap en de Lid-Staten ten gunste van de geassocieerde staten ten einde hun ontwikkeling te bevorderen.
Dit blijkt met name ook wanneer men artikel 2, betreffende de verplichtingen van de Gemeenschap en de Lid-Staten ten aanzien van de uitvoer van produkten uit de geassocieerde staten, vergelijkt met het veel ruimere artikel 3 betreffende de invoer van produkten uit de Gemeenschap in de geassocieerde staten.
Indien derhalve de bepalingen van de overeenkomsten, gezien in de context van de regeling waarvan zij deel uitmaken, voldoen aan de vereisten die 's Hofs rechtspraak met het oog op toekenning van rechtstreekse werking stelt, lijkt het met de aard en het doel van deze overeenkomsten niet in strijd te zijn om aan de verplichtingen die ingevolge die overeenkomsten op de Lid-Staten rusten, subjectieve rechten van de particulieren vast te knopen.
Gezien de voornoemde bijzondere kenmerken van de associatieregeling, en zonder in te gaan op het eerder gestelde meer algemene probleem, menen wij derhalve dat deze speciale overeenkomsten geëigend zijn rechten ten gunste van de particulieren in het leven te roepen.
6.
Komen wij thans tot de vraag of dit ook geldt voor artikel 2 van de Overeenkomsten van Jaoende. Overeenkomstig de door het Hof in de zaak International Fruit toegepaste criteria, moeten wij niet slechts nagaan of die bepaling op zichzelf naar haar inhoud volledig en voldoende bepaald is, zodat zij zonder nadere uitvoeringsvoorschriften van de communautaire overheid door de rechter kan worden toegepast; daarnaast dienen wij ook te onderzoeken of de bepaling, ofschoon op zich beschouwd aan die eisen beantwoordend, wellicht thuis hoort in een normatieve context die, anders dan de communautaire rechtsorde, zich verzet tegen rechtstreekse toepassing door de nationale rechter, zodat de particulieren er dus geen rechten aan kunnen ontlenen. Vooreerst dient opgemerkt dat het verbod dat dit artikel aan de Gemeenschap en dus ook aan de Lid-Staten oplegt, onvoorwaardelijk is en ten aanzien van zijn voorwerp duidelijk omschreven. In tegenstelling tot artikel XI van het GATT waarbij contingentering van in- en uitvoer van produkten uit een andere Verdragsluitende staat is verboden, stelt de hier bedoelde norm de mogelijkheid van afwijking afhankelijk van basisregels en nauwkeurig omschreven procedures. De enige mogelijkheid is vervat in artikel 13, lid 2, van de eerste overeenkomst en het overeenkomstige artikel 16, lid 2, van de tweede overeenkomst. Hiervan kan slechts in uitzonderingsgevallen gebruik worden gemaakt, namelijk bij bijzonder ernstige moeilijkheden en op bepaalde voorwaarden, op overeenkomstige wijze als in de vrijwaringsclausule van artikel 226 EEG-Verdrag was voorzien; en wanneer die uitzonderingsmaatregelen door de Lid-Staten worden genomen, vereisen zij bovendien een voorafgaande machtiging van de Gemeenschap, zodat het Hof steeds toezicht kan uitoefenen op de juiste toepassing van het artikel.
Op grond derhalve van de aldus omschreven kenmerken van de onderhavige Verdragsbepaling in de context van het bijzondere internationale stelsel waarvan zij deel uitmaakt, alsmede van het feit dat zij onder het stelsel van het EEG-Verdrag valt en onder de daarin voorziene controles en waarborgen met betrekking tot de toepassing ervan door de communautaire en nationale overheden, is het mogelijk haar in de communautaire en dus ook in de nationale rechtsorde van de Lid-Staten rechtstreekse werking toe te kennen; zij is mitsdien ook geëigend de particulieren het recht te verlenen betaling van de verboden heffingen te weigeren.
7.
Uit artikel 2, lid 1, van de Overeenkomst van Jaoende van 1963 juncto artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag, waarnaar eerstgenoemd artikel verwijst, volgt dat het verbod voor de Lid-Staten om heffingen van gelijke werking als douanerechten toe te passen, geldt vanaf 1 januari 1970, overeenkomstig 's Hofs arrest van 18 juni 1975, zaak 94-74 (IGAV, Jurispr. 1975, blz. 711).
De overeenkomstige bepaling van de Overeenkomst van Jaoende van 1969 werkt vanaf 1 januari 1971, het tijdstip waarop deze overeenkomst in werking is getreden.
Uit de verwijzing in artikel 2, lid 1, van de eerste overeenkomst naar artikel 12 EEG-Verdrag kan voorts worden afgeleid dat de Lid-Staten tot de inwerkingtreding van deze overeenkomst geen nieuwe heffingen van gelijke werking in het verkeer met de geassocieerde staten mochten invoeren noch bestaande heffingen verhogen.
8.
Ten slotte vraagt de Italiaanse rechter of deze verboden na hun inwerkingtreding onafgebroken zijn blijven voortbestaan.
Aangenomen dat de twee verlengingen van de overeenkomst naar Gemeenschapsrecht geldig zijn, kan de wijze waarop zij tot stand zijn gekomen, geen invloed hebben op de rechtstreekse toepasselijkheid van de bepaling.
De eerste overeenkomst verviel op 30 mei 1969, en in de periode tot de inwerkingtreding van de tweede op 1 januari 1971, heeft de associatieraad krachtens haar bevoegdheden ex artikel 44 en 47 van de overeenkomst haar tot tweemaal toe verlengd bij besluit nr. 30/69 van 29 mei 1969 en nr. 31/70 van 15 mei 1970, waardoor een onderbreking werd voorkomen.
De wettigheid van die procedure is noch door de verwijzende rechter noch door interveniënten in de prejudiciële procedure in twijfel getrokken, zoals met betrekking tot dezelfde overeenkomst en dezelfde periode evenmin het geval was in zaak 48-74 (Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1392). s Hofs arrest in deze zaak erkent in de vierde rechtsoverweging uitdrukkelijk dat de overeenkomst ingevolge van het besluit van de associatieraad van kracht is gebleven.
Het moet dus uitgesloten worden geacht dat de verplichtingen der Lid-Staten ingevolge artikel 2, lid 1, gedurende een bepaalde tijd niet zouden hebben bestaan.
Wij stellen mitsdien voor de gestelde vragen te beantwoorden als volgt:
1.
Als heffingen van gelijke werking als douanerechten en als zodanig sedert 1 januari 1970 verboden, zijn te beschouwen geldelijke lasten — hoe gering ook — die wegens een veterinaire keuring bij grensoverschrijding worden opgelegd, wanneer die lasten worden vastgesteld volgens specifieke maatstaven welke niet kunnen worden vergeleken met die ter vaststelling van de geldelijke last op gelijksoortige binnenlandse waren.
2.
De term heffingen van gelijke werking heeft in artikel 2, lid 1, van de Associatieovereenkomsten van Jaoende van 20 juli 1963 en 29 juli 1969 dezelfde betekenis als in artikel 13, lid 2, EEG-Verdrag.
3.
Artikel 2, lid 1, van genoemde overeenkomsten is rechtstreeks van toepassing in de rechtsorde van de Lid-Staten en verleent mitsdien voor zover het heffingen van gelijke werking betreft, per 1 januari 1970 de particulieren subjectieve rechten die door de nationale rechter moeten worden gehandhaafd.
4.
De rechten die de particulieren aan artikel 2, lid 1, van de overeenkomst van 1963 ontlenen, zijn tot de inwerkingtreding van de overeenkomst van 1969 zonder onderbreking blijven voortbestaan.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy