CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 16 JUNI 1976 ( 1 )
Mihnheer de President,
mijne heren Rechters,
Zoals bekend, vaardigde de Raad op 4 december 1972 verordening (Euratom, EGKS, EEG) nr. 2530/72 uit, „tot vaststelling van de bijzondere tijdelijke maatregelen betreffende de aanwerving van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ingevolge de toetreding van nieuwe Lid-Staten, alsmede betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van deze Gemeenschappen” (PB nr. L 272 van 5. 12. 1972).
In hoofdstuk II der verordening werden „bijzondere tijdelijke maatregelen” betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren vastgesteld, met het doel ruimte te scheppen voor de aanstelling van ambtenaren uit de nieuwe Lid-Staten. Met name werd in artikel 2, lid 3, zulk een beëindiging van de dienst op eigen verzoek van de ambtenaar mogelijk gemaakt.
Verzoeker in het onderhavige geding, de heer F. C. L. M. Crijns, maakte van deze maatregelen gebruik. Hij is Nederlander en ten tijde van de inwerkingtreding van de verordening was hij in dienst bij de Commissie in de rang A4. Bij besluit van 4 april 1973 gaf de Commissie gevolg aan zijn verzoek zijn dienst op 30 juni te beëindigen. Sedert 1 september 1973 is hij werkzaam bij de Katholieke Hogeschool te Tilburg (Nederland).
Het gaat in casu om de berekening van de vergoeding van de Commissie waarop Crijns ingevolge artikel 3 van de verordening bij beëindiging van de dienst recht heeft.
Artikel 3, lid 1 luidt als volgt: „De ambtenaar die wordt getroffen door de in ar tikel 2, lid 1, bedoelde maatregel, heeft recht:
a)
gedurende een jaar op een maandelijkse vergoeding gelijk aan zijn laatste bezoldiging;
b)
gedurende een periode, berekend op grond van de in lid 2 opgenomen tabel, op een maandelijkse vergoeding gelijk aan
—
80 % van zijn basissalaris gedurende de 30 volgende maanden
—
70 % van zijn basissalaris voor de periode daarna”.
Tevens wordt onder meer bepaald:
„Het basissalaris dat in aanmerking moet worden genomen voor de vaststelling van de in dit lid bedoelde vergoedingen is het salaris dat van kracht is op de eerste dag van de maand waarover de vergoeding moet worden vastgesteld”.
Het lijdt mijns inziens geen twijfel (hoewel het betoog van de Commissie een enigszins tegengesteld oordeel inhield), dat de uitdrukkingen „bezoldiging” en „basissalaris” in deze bepaling dezelfde betekenis hebben als in het Ambtenarenstatuut. Dit moet wel zo zijn, niet alleen omdat verordening nr. 2530/72 in haar considerans en in talrijke artikelen uitdrukkelijk aanknoopt bij het Statuut, maar ook omdat deze uitdrukkingen nergens op andere wijze worden omschreven. Artikel 62 van het Statuut bepaalt onder meer: „Deze bezoldiging omvat een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard”.
In artikel 3, lid 1, wordt verwezen naar de tabel van artikel 3, lid 2, deze tabel maakt het mogelijk, op basis van de leeftijd van een ambtenaar te bepalen hoe lang deze de in lid 1, sub b) bedoelde toelage kan blijven ontvangen. Lid 2 of deze tabel zijn in casu verder irrelevant.
Artikel 3, lid 3, bepaalt dat op de in lid 1 bedoelde vergoeding de aanpassingscoëfficiënt wordt toegepast voor het land waar de betrokkene is gevestigd. Het is dunkt mij vermeldenswaard dat lid 3 uitdrukkelijk erkent dat de ontvanger van een toelage zich in elk land kan vestigen, zelfs buiten de Gemeenschap.
Het gaat is casu met name om de uitleg van artikel 3, lid 4, hetwelk luidt:
„Het bedrag van de inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring gedurende het in lid 1, sub b), bedoelde tijdvak geniet, wordt in mindering gebracht op de vergoeding voor dit tijdvak, voor zover deze inkomsten tezamen met deze vergoeding meer bedragen dan de laatste totale bezoldiging van de ambtenaar, vastgesteld op basis van de salaristabel die van kracht is op de eerste dag van de maand waarover de vergoeding moet worden vastgesteld. Op deze vergoeding is de in lid 3 bedoelde aanpassingscoëfficiënt van toepassing”.
U ziet dat bij de in dit lid voorgeschreven berekening wordt uitgegaan van drie factoren, namelijk: 1. „het bedrag van de inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring geniet”, 2. „de in lid 1, sub b) bedoelde vergoeding” en 3. „de laatste totale bezoldiging van de ambtenaar”. In het onderhavige geval is de inhoud van de eerste twee factoren in geding.
Maar alvorens de aard van het geschil te bespreken moet ik artikel 3, lid 5 citeren, dat ook belangrijk is:
„Indien de ambtenaar de in lid 1 bedoelde vergoeding ontvangt, behoudt hij het recht op alle gezinstoelagen. De bepalingen van artikel 67, lid 2, van het Statuut zijn van toepassing.”
Artikel 67, lid 2, Statuut bepaalt dat de ambtenaar die de in het Statuut bedoelde gezinstoelagen geniet, verplicht is „opgave te doen van soortgelijke toelagen uit andere bron”, en dat deze toelagen in mindering komen op die welke uit hoofde van het Statuut worden uitbetaald.
Zoals gezegd beëindigde de heer Crijns op 30 juni 1973 zijn dienst bij de Commissie. Gedurende het eerste jaar na deze datum ontving hij op grond van artikel 3, lid 1, sub a) van verordening nr. 2530/72 een vergoeding, gelijk aan zijn laatste bezoldiging. Hierover waren of zijn er geen problemen.
Op 22 oktober 1974 schreef de Commissie echter aan de heer Crijns op welke wijze de hem krachtens artikel 3, lid 1, sub b) toekomende vergoeding vanaf 1 juli 1974 zou worden berekend, gelet op het in artikel 3, lid 4, bepaalde „plafond” (bijlage 1 bij het verzoekschrift).
De wijze waarop de Commissie hierbij de „laatste bezoldiging” van Crijns berekende wordt niet betwist. Het zij voldoende te zeggen dat deze werd berekend door zijn basissalaris, zijn gezinstoelagen, zijn ontheemdingstoelage en de aanpassingscoëfficiënt waarop hij recht had, samen te tellen. Het totaal kwam op 119218 Bfr.
Het geschil heeft betrekking op de twee andere factoren in de berekening. In elk dezer factoren telde de Commissie de gezinstoelagen mee.
Zo telde de Commissie bij de berekening van de vergoeding die Crijns krachtens artikel 3, lid 1, sub b) toekwam vóór toepassing van het plafond (hierna te noemen zijn „bruto vergoeding op grond van artikel 3, lid 1, sub b)” niet alleen de 80 % van zijn basissalaris ex artikel 3, lid 1, sub b) zelf (58702 Bfr), en de aanpassingscoëfficiënt van artikel 3, lid 3 (14423 Bfr.) mee, maar ook de gezinstoelagen van zijn „laatste bezoldiging” (12003 Bfr.). Hiervan trok de Commissie (vermoedelijk krachtens of beweerdelijk krachtens artikel 3, lid 5) 6158 Bfr. af, zijnde gezinstoelagen waarop Crijns ingevolge de Nederlandse wetgeving recht had. Aldus hield hij 78970 Bfr. over.
Bij de berekening van Crijns' inkomsten uit zijn nieuwe werkkring voegde de Commissie bij zijn eigenlijke verdiensten uit die werkkring (46193 Bfr.), het bedrag van 6158 Bfr., zijnde zijn Nederlandse gezinstoelagen. Dit bracht het totaal op 52351 Bfr., hoewel dit totaal feitelijk niet voorkwam in de berekening van de Commissie, wegens de vrij eigenaardige wijze waarop deze werd weergegeven.
Door de 78970 Bfr., die naar haar berekening Crijns' bruto vergoeding op grond van artikel 3, lid 1, sub b) vormden, en de 52351 Bfr. die, alweer volgens haar berekening zijn inkomen uit zijn nieuwe werkkring uitmaakten, bijeen te voegen, kwam de Commissie op een totaal van 131321 Bfr. Dit was 12103 Bfr. meer dan Crijns' „laatste bezoldiging” van 119218 Bfr. De Commissie besliste dan ook dat krachtens artikel 3, lid 4, de vergoeding van Crijns op grond van artikel 3, lid 1, sub b) met dat bedrag moest worden gekort.
Op 20 december 1974 diende Crijns overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in tegen dit besluit (Bijlage 2 bij het verzoekschrift).
In die klacht betoogde hij (zoals hij nog steeds betoogt) dat zijn bruto vergoeding op grond van artikel 3, lid 1, sub b) had moeten worden berekend door eenvoudig de 80 % van zijn basissalaris, 58702 Bfr, en aanpassingscoëfficiënt, 14423 Bfr, in totaal 73125 Bfr. bij elkaar op te tellen en dat geen element van gezinstoelagen had mogen worden meegeteld. Voorts beweerde hij, dat bij de berekening voor dat doel van zijn inkomsten uit zijn nieuwe werkkring, aan zijn verdiensten van 46193 Bfr. niet de 6158 Bfr. van zijn Nederlandse gezinstoelagen hadden mogen worden toegevoegd. Hij concludeerde dat het plafond moest worden toegepast op het totaal van 73125 Bfr. en 46193 Bfr. dus op 119318 Bfr. Daar dit bedrag zijn „laatste bezoldiging” met slechts (precies) 100 Bfr. overtrof, was 100 Bfr. het juiste bedrag van de ingevol ge artikel 3, lid 4, vereiste vermindering van zijn vergoeding.
Op 13 juni 1975 schreef een der vicevoorzitters van de Commissie aan Crijns dat zijn klacht werd afgewezen (bijlage 3 bij het verzoekschrift) en op 8 september 1975 stelde Crijns het onderhavige beroep in.
Na enige aarzeling ben ik tot de conclusie gekomen dat de actie van Crijns moet slagen. Mijn aarzeling was geloof ik te wijten aan de aantrekkelijke wijze waarop het betoog van de Commissie werd geleverd.
In het kort kwam dit betoog erop neer dat, daar de bij de berekening van artikel 3, lid 4, in aanmerking te nemen „laatste bezoldiging” de gezinstoelagen omvatte, de twee andere factoren in de berekening dit ook moesten doen, anders zouden ongelijke grootheden met elkaar worden vergeleken.
Ik hoop dat men het mij niet euvel zal duiden dat ik niet in detail inga op elk van de argumenten die namens de Commissie tot staving van dit betoog werden voorgedragen. Er zijn mijns inziens twee redenen waarom deze argumenten moeten worden verworpen.
In de eerste plaats zou aanvaarding van deze argumenten betekenen dat de bewoordingen van artikel 3 op ontoelaatbare wijze geweld zou worden aangedaan. In dit verband ben ik het eens met de kritiek van de vertegenwoordiger van Crijns dat de Commissie bij het Hof erop aandrong dit artikel niet uit te leggen zoals het feitelijk luidde, maar zoals het, naar de Commissie nu meende, had moeten luiden.
Ten aanzien van de tekst van dit artikel doen zich uiteraard twee vragen voor.
De eerste en naar mijn mening de gemakkelijkste is of de verwijzing in artikel 3, lid 4, naar de in artikel 3, lid 1, sub b) genoemde vergoeding (dat wil zeggen de„bruto vergoeding op grond van artikel 3, lid 1, sub b)”) kan worden uitgelegd als een verwijzing naar een bedrag dat het element gezinstoelagen omvat. Mijns inziens is dit niet het geval. Gelet op de terminologie van het Statuut en met name op de bepaling in artikel 62 van het Statuut dat de „bezoldiging … een basissalaris, gezinstoelagen en toelagen van andere aard” omvat, en ook gezien de tegenstelling tussen artikel 3, lid 1, sub a), dat de term „bezoldiging” gebruikt, en artikel 3, lid 1, sub b), dat de term „basissalaris” bezigt en de betrokkene recht geeft op een vergoeding van 80 % en later 70 % van dat salaris, is het volgens mij onmogelijk artikel 3, lid 1, sub b) aldus uit te leggen dat het op zichzelf aan de betrokkene recht geeft op een vergoeding bij welker berekening ook gezinstoelagen worden meegeteld.
Het is een feit dat gezinstoelagen afzonderlijk in artikel 3, lid 5, worden behandeld. Ik ben mij bewust van de semantische moeilijkheid, verzoorzaakt door het feit dat de eerste zin van artikel 3, lid 5, beknopt verwijst naar „de in lid 1 bedoelde vergoeding” zodat hij met betrekking tot een ingevolge artikel 3, lid 1, sub a) uit te keren vergoeding tautologisch lijkt. Men kan hieruit volgens mij niet afleiden dat de zin ook een tautologie is in verband met een krachtens artikel 3, lid 1, sub b) uit te keren vergoeding. De werkelijke verklaring van de beknoptheid van die eerste zin is mijns inziens, dat een der functies daarvan is, de tweede zin in te leiden die verwijst naar artikel 67, lid 2, van het Statuut, dat evenzeer van toepassing is op de vergoeding van artikel 3, lid 1, sub a) als op die van artikel 3, lid 1, sub b).
De tweede vraag is of de verwijzing in artikel 3, lid 4, naar „de inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring geniet” aldus moet worden uitgelegd dat gezinstoelagen daaronder worden begrepen. Hieromtrent staat vast, dat in het geval van Crijns de gezinstoelagen die hem ingevolge de betrokken Nederlandse wetgeving toekomen, verband houden met zijn werkkring, ja zelfs toe te schrijven zijn aan zijn werkkring. Maar het is natuurlijk geen algemene regel in alle Lid-Staten, laat staan niet-Lid-Staten, dat gezinstoelagen noodzakelijkerwijze verband houden met de werkkring. Ter terechtzitting gaf ik het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk, waar aan sommige beroepen (bv. dienst bij de krijgsmacht) bijzondere gezinstoelagen zijn verbonden, maar waar in het algemeen zulke toelagen door de Staat worden uitgekeerd aan een ieder die jonge kinderen heeft (en een inkomen onder een bepaalde grens), of hij nu in loondienst of zelfstandige is, geen beroep uitoefent of werkloos is. Ik ben van mening dat het moeilijk valt aan te nemen dat de auteurs van verordening nr. 2530/72 de bedoeling hadden dat een voormalig ambtenaar die op grond van zijn beroep gezinstoelagen ontvangt deze in aanmerking moet nemen bij de toepassing van artikel 3, lid 4, maar dat iemand die deze toelagen krachtens een algemeen systeem, los van het beroep ontvangt, zulks niet behoeft te doen. Ook hier houd ik het ervoor, dat het de bedoeling was de gezinstoelagen afzonderlijk in artikel 3, lid 5, te regelen en met name ervoor te zorgen dat verdubbeling van voordelen in hun geval werd voorkomen door de toepassing van artikel 67, lid 2, van het Statuut en niet op andere wijze.
Zoals ik zei zijn er twee redenen waarom de beweringen van de Commissie mijns inziens moeten worden verworpen. De tweede reden is volgens mij, dat voor zover in dit betoog werd uitgegaan van de algemene stelling dat gelijke grootheden met elkaar moeten worden vergeleken, aan de auteurs van de verordening een veel logischer bedoeling werd toegedicht dan zij in feite hadden. Een „laatste bezoldiging” van een voormalig ambtenaar, zij het aangepast met behulp van gangbare salarisschalen en met een coëfficiënt voor zijn land van vestiging, is noodzakelijkerwijs slechts een onnauwkeurige maatstaf van wat zijn maximum vergoeding moet zijn. Zo blijven de componenten ervan wellicht een ontheemdingstoelage omvatten, hoewel hij naar zijn eigen land is teruggekeerd. Omgekeerd zullen zij geen ontheemdingstoelage omvatten indien hij wanneer hij in zijn eigen land bij de Gemeenschappen in dienst is geweest, zich daarna in het buitenland vestigt. Evenzo zullen gezinstoelagen tot de componenten blijven behoren, zelfs nadat zijn kinderen volwassen en zelfstandig zijn Omgekeerd zal weer geen gezinstoelage zijn voorzien wanneer hij als vrijgezel bij de Gemeenschappen in dienst is geweest, en daarna trouwt en kinderen krijgt. Gezien dergelijke potentiële tegenstrijdigheden, die niet kunnen worden verholpen door enige methode van uitleg is de enige veilige weg voor Uw Hof mijns inziens, zich stipt te houden aan de bewoordingen van de verordening.
Ik concludeer derhalve dat Uw Hof, in verband met de vordering tot herstel in Crijns' verzoekschrift:
1.
zal verstaan dat bij de toepassing van artikel 3, lid 4, van verordening nr. 2530/72 gezinstoelagen moeten worden uitgesloten van de berekening van zowel de daarin genoemde vergoeding als de inkomsten die de betrokkene in een nieuwe werkkring geniet;
2.
zal nietigverklaren het besluit van de Commissie van 22 oktober 1974, waarin de wijze van berekening van de krachtens dat artikel aan Crijns uit te keren vergoeding werd uiteengezet;
3.
de Commissie zal verwijzen in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy