CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 7 APRIL 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De heer Aulich is een Duitser die al geruime tijd ouderdomspensioen geniet krachtens de Nederlandse wetgeving, . alsmede een pensioenuitkering krachtens de wetgeving van de Bondsrepubliek Duitsland. Vroeger woonde hij in Duitsland, maar in 1970 verhuisde hij naar Nederland. Thans is hij woonachtig in Eindhoven. Toen hij nog in Duitsland woonde, kwam hij als pensioengerechtigde in aanmerking voor gratis ziekteverzekering, doch in Nederland heeft hij daar geen recht op. Sinds 1 september 1970 is ij dan ook vrijwillig tegen ziekte verzekerd bij het Algemeen Ziekenfonds te Eindhoven. Zijn maandelijkse premie voor deze verzekering, die in 1970 84,50 Fl bedroeg, was in 1975 gestegen tot 178,10 Fl.
Zoals u weet, bestaat in de Duitse sociale zekerheidswetgeving een bepaling, namelijk artikel 381, lid 4, van de Reichsversicherungsordnung (de RVO), volgens welke pensioengerechtigden die niet voor gratis ziekteverzekering in aanmerking komen, recht hebben op een bijdrage in de premie die zij voor vrijwillige ziekteverzekering betalen. Het Bundessozialgericht heeft in een aantal zaken uitgemaakt dat pensioengerechtigden die, zoals de heer Aulich, in het buitenland wonen en daar vrijwillig tegen ziekte zijn verzekerd, onder bepaalde voorwaarden recht hebben op deze bijdrage. In het geval van de heer Aulich zou aan deze voorwaarden inderdaad zijn voldaan. Daar de bijdrage in 1975 blijkbaar 115 DM per maand bedroeg, zou de premie voor de Nederlandse ziekteverzekering van de heer Aulich hieruit goeddeels, zij het niet geheel, kunnen worden betaald.
Op 21 augustus 1970 diende de heer Aulich bij de bevoegde Duitse instelling, de Bundesversicherungsanstalt für Angestellte (de BVA), een verzoek in om toekenning van de bijdrage vanaf 1 september 1970. Op 23 september 1970 wees de BVA zijn verzoek af op grond dat ingevolge artikel 22 van 's Raads verordening nr. 3 de Nederlandse sociale zekerheidsinstellingen hadden op te komen voor zijn ziekteverzekering.
Tegen dit besluit ging de heer Aulich in beroep bij het Sozialgericht te Berlijn dat hem bij vonnis van 26 februari 1971 in het gelijk stelde. Het Sozialgericht oordeelde dat artikel 22 van verordening nr. 3 de heer Aulich niet uitsloot van een bijdrage krachtens artikel 381 (4) van de RVO en dat de BVA hem de bijdrage vanaf 1 september 1970 diende te betalen.
Op 25 mei 1971 ging de BVA van dit vonnis in beroep bij het Landessozialgericht te Berlijn.
Daarop volgden twee belangrijke gebeurtenissen.
Ten eerste verscheen 's Raads verordening (EEG) nr. 1408/71 ter vervanging van verordening nr. 3 per 1 oktober 1972.
Ten tweede verscheen op 11 oktober 1973 uw uitspraak in de zaak 35-73 Kunz t. BVA (Jurispr. 1973, blz. 1025), waarin de kenmerkende feiten gelijk lagen als in de huidige zaak. Het Hof maakte toen uit dat artikel 22 van verordening nr. 3 niet de door de BVA beweerde werking had.
De BVA liet daarop haar beroep in de zaak Aulich vallen met betrekking tot de periode tot 1 oktober 1972. Zij betoogt echter dat door verordening nr. 1408/71 vanaf die datum een andere rechtstoestand was ontstaan als voorheen.
De BVA baseert zich ten deze op artikel 27 juncto bijlage V van verordening nr. 1408/71.
Artikel 27 staat in afdeling 5, hoofdstuk I, titel III der verordening. Titel III bevat „bijzondere bepalingen met betrekking tot de verschillende soorten prestaties”. Hoofdstuk I handelt over „ziekte en moederschap” en afdeling 5 daarvan heeft betrekking op „pensioen- of rentetrekkers en hun gezinnen”.
Artikel 27 heeft sinds 1 januari 1973 twee wijzigingen ondergaan ingevolge de akte betreffende de toetreding van de nieuwe Lid-Staten. Op deze wijzigingen kom ik nog terug. De oorspronkelijke tekst van artikel 27, welke van toepassing was van 1 oktober tot 31 december 1972, luidde als volgt:
„De rechthebbende op pensioenen of renten, verschuldigd krachtens de wettelijke regelingen van twee of meer Lid-Staten, die recht heeft op verstrekkingen op grond van de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan hij woont, krijgt, eventueel met inachtneming van artikel 18 en van bijlage V, evenals zijn gezinsleden, verstrekkingen van het orgaan van de woonplaats en voor rekening van dit orgaan, alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze Staat”. (PB nr. L 149 van 5. 7. 1971.)
Artikel 18, waarnaar hier wordt verwezen, handelt over het samentellen van verzekeringstijdvakken, hetgeen in het onderhavige geval niet ter sprake komt.
Bijlage V bevat „bijzonderheden voor de toepassing van de wetgevingen van bepaalde Lid-Staten”. In de oorspronkelijke versie van verordening nr. 1408/71 stond de ten deze relevante bepaling onder F 1 (a). In de bij het toetredingsverdrag gewijzigde versie staat deze bepaling onder H 1 (a). Beide versies zijn, voorzover hier van belang, gelijk:
„Degene die in het genot is van een ouderdomspensioen krachtens de Nederlandse wettelijke regeling en van een pensioen krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat, wordt, voor de toepassing van artikel 27 …, geacht recht te hebben op verstrekkingen, indien hij, … voldoet aan de voorwaarden voor toelating tot de vrijwillige ziekenfondsverzekering van bejaarden.” (PB nr. L 149 van 5. 7. 1971.)
Het staat buiten twijfel dat op grond van deze bepaling de heer Aulich moet worden geacht, voor de toepassing van artikel 27, recht te hebben op verstrekkingen krachtens de Nederlandse wettelijke regeling, zodat dat artikel op hem van toepassing is. Dit maakt voor de rechtstoestand onder verordening nr. 1408/71 een verschil ten opzichte van de rechtstoestand onder verordening nr. 3, waarvan werd uitgegaan in de zaak Kunz t. BVA, aangezien de uitspraak toen eigenlijk geheel was gebaseerd op het feit dat artikel 22 niet van toepassing was op een persoon die niet daadwerkelijk recht had op verstrekkingen krachtens de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar hij woonachtig was.
Dit is wellicht het moment om in te gaan op de twee wijzigingen die bij of ingevolge de toetredingsakte zijn aangebracht in artikel 27.
De eerste wijziging vond plaats bij de Akte zelf, namelijk artikel 29 en deel IX van bijlage I, en bestond enkel hierin dat in artikel 27 de woorden „in natura” werden geschrapt. Dientengevolge werd artikel 27 zowel van toepassing op uitkeringen in geld als op verstrekkingen in natura.
De tweede wijziging werd, krachtens de artikelen 30 en 153 van de Toetredingsakte, aangebracht bij verordening (EEG) nr. 2864/72 van de Raad. Op grond hiervan geldt artikel 27 niet, tenzij de pensioengerechtigde woont in een van de Lid-Staten waar hij recht' heeft op pensioen. Bij de heer Aulich is dit uiteraard het geval.
De redenering van de BVA is nu, als ik het goed begrijp, dat de heer Aulich ingevolge artikel 27 en in het bijzonder ingevolge de woorden „alsof de betrokkene uitsluitend recht had op een pensioen of rente, verschuldigd krachtens de wettelijke regeling van deze Staat”, met betrekking tot de ziekteverzekering moet worden behandeld alsof hij uitsluitend in Nederland recht had op pensioen, en dat hem dus een recht op bijdrage krachtens artikel 381 (4) van de RVO moet worden ontzegd, aangezien een dergelijke bijdrage alleen toekomt aan degene die in Duitsland recht op pensioen heeft.
Deze redenering, blijkt uit de vraag die het Landessozialgericht bij verwijzingsbeschikking van 13 augustus 1975 aan het Hof heeft gesteld.
Mijne heren, zoals reeds door de Commissie werd gesuggereerd, ligt het antwoord op deze vraag volgens mij vervat in een arrest in de zaak 33-65 Dekker t. BVA, Jurispr. 1965, blz. 1136. In die zaak ging het om de vraag of een bijdrage krachtens artikel 381 (4) van de RVO wel een verstrekking was, als bedoeld in artikel 22 van verordening nr. 3. Het Hof overwoog dat elk hoofdstuk van titel III van die verordening bepalingen bevatte met betrekking tot een bijzondere categorie risico's, dat „mitsdien uit de context volgt dat, wanneer de bepalingen dier hoofdstukken het begrip .verstrekkingen' bezigen, zij hiermede zien op uitkeringen telkens in verband met het in de aanhef van het bewuste hoofdstuk aangeduide risico gedaan”. Artikel 22 was geplaatst in Hoofdstuk I van Titel III, betreffende ziekte en moederschap, zodat het begrip verstrekkingen hier zag op uitkeringen gedaan in verband met een ingetreden ziekte of moederschap. Hieruit volgde dat een aanvullende pensioensbijdrage, verstrekt ten behoeve van de financiering ener ziekteverzekering welke de rechthebbende op pensioen heeft aangegaan, geen verstrekking in natura was, als bedoeld in artikel 22. Dezelfde redenering gaat volgens mij op in het geval van artikel 27 van verordening nr. 1408/71. Titel III van die verordening komt in opzet overeen met Titel III van verordening nr. 3 en artikel 27 valt, zoals ik al zei, onder het hoofdstuk betreffende ziekte en moederschap. Daaruit volgt dat een bijdrage als bedoeld in artikel 381 (4) van de RVO niet valt onder de in artikel 27 genoemde verstrekkingen.
Ik concludeer derhalve dat Uw Hof de door het Landessozialgericht te Berlijn gestelde vraag beantwoorde als volgt:
Artikel 27 van verordening nr. 1408/71 ziet alleen op verstrekkingen aan de betrokken pensioengerechtigde of zijn gezinsleden door het orgaan van de Lid-Staat waar hij woont, ingeval van ziekte of moederschap, en doet niet af aan enig uit de wetgeving van een andere Lid-Staat voortvloeiend recht op een bijdrage in de premiebetaling voor een vrijwillige ziekteverzekering.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy