CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 28 JANUARI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De prejudiciële vragen van het Bundesfinanzhof in de onderhavige zaken betreffen de uitlegging van posten 69.12 A en C, en 69.13 A en C van het gemeenschappelijk douanetarief. De onderverdelingen A en C van tariefpost 69.12 handelen over „vaatwerk van gewoon aardewerk” en „vaatwerk van fijn aardewerk”, terwijl tariefpost 69.13 betrekking heeft op „meubilerings- en versieringsvoorwerpen van gewoon aardewerk” en „meubilerings- en versieringsvoorwerpen van andere keramische stoffen”.
Aan de gedingen die aanleiding hebben gegeven tot deze prejudiciële vragen ligt natuurlijk een geschil tussen de betrokken firma's en de douane-administratie over de indeling van uit derde landen ge-importeerde produkten ten grondslag. In beide zaken gaat het om met de hand vervaardigde keramische produkten. De douane deelde de produkten als vaatwerk van fijn aardewerk onder post 69.12 C (zaak 99-75) en als meubilerings- of versieringsvoorwerpen „van andere keramische stoffen” onder post 69.13 C (zaak 98-75) in.
De indelingen van de Duitse douaneautoriteiten berustten op een onderzoek dat in hun opdracht werd verricht door een gespecialiseerd laboratorium, hetwelk op grond van chemische analyses en microscopische waarnemingen van het. materiaal tot de conclusie kwam dat het ging om onvermengde klei, die echter zorgvuldiger was bewerkt dan bij voorwerpen van gewoon aardewerk gebruikelijk is.
In het bezwaarschrift tegen de beslissing van de douane legde verzoekster in de zaak 99-75 een verklaring van de leverancier over, volgens welke de betrokken produkten uitsluitend uit natuurlijke klei van een bepaalde vindplaats van grondstoffen zonder toevoeging van ander materiaal waren vervaardigd. Voorts produceerde zij het deskundigenbericht van een Duits gespecialiseerd laboratorium, waarin wordt gesteld dat de voor de vervaardiging gebruikte grondstof pottebakkersklei bleek te zijn. Bovendien zouden volgens de door verzoeksters in beide zaken geproduceerde expertises bepaalde kleisoorten van bijzondere kwaliteit zonder verdere zuivering kunnen worden gebruikt voor de vervaardiging van fijne keramiek. En dat zou nu juist hier het geval zijn.
De nationale administratieve' instantie die over de beide bezwaarschriften moest beslissen, oordeelde evenwel dat de aard van de grondstof niet van belang was en dat de tariefindeling uitsluitend moest berusten op de objectieve hoedanigheid van het produkt, dat wil zeggen op de fijnkorreligheid en homogeniteit van de scherf. Het begrip „waren van gewoon aardewerk” viel dus niet samen met het begrip „waren. van natuurlijke klei”.
In de eerste plaats zal Uw Hof derhalve moeten uitmaken of bij de indeling van een voorwerp van aardewerk onder deze of gene categorie van de betrokken tariefposten rekening moet worden gehouden met de kenmerken van het gebruikte materiaal dan wel of de objectieve hoedanigheid van het eindprodukt van doorslaggevend belang is.
Uw Hof heeft meermaals benadrukt dat de kenmerken en objectieve eigenschappen der produkten het beslissend criterium voor hun indeling in het gemeenschappelijk douanetarief opleveren (zie b. v. het arrest in de zaak 36-71, Günter Henck, Jurispr. 1972, blz. 198, en laatstelijk het arrest van 10 december 1975 in de zaak 53-75, Vandertaelen).
In ons geval leggen sommige versies van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals de Italiaanse en Engelse, het accent op het materiaal, zoals dit na de bewerking blijkt te zijn („terracotta”, „pottery”). Andere versies daarentegen, bij voorbeeld de Duitse en Franse, gaan eerder uit van de grondstof, waarbij de Franse tekst van tariefpost 69.12 A overigens betrekking heeft op de grondstof („terre commune”), maar post 69.12 C van deze tekst daarentegen op het eindprodukt („poterie fine”). In dit verschil mag men echter geen tegenspraak of onzekerheid van de wetgever zien. De versies van de tweede soort nemen namelijk de normale gevallen in aanmerking. Normaliter zal voor de vervaardiging van gewone keramiek immers gewone klei worden gebruikt, terwijl fijne keramiek wordt vervaardigd van klei die een verfijning heeft ondergaan. Maar dit neemt niet weg dat van klei die reeds in ruwe toestand een bepaalde fijne kwaliteit vertoont, fijne keramische produkten kunnen worden verkregen, zonder dat nog een bewerking nodig is.
Opgemerkt zij dat de betrokken tariefpost in geen der versies verwijst naar een verfijning van de grondstof.
Wij zijn dan ook van mening dat de objectieve kenmerken van het eindprodukt het doorslaggevend criterium voor de onderscheiding van de beide begrippen moeten opleveren, onafhankelijk van de vraag of de gebruikte grondstof al dan niet op industriële wijze werd bewerkt. Dit komt ook overeen met het praktische criterium waarnaar Uw Hof meermalen heeft verwezen bij geschillen inzake tariefindelingen en voldoet aan de eis zo eenvoudig en duidelijk mogelijke criteria te hanteren, zodat onzekerheden en onnodige complicaties bij de activiteit van de douane-autoriteiten worden vermeden. Bovendien voldoet zulks aan het vereiste van de rechtszekerheid.
Maar dan doet zich de vraag voor hoe de kenmerken moeten worden omschreven waardoor waren van gewoon aardewerk zich onderscheiden van waren van fijn aardewerk van post 69.12 C en van andere keramische stoffen dan porselein van post 69.13 C van het GDT.
Voor de omschrijving van deze begrippen verwijzen de toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief naar de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel. Om voorwerpen van andere keramische stoffen van post 69.12 van porselein te onderscheiden, worden in de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel produkten van gewoon aardewerk en van faïence volgens bepaalde uiterlijke kenmerken omschreven. Laatstgenoemde produkten vallen samen met produkten van fijn aardewerk onder post 69.12 C, zodat men ervan kan uitgaan dat de criteria die in de Brusselse Toelichtingen hiervoor zijn opgesomd ook van toepassing zijn op voorwerpen van fijn aardewerk.
Volgens de Brusselse Toelichtingen zijn met name de niet gesinterde en matte scherf alsmede de structuur als typische kenmerken van waren van gewoon aardewerk te beschouwen. Bij faïence is de scherf — hoewel anders dan bij porselein nog een weinig korrelig — toch zeer fijn en homogeen. Ook de kleur kan een onderscheidend element vormen voor voorwerpen van gewoon aardewerk. Deze Toelichtingen lijken de betrokken begrippen weliswaar voornamelijk te behandelen om het onderscheid tussen produkten van andere keramische stoffen en porselein vast te stellen, maar hierbij worden de beide betrokken soorten aardewerkprodukten apart behandeld en worden telkens de bijzondere kenmerken ervan aangegeven, die derhalve ertoe kunnen dienen deze produkten onderling te onderscheiden. Daarom is er geen grond de geldigheid dezer criteria uit te sluiten voor de omschrijving van de overeenkomstige produkten van posten 69.12 en 69.13 van het GDT.
Het Comité nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief noemde in zijn beslissing van 19 juni 1972 als geschikte criteria voor de onderscheiding tussen wandtegels van gewoon aardewerk en wandtegels van andere keramische stoffen voornamelijk de regelmatigheid en homogeniteit van de korrels, waarbij deze kenmerken uit de graad van bewerking van de grondstof werden afgeleid. Zoals tijdens het geding is opgemerkt, gaat het hier niet om een algemene definitie van de betrokken begrippen, maar geldt de beslissing alleen voor een bepaald produkt. De Commissie merkte echter op dat genoemde criteria in ruimere mate kunnen worden gehanteerd zonder andere aanvullende criteria voor het onderscheid van produkten van gewoon aardewerk uit te sluiten, zoals onder meer de poreusheid, doordringbaarheid voor vocht, ondoorschijnendheid en de eigenschap gemakkelijk bekrast te kunnen worden.
Ik geloof niet dat ik mij moet uitspreken over de waarde van deze zuiver technische criteria die ik niet kan beoordelen.
De kennis die de jurist als zodanig over keramiek heeft, stelt hem niet in staat te beslissen of voor de indeling de bijzondere aspecten waarop in de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel wordt gewezen dan wel de door de Commissie aangegeven kenmerken de werkelijke aard van het produkt beter weergeven.
Wij weten niet of deze beide groepen van criteria voor de douaneautoriteiten in alle gevallen een waardevol hulpmiddel vormen voor de indeling van de betrokken waren; wij zijn derhalve evenmin in staat om te beoordelen of de ene groep beter is dan de andere. In gevallen als deze is het raadzaam zo weinig mogelijk op de bruikbaarheid van dergelijke uitgesproken technische criteria in te gaan en zich te beperken tot hypotheses die op de betrouwbare criteria van de op het gebied van de tariefindeling specifiek bevoegde organen berusten.
Al is het denkbaar dat het Hof een deskundigenonderzoek over technische vragen gelast om een afzonderlijk geval te kunnen beslissen, men moet hiertoe mijns inziens niet overgaan in het kader van een prejudiciële beslissing, gelet op de meer algemene betekenis van de arresten krachtens artikel 177 van het Verdrag. In dit verband zij opgemerkt dat volgens het Bundesfinanzhof de deskundigen van het speciale Comité nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief het tot nu toe nog niet eens konden worden over de definitie van het begrip gewoon aardewerk in de zin van hoofdstuk 69, van het GDT. De betekenis van dit feit mag niet worden onderschat.
Zoals de Commissie heeft opgemerkt, zijn de verschillende bovengenoemde criteria niet noodzakelijk onverenigbaar met elkaar. Men dient ervan uit te gaan dat deze in de regel samen kunnen worden gehanteerd, althans in aanvullende zin.
Voorts moeten de door de Commissie aangegeven criteria worden toegepast, wanneer de in de Brusselse Toelichtingen opgesomde onderscheidende kenmerken in een concreet geval ontoereikend blijken te zijn voor een betrouwbare tariefindeling van een bepaald soort produkten.
De door de Commissie voorgestelde criteria mogen echter niet worden toegepast wanneer zulks — zoals in casu het geval zou kunnen zijn — tot een andere indeling zou leiden dan bij toepassing van de in de Brusselse Toelichtingen omschreven criteria. In een dergelijk geval verlangt mijns inziens de rechtszekerheid aan de laatste criteria de voorkeur te geven, daar de toelichtingen bij het gemeenschappelijk douanetarief uitdrukkelijk daarnaar verwijzen. Dit komt ook overeen met het door Uw Hof constant gehuldigde beginsel dat bij ontbreken van gemeenschapsrechtelijke bepalingen aan de Brusselse Toelichtingen gezag toekomt bij de uitlegging der tariefposten van het gemeenschappelijk douanetarief. Verwezen zij in dit verband slechts naar de laatste van een lange reeks beslissingen: zaak 12-73 (Muras, Jurispr. 1973, blz. 975), zaak 185-73 (König, Jurispr. 1974, blz. 620) en zaak 35-75 (Matisa, Jurispr. 1975, blz. 1205).
Het feit dat de Commissie heeft verwezen naar afwijkende criteria die het Comité nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief voor de indeling van een specifiek produkt hanteerde, is niet voldoende bij ontbreken van een meer volledige officiële stellingname van dit comité, om de in de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel aangegeven criteria zonder meer buiten beschouwing te laten.
Wij concluderen mitsdien dat Uw Hof in antwoord op de vragen van het Bundesfinanzhof verklare voor recht dat de begrippen „vaatwerk van gewoon aardewerk” en „meubilerings- en versieringsvoorwerpen van gewoon aardewerk” van de posten 69.12 A en 69.13 A van het gemeenschappelijk douanetarief zich onderscheiden van de begrippen „vaatwerk van fijn aardewerk” en „meubilerings- en versieringsvoorwerpen van andere keramische stoffen” van de tariefposten 69.12 C en 69.13 C door de kwaliteit en de objectieve kenmerken van het eindprodukt zoals deze onder verwijzing naar tariefpost 69.12 zijn aangegeven in de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel en — ter aanvulling hierop — voortvloeien uit de tariefbeslissing van 19 juni 1972 van de Commissie in verband met een bepaald produkt „van andere keramische stoffen” dan gewoon aardewerk in de zin van tariefpost 69.08.
Bij eventuele strijdigheid tussen de criteria van de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel en die van de Commissie, en bij ontbreken van gemeenschapsrechtelijke toelichtingen of gelijkwaardige indelingsadviezen inzake voornoemde tariefposten hebben de in de Toelichtingen bij de Nomenclatuur van Brussel genoemde criteria voorrang.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy