CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL A. TRABUCCHI
VAN 26 MEI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het geding dat voor de verwijzende rechter, het Finanzgericht Hamburg, aanhangig is, betreft de tariefindeling van rode bosbessen, die in 1974 uit Finland in Duitsland werden ingevoerd. In de periode waarin de feiten van de zaak zich voordeden, konden verse rode bosbessen van post 08.08 B van het gemeenschappelijk douanetarief (GDT) vrij van rechten in de Gemeenschap worden ingevoerd, terwijl voor bevroren bosbessen, behorende tot post 08.10 B, een recht van 20 % gold.
Toen de betrokken waar bij grensoverschrijding werd gecontroleerd, constateerden de Duitse instanties dat het produkt keihard was en in een ijzige, gekristalliseerde toestand verkeerde, ofschoon de verijzing aan de buitenkant minder was en tekenen van ontdooiing vertoonde. Aangezien er een vriesbehandeling op was toegepast, meende de douane dat die bosbessen niet meer als verse vruchten in de zin van het GDT konden worden beschouwd. Zij deelde ze derhalve in onder post 08.10 B.
De importeur ging tegen deze beslissing in beroep, betogende dat de bessen uitsluitend waren bevroren om bederf tij- dens het transport te voorkomen en niet om het moment van verkoop te kunnen uitstellen.
Volgens 's Hofs vaste rechtspraak, die gebaseerd is op de gedachte dat de douane haar taak op praktische en efficiënte wijze moet kunnen verrichten, vindt indeling plaats aan de hand van objectieve en gemakkelijk toe te passen criteria en derhalve met name aan de hand van de uiterlijke kenmerken van het produkt op het tijdstip van inklaring (zie bij voorbeeld het arrest in zaak 36-71, Güntber Henck, Jurispr. 1972, blz. 198, en recentelijk het arrest van 10 december 1975 in zaak 53-75, Vandertaelen, Jurispr. 1975, blz. 1647). Daarom is het als regel van geen belang om welke reden de importeur of exporteur de waar in een bepaalde vorm aanbiedt — met name wanneer die reden verband houdt met het gebruik waarvoor die waar is bestemd, ook al omdat moeilijk valt na te gaan of de verklaring van de betrokkene met de werkelijkheid overeenstemt —, behalve wanneer de bestemming uitdrukkelijk als indelingscriterium is erkend, in welk geval daarop gepast toezicht moet worden uitgeoefend.
Op grond van deze algemene regel moet daarom worden aangenomen dat de omstandigheid dat het produkt volgens de importeur niet was bevroren voor conserveringsdoeleinden — dus om het langer te kunnen bewaren —, maar enkel met het oog op een betere bescherming tijdens het transport, niet afdoet aan het objectieve gegeven dat het produkt bij de grens in een nagenoeg door en door bevroren toestand verkeerde, dat wil zeggen keihard was als gevolg van de koeling die het vóór verzending had ondergaan.
De betrokken importeur merkt voorts op dat indien de indeling uitsluitend dient te geschieden aan de hand van de uiterlijke kenmerken van de waar op het moment van visitatie, de douane in een geval als het onderhavige, waarin het produkt niet in koelwagens is vervoerd, de waar op verschillende wijze kan indelen eenvoudig door de controle wat eerder of later te verrichten.
Inderdaad is het mogelijk dat de waar bij controle op een later tijdstip niet meer in bevroren toestand wordt aangetroffen. De Commissie heeft er evenwel op gewezen dat bevriezing onomkeerbare veranderingen in het produkt teweegbrengt, die reeds in de uiterlijke kenmerken, zoals hardheid, kneusgevoeligheid en verlaagd sapgehalte, aan de dag treden en in geval van twijfel ook wetenschappelijk kunnen worden vastgesteld door een onderzoek van de weefselstructuur. Zulke veranderingen maken het onmogelijk om een maal bevroren fruit, ook wanneer het bij het douaneonderzoek weer ontdooid blijkt, als vers fruit te beschwouwen.
Bij het oplossen van een indelingsprobleem zoekt de rechter natuurlijk naar een functionele verklaring van het verschil in de tarieven die voor de twee onderling af te bakenen posten zijn vastgesteld.
Aangezien het onwaarschijnlijk lijkt dat bevroren waar een grotere intrinsieke waarde heeft, dienen wij in ons geval aan te nemen dat de zwaardere belasting uitsluitend haar verklaring vindt in het feit dat de waarde van het produkt is gestegen door de ruimere verhandelingsmogelijkheden die het gevolg zijn van duurzame conservering. Kleine hoeveelheden vers fruit, die als zodanig sneller door de markt kunnen worden opgenomen, zullen evenwel minder zwaar belast zijn. Zo gezien, blijkt het begrip vers fruit tegenover het begrip bevroren fruit te staan, en men kan derhalve zeggen dat fruit slechts vers is wanneer het nooit bevroren is geweest. Het toevallige tijdstip waarop de waar de grens overschrijdt, is stellig niet beslissend voor het onderscheid tussen de beide soorten van dezelfde waar; beslissend is veeleer het verschil tussen de beide soorten, dat op dat moment met het oog op hun tariefindeling moet worden vastgesteld.
2.
Merken wij op dat verse rode bosbessen ingevolge het GDT aan een autonoom invoerrecht van 9 % zijn onderworpen, terwijl voor bevroren rode bessen een autonoom recht van 20 % geldt Bij de zogenaamde „Dillonronde” evenwel heeft de Gemeenschap erin toegestemd het invoerrecht voor verse rode bosbessen uit enkele landen die daarom hadden gevraagd, waaronder Zweden en Finland, terug te brengen tot nul. Deze gemeenschapsconcessie maakte deel uit van een pakket wederzijdse concessies.
Aangezien het om een conventioneel recht gaat, dient men er ook zoveel mogelijk voor te zorgen dat de uitlegging van het GDT niet uitloopt op een feitelijke uitholling van de door de Gemeenschap toegestane concessie; deze zorg — ingegeven door het beginsel van de goede trouw, waaraan de Gemeenschap bij de nakoming van haar internationale verplichtingen is gebonden — mag er echter niet toe leiden dat de grenzen van de bevoegdheid om de wil van de communautaire wetgever uit te leggen, worden overschreden. Wanneer het dus normalerwijze niet mogelijk is het betrokken produkt in niet-bevroren toestand naar de Gemeenschap te vervoeren zonder dat zich een economisch onaanvaardbare kwaliteitsvermindering voordoet, kan men zich afvragen of bovengenoemd objectief indelingscriterium niet enige verzachting behoeft ten einde de door de Gemeenschap toegestane tarief-concessie inhoud te geven.
Ik ben onvoldoende op de hoogte van de technische aspecten van de zaak. Het is best mogelijk — niemand heeft tijdens de procedure het tegendeel beweerd — dat het gevaar van beschadiging of bederf tijdens het transport, dat de importeur thans door bevriezing heeft willen tegengaan, ook had kunnen worden afgewend door eenvoudige koeling, waarbij het produkt op een temperatuur van 0o wordt gehouden en dus bevriezing en de daarmee gepaard gaande veranderingen die het produkt zijn versheid doen verliezen, worden vermeden. Het kan ook zijn dat bevriezen goedkoper is omdat het dan niet nodig is bij het transport gebruik te maken van koelwagens. Maar dit is stellig onvoldoende reden voor een uitbreiding van het begrip verse bosbessen tot bosbessen die in werkelijkheid, uitsluitend om redenen van economisch voordeel en niet vanwege een onontkoombare technische noodzaak, vóór het transport zijn bevroren.
Indien het anderzijds juist is dat door het bevriezen onomkeerbare veranderingen in het produkt optreden, zodat dit ook na ontdooiing niet meer kan worden beschouwd als een vers produkt in de betekenis die het normale handelsgebruik in de betrokken sector aan die term hecht, dient het hoe dan ook uitgesloten te zijn dat een produkt dat bij grensoverschrijding in bevroren of zelfs ontdooide toestand verkeert, onder post 08.08 wordt ingedeeld: en dit ook wanneer het produkt, ten aanzien waarvan een tariefconcessie is gedaan, normaliter alleen in bevroren toestand van de begunstigde staat naar de Gemeenschap kan worden vervoerd. In dat geval kan men ervan uitgaan dat de betrokken staten zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de transportomstandigheden, en dat zij er dus weinig verstandig aan hebben gedaan niet om een tariefconcessie voor bevroren produkten van post 08.10 te vragen. Het is mij overigens niet bekend of daar inderdaad niet om is gevraagd, en of de Gemeenschap dit niet heeft geweigerd om redenen van intern of extern economisch beleid, die ik niet ken en die ik hier trouwens ook niet zou kunnen toetsen. Het is dus ook mogelijk dat de Gemeenschap de concessie met opzet tot verse bessen heeft beperkt, wel wetend hoe moeilijk het transport van verse bessen is en dat de concessie haar in werkelijkheid weinig zou kosten. Het gaat daarom niet aan door een uitlegging van het GDT, die de gewone betekenis van de termen waarmee de betrokken waren in het douanetarief worden aangeduid, dreigt te verdraaien, de producenten in derde landen grotere voordelen te bezorgen dan die landen tijdens de tariefonderhandelingen hebben weten te verkrijgen, dat wil dus ook zeggen grotere voordelen dan de bevoegde gemeenschapsautoriteiten hun op basis van een redelijke uitlegging van de begrippen van het tarief hebben willen toekennen. Ik ben niet in de gelegenheid nader op een van deze elkaar tegensprekende veronderstellingen in te gaan. Ik wil er slechts mee aantonen dat de in het begin voorgedragen overweging betreffende de werkelijke draagwijdte van de door de Gemeenschap gedane of door haar verdragspartners verhoopte tariefconcessie met betrekking tot de onderhavige produkten, geen goede grondslag kan bieden voor de uitlegging van de termen van het GDT.
De duidelijkheid en de zekerheid van het recht verlangen dat bij het vaststellen van de betekenis dier termen uitsluitend van het communautaire tariefstelsel wordt uitgegaan, zonder rekening te houden met overwegingen betreffende toevallige veranderingen die op grond van internationale overeenkomsten zijn aangebracht in de hoogte van de desbetreffende invoerrechten.
3.
Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde de Commissie dat het betrokken produkt, juist omdat het bevroren is, in de gemeenschappelijke markt niet concurreert met verse bosbessen uit de Gemeenschap, aangezien het eerstgenoemde produkt niet als vers in de handel kan worden gebracht. Voorts verklaarde de Commissie dat dat produkt ook niet concurreert met bevroren bosbessen uit de Gemeenschap, omdat het gebruikt wordt voor de vervaardiging van jam en marmelade. Dit veronderstelt dat het gemeenschapsprodukt nooit voor dit doel wordt gebruikt, een bewering die mij tamelijk gewaagd voorkomt.
Hoe dit ook zij, indien er inderdaad geen sprake is van concurrentie tussen geimporteerde bosbessen en het communautaire produkt, heb ik mij afgevraagd of het misschien gerechtvaardigd zou zijn het begrip „verse bosbessen” ruimer uit te leggen dan ik eigenlijk voor juist houd, teneinde produkten waartegen de economie van de Gemeenschap niet behoeft te worden beschermd, vrij te stellen van invoerrechten.
In de eerste plaats kan heel in het algemeen worden opgemerkt dat de rechten van het GDT niet alleen maar een protectionistische functie hebben. Een communautair invoerrecht zoals voor bevroren rode bosbessen geldt, en waarvan de hoogte overeenkomt met het rekenkundig gemiddelde van de vroegere — waarschijnlijk protectionistische — nationale invoerrechten, behoudt, ook wanneer door de veranderde economische omstandigheden die protectionistische functie op de achtergrond is gedrongen, voor de Gemeenschap en met name voor de gemeenschappelijke handelspolitiek toch zijn belang als ruilobject bij tarief-onderhandelingen met derde landen. Reeds om deze reden zou het niet juist zijn de uitlegging van een tariefbegrip, en dus de toepasselijkheid van een invoerrecht, te doen afhangen van overwegingen betreffende de concurrentiekracht van het ingevoerde produkt.
In de tweede plaats valt op te merken dat het rechtens onjuist en voor de economie van de Gemeenschap gevaarlijk zou zijn het toepassingsgebied van een tariefbegrip van bovengenoemde overweging afhankelijk te stellen. Niet alleen omdat de marktpositie van een produkt binnen de Gemeenschap kan veranderen, maar vooral omdat bij een tariefpost zoals post 08.08, die een groot aantal produkten omvat, een uitlegging die vóor meer produkten van één post (in casu „verse bessen”) zou gelden, hoewel zij in feite berust op de concurrentiepositie van slechts één daarvan, ook invloed zou hebben op de uitiegging ten aanzien van andere produkten, die wellicht sterker met het overeenkomstige gemeenschapsprodukt concurreren. Er zij op gewezen dat de invoerrechten voor de verse produkten van post 08.08 aanmerkelijk lager zijn dan de rechten voor de overeenkomstige bevroren produkten van post 08.10. De Gemeenschap kan dus een reëel belang hebben bij een duidelijk onderscheid tussen verse produkten, die dus als zodanig verkocht moeten kunnen worden, en bevroren produkten. Om die reden dient een uitbreiding van het begrip verse produkten te worden vermeden; zo'n uitbreiding zou immers de grotere bescherming ongedaan maken, die men via de verschillende hoogte van de invoerrechten voor de beide betrokken tariefposten heeft willen bieden aan gemeenschapsprodukten die van de litigieuze waar verschillen.
Willen wij niet het risico lopen tot een oplossing te komen die niet past voor de produkten welke buiten deze zaak staan, dan moeten wij bij de uitlegging van de in geding zijnde begrippen van net GDT in beginsel alles buiten beschouwing laten wat verband houdt met de concurrentiepositie van het litigieuze produkt
Met name wat de betekenis van de term „verse bessen” betreft: wanneer een produkt dat, na bevroren te zijn geweest, in weer ontdooide toestand ter inklaring wordt aangeboden, als vers zou moeten worden aangemerkt, zou men er theoretisch en praktisch moeilijk omheen kunnen ook lang tevoren geplukte en door bevriezing geconserveerde vruchten als verse vruchten te beschouwen. Hiermee zou het begrip verse vruchten volkomen inhoudloos worden.
Als anderzijds de verklaring van de Commissie, dat de litigieuze rode bosbessen binnen de Gemeenschap niet met verse rode bosbessen kunnen concurreren, juist is, mag ook worden aangenomen dat de importeurs ze niet als verse waar in de handel zullen brengen, en dit niet zozeer uit overwegingen van handelsfatsoen, als wel om de eenvoudige reden dat het eenmaal — zij het ook, zoals in casu gesteld, slechts voor korte tijd — bevroren produkt vanwege zijn uiterlijke kenmerken niet meer als een vers produkt kan worden afgezet Indien de consument verse bosbessen van ontdooide kan onderscheiden, dan moet ook een douanebeambte daartoe zonder al te veel moeilijkheden in staat zijn.
Maar ook wanneer het ontdooide produkt uiterlijk niet van het verse zou zijn te onderscheiden, kan het rechtens niet als zodanig worden ingeklaard. Uit de Brusselse toelichtingen op post 07.02, waarnaar de toelichtingen op post 08.10 verwijzen, kan immers worden afgeleid dat het daar nog steeds gaat om een produkt dat er slechts vers uitziet, terwijl, aldus de verklaring van de Commissie, in de weefselstructuur onomkeerbare en objectief te constateren veranderingen zijn opgetreden, ook al is de celstructuur op zich niet aangetast.
Concluderende stel ik mitsdien voor de prejudiciële vraag van het Finanzgericht Hamburg aldus te beantwoorden, dat rode bosbessen die — ook als is het uitsluitend voor transportdoeleinden — bevroren zijn, ongeacht of zij dat op het moment van inklaring nog zijn, niet kunnen worden beschouwd als verse bessen in de zin van post 08.08 B van het gemeenschappelijk douanetarief.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy