CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 10 NOVEMBER 1976 ( 1 )
Mijne beren,
Uit de uitspraak door het voltallige Hof gedaan bij interlocutoir arrest van 15 juni 1976, en gelezen in het licht van de opmerkingen van partijen, volgt mijns inziens dat thans nog twee belangrijke vragen moeten worden beslist, te weten:
1.
Was de opzegging van Mills' contract door de Bank in strijd met een clausule van dat contract of met een bepaling van het Personeelsreglement, dat daarvan een integrerend deel vormt? Was inzonderheid die opzegging, zoals Mills stelt, een met dat reglement onverenigbare „verkapte disciplinaire maatregel”?
2.
Zo neen, werden door die opzegging niettemin de grenzen overschreden van hetgeen krachtens de arbeidsrechtelijke beginselen van de Lid-Staten is geoorloofd? Met andere woorden, was het ontslag onrechtmatig?
Als één van deze vragen bevestigend zou worden beantwoord, dient het Hof te overwegen hoe Mills recht kan worden gedaan.
Bij de eerste vraag behoeven wij niet lang stil te staan — vooral omdat het mij niet nodig lijkt in extenso terug te komen op de relevante omstandigheden en bepalingen die ik in mijn conclusie van 6 mei 1976 voor het voltallige Hof reeds heb weergegeven of samengevat.
Zoals ik in die conclusie heb aangetoond, waren de omstandigheden zodanig, dat de Bank ingevolge de artikelen 16 en 17 van het Personeelsreglement gerechtigd was het contract met Mills met een opzeggingstermijn van drie maanden te beëindigen. Deze opzeggingstermijn is ten aanzien van Mills in acht genomen, terwijl jegens hem geen van de disciplinaire maatregelen bedoeld in artikel 38 van het Personeelsreglement is getroffen, met name niet de maatregel van ontslag op staande voet. De artikelen 38 en 40, die volgens Mills zouden zijn geschonden, waren dus niet op zijn geval van toepassing.
Hieruit volgt mijns inziens dat de eerste vraag waarop het Hof thans heeft te beslissen, ontkennend moet worden beantwoord.
Ik ga derhalve over tot de tweede vraag.
In dit verband stelt de Bank dat het ontslag van Mills niet onrechtmatig was; het berustte immers op goede gronden, te weten het feit dat de Engelse sectie van de vertaaldienst overbemand was, en het feit dat Mills door zijn meerderen als het zwakste lid van de sectie werd beschouwd. De Bank mocht derhalve besluiten die selectie met één persoon in te krimpen en tegelijkertijd dat Mills degene was die moest vertrekken.
De Bank heeft gesteld dat het aan Mills staat om te bewijzen dat dit niet de. ware redenen waren van het ontslag. Deze stelling dient mijns inziens te worden afgewezen. In mijn eerste conclusie had ik naar aanleiding van artikel 44 van het Personeelsreglement van de Bank gelegenheid in te gaan op bepaalde aspecten van het recht van de Lid-Staten. Ik zal dat thans opnieuw moeten doen en de conclusie daaruit is dat, althans in die Lid-Staten waar dit aspect uitdrukkelijk geregeld is, de bewijslast met betrekking tot de ontslagredenen bijna altijd bij de werkgever ligt — voor Duitsland, zie het Kündigungsschutzgesetz van 25 augustus 1969, paragraaf 1, lid 2; voor Groot-Brittannië de Trade Union and Labour Relations Act 1974 Sched. 1, paragraaf 6; voor Italië de Norme sui Licenziamenti Individuali van 15 juli 1966, artikel 5. De desbetreffende Franse bepaling, artikel L 122-14-3 van de Code du Travail, is op zichzelf niet zo duidelijk, maar de rechtspraak legt het aldus uit, dat de bewijslast bij de werkgever ligt: zie Cour d'Appel te Nancy, Société Studler t. Dalle (Droit Social 1975, blz. 531) en de daarop volgende noot, waarin (op blz. 535) wordt verwezen naar niet-gepubliceerde overeenkomstige beslissingen van de Cour d'Appel te Lyon.
Ik ben derhalve van mening dat de Bank diende aan te tonen dat Mills inderdaad om de vermelde redenen is ontslagen.
Tegelijk meen ik echter dat, indien dat inderdaad de werkelijke redenen waren, het ontslag niet onrechtmatig kan worden geacht. In overeenstemming met paragraaf 2, sub 1, van Aanbeveling nr. 119 van de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie — door mij geciteerd in mijn eerste conclusie (Jurispr. 1976, blz. 980) —, blijkt het recht van alle Lid-Staten uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend slechts als geldig te beschouwen ontslagredenen „ontleend aan de bekwaamheid of het gedrag van de werknemer of gebaseerd op de noodzaak van een goed functioneren van de onderneming, inrichting of dienst.” Het zou trouwens verbazen, ware het anders geweest.
Mills heeft betoogd dat de Bank bij de keuze van de persoon die zou worden ontslagen, de leeftijd en anciënniteit van de leden der Engelse vertaalsectie alsmede hun gezinsomstandigheden in aanmerking had moeten nemen. Een werkgever die genoodzaakt is personeel te ontslaan, dient — ceteris paribus — stellig ook met zulke factoren rekening te houden. Het schijnt dat het recht van sommige Lid-Staten, met name Frankrijk en Duitsland, dit met zoveel woorden voorschrijft. Maar afgezien wellicht van gevallen waarin collectieve overeenkomsten betreffende collectief ontslag van toepassing zijn, geloof ik niet dat zulke factoren van doorslaggevend gewicht kunnen zijn. De Bank wijst erop dat zij ten aanzien van Mills met die factoren rekening heeft gehouden: in de tweede alinea van de ontslagbrief bood zij aan hem gedurende de opzeggingstermijn van drie maanden van arbeid bij de Bank vrij te stellen, zodat hij gemakkelijker een nieuwe baan zou kunnen zoeken, en, in de achtste alinea, hem ook na die drie maanden — zij het tot uiterlijk 31 januari 1976 — door te betalen tot hij weer werk had gevonden.
Blijft de vraag of de Bank erin is geslaagd haar stelling dat Mills inderdaad om de opgegeven redenen is ontslagen, waar te maken.
Deze vraag valt in twee onderdelen uiteen.
In de eerste plaats: was de overbezetting van de Engelse sectie van de vertaaldienst de voornaamste reden voor het ontslag?
Vaststaat dat die sectie toenmaals uit vijf personen bestond: in volgorde van anciënniteit de heren T., D., Mills, Bearne en Butler. Volgens de Bank was T. hoofd van de sectie en tevens reviseur evenals D. De drie overigen waren vertalers.
Bij wijze van kanttekening zij opgemerkt dat Mills het bestaan van zo'n hiërarchie in de sectie ontkent, blijkbaar op grond van het — door de Bank toegegeven — feit dat er geen officieel stuk bestond waarin die hiërarchie was vastgesteld. Dat de verantwoordelijke instanties van de Bank die hiërarchie, zij het slechts mondeling, hadden ingesteld, blijkt echter duidelijk uit de voor het Hof geproduceerde stukken. Maar Mills was blijkbaar gebelgd dat hij op zo een onofficiële wijze in een ondergeschikte positie was gebracht. Zijn wrok hierover alsmede zijn overtuiging dat zijn vertalerskwaliteiten revisie van zijn werk overbodig maakten, zijn kennelijk mede oorzaak geweest van de wrijving waarover ik straks in verband met het tweede onderdeel van de hiervoor bedoelde vraag zal komen te spreken.
Ter staving van haar bewering dat de Engelse sectie overbezet was, zegt de Bank dat het bij de uitbreiding van de Gemeenschap wenselijk was geacht deze sectie op dezelfde sterkte te brengen als de andere, in het bijzonder de Duitse. Later bleek dat het Engels veel meer dan voorzien zowel door het personeel van de Bank zelf als door haar externe relaties als werktaal werd gebruikt, zodat het aantal in het Engelse te vertalen stukken aanzienlijk beneden de verwachting bleef. Het gevolg was dat bij voorbeeld de Engelse sectie, met even veel personeel als de Duitse, in het eerste halfjaar van 1975 21 % minder vertaalde bladzijden produceerde. De gemiddelde produktie per persoon per dag was 1,52 bladzijde.
De aangelegenheid werd aan de orde gesteld in een nota die de heer Lenaert, secretaris-generaal van de Bank, op 23 juli 1975 aan de directie schreef. Deze nota — een uittreksel ervan bevindt zich onder de documenten die de Bank op verzoek van het Hof heeft overgelegd — bevatte de volgende passage:
„Il s'avère qu'au départ, le volume des travaux de traduction vers l'anglais a été surestimé, ce qui fait qu'après une première période d'élan et de mise en route, en dépit de l'extension des activités de la Banque, ce volume ne cesse de diminuer.
Pour les quatre derniers mois, les traductions vers l'allemand, effectuées par le même nombre de traducteurs et de reviseurs, représentent plus que le double de celles demandées à la section anglaise:
—
884 pages produites par la section allemande
—
427 pages produites par la section anglaise, représentant moins que le quart des 12 derniers mois.
Ceci amène à la conclusion que la section anglaise est actuellement, surdimensionnée.”
Blijkens een uittreksel van de notulen van de directievergadering (eveneens bij genoemde stukken aanwezig) besloot de directie op grond van deze nota de Engelse sectie terug te brengen tot vier personen en Mills te ontslaan.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft Mills betoogd dat de prestaties van een vertaler niet mogen worden beoordeeld aan de hand van het aantal bladzijden per dag. Wij weten echter allen dat zulke getallen bij alle instellingen een belangrijke, zij het niet de enige maatstaf vormen voor het werk van vertalers. Wij weten ook, al is het maar door vergelijking met wat van de vertaaldienst van het Hof wordt verwacht, dat een produktie van 427 bladzijden van een sectie van vijf personen, hetgeen neerkomt op een gemiddelde van minder dan 22 bladzijden per persoon per maand, belachelijk is.
Mijns inziens bestond er in juli 1975 reden te over voor een inkrimping van de Engelse vertaalsectie van de Bank.
Op zich wordt dit trouwens door Mills ook niet serieus betwist, behalve dan op de reeds aangeduide wijze.
Afgezien van de opmerking dat, als er dan al iemand moest vertrekken, het een jongere collega had moeten zijn, voert hij ten deze het volgende aan.
Ten eerste zou de directeur personeel van de Bank hem bij zijn indiensttreding hebben verzekerd dat hij, mits hij tijdens zijn proefperiode zou voldoen, op een vaste werkkring bij de Bank mocht rekenen. Het lijkt merkwaardig dat Mills om zo'n verzekering heeft gevraagd of er enig gewicht aan heeft gehecht, omdat hij destijds (mei 1975) met studieverlof was van de Polytechnic of the South Bank te Londen, waar hij een vaste aanstelling had als „senior lecturer” in de Franse taal, en omdat hij de directeur van de Polytechnic juist schriftelijk had verzocht dat verlof met nog een jaar te verlengen, zodat hij bij de Bank ervaring kon opdoen. Stellig betekende dit dat hij daarna weer naar de Polytechnic zou terugkeren. Maar hoe dit zij, de verzekering van de directeur personeel kon geen invloed hebben op de voorwaarden van de aanstellingsovereenkomst, zoals vervat in de aanstellingsbrief en het Personeelsreglement, die beide door Mills voor „gelezen en akkoord” waren verklaard.
In de tweede plaats zou de directie van de Bank in verband met de onrust onder het Britse personeel naar aanleiding van het in Groot-Brittannië te houden referendum bekend hebben laten maken dat ook wanneer het Verenigd Koninkrijk uit de Gemeenschap zou treden, dat personeel zijn loopbaan bij de Bank gewoon kon voortzetten. Deze bekendmaking kan evenwel slechts hebben betekend dat uittreding van het Verenigd Koninkrijk op zichzelf niet tot ontslag van de Britse personeelsleden zou leiden. Meer kan het niet zijn geweest. Duidelijk is in elk geval dat Mills zich niet op die bekendmaking heeft verlaten, want eerst na de gunstige uitslag van het referendum en na een nieuwe verlenging van zijn studieverlof nam hij ten slotte ontslag bij de Polytechnic of the South Bank.
In de derde plaats voert Mills aan dat de Bank nog nooit eerder een personeelslid had ontslagen. Hij beroept zich ten deze op een mededeling aan het personeel van de zogenaamde „Personnes de confiance”, een soort personeelsvertegenwoordiging, na een bespreking van deze „vertrouwensmannen” met de president van de Bank, een vice-president, de secretaris-generaal en de directeur personeelszaken. Deze mededeling bevatte onder meer de opmerking dat ontslagen van personeelsleden van de Bank altijd zeer zeldzaam waren geweest en dat de Bank ernaar streefde ze uitzonderingen te laten blijven. Mijne heren, een ontslag moge een zeldzaamheid zijn en zelfs een uitzonderlijk of ongekend voorval, daarmee is niet gezegd dat het onrechtmatig is.
Ten slotte betoogt Mills wat dit aspect van de zaak betreft, dat ook al had de Bank terecht besloten de Engelse vertaalsectie in te krimpen en daartoe hem eraan te onttrekken, zij hem niet had mogen ontslaan, maar een andere post voor hem had moeten zoeken. Uit niets blijkt echter dat er bij de Bank een vacature was waarvoor Mills op grond van zijn kwalificaties in aanmerking kon komen. Ten deze zij opgemerkt dat Mills blijkens zijn curriculum vitae altijd in het onderwijs werkzaam is geweest, afgezien dan van een jaar als vertaler bij de Raad en vervolgens bij de Bank.
Zo kom ik tot het tweede onderdeel van de vraag, namelijk of de reden waarom de keus op Mills is gevallen toen het erom ging iemand van de Engelse sectie te ontslaan, inderdaad was dat men over hem het minst tevreden was.
De Bank voert ten deze twee punten aan: in de eerste plaats beschouwde zij Mills als de minst bekwame vertaler van de sectie, en ten tweede veroorzaakten zijn houding en gedrag wrijving in de sectie, hetgeen een ongunstige invloed had op de werkzaamheden ervan.
Het bewijsmateriaal ten aanzien van deze twee punten is van gemengde aard: het bestaat uit beoordelingsrapporten over Mills, opgesteld door zijn superieuren, en uit gegevens betreffende voorvallen verband houdend met de opstelling van het laatste van die rapporten.
Het oudste stuk dat in dit verband is overgelegd, is het rapport van 6 februari 1973, opgesteld aan het eind van Mills' proefperiode bij de Raad door het hoofd van de Engelse sectie van de vertaaldienst van deze instelling. Hierin wordt Mills' talenkennis, voor zover het Engels, Frans en Duits betreft, gekwalificeerd als „zeer goed”, zijn begripsvermogen, initiatief en kwaliteit van het werk als „goed” en zijn vermogen tot samenwerken en stiptheid als „uitstekend”. Onder „Algemene opmerkingen” is vermeld: „De heer Mills blijkt een waardevol lid van de Engelse sectie te zijn. In alles was hij doet, is hij gewetensvol en betrouwbaar.”
Het tweede stuk is een getuigschrift van hetzelfde sectiehoofd van 11 juli 1973, luidende als volgt:
„De heer J. Mills is als Engels vertaler werkzaam geweest bij het Algemeen Secretariaat van de Raad van september 1972 tot juni 1973, toen hem op eigen verzoek ontslag is verleend.
Tijdens deze periode was de heer Mills eigenlijk met studieverlof van de Polytechnic of the South Bank te London, waar hij als docent verbonden was aan de Afdeling Talen.
De heer Mills is een uitstekend vertaler gebleken met goede stilistische kwaliteiten. Hij heeft zijn werk steeds stipt en gewetensvol verricht, in goede verstandhouding met zijn collega's en meerderen.”
Het derde bewijsstuk is het eerste beoordelingsrapport dat T. over Mills heeft opgesteld (het is afkomstig uit Mills' persoonsdossier en bevindt zich bij de genoemde bundel stukken). Het is gedateerd 19 december 1973, dus kort voor het einde van Mills' proeftijd bij de Bank. Voor een goed begrip houde men voor ogen dat op de bij de Bank gebruikte beoordelingsformulieren de volgende waarderingen voorkomen:
5 —
uitstekend,
4 —
zeer goed,
3 —
goed,
2 —
voldoende,
1 —
onvoldoende.
De derde, „goed”, is dus het gemiddelde.
Onder de rubriek „bekwaamheid” luidt de beoordeling als volgt: „voor het werk vereiste kennis”, „mondeling en schriftelijk uitdrukkingsvermogen”, „begrips- en beoordelingsvermogen” en „initiatief”: goed; „praktische zin” en „gevoel voor organisatie van het werk”: voldoende. Onder de rubriek „rendement”, „toewijding”: zeer goed, „kwaliteit van het werk”: goed, „produktiviteit”: voldoende. Onder de rubriek „gedrag”, „stiptheid”: uitstekend, „gedrag in dienst” en „gedrag tegenover derden”: goed, en „verantwoordelijkheidszin”: voldoende. Zijn kennis van het Frans wordt als zeer goed, die van het Duits als goed beoordeeld. Onder „Algemene opmerkingen” schreef T.:
„Hij werkt ijverig. Als hij wel eens fouten maakt, dan is dat eerder door een overmaat van ijver dan door onoplettendheid, ofschoon hij geen snelle werker is.”
Bij de interpretatie van dit rapport dient men niet te vergeten dat Mills op voorstel van T. bij de Bank was aangesteld. Men mag dus aannemen dat T. Mills aanvankelijk goed gezind was. Toch valt er een lichte teleurstelling te bespeuren in T.'s opmerkingen over de fouten die Mills wel eens maakt en over het feit dat hij niet zo'n snelle werker is. Anderzijds duidt niets in dit rapport op de wrijving die het jaar daarop zou ontstaan. Blijkbaar accepteerde Mills tijdens zijn proeftijd het gezag van T. en D. Evenmin poogt het rapport de prestaties van Mills te vergelijken met die van de andere Engelse vertalers. Waarschijnlijk zou zo'n vergelijking prematuur zijn geweeest. De heer Bearne was eerst op 16 oktober en de heer Butler op 16 november 1973 in dienst getreden.
Op 15 januari 1975 ondertekende T. een tweede beoordelingsrapport over Mills. (Ook dit behoort tot diens persoonsdossier en bevindt zich bij de genoemde verzameling stukken.) Deze keer was de beoordeling minder gunstig. Voor „voor het werk vereiste kennis”, „mondeling uitdrukkingsvermogen”, „initiatief” en „gedrag tegenover derden” werd nog steeds „goed” en voor „produktiviteit” nog steeds „voldoende” genoteerd. Maar „stiptheid” zakte van uitstekend naar goed; „schriftelijk uitdrukkingsvermogen”, „begrips- en beoordelingsvermogen”, „toewijding” en „gedrag in de dienst” waren nog slechts voldoende, en „praktische zin”, „gevoel voor organisatie van het werk”, „kwaliteit van het werk” en „verantwoordelijkheidszin” zakten tot onvoldoende. Anderzijds steeg de waardering van „kennis van het Duits” van goed tot zeer goed. Onder „Algemene opmerkingen” schreef T.:
„Hij verdient geen bevordering. Ik kan zijn plaatsing in een hogere groep op dit moment niet aanbevelen. Ik heb hem al herhaaldelijk gezegd dat zijn werk niet bevredigend is. Hij is verreweg het zwakste lid van onze équipe, zelfs wanneer men zijn kennis van het Duits in aanmerking neemt. Wat erger is: van zijn verhouding tot degenen die zijn werk reviseren, kan men op zijn best zeggen dat die aan ruimhartigheid veel te wensen overlaat.
Ik stel voor dat hem vijf maanden worden gegeven om zijn prestaties te verbeteren.”
De hierin genoemde bevorderingsmogelijkheid heeft betrekking op de tweejaarlijkse salarisverhoging bedoeld in artikel 22 van het Personeelsreglement, dat luidt:
„Personeelsleden van de groepen II, III en IV” (Mills behoorde tot groep II) „worden automatisch elke twee jaar in een hogere salaristrap geplaatst. In uitzonderingsgevallen kan deze plaatsing ten hoogste zes maanden vroeger of een jaar later plaatsvinden.”
Op 17 januari 1975 zocht T. Mills in zijn bureau op om hem van die negatieve beoordeling op de hoogte te stellen. Mills heeft van dit gesprek verslag gedaan in een brief die hij op 20 januari 1975 aan de heer Lenaert schreef. Volgens deze brief gaf T. een feitelijke samenvatting van het beoordelingsrapport, waaraan hij toevoegde dat hij „beslist tevreden was met de beide andere vertalers” van de sectie en dat D. het „hierin” met hem eens was. Volgens Mills zei T. vervolgens: „I know that you will disagree … but I must warn you not to try to screw me, because it's you that'11 get screwed.” ( 2 ) Ik moet bekennen dat het gebruik van het werkwoord „to screw” in deze context nieuw voor mij is. Mills zegt daarop met een nietszeggend antwoord te hebben ge reageerd omdat hij geen ruzie wilde maken, maar dat hij meteen besloot zo snel mogelijk de heer Lenaert te spreken te vragen om hem op de hoogte te stellen „van die op niets berustende aanval op zijn bekwaamheid als vertaler en duidelijk te maken welke motieven daarachter staken.”
Uit de eerste alinea van die brief blijkt dat Mills inderdaad met de heer Lenaert heeft gesproken en dat de brief als een bevestiging van dat onderhoud is bedoeld. De brief besluit met de volgende passage:
„De keuze van het moment is mijns inziens veelzeggend, namelijk juist op het ogenblik dat de vragenlijst van W. en M. over taken en verantwoordelijkheden moest worden ingevuld. De ongefundeerde opmerkingen van de heer T. — daarvan ben ik overtuigd — vormden een onderdeel van een doelgerichte poging een formele hiërarchie in de Engelse sectie in te voeren (zoals beschreven in mijn antwoord op bedoelde vragenlijst).
Zonder iets te willen zeggen over de persoon van de heer T., heb ik ook de indruk dat hij jaloers is, misschien vanwege mijn goede kennis van het Duits, of omdat ik ouder ben, of vanwege mijn goede relaties met andere personeelsleden van de Bank … of om wat dan ook.
Maar zulke beweegredenen kunnen geen excuus zijn voor zijn onbehoorlijk gedrag. Het is, om het zo eens te zeggen, weinig sportief.
Het zal U duidelijk zijn dat ik deze lasterlijke uitlatingen, van iemand wiens beweegredenen in deze aangelegenheid uiterst dubieus zijn, niet zonder meer kan laten passeren en dat ik herroeping eis.”
Uit deze brief blijken duidelijk dingen: ten eerste dat Mills weigerde een „formele hiërarchie” in de Engelse sectie te accepteren, en ten tweede dat hij, voorzichtig gezegd, weinig sympathie had voor T.
In februari 1975 gebeurde er iets waaran Mills zeer veel belang hecht. Zijn weergave ervan is te vinden in zijn brief aan D. van 18 februari 1975. Volgens Mills had D. hem die ochtend „op de man af” gevraagd of de Engelse vertaling van een lang Duits document werkelijk van zijn (Mills') hand was. Nog steeds volgens Mills had D. hem verteld dat hij (D.) aan de heer Bearne had gevraagd of deze aan die vertaling had meegewerkt, aangezien ze „in zijn stijl” was. Zonder te vermelden wat de reactie van de heer Bearne op die vraag was geweest, besluit de brief: „Deze veronderstelling is even ongehoord als beledigend: het is ook ernstig wangedrag in de dienst.”
Op 21 februari 1975 beklaagde Mills zich over deze zaak bij de heer Lenaert. Uit wat hij deze vertelde, zou blijken dat D. de brief heeft geweigerd. Aangenomen dat dit juist is, weten wij niet waarom hij dat heeft gedaan, want D. is niet als getuige gehoord. Misschien omdat de brief nogal tactloos geadresseerd was aan „W.B.D., vertaler”; of omdat D. het niet juist vond dat Mills het contact met hem schriftelijk wilde laten verlopen; of omdat D. genoegen had genomen met Mills' mondelinge antwoord op zijn vraag en het incident als gesloten beschouwde. Wij kunnen slechts gissen.
Maar welke D.'s beweegredenen ook waren, de heer Lenaert schonk aandacht aan de klacht van Mills. Hij liet de betrokken vertaling bekijken door een onafhankelijk reviseur (wie dat was, wordt niet gezegd, maar waarschijnlijk iemand van een andere sectie) en deze kwam tot de conclusie dat er onvoldoende aanwijzingen waren voor de juistheid van D.'s „beschuldiging”. Derhalve, aldus de Bank, werd de zaak als afgedaan beschouwd en ook later niet tegen Mills uitgespeeld. Gezien Mills' lichtgeraaktheid zou het beter zijn geweest als hem uitdrukkelijk was medegedeeld dat hij van elke blaam was gezuiverd. Maar meer valt de Bank niet te verwijten. De werkelijke betekenis van dit incident is mijns inziens dat het een symptoom was van bestaande wrijving, niet slechts tussen Mills en T., maar ook tussen Mills en D.
Een ander voorval waarover Mills zich beklaagt, deed zich voor op zaterdag 5 april 1975. Ook dit kennen wij alleen uit de beschrijving die Mills ervan gaf in een nota aan de heer Lenaert, die hij op 8 april 1975 opstelde, maar uiteindelijk besloot niet te verzenden. Volgens Mills kwam hij die zaterdagmorgen op kantoor om enkele persoonlijke papieren te halen, en trof daar T., die hem vroeg „what the hell” hij daar deed. Wanneer een Engelsman aan een ander vraagt „what the hell” deze op zaterdagochtend op kantoor doet, dan hangt de betekenis van die vraag natuurlijk geheel af van de toon waarop het wordt gezegd. Welke toon T. bij die gelegenheid gebruikte, weten wij uiteraard niet. In elk geval schijnt Mills te hebben geantwoord dat hij enkele papieren kwam halen, waarop T. naar zijn eigen bureau terugging en Mills het gebouw verliet. Op dinsdag 8 december ontdekte hij dat de Engelse sectie vrijdagavond laat 12 bladzijden te vertalen had gekregen die maandagmorgen vroeg klaar moesten zijn, en hij vroeg T. waarom deze geen beroep had gedaan op zijn medewerking. Volgens Mills antwoordde T. daarop: „Dat zou uitermate nutteloos zijn geweest … U weet hoe ik erover denk.” Voor Mills bleek hieruit dat hij buiten het team werd gesloten. Mijns inziens vormt het niet meer dan een bevestiging van het feit feit dat Mills en T. gebrouilleerd waren, en dat Mills een erg onredelijke houding kon aannemen.
Intussen had de heer Lenaert zich bezig gehouden met het negatieve beoordelingsrapport over Mills. Hij vergewiste zich ervan dat D. het met T. eens was en besprak het rapport vervolgens met de directeur personeel en met T. zelf. Deze liet zich overhalen om zijn beoordeling van Mills' „begrips- en beoordelingsvermogen” van voldoende te veranderen in goed. Voor het overige bleef hij echter bij zijn mening.
Op 16 april 1976 voegde de heer Lenaert zijn eigen opmerkingen toe aan het rapport. Hij schreef:
„Moeilijk geval, te meer omdat T. zelf ons op de kandidatuur van Mills opmerkzaam heeft gemaakt en T.'s oordeel na zes maanden proeftijd niet ongunstig was. Het is ook mogelijk dat de onduidelijkheid betreffende T.'s bevoegdheden als reviseur tot een zekere spanning heeft geleid, aangezien Mills beweert dat na de proeftijd van zes maanden zijn vertalingen zonder meer werden geaccepteerd. Anderzijds schijnen ook temperament en karakter een rol te hebben gespeeld; zoals ik bij de beoordeling van T. heb gezegd, heeft Mills zich misschien wat geërgerd aan diens enigszins grove en weinig academische woordkeus.
Als T.'s verklaringen over (Mills') bekwaamheid en de kwaliteit van zijn werk worden bevestigd, zal men, wellicht na een allerlaatste waarschuwing, ertoe moeten besluiten de relatie met Mills te beeindigen.”
De toespeling op wat de heer Lenaert in zijn rapport over T. had gezegd, vormde voor het Hof aanleiding om krachtens artikel 45, paragraaf 2, sub b, van het Reglement voor de procesvoering de Bank te vragen dat rapport over te leggen, ervan uitgaande dat het steeds overlegging kan bevelen van een document waarvan melding wordt gemaakt in een reeds geproduceerd stuk. De Bank sputterde aanvankelijk wat tegen. Ofschoon haar argumenten niet erg duidelijk waren, meen ik te begrijpen dat dat om twee redenen was: ten eerste was het stuk irrelevant en ten tweede was het vertrouwelijk. Na enig aandringen van het Hof stelde de Bank het echter toch ter beschikking, en het Hof en ikzelf hebben er kennis van genomen. De vraag rijst nu of het ook aan Mills en zijn raadslieden moet worden medegedeeld, in welk geval partijen gelegenheid moeten krijgen zich erover te uiten.
Voor mij staat vast dat het stuk, zij het slechts marginaal, ter zake dienend is, zodat het niet als irrelevant buiten beschouwing kan worden gelaten. Evenzeer staat voor mij vast dat het feit dat een stuk vertrouwelijk is of als zodanig wordt aangemerkt, op zich niet volstaat om het aan de kennisneming van partijen te kunnen onthouden. In de belangrijke zaak Conway t. Rimmer [1968] A.C. 910, heeft het House of Lords erop gewezen dat in een geval als het onderhavige twee aspecten van openbaar belang met elkaar botsen: 1. het openbaar belang dat iemand zijn recht niet wordt onthouden doordat bewijsmateriaal niet wordt toegelaten, en 2. het openbaar belang dat de goede werking van overheidsinstellingen niet wordt geschaad door openbaarmaking van vertrouwelijke gegevens. Het House of Lords stelde zich op het standpunt dat de bevoegde rechter de betrokken belangen tegen elkaar dient af te wegen en in geval van twijfel na zelf inzage van het stuk te hebben genomen moet beslissen of de bewijswaarde ervan opweegt tegen het eventuele nadeel van openbaarmaking. Het Hof zal het wellicht met mij eens zijn dat dit een bruikbare richtlijn is. En vervolgens zal het wellicht eveneens met mij eens zijn dat het beoordelingsrapport over T. niets bevat dat niet reeds uit andere bronnen bekend is en dat, zo gezien, openbaarmaking ervan niet nodig is. Hierbij denk ik ook aan de — overigens voor mij niet beslissende — omstandigheid dat het, zoals ons herhaaldelijk is verzekerd, bij de Bank niet gebruikelijk is de beoordelingsrapporten aan de betrokken personeelsleden mee te delen, zodat zelfs T. niet weet wat er in zijn rapport staat. Dit gebruik wijkt af van dat wat door artikel 43 Ambtenarenstatuut aan de gemeenschapsinstellingen in eigenlijke zin is opgelegd. Het staat niet aan mij, althans niet in deze zaak, te beoordelen welk gebruik het beste is, dan wel of wellicht een tussenoplossing de voorkeur zou verdienen.
Voor wat betreft de gebeurtenissen voorafgaande aan Mills' ontslag, lijkt mij nog slechts één feit van belang, en wel dit, dat Mills zijn animositeit jegens T. tot uitdrukking bracht door in zijn bureau en op de deur ervan citaten op te hangen zoals:
„Those he commands move only in command. Nothing in love: nor does he feel his title hang loose about him like a giant's robe upon a dwarfish thief. ( 3 ) (Macbeth)”
en
„When a stupid man is doing something he is ashamed of, he always says that it is his duty. ( 4 ) (G.B. Shaw)”
en meer van deze aard.
Mills bestrijdt niet dat hij dit heeft gedaan. Hij verklaart dat het bij de Bank algemeen gebruik was om „satirisch” materiaal op te hangen en hij produceert voorbeelden van grappige afbeeldingen en uitspraken die in verschillende afdelingen van de Bank waren aangeplakt. Wanneer men deze beziet, blijkt al snel dat ze van geheel andere aard waren dan de door Mills gekozen citaten: niemand met gevoel voor humor kon zich erdoor beledigd voelen.
De Bank betoogt dat de wrijving tussen Mills enerzijds en T. en D. anderzijds de sfeer in de Engelse sectie zo zeer bedierf, dat de secretaresses eraan dachten te vertrekken. Ik neem dit graag aan, hoewel Mills het heeft betwist en het Hof verzocht de heren Bearne en Butler te horen: zij zouden kunnen verklaren dat de onprettige sfeer te wijten was aan de houding van T. en D. tegenover hun collega's. Het Hof heeft dit verzoek mijns inziens terecht afgewezen. Dit is geen strafzaak tegen een lid van de Engelse sectie. Het gaat er slechts om vast te stellen of de Bank gegronde redenen had om Mills te ontslaan.
Wat dit betreft, kan het aangedragen bewijsmateriaal worden samengevat als volgt. Het was duidelijk dat Mills door diegenen van zijn meerderen die het best tot oordelen in staat waren en in wie de Bank vertrouwen had, namelijk T. en D., als de minst bekwame Engelse vertaler werd beschouwd. Er bestond tussen Mills enerzijds en T. en D. anderzijds klaarblijkelijk dusdanige wrijving dat geen werkgever het voortduren daarvan kan tolereren. Er zijn aanwijzingen dat deze wrijving voor een deel aan T.'s weinig fijnzinnige woordkeuze was te wijten, maar het is ook duidelijk dat een wezenlijke oorzaak ervan gelegen was in Mills weigering het gezag van T. en D. te erkennen, en in zijn onredelijk vijandige houding tegenover hen.
Zo gezien lijkt de conclusie van de Bank dat Mills moest vertrekken, alleszins gerechtvaardigd. Mijns inziens had de Bank waarschijnlijk zelfs tot die conclusie kunnen komen wanneer een inkrimping van de Engelse vertaalsectie niet nodig was geweest.
Ofschoon hiermee eigenlijk alles reeds is gezegd, moet ik nog ingaan op twee punten die door Mills naar voren zijn gebracht.
In de eerste plaats zijn bewering dat hem geen gelegenheid is geboden voor opmerkingen over het negatieve beoordelingsrapport en de gronden voor zijn ontslag.
Wat het beoordelingsrapport betreft, heb ik er reeds op gewezen dat het bij de Bank niet gebruikelijk is de inhoud van die rapporten aan het betrokken personeelslid mee te delen, en dat ik het in casu niet noodzakelijk acht een oordeel daarover uit te spreken. In feite heeft T., zij het in algemene bewoordingen, Mills volgens diens eigen zeggen op de hoogte gesteld van de inhoud van het rapport, zodat hij in staat was zijn mening daarover aan de heer Lenaert kenbaar te maken, met als resultaat dat de heer Lenaert de aangelegenheid met D., de directeur personeel en T. zelf heeft besproken.
Wat de ontslaggronden betreft, zij opgemerkt dat ten aanzien van gewone arbeidsovereenkomsten — in tegenstelling tot wat in het Frans „la fonction publique” wordt genoemd — de werkgever slechts in één Lid-Staat (Frankrijk) wettelijk verplicht is een werknemer te horen alvorens hem te ontslaan — zie artikel L 122-14 van de Code du Travail —, met als enige sanctie bij overtreding van dit voorschrift, dat de werkgever kan worden veroordeeld de werknemer een bedrag te betalen gelijk aan ten hoogste één maandsalaris. En — afgezien uiteraard van het geval van ontslag op staande voet wegens dringende redenen — is de werkgever in geen van de andere Lid-Staten wettelijk tot meer verplicht dan desverlangd de redenen van het ontslag mee te delen, met name in gerechtelijke procedures.
In zijn brief aan Mills van 29 juli 1975, waarin het ontslag werd aangezegd, beperkt de president van de Bank zich tot de mededeling dat de arbeidsovereenkomst „om redenen van organisatorische aard” werd beëindigd. Doch toen Mills daarop naar de heer Lenaert ging, gaf deze een uitgebreidere motivering en tijdens de behandeling van de zaak heeft de Bank de ontslagredenen omstandig uiteengezet. Het zou misschien beter zijn geweest als Mills bij iemand — bij voorbeeld de heer Lenaert — was ontboden en hem de redenen van zijn voorgenomen ontslag waren toegelicht voordat het hem schriftelijk werd aangezegd. Maar dat dit niet is gebeurd, betekent mijns inziens niet dat de Bank onrechtmatig heeft gehandeld. Bovendien zij eraan herinnerd dat Mills reeds op 7 juli 1975 een onderhoud over zijn situatie had gehad met de directeur personeel, waarbij hij zijn eigen standpunt had kunnen toelichten.
In de tweede plaats stelt Mills dat de Bank tekort is geschoten in haar plicht hem bij te staan tegen bedreigingen van zijn meerderen. Dit punt, dat overigens weinig is ontwikkeld, schijnt gebaseerd te zijn op een verondersteld rechtsbeginsel, verwant aan dat wat is vervat in artikel 24 van het Ambtenarenstatuut. Een goed werkgever is stellig verplicht klachten van zijn personeel over hun meerderen te onderzoeken. In casu lijkt de heer Lenaert dit namens de Bank uitvoerig te hebben gedaan. Ik heb trouwens niet de indruk dat Mills werkelijk is bedreigd, wel gewaarschuwd, tenzij wellicht door T.'s uitlating over „screwing”.
Ten slotte zij vermeld dat Mills tijdens de mondelinge behandeling tal van nieuwe feiten heeft gesteld die in de schriftelijke stukken niet waren aangevoerd. Het Hof kan daarvan uiteraard geen kennis nemen en in elk geval geloof ik niet dat ze van meer dan marginaal belang zijn.
Ik concludeer mitsdien dat het beroep worde verworpen, kosten rechtens overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
( 2 ) U zult het er niet mee eens zijn … maar ik waarschuw U niet te proberen mij in een hoek te drukken, want degene die in de hoek gedrukt zal worden, bent U.
( 3 ) Zijn ondergeschikten handelen slechts op bevel. Niets (gebeurt) uit genegenheid: en hij merkt ook niet dat zijn titel om hem heenzwabbert als de mantel van een reus om een dwergachtige dief.
( 4 ) Als een dom man iets doet waarvoor hij zich schaamt, zegt hij altijd dat het zijn plicht is.
Full & Egal Universal Law Academy