CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 21 JANUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In april 1971 nam de firma Miritz uit Göttingen uit haar open douanedepot een bepaalde hoeveelheid uit Italië ingevoerd distillaat van citrusvruchtenschillen, om deze in het vrije verkeer te brengen. Het betreft hier een geconcentreerd extract van verschillende aromatische stoffen in een oplossing van alcohol, dat onder tariefpost 33.04 II valt en dient als basisprodukt voor de bereiding van de dranken van tariefpost 22.06.
Het hoofddouanekantoor te Göttingen vorderde voor de inklaring van dit alcoholhoudende produkt bij beschikking van 18 mei 1971 een compenserende heffing („Ausgleichsabgabe”) overeenkomstig artikel 1, lid 1, van de Duitse wet van 23 december 1970 („Gesetz über die Erhebung einer besonderen Ausgleichsabgabe auf eingeführten Branntwein”). Tegen deze beschikking kwam de firma Miritz op grond van zowel het Duitse als het communautaire recht in beroep bij het Finanzgericht Hamburg dat haar bij vonnis van 28 juni 1972 op grond van het nationale recht in het gelijk stelde.
Het hoofddouanekantoor wendde zich daarop ter cassatie tot het Bundesfinanzhof, stellende dat ingevolge de wet van 23 december 1970 de toepassing van bedoelde „Ausgleichsabgabe” zowel naar nationaal als naar Gemeenschapsrecht alleszins rechtmatig was.
Het Bundesfinanzhof verzoekt U thans om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
1.
Is de instelling van een heffing die uitsluitend op uit andere Lid-Staten ingevoerde distillaten en ethylalcoholhoudende produkten drukt en waarvan de hoogte overeenkomt met de algemene belasting van soortgelijkeinheemse produkten door het „Branntweinmonopol”, zonder dat deze produkten uitdrukkelijk aan dezelfde compenserende heffing zijn onderworpen, in strijd met artikel 12, EEG-Verdrag?
2.
Zo neen, is dan het opleggen van de sub 1 genoemde heffing in strijd met artikel 37, lid 2, EEG-Verdrag?
3.
In geval de eerste of tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is dan de toepassing van de sub 1 genoemde heffing gedekt door artikel 37, lid 4, EEG-Verdrag?
Uit de opmerkingen van de betrokkenen, met name die van de Duitse regering en de Commissie, blijkt dat de „Ausgleichsabgabe”, die dient ter compensatie van het verschil tussen de prijs van in Duitsland geproduceerde alcohol en de lagere verkoopprijs in andere Lid-Staten, noch in formeel noch in economisch opzicht overeenkomt met de algemene belasting op soortgelijke inheemse produkten. Ter zitting heeft de vertegenwoordiger van de Bondsrepubliek bevestigd dat — afgezien van technische bijzonderheden — deze heffing in feite steeds gelijk is aan het verschil tussen de door het monopolie aan binnenlandse producenten betaalde prijs en de lagere prijs in het land van uitvoer.
De heffing doet denken aan het bijzondere recht op de invoer van ontbijtkoek (Einfuhrsonderabgabe), behandeld in de gevoegde zaken 2 en 3-62 (Commissie t. Groothertogdom Luxemburg en Koninkrijk België, Jurispr. 1962, blz. 855), en aan de „Sonderabgabe” op koelkasten, behandeld in de zaak 13-63 (Italiaanse Regering t. Commissie, Jurispr. 1963, blz. 355).
Zij is dus wel te onderscheiden van de heffing in de zaak 45-75 (Rewe). Immers, in die zaak gaat het om een heffing op grond van de wet van 1922 ter compensatie van de belasting op inheemse produkten en de administratieve kosten van het monopolie (Monopolausgleich), terwijl de onderhavige heffing een autonome beschermingsmaatregel is ter compensatie van het prijsverschil tussen inheemse en buitenlandse produkten.
Aangezien het Hof de beide zaken zelfs voor de mondelinge behandeling niet heeft willen voegen, zal ik trachten de dingen zorgvuldig te scheiden, doch anderzijds zoveel mogelijk aansluiten bij hetgeen Advocaat-Generaal Reischl onlangs in de zaak Rewe en Advocaat-Generaal Dutheillet de Lamothe destijds in de zaak 13-70 (Cinzano, Jurispr. 1970, blz. 1098) heeft opgemerkt over de zeer ingewikkelde inrichting van dit monopolie, daar ik geen betere analyse van deze regeling zou kunnen geven dan zij reeds hebben gedaan.
Ik wil er alleen op wijzen dat het Duitse monopolie vóór de inwerkingtreding van de wet van 23 december 1970 het alleenrecht had voor de invoer van ethylalcohol en ethylalcoholhoudende produkten in Duitsland. Destijds werd de rol van de Ausgleichsabgabe dus vervuld door dit exclusieve recht, dat — afgezien van bepaalde produkten — in feite neerkwam op een invoerverbod.
In een zeker verband met deze wet staat een aanbeveling die de Commissie kort voor het einde van de overgangsperiode aan de Bondsregering heeft gericht (PB L 31 van 9. 2. 1970, blz. 20).
In deze aanbeveling zegt de Commissie: „Bij de onvoorwaardelijke openstelling van de Duitse markt voor produkten uit de andere Lid-Staten vóór de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke ordening der markten (voor ethylalcohol verkregen op basis van landbouwprodukten) zou … de verkoop van de Duitse ethylalcohol verkregen op basis van landbouwprodukten in het gedrang kunnen komen, alsmede de concurrentiedruk van Duitse gedistilleerde dranken, en dus de werkgelegenheid en de levensstandaard van de producenten van bepaalde landbouwgrondstoffen.” Onder verwijzing naar artikel 37, lid 4, oordeelde de Commissie dat het tot de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke marktordening noodzakelijk kon zijn bijzondere maatregelen te nemen. De toepassing van een Ausgleichsabgabe bij de invoer van alcohol en alcoholhoudende dranken achtte zij derhalve geoorloofd.
Gevolg gevend aan deze aanbeveling stelde de Bondsrepubliek haar grenzen open, echter met toepassing van een heffing op de invoer van alcoholprodukten, waardoor, aldus de Commissie, in theorie de invoer in de Bondsrepubliek wel mogelijk werd gemaakt, doch dergelijke transacties in de praktijk economisch zonder belang bleven.
Ten slotte wil ik er op wijzen dat bedoelde wet tot stand kwam kort na het arrest in de zaak Cinzano, waarin het Hof besliste:
„Een heffing bij invoer van produkten uit andere Lid-Staten, welke met het bestaan van een nationaal monopolie verband houdt en voor het eerst na de inwerkingtreding van het Verdrag wordt toegepast, houdt geen inbreuk op artikel 37, lid 2, in zolang deze nieuwe heffing het ingevoerde produkt slechts in dezelfde mate treft als onder het monopolie vallende nationale produkten.”
Hoewel de Ausgleichsabgabe is geregeld in een bijzondere wet, hangt zij toch naar aard en opbouw nauw samen met het monopolie. Voor zover zij geldt voor alcohol op basis van landbouwprodukten, is zij evenzeer als het monopolie onderdeel van de nationale marktordening voor de betrokken landbouwprodukten.
Ruwe alcohol op basis van landbouwprodukten is kort voor afloop van de termijn bedoeld in artikel 38, lid 3, EEG-Verdrag bij 's Raads verordening nr. 7 bis van 18 december 1959 opgenomen in bijlage II van het Verdrag en daarmee erkend als landbouwprodukt in de zin van de artikelen 38 en 46 van het Verdrag. Volgens Uw arrest van 25 mei 1974 in de zaak 185-73 (König, Jurispr. 1974, blz. 617) wordt aan de geldigheid van deze verordening niet afgedaan doordat zij pas ruim een jaar na afloop van deze termijn in het Publikatieblad is verschenen.
2.
Allereerst rijst de vraag of het bij de betrokken heffing gaat om een „nieuwe” maatregel in de zin van artikel 37, lid 2, welke in strijd is met de in lid 1 genoemde beginselen of de draagwijdte van de bepalingen inzake de afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten beperkt. Anders gezegd: is artikel 37, lid 2, op deze heffing rechtstreeks van toepassing?
Volgens Uw arrest van 15 juli 1964, in de zaak 6-74 (Costa, Jurispr. 1964, blz. 1224) heeft artikel 37, lid 2, directe werking en U stelt zich sedert lang op het standpunt dat hetzelfde geldt voor artikel 12.
In de zaak 82-71 (SAIL, Jurispr. 1972, blz. 141) en de nog lopende zaken 45-75 (Rewe) en 59-75 (Manghera) hebben de Advocaten-Generaal in hun conclusies overigens aan artikel 37, lid 1, vanaf 1 januari 1970 eveneens rechtstreekse werking toegekend, en ik deel hun mening ten deze.
Zonder twijfel moet deze heffing, die eind 1970 werd ingevoerd en op 1 januari 1971 in werking is getreden, onverenigbaar worden geacht met artikel 12 dat een algemeen verbod tot invoering van heffingen van gelijke werking als douanerechten bevat en waarop de eerste vraag van het Bundesfinanzhof betrekking heeft.
Daar de heffing echter nauw samenhangt met de werking van een nationaal monopolie, moet zij vooral worden getoetst aan de speciale regeling voor monopolies (artikel 37), welke overigens in lid 2 eveneens terugspeelt op artikel 12. Artikel 37, lid 2, zegt namelijk: „De Lid-Staten onthouden zich ervan enige nieuwe maatregel te treffen welke tegen de in lid 1 vermelde beginselen indruist of de draagwijdte van de artikelen inzake de afschaffing der douanerechten en der kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten beperkt.
In verband met deze bijzondere bepaling werkt de eerste vraag van het Bundesfinanzhof over de uitlegging van artikel 12 door in de tweede en derde vraag, die beide de uitlegging van artikel 37 betreffen.
In de eerste plaats moet men zich afvragen hoe de litigieuze heffing moet worden gekwalificeerd in het licht van de standstill-bepalingen van artikel 37, lid 2, in verband met de discriminatie bedoeld in artikel 37, lid 1, en met name ten aanzien van douanerechten en maatregelen van gelijke werking.
Moet de heffing, die immers in de plaats treedt van een algemeen invoerverbod buiten het nationaal monopolie om en dus — althans formeel gezien — neerkomt op een minder strenge beperking dan voorheen, niet worden beschouwd als een maatregel die een wijziging van het monopolie inhoudt, doch geen „nieuwe” beperkende maatregel vormt?
Deze vraag had zich wellicht kunnen voordoen, wanneer de heffing gedurende de overgangsperiode voor een beperkte tijdsduur was vastgesteld als een etappe in de loop van de in lid 1 voorgeschreven aanpassing van het nationale monopolie. Deze maatregel is evenwel zonder enige tijdsbepaling lang na het verstrijken van de hiertoe in het Verdrag genoemde termijn vastgesteld. Zij kan dus niet meer worden gerechtvaardigd als een fase in een procedure die reeds beëindigd had moeten zijn. Na het einde van de overgangsperiode is trouwens ook niet zozeer een schending van de „standstill” op douanegebied van belang, als wel dat met betrekking tot een monopolie een regeling blijft bestaan, die ook na wijziging nog in strijd is met de Verdragsbepalingen inzake het vrije verkeer van goederen binnen de Gemeenschap.
Om echter vast te stellen of het Verdrag een volstrekt verbod tot invoering van heffingen als de onderhavige bevat, moeten wij nagaan wat de strekking is van lid 4, dat luidt: „Wanneer er een monopolie van commerciële aard bestaat, dat een regeling ter vergemakkelijking van de afzet of van de valorisatie van landbouwprodukten omvat, dienen bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel gelijkwaardige waarborgen te worden gegeven voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, gelet op het ritme van de mogelijke aanpassing en van de noodzakelijke specialisatie.”
Ondanks de vrij vage formulering van dit lid in enkele talen, vooral in het Italiaans, waardoor het kan lijken dat de wetgever hier meer aan een programmabepaling dan aan een voorschrift heeft gedacht, meen ik dat deze bepaling overeenkomstig andere versies (b.v. de Duitse) aldus moet worden begrepen dat de met de toepassing van artikel 37 belaste nationale en communautaire autoriteiten een werkelijke verplichting wordt opgelegd.
Bij de in lid 1 voorgeschreven aanpassing van monopolies als bedoeld in lid 4, moeten de nationale autoriteiten zich aan de in deze bepaling vastgestelde criteria houden, wanneer zij een nieuwe regeling opstellen ten einde iedere discriminatie tussen de onderdanen' van de Lid-Staten ten aanzien van de voorwaarden voor voorziening en afzet af te schaffen.
Ook de Commissie en de Raad moeten die criteria inachtnemen zowel bij de invoering — overeenkomstig artikel 43, lid 3 — van een gemeenschappelijke marktordening in de plaats van een nationale organisatie waarvan het monopolie een onderdeel vormt (deze verplichting geldt, anders dan zoals bepaald in artikel 43, onafhankelijk van het verzet van de staat), als bij de eventuele vaststelling van maatregelen teneinde de aanpassing van de nationale ordening te vergemakkelijken, hetgeen tot invoering van uiteenlopende interventiemaatregelen op nationaal en communautair niveau zou kunnen leiden.
3.
Wij kunnen ons thans gaan inlaten met de vraag of lid 4 de mogelijkheid biedt een heffing als hierbedoeld te onttrekken aan het in lid 1 en lid 2 vervatte verbod om na het verstrijken van de overgangsperiode maatregelen te treffen of te handhaven die indruisen tegen de bepalingen en de grondbeginselen van de gemeenschappelijke markt, zoals het verbod heffingen toe te passen op goederen bij grensoverschrijding binnen de Gemeenschap en het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit.
Formeel gezien vertoont deze bepaling geenszins de kenmerken van gemeenschapsrechtelijke vrijwaringsclausules die immers betrekking hebben op uitzonderings- en overgangsmaatregelen (juist omdat zij afwijken van de fundamentele regels en beginselen van de gemeenschappelijke markt), en die voorzien in een — doorgaans voorafgaande — controle in de vorm van machtiging, of althans in een controle achteraf door de Gemeenschapsautoriteiten ten einde de afwijkingen te beperken tot hetgeen strikt noodzaak is om het nagestreefde doel te bereiken.
Aangezien in casu een dergelijke beperking ontbreekt, zou bij toekenning van een uitzonderingskarakter aan lid 4 in feite iedere Lid-Staat vrij zijn met betrekking tot monopolies op landbouwgebied voor onbeperkte tijd tegen lid 1 indruisende situaties te handhaven. Dit lijkt mij niet verenigbaar met de draagwijdte die de Verdragsauteurs door het vaststellen van een nauwkeurig bepaalde en bindende termijn aan dit voorschrift hebben willen geven, en evenmin met de fundamentele betekenis die in het stelsel van het Verdrag toekomt aan het verbod van discriminatie op grond van de nationaliteit en aan de volledige toepassing van de voorschriften betreffende het vrije verkeer van goederen.
Deze consequentie zou verder gaan dan het doel van het voorschrift, namelijk het opvangen van al te plotselinge wijzigingen in de toestand op het moment van de inwerkingtreding van het Verdrag.
Bij een andere uitlegging dan de mijne zou een met deze grondregels strijdige rechtstoestand logischerwijs mogen worden gehandhaafd: juist het stilzitten van de Staat ten aanzien van de hem in artikel 37 opgelegde verplichting, dus het verzuim om zijn monopolie tijdens de overgangsperiode aan genoemde regels aan te passen met inachtneming van het bepaalde in lid 4, zou ook het nemen van nieuwe afwijkende maatregelen rechtvaardigen.
Ik acht deze consequentie niet aanvaardbaar, omdat zij — zoals wij zagen — niet met zoveel woorden in de bepaling is voorgeschreven en moeilijk in overeenstemming is te brengen met het communautaire stelsel. Ik meen dat lid 4 als richtsnoer voor bovengenoemde autoriteiten moet worden opgevat, om hun criteria te geven waardoor zij zich bij de uitvoering van de overige bepalingen van artikel 37 moeten laten leiden. Aldus moeten de waarborgen voor de werkgelegenheid en de levensstandaard van de betrokken producenten, waarnaar de bepaling verwijst, worden nagestreefd en gerealiseerd op een wijze die verenigbaar is met de grondbeginselen van artikel 37, lid 1 en lid 2, en vooral met het volstrekte verbod van discriminatie tussen de onderdanen der Lid-Staten en de noodzaak iedere maatregel te vermijden die afdoet aan de strekking van de artikelen inzake de afschaffing van in- en uitvoerrechten en kwantitatieve beperkingen. Bij dit laatste zij overigens opgemerkt dat artikel 37, lid 2, geen onderscheid maakt op grond waarvan de voorschriften betreffende het verbod van kwantitatieve beperkingen voorrang zouden hebben boven de voorschriften betreffende de afschaffing van in- en uitvoerrechten.
Uit de letter en de ratio van het voorschrift kunnen dan ook geen argumenten worden geput om het verbod van artikel 37 door een restrictieve uitlegging te beperken tot de kwantitatieve beperkingen en op grond van lid 4 uit te sluiten voor in- en uitvoerrechten en maatregelen van gelijke werking op landbouwgebied.
Zelfs zou ik willen zeggen dat artikel 37, hoewel het voor de overgangsperiode uitzondering op het verbod van kwantitatieve beperkingen toelaat, toch in geen geval ten doel heeft de toepasselijkheid van de algemene regel betreffende het verbod en de geleidelijke afschaffing van in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking te beperken. Het nemen van een maatregel van deze aard kan dan ook niet worden gerechtvaardigd op grond van een nauw verband met een bestaand nationaal monopolie, zelfs voor landbouwprodukten.
4.
Deze conclusie, waartoe de uitlegging van het Verdrag leidt, is trouwens in overeenstemming met het beginsel dat ten grondslag ligt aan Uw arrest in de zaak 48-74 (Charmasson, Jurispr. 1974, blz. 1394) volgens hetwelk een nationale marktorganisatie — voorzover zij afwijkt van de grondbeginselen van het vrije verkeer van goederen in de Gemeenschap — slechts tot het einde van de overgangsperiode mag worden gehandhaafd en in de loop van deze periode zoveel mogelijk dient te worden aangepast aan de vereisten van de gemeenschappelijke markt, ten einde de totstandbrenging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid te vergemakkelijken. Het feit dat dit beleid niet — zoals voorzien — is vastgesteld binnen de in artikel 40, lid 1, van het Verdrag vastgestelde termijn, ontheft de Lid-Staten geenszins van de verplichting hun nationale marktorganisatie voor het einde van de overgangsperiode aan te passen aan de regels betreffende de totstandbrenging van de gemeenschappelijke markt. Met het oog hierop is — aldus het Hof — de aanpassing te meer geboden, nu het ontbreken van een gemeenschappelijk landbouwbeleid in strijd is met het dwingend voorschrift van artikel 3, sub d, van het Verdrag.
Deze uitlegging in een geschil dat betrekking had op artikel 33 van het Verdrag betreffende de afschaffing van kwantitatieve beperkingen tussen de Lid-Staten zal evenzeer moeten gelden voor het algemene beginselverbod van in- en uitvoerrechten en heffingen van gelijke werking, aangezien anders het doel dat wordt nagestreefd met het verbod van kwantitatieve beperkingen, zou kunnen worden doorkruist. Overigens geldt dit beginsel a fortiori voor nieuwe, na het einde van overgangsperiode getroffen beperkende maatregelen.
Het door Advocaat-Generaal Reischl genoemde voorbeeld van de beschikking van de Raad van 20 december 1969, waarbij in het kader van de totstandbrenging van een gemeenschappelijk landbouwbeleid uitdrukkelijk voor bepaalde Lid-Staten afwijkende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de toepassing van compenserende heffingen en de voorlopige handhaving van een minimumprijsstelsel na het verstrijken van de overgangsperiode, is niet in tegenspraak met het in het arrest Charmasson aangehaalde Verdragsbeginsel dat na het einde van de overgangsperiode de fundamentele beginselen van de gemeenschappelijke markt ook in de landbouwsector volledig moeten worden toegepast, ongeacht het bestaan van een gemeenschappelijke marktordening. Dit beginsel sluit niet de mogelijkheid uit van tijdelijke afwijkingen, wanneer die uitdrukkelijk worden toegelaten bij een beschikking van de Raad in het kader van een reeks maatregelen die zijn gericht op de geleidelijke instelling van een gemeenschappelijke marktordening in gevallen waarin vóór het einde van de overgangsperiode bijzondere omstandigheden tijdelijk voor bepaalde sectoren of produkten een partiële verzachting van de Gemeenschapsvoorschriften noodzakelijk maken. Anders gezegd: deze afwijkingen zijn in feite vrijwaringsmaatregelen, dus met alle beperkingen en met inachtneming van alle algemene criteria, die voor speciale uitzonderingsmaatregelen gelden. Uit bedoelde beschikking mag echter niet worden afgeleid dat het de Lid-Staten vrijstaat eenzijdig en voor onbepaalde tijd een situatie te laten voortbestaan, die vanaf een zeker moment in strijd is met een rechtstreeks geldende Verdragsregel.
5.
Het verzuim van de bevoegde autoriteiten om het nationale monopolie tijdig aan te passen aan de eisen van het Verdrag, kan de verwezenlijking van de doelstellingen van lid 4 thans bemoeilijken. Dit is echter niet te wijten aan een fout in het door de Verdragsauteurs geschapen stelsel, doch aan de niet-nakoming van Verdragsverplichtingen. Ook mag niet uit het oog worden verloren dat de Commissie hier zelf niet geheel vrijuit gaat, hetgeen zij overigens heeft toegegeven. Immers, zij heeft de Bondsregering eerst enkele maanden geleden in kennis gesteld van haar gewijzigde standpunt, zodat de Bondsregering wel heel weinig tijd had om de nodige maatregelen te treffen. Hierdoor zag de Commissie zich ook genoopt zelf het Hof te verzoeken de Bondsrepubliek uitstel te verlenen voor de vervulling van haar Verdragsverplichtingen.
Ofschoon ik begrip heb voor de praktische noodzaak om aanzienlijke economische en sociale belangen van een groep nationale marktdeelnemers te beschermen, kan ik toch niet inzien hoe het Hof, strikt binnen het kader van een prejudiciële uitleggingsprocedure, voor een concreet geval of althans met het oog op een bijzondere situatie de werking kan uitstelling van voorschriften die sinds het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk zijn.
Het Hof mag immers niet op grond van zijn bevoegdheden ex artikel 177 de wet op een concreet geval toepassen. Ook artikel 174, dat in hoofdzaak handelt over 's Hofs bevoegdheid om vooral met het oog op verworven rechten de terugwerkende kracht van de nietigverklaring van een verordening te beperken, is alleen bestemd om te worden toegepast op de procedure waarvoor het is geschreven, en niet op andere, dat wil zeggen alleen op handelingen van de Gemeenschap en niet op handelingen van nationale organen, en bovendien alleen om de werking van 's Hofs uitspraak voor de toekomst te beperken en niet voor het verleden.
Stellig is het bij de uitlegging van het recht nuttig en nodig rekening te houden met de economische en sociale realiteit en de daaraan verbonden eisen, doch er zijn nu eenmaal grenzen tussen het bevoegdheidsterrein van het Hof en het bevoegdheidsterrein van de wetgever! Praktische overwegingen, hoe belangrijk ook beperken zich immers steeds tot een bepaalde toevallige situatie en kunnen de specifieke taakvervulling van een rechterlijke instelling, die alleen bevoegd is het recht uit te leggen, niet zover beïnvloeden dat zij het door de Verdragsauteurs gegeven stelsel in zijn tegendeel doet verkeren.
Het is veeleer de taak van de Gemeenschapsexecutieve om in het kader van de haar bij het Verdrag toebedeelde bevoegdheden na te gaan wat het meest geschikte middel is om de Bundesregering in staat te stellen het hoofd te bieden aan de te verwachten moeilijkheden. De Commissie zou eventueel tijdelijke spoedmaatregelen kunnen nemen om de negatieve gevolgen van volledige toepassing van het Verdrag voor de betrokken Duitse economische subjecten te temperen, in afwachting van een passende oplossing der problemen, bij voorbeeld in de vorm van een door de Raad in te stellen gemeenschappelijke marktordening. De bevoegde Gemeenschapsorganen zullen zich hiermee des te intensiever hebben bezig te houden, daar hun vroegere nalatigheid heeft bijgedragen tot het voortduren van de huidige laakbare toestand.
6.
Zou het Hof mijn mening niet delen en beslissen dat artikel 37, lid 4, de monopoliehoudende staat de mogelijkheid biedt met eenzijdige compenserende heffingen op ingevoerde produkten de prijs daarvan aan te passen aan de prijs van de nationale monopolieprodukten, dan moet althans worden vermeden dat ingevoerde produkten door deze heffing in een ongunstiger eindprijspositie komen te verkeren dan overeenkomstige nationale produkten.
Hiertoe dient, gelet op de ten processe gemaakte opmerkingen, de betrokken maatregel te voldoen aan de volgende voorwaarden:
1.
Bij de vaststelling van de hoogte van de compenserende heffing moet in de eerste plaats worden gekeken naar de werkelijke gemiddelde prijs van het inheemse produkt en niet naar de gemiddelde prijs van marginale producenten, zoals in casu blijkbaar geschiedt. Hiertoe wil ik er op wijzen dat de Duitse wet uitgaat van de prijzen van distilleerderijen met een gemiddelde jaarproduktie van 500 hl, terwijl volgens de aanbeveling der Commissie van 1969 het peil van de binnenlandse prijzen moest worden vastgesteld op basis van de gemiddelde kostprijs van distilleerderijen met een produktie van 10000 hl.
In de tweede plaats moet niet zoals in casu worden gezien naar de laagste prijzen in het land van herkomst doch, wanneer men van een forfaitair criterium uitgaat en niet van de incidentele vaststelling van de feitelijk betaalde prijs, naar de in die staat toegepast gemiddelde prijs. De extreme prijzen waarop de Duitse wet afgaat, verlenen de inheemse produkten een bescherming die verder gaat dan het aangegeven doel van de prijscompensatie.
2.
Voorts moet, ter voorkoming van ongerechtvaardigde discriminaties rekening worden gehouden met op ingevoerde produkten drukkende vrachtkosten tot de grens van het land van invoer.
3.
Voor een reële en niet slechts schijnbare gelijkstelling van de verkopprijs van ingevoerde produkten en inheemse produkten moet bovendien rekening worden gehouden met eventuele voordelen in enigerlei vorm die het monopolie aan de producenten en handelaren van overeenkomstige inheemse produkten biedt.
Verder kan men zich afvragen of het toepassingsgebied van de heffing niet tot de rechtstreeks onder het monopolie vallende produkten dient te worden beperkt ter voorkoming van hindernissen voor het goederenverkeer die niet noodzakelijk zijn voor de werking van de met het monopolie verbonden nationale marktorganisatie. Zo kan het bij voorbeeld overbodig zijn de compenserende heffing op gedistilleerd van citrusvruchtenschillen toe te passen ter bescherming van de nationale producenten van aardappels, bestemd voor verwerking tot alcohol.
Dat deze voorwaarden moeten worden nageleefd, vloeit ingevolge 's Hofs rechtspraak inzake vrijwaringsclausules voort uit het algemene beginsel dat bij de toepassing van uitzonderingsbepalingen bij voorkeur maatregelen moeten worden gekozen die de goede werking van de gemeenschappelijke markt zo min mogelijk verstoren.
Samenvattend concludeer ik dat op de door het Bundesfinanzhof aan het Hof gestelde vragen worde geantwoord dat ingevolge artikel 37 EEG-Verdrag na het einde van de overgangsperiode niet meer een variabele heffing bij de invoer van produkten uit een andere Lid-Staat kan worden toegepast ter compensatie van het verschil tussen de verkoopprijs van het produkt in het land van herkomst en de hogere prijs die door het nationale monopolie voor het overeenkomstige produkt aan de inheemse producenten wordt betaald.
Artikel 37, lid 4, geeft de Lid-Staten niet de bevoegdheid zich eenzijdig te onttrekken aan de naleving van de in lid 1 en lid 2 bedoelde beginselen en voorschriften.
Subsidiair, voor geval het Hof tot een andere uitlegging van artikel 37, lid 4, zou komen, dient in de door mij aangegeven zin te worden uitgemaakt aan welke grenzen de toepassing van deze bepaling is gebonden.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy