CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 5 FEBRUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Verzoekster in de onderhavige zaak vordert primair nietigverklaring van het besluit der Commissie tot haar ontslag aan het einde van haar proeftijd en subsidiair schadevergoeding.
Verzoekster is mevrouw Germaine van de Roy, echtgenote Lambert, Belgische van natinaliteit. Zij nam met succes deel aan algemeen vergelijkend onderzoek nr. COM/LA/90 van 1973 voor de vorming van een reservelijst van vertalers bij de Commissie en werd bij besluit van 28 februari 1974 per 16 april 1974 aangesteld als ambtenaar op proef op een post in de rang LA 8 bij de Nederlandse vertaalafdeling.
Deze afdeling maakt deel uit van Directoraat D (Vertaling, documentatie, vermenigvuldiging, bibliotheek) van Directoraat-generaal IX (Personeelszaken en Algemeen Beheer) van de Commissie. Het hoofd van de afdeling is de heer Dallinga en de directeur van Directoraat IX-D de heer Ciancio. Het directoraat omvat ook een afdeling „Vertaling: Algemene Zaken”, onder leiding van de heer Pignot.
Bij haar indiensttreding werd verzoekster ingedeeld bij een groep die zich bezighield met ontwikkelingshulp, regionale politiek en vervoer. De heer De Niel, reviseur en tevens coördinator van de groep, werd belast met het toezicht op haar werk. In de eerste maanden van haar proeftijd werden blijkbaar al haar vertalingen gereviseerd door de heer De Niel, die steeds mondeling de aangebrachte correcties toelichtte. Daar deze tijdrovende methode op den duur niet kon worden voortgezet, kreeg zij naderhand haar gereviseerde vertalingen gewoon toegezonden en werd het aan haar overgelaten uitleg te vragen. In deze periode werden haar vertalingen soms ook door anderen dan de heer De Niel gereviseerd. Verzoekster klaagt dat zij zich bij deze gang van zaken moeilijk rekenschap kon geven van haar tekortkomingen, omdat werkelijke fouten, stilistische onvolkomenheden en zuiver persoonlijke voorkeur steeds op dezelfde voet werden behandeld. Volgens haar had zij extra moeilijkheden doordat de Nederlandse taal een snelle ontwikkeling doormaakt en het taalgebruik in het Nederlandstalige deel van België niet steeds overeenstemt met hetgeen in Nederland zelf als algemeen beschaafd wordt beschouwd. Bij de mondelinge behandeling deelde de heer De Niel het Hof echter mede dat hij geen enkel onderscheid maakt tussen de uitdrukkingswijzen in het Noorden en de in geheel België gebruikelijke correcte uitdrukkingswijzen.
Volgens verzoekster gaf de heer De Niel in of omstreeks juni 1974 blijk van zijn tevredenheid over haar vooruitgang. In november van dat jaar was hij echter kennelijk tot de conclusie gekomen dat zij nooit een goede vertaalster zou worden.
Artikel 34 van het Ambtenarenstatuut bepaalt dat ambtenaren van de categorieën A, LA en B een proeftijd van negen maand dienen te volbrengen. Verzoeksters proeftijd eindigde dus op 15 januari 1975.
Artikel 34, lid 2, luidt:
„Uiterlijk een maand voor het verstrijken van de proeftijd wordt ten aanzien van de ambtenaar op proef een beoordeling opgesteld betreffende zijn geschiktheid voor het vervullen van de hem uit hoofde van zijn functie opgedragen taken, alsmede betreffende zijn prestaties en zijn gedrag in de dienst. Deze beoordeling wordt ter kennis gebracht van de betrokkene, die schriftelijk zijn opmerkingen hierover kan maken. De ambtenaar op proef die zich niet voldoende geschikt heeft getoond om in vaste dienst te worden aangesteld, wordt ontslagen.”
De beoordeling van verzoekster moest dus uiterlijk 15 december 1974 worden opgesteld.
Volgens de regeling van de Commissie ter uitvoering van het Ambtenarenstatuut moet een beoordeling van een ambtenaar van de categorie A of LA worden ondertekend door „de betrokken directeur”, in verzoeksters geval dus de heer Ciancio.
Een eerste ontwerp werd echter opgemaakt door de heer Dallinga. Hij deed dit op 8 november 1975, zoals hij het Hof bij de mondelinge behandeling mededeelde in antwoord op een desbetreffende vraag over de datum boven de laatste versie van de beoordeling. Ook deelde hij het Hof mede — en er is geen enkele reden om aan zijn woord te twijfelen — dat vervolgens twee bijeenkomsten plaatsvonden waar het door hem opgestelde beoordelingsrapport werd besproken met de heer De Niel en de andere reviseurs en in rang oudste vertalers van de groep. Het ontwerp is daarop enigszins gewijzigd en opnieuw uitgetypt. Met de ondertekening van deze versie door de heer Ciancio op 29 november 1974 kwam verzoeksters beoordelingsrapport tot stand. Het was mede ondertekend door de heren Pignot en Dallinga als „hoogste geraadpleegde ambtenaren”.
Volgens de regeling van de Commissie moet een beoordeling worden opgesteld op een formulier waarin onder andere wordt gevraagd een aantal eigenschappen van de ambtenaar op proef te waarderen met „zeer goed”, „goed” of „onvoldoende”. In de over verzoekster uitgebrachte beoordeling werden haar organisatievermogen, haar verantwoordelijkheidsbesef, haar snelheid bij het uitvoeren van het werk, haar betrekkingen in de dienst en met derden en haar stiptheid als „goed”, doch de noodzakelijke kennis voor de functie, het begrip, aanpassingsvermogen en inzicht, het initiatief en de kwaliteit van het werk als „onvoldoende” gekwalificeerd. Overeenkomstig de regeling waren deze negatieve beoordelingen telkens van een korte toelichting voorzien. Dan volgde de algemene opmerking dat zij zelfs nog niet het peil had bereikt dat van beginnende vertalers mag worden verwacht, en dat zij kennelijk voordien onvoldoende beroepservaring had opgedaan. De beoordeling eindigde met de aanbeveling haar aan het einde van de proeftijd te ontslaan.
Overeenkomstig artikel 34, lid 2, van het Statuut werd de beoordeling verzoekster op 2 december 1974 medegedeeld.
Na een onderhoud met de heer Ciancio op 3 december ondertekende verzoekster op 9 december de beoordeling op de in het formulier voor opmerkingen harerzijds bestemde plaats, met de vermelding dat zij het niet eens was met de aantekeningen in het rapport. Op dezelfde datum schreef zij een uitvoerig memorandum met commentaar op de kritische opmerkingen in haar beoordeling.
Het komt bij de Commissie blijkbaar maar zelden voor dat een vertaler aan hed eind van de proeftijd wordt ontslagen. Wellicht daarom achtte de heer Ciancio het gewenst de heer Dallinga te verzoeken om een aanvullend rapport over verzoeksters werk en met name om nadere gegevens over de tekortkomingen in haar werk. De heer Dallinga zond de heer Ciancio dit aanvullend rapport op 14 januari 1975 met als bijlage een lijst met tal van voorbeelden van onjuistheden (of vermeende onjuistheden) in verzoeksters vertaalwerk, ingedeeld in drie groepen: A. voorbeelden van onvoldoende kennis van het Nederlands of van slechte stijl; B. voorbeelden van onjuiste of gedeeltelijk onjuiste vertalingen en C. voorbeelden van slordig citeren uit bestaande documenten.
Nergens blijkt echter dat dit aanvullend rapport een rol heeft gespeeld bij de besluitvorming van de Commissie.
De Commissie besloot verzoekster per 16 januari 1975 te ontslaan. Het is niet geheel duidelijk wanneer dit besluit tot stand kwam. Het formele besluit is wel ondertekend door het voor personeelszaken verantwoordelijke lid van de Commissie, doch is niet gedateerd. Verzoekster beweert dat zij op 14 januari 1975 nog steeds niet wist hoe de beslissing zou luiden, dat zij op 15 januari met verlof was, dat de heer Dallinga haar op 16 januari 's morgens bij aankomst op het werk mondeling mededeelde dat zij was ontslagen en dat dit haar — eveneens mondeling — werd bevestigd door de heer Ciancio. Dezelfde dag kwam van genoemd lid der Commissie te 16.43 uur een telexbericht uit Luxemburg (waar hij zich toen blijkbaar bevond) dat zij per 16 januari was ontslagen. 16 januari 's avonds trachtte een bode haar dit bericht nog te overhandigen, doch zonder succes. Volgens verzoeksters verslag van de gebeurtenissen op die avond mislukte die poging hoofdzakelijk door haar eigen toedoen. Hoe dit ook zij, het telexbericht werd haar ten slotte op 17 januari 's ochtends door de heer Dallinga overhandigd en werd bevestigd bij een aangetekend schrijven van de Directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer van 17 januari, ter post afgestempeld op 20 januari en door verzoekster ontvangen op 21 januari. Het bevatte een afschrift van het formele ontslagbesluit.
Op 10 februari 1975 diende verzoekster bij de Commissie een klacht in overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut. De klacht werd bij het Secretariaat-generaal van de Commissie ingeschreven op 12 februari 1975 en bij besluit van de Commissie van 16 mei 1975, aan verzoekster medegedeeld op 2 juni 1975, uitdrukkelijk verworpen.
Op 11 augustus 1975 stelde verzoekster het onderhavige beroep in, waarin zij concludeert tot nietigverklaring van het ontslagbesluit en bijgevolg van het besluit tot afwijzing van de door haar overeenkomstig artikel 90, lid 2, ingediende klacht, en voorts tot vergoeding van de schade, door dit besluit aan haar goede naam toegebracht. Subsidiair vordert zij betaling van een bedrag overeenkomend met tien maanden salaris.
De gronden waarop verzoekster de geldigheid van het ontslagbesluit betwist, zijn te vinden in het bij het beroepschrift gevoegde resumé van haar klacht van 10 februari 1975. Daarin verdeelt zij de gronden in drie groepen.
De eerste groep omvat twee gronden die in verzoeksters gedachtengang begrijpelijkerwijs onderling verband houden. In de eerste plaats beweert zij dat haar kennis van het Nederlands onjuist is beoordeeld; in de tweede plaats meent zij dat de beoordelaars niet de nodige kennis van zaken hadden.
Voor de eerste bewering voert zij aan dat zij een Nederlandse roman „Jakko en Jamuna” had geschreven, die in het bijzonder om het taalgebruik en de stijl, door een aantal vooraanstaande critici, waaronder prof. Smeijers te Brussel, ten zeerste was geprezen. Voorts gaf zij in een bijlage bij de repliek een gedetailleerd puntsgewijs commentaar op de bijlage bij het aanvullend rapport d.d. 14 januari 1975 van de heer Dallinga aan de heer Ciancio.
Even afgezien van de rechtstoestand, lijkt het mij — met alle respect voor verzoekster — feitelijk volstrekt irrelevant dat zij veel succes gehad heeft met haar Nederlandse roman. Het schrijven van romans heeft hoegenaamd niets gemeen met de nodige vakbekwaamheid voor het vertalen van Gemeenschapsdocumenten. Natuurlijk is voor beide een goede taalbeheersing noodzakelijk, doch van geheel ander gehalte. Een roman in de stijl van Gemeenschapsdocumenten over ontwikkelingshulp, regionale politiek of vervoer, zou niet veel lezers vinden en omgekeerd zou het ook onbevredigend zijn wanneer bij de Gemeenschapsinstellingen dergelijke documenten in romanstijl zouden worden vertaald.
Ik keer terug tot het recht dat op dit punt volkomen duidelijk is. Het Hof kan zijn oordeel over de geschiktheid van een ambtenaar voor bepaalde taken niet in de plaats stellen van het oordeel van de betrokken instelling. 's Hofs rechtsmacht is in dergelijke gevallen beperkt tot het onderzoek van de wijze waarop die instelling tot haar besluit is gekomen, en van de juistheid en relevantie van de feiten waarop dat besluit werd gebaseerd. Zie onder meer de zaken 10-55 (Mirossevich t. Hoge Autoriteit, Jurispr. 1955, blz. 395) en 29-70 (Marcato t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 743). In de zaak Mirossevich heeft het Hof wel het advies van een deskundige ingewonnen omtrent de kwaliteit van een door verzoekster gemaakte vertaling, doch dit was om andere redenen. Die zaak speelde namelijk vóór de totstandkoming van het Statuut van de ambtenaren. De betrokkene was door de Hoge Autoriteit aangesteld als vertaalster op een contract met een proeftijd van een maand. In die maand werden haar slechts drie korte vertalingen opgedragen en de vraag was of zij daarmee voldoende gelegenheid had gekregen om haar bekwaamheid te tonen. Ten bewijze dat dit wel het geval was, had de Hoge Autoriteit een van haar vertalingen overgelegd, de twee andere waren blijkbaar verloren gegaan. Volgens de Hoge Autoriteit was de vertaling zo slecht dat het geen enkele zin had haar verdere vertalingen op te dragen. Om vast te stellen of dit inderdaad het geval was, heeft het Hof toen een deskundige ingeschakeld.
In de onderhavige zaak werd echter niet slechts de kwaliteit van verzoeksters werk, doch ook haar algemene ontwikkeling, haar begrip, aanpassingsvermogen en inzicht en haar initiatief onvoldoende geacht. Een dergelijk samenstel van waardeoordelen kan nu, zoals het Hof herhaaldelijk heeft heeft uitgemaakt, voor de rechter niet ten toets komen.
Verzoeksters bezwaren tegen de bekwaamheid van haar beoordelaars zijn als volgt samen te vatten:
a)
de heren Ciancio en Pignot kenden geen Nederlands;
b)
de heer Dallinga had zich de eerste zeven maanden van haar proeftijd niet voor haar werk geïnteresseerd;
c)
de heer De Niel was tegen haar vooringenomen;
d)
de andere door de heer Dallinga geraadpleegde ambtenaren hadden heel weinig van haar werk gezien en één hunner had bij de revisie van haar vertalingen zelf fouten gemaakt die aanvankelijk haar in de schoenen waren geschoven.
Wel, als dit allemaal inderdaad juist is, dan ziet het er naar uit dat niemand capabel was haar beoordelingsrapport op te stellen of te ondertekenen.
Naar mijn mening is het volkomen normaal dat de heer Dallinga de aangewezen persoon was om verzoeksters beoordeling op te stellen en dat hij dit deed in overleg met de heer De Niel, die het best op de hoogte was van haar werk, en met de andere hogere ambtenaren van zijn afdeling die enigszins van haar werk op de hoogte waren. Nergens blijkt dat de heer de Niel vooringenomen was, alleen dat hij een negatieve indruk van verzoeksters bekwaamheden kreeg. Ook is er geen enkele grond voor enige nalatigheid van de heer Dallinga om zich op de hoogte te houden van de werkzaamheden op zijn afdeling en met name van de ontwikkeling van de ambtenaren op proef.
De heer Ciancio ontertekende de beoordeling omdat het zo in de voorschriften staat. Dit kan verzoekster niet hebben benadeeld, doch was voor haar alleen maar een extra waarborg. Waarom de heer Pignot medetekende is ons niet medegedeeld, doch ik kan niet inzien hoe dit verzoekster kan hebben geschaad.
Ik kom dan ook tot de conclusie dat verzoeksters eerste reeks grieven moet worden afgewezen.
In de tweede plaats stelt verzoekster dat in casu is gehandeld in strijd met artikel 34 van het Statuut, daar haar proeftijd niet de volle negen maanden had geduurd. Haar proeftijd zou zijn verkort door haar vakantie (één week in juli en twee weken in augustus 1974), de tijdvakken waarin er geen werk was (drie weken in september en drie weken in oktober 1974) en de tijdvakken waarin er naar haar zeggen wel werk was, doch dit haar werd geweigerd (15-29 november 1974, de laatste drie weken van december 1974 en 3-15 januari 1975). Door dit alles had haar proeftijd in feite slechts vijf maanden geduurd.
Zonder enige twijfel mag een ambtenaar op proef verlangen dat hij in de gelegenheid wordt gesteld blijk te geven van zijn bekwaamheden. Aldus werd beslist in de zaak Mirossevich en ook implicite in 's Hofs arrest in de zaak 52-50 (Nagels t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 365). Volgens mij kunnen ambtenaren op proef aan artikel 34 echter niet het recht ontlenen gedurende de volle negen maanden blijk te geven van hun geschiktheid. Hiertegen pleit niet alleen de bepaling dat het beoordelingsrapport „uiterlijk een maand voor het verstrijken van de proeftijd” moet worden opgesteld, maar ook de bepaling in artikel 34, lid 2, tweede alinea, dat „in geval van duidelijke ongeschiktheid van de ambtenaar op proef… op elk moment van de proeftijd een beoordeling (kan) worden opgesteld”, op grond waarvan het tot aanstelling bevoegde gezag kan besluiten de betrokkene voor het einde van zijn proeftijd te ontslaan.
De enige vraag is dus nog of verzoekster voldoende gelegenheid heeft gehad blijk te geven van haar kunnen.
Het is duidelijk dat zij ten deze niet kan klagen over haar eigen vakantieverlof, dat overigens ook enkele dagen moet hebben omvat in de laatste drie weken van december 1974, toen haar naar zij zegt werk werd geweigerd.
Naar mijn mening kan al hetgeen na 29 november 1974 — de datum waarop het beoordelingsrapport werd getekend — gebeurde, buiten beschouwing worden gelaten, omdat toen de inhoud van het beoordelingsrapport al vastlag. Alleen door de schriftelijke opmerkingen die zij daarin mocht maken, kon zij daarna nog trachten het op het rapport gebaseerde besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag te beïnvloeden.
Ik zal dus alleen zien naar de tijdvakken in september, oktober en november 1974, waarin haar, naar zij zegt werk werd geweigerd. De heren Dallinga en de Niel hebben bij de mondelinge behandeling uiteengezet dat beginnelingen geen dringend of moeilijk werk kan worden opgedragen, zodat er tijden kunnen zijn waarin geen geschikt werk voorhanden is voor ambtenaren op proef, die dan worden geacht met leeswerk hun terminologische kennis te verbeteren. De heren Dallinga en De Niel hebben toegegeven dat om deze reden verzoekster in bepaalde perioden geen werk is opgedragen, doch de duur hiervan leek hun overdreven.
Op een vraag van het Hof heeft de Commissie een staat overgelegd met het maandelijks aantal door verzoekster vertaalde bladzijden. Volgens deze staat verschillen de cijfers in september, oktober en november 1974. niet veel van die in de eerste maanden van haar proeftijd. Bovendien blijkt eruit dat verzoekster van april tot en met november 1974 in totaal 294 bladzijden heeft vertaald.
Al met al meen ik dat verzoekster een eerlijke kans heeft gehad om blijk te geven van haar bekwaamheid. De feiten in deze zaak en in de zaak Mirossevich liggen wel ver uiteen.
In de derde plaats voert verzoekster een aantal grieven aan die — om het maar dadelijk te zeggen — naar mijn mening noch afzonderlijk noch gezamenlijk grond opleveren voor nietigverklaring van het ontslagbesluit.
Ten eerste wijst zij op het incident dat ik al even heb genoemd, namelijk dat bij een revisie fouten in een van haar vertaligen zijn aangebracht. Daar echter, zoals zij zelf zegt, de heer De Niel haar lezing heeft aanvaard dat zij voor deze fouten niet verantwoordelijk was, acht ik dit incident verder niet van betekenis.
Ten tweede zou haar medio november 1974 een keer zijn gevraagd met spoed een Duitse tekst te vertalen, die volgens haar ten dele onbegrijpelijk was en volgens telefonische mededelingen van de auteur niet gereed voor vertaling. Zij klaagt dat ze onvoldoende tijd heeft gehad om de getypte tekst van haar vertaling na te lezen. Het lijkt mij echter dat dit soort gevallen in het vertaalvak niet altijd zijn te voorkomen.
Ten derde klaagt zij dat het haar onmogelijk werd gemaakt na te gaan welke wijzigingen de heer De Niel in enkele van haar tussen 29 november en 3 december 1974 gemaakte vertalingen had aangebracht. Zoals ik echter al heb gezegd, doen al dit soort dingen van na 29 november 1974 mijns inziens niet ter zake.
Ten slotte zegt verzoekster dat de toelichting op de negatieve beoordelingen in haar beoordelingsrapport zo beknopt en algemeen was gesteld dat hierop moeilijk commentaar was te leveren. Volgens mij brengt echter de aard van zodanige toelichtingen mee dat zij kort en algemeen moeten zijn gesteld.
Samenvattend meen ik derhalve dat verzoeksters beroep tot nietigverklaring van haar ontslagbesluit faalt.
Hetzelfde moet bijgevolg ook gelden voor haar schadevordering. Zoals ik boven heb uiteengezet, heeft deze vordering betrekking op schade die door het ontslag aan haar goede naam zou zijn toegebracht. Want omdat ambtenaren op proef slechts zeer zelden worden ontslagen, zou verzoekster kunnen zakken in de achting van degenen die haar kennen. Dit moge waar zijn, doch zij kan alleen vergoeding vorderen van schade die het gevolg is van een onrechtmatig optreden van de Commissie. In mijn zienswijze is hiervan geen sprake.
Verzoekster voert voor haar subsidiaire vordering tot betaling van een bedrag ad tien maanden salaris aan dat zij in de tijd van 15 januari 1975 (toen haar proeftijd eindigde) tot 21 januari 1975 (toen zij naar haar zeggen deugdelijke mededeling van haar ontslag kreeg) zich niet in een juridisch vacuum kan hebben bevonden en dus sedert 15 januari een stilzwijgende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met de Commissie had, die de Commissie door haar ontslag eenzijdig heeft verbroken.
Al aangenomen dat verzoekster terecht stelt dat zij eerst op 21 januari 1975 naar behoren mededeling van het besluit der Commissie ontving, dan is dit argument niet slechts vergezocht, doch ook in strijd met eerdere rechtspraak.
Het uitgangspunt is thans dat de rechtsband tussen een ambtenaar en de administratie van zijn instelling statutair en niet contractueel van aard is, zie onder meer zaak 28-74 (Gillet t. Commissie, Jurispr. 1975, blz. 473).
In de zaak 52-80 (Nagels t. Commissie, Jurispr. 1971, blz. 365) en de zaken 10 en 47-72 (Di Pillo t. Commissie, Jurispr. 1973, blz. 770), werd overwogen dat een instelling over een redelijke tijd na het einde van de proeftijd beschikt voor haar besluit om de ambtenaar aan te stellen in vaste dienst of te ontslaan. In de zaak Nagels werd een termijn van 16 dagen redelijk geacht, in de zaak Di Pillo een termijn van bijna zeven weken na de voltooiing van het beoordelingsrapport. In het laatste geval werd aan de verzoeker schadevergoeding toegekend, doch dit was omdat het beoordelingsrapport daar meer dan drie maanden te laat was uitgebracht. In zoverre had de Commissie in strijd met het Statuut gehandeld.
Ten slotte moge ik opmerken dat verzoekster in de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 34, lid 2, recht had op een compensatie van twee maanden basissalaris, hetgeen zij ook heeft gekregen.
Mitsdien concludeer ik tot verwerping van het beroep met verwijzing van elk der partijen in haar eigen kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy