CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 11 NOVEMBER 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Op 12 maart 1974 werd op de mededelingsborden bij het Europese Parlement bekendgemaakt, dat bij het directoraat-generaal Commissies en Interparlementaire Delegaties een post van afdelingshoofd in de rang A 3 vacant was. Hiernaar solliciteerde ook verzoeker. In de vacature werd niet door bevordering of overplaatsing voorzien, doch — blijkens een aankondiging van 18 november 1974 — door een intern vergelijkend onderzoek, nr. A/51. In de aankondiging — evenals reeds in de kennisgeving van vacature — waren de aan het ambt verbonden werkzaamheden en de vereiste hoedanigheden nader aangegeven. Terwijl echter in de kennisgeving een grondige kennis van het Deens werd verlangd, werd in de aankondiging slechts gezegd dat om functionele redenen kennis van het Deens wenselijk was. Verzoeker nam ook deel aan dit vergelijkend onderzoek. De jury stelde na de nodige verrichtingen haar verslag op 18 april 1975 vast en kwam daarbij tot een lijst van negen geschikte kandidaten: de eerste kandidaat had in totaal 56,5 punten, de tweede kandidaat, de heer G. had 50,25 punten en verzoeker stond met 46,25 punten op de zesde plaats. Op grond van deze lijst benoemde de voorzitter van het Parlement op 29 april 1975 de heer G. per 1 mei 1975 op de betrokken post.
Op 18 juni 1975 richtte verzoeker een formele klacht tot het tot aanstelling bevoegde gezag met verzoek het benoemingsbesluit nietig te verklaren en hemzelf ingevolge artikel 29, lid 1, sub a), juncto artikel 45, lid 1, of ingevolge artikel 29, lid 1, sub b), van het Statuut tot afdelingshoofd te benoemen. Hij voerde hiertoe onder meer aan dat hij zelf, anders dan de heer G., al bij het begin van de voorzieningsprocedure voor bevordering in aanmerking kwam, dat hij in het vorige vergelijkende onderzoek A/43 (onderwerp van de zaak 23-74) meer punten had behaald dan de heer G., en dat de heer G. niet was geëxamineerd op zijn kennis van het Deens.
Toen deze klacht onbeantwoord bleef, wendde verzoeker zich op 15 december 1975 tot het Hof met verzoek het besluit van de voorzitter van het Parlement tot benoeming van de heer G. tot afdelingshoofd nietig te verklaren.
Tot staving van zijn eis draagt verzoeker een reeks grieven voor. Zij hebben betrekking op de toelaatbaarheid van de opening van een intern vergelijkend onderzoek, de samenstelling van de jury, de vaststelling van bepaalde selectiecriteria in de aankondiging, de door de jury afgenomen examens alsmede de inhoud van het benoemingsbesluit zelf.
Mijn mening inzake deze grieven wil ik als volgt bepalen:
1.
Om te beginnen de vraag of het Parlement in casu is voorbijgegaan aan de bepaling van artikel 29, lid 1, van het Personeelsstatuut, dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij de voorziening in een vacature allereerst de mogelijkheden van bevordering of overplaatsing binnen de instelling moet onderzoeken. Verzoeker voert ten deze aan dat — zoals is gebleken in de zaak 23-74 (B. Küster t. Europees Parlement, arrest van 12. 3. 1975, Jurispr. 1975, blz. 353) — zijn bevorderbaarheid is erkend en dat hij als enige van de sollicitanten voor bevordering tot de post in aanmerking kwam. Volgens het Statuut had hij derhalve moeten worden bevorderd en had men niet tot de volgende etappe van de voorzieningsprocedure mogen overgaan.
Een overeenkomstige grief was ook reeds in de zaak 23-74 voorgedragen. Ik heb toen in mijn conclusie de opvatting verdedigd, dat van een recht op bevordering geen sprake kan zijn; de overgang naar de in artikel 29, lid 1, sub b), van het Statuut genoemde tweede etappe van de voorzieningsprocedure is niet alleen gerechtvaardigd, wanneer geen der gegadigden voor bevordering of overplaatsing in aanmerking komt, maar ook wanneer andere zakelijke gronden aanwezig zijn. Het Hof heeft zich hierbij aangesloten en met name erkend dat wanneer een aantal personen voor bevordering in aanmerking komt, het tot aanstelling bevoegde gezag tot de slotsom kan komen dat het uitschrijven van een intern vergelijkend onderzoek in het belang van de dienst is.
Deze overwegingen gelden mijns inziens ook in het onderhavige geval.
Hierbij is allereerst van belang dat volgens de kennisgeving van vacature van maart 1974 een grondige kennis van het Deens verlangd werd. Verzoeker kon hierop niet bogen; in zijn sollicitatie heeft hij zelf opgegeven dat hij in dienst van de Gemeenschap alle officiële talen heeft moeten gebruiken, behalve Deens. Het tot aanstelling bevoegde gezag kon er dan ook van uitgaan dat verzoeker niet geschikt was voor de post en kon dus afzien van een bevordering. Toen de kennisgeving derhalve niets opleverde, werden de eisen betreffende de talenkennis voor het intern vergelijkend onderzoek afgezwakt tot een „wenselijke” kennis van het Deens, waarbij de vraag rijst of de procedure toen niet weer opnieuw had moeten worden aangevangen, dat wil zeggen of niet wederom eerst de mogelijkheden van bevordering hadden moeten worden nagegaan. Dat dit is nagelaten, valt echter niet te laken, omdat blijkens de sollicitatiegegevens verzoeker kennelijk ook niet voldeed aan deze verlaagde eisen, hetgeen nog wordt bevestigd door de verklaringen van de als getuige gehoorde voorzitter van de jury; verzoeker zou slechts een rudimentaire kennis van het Deens hebben, welke in het vergelijkend onderzoek geen speciale vermelding verdiende.
Geheel afgezien van het feit, dat — zoals het Parlement ten processe verklaarde — korte tijd later, namelijk in januari 1975, meer sollicitanten voor bevordering in aanmerking kwamen, kan men derhalve concluderen dat ook in het onderhavige geval redelijke gronden aanwezig waren om verzoekers bevorderbaarheid buiten beschouwing te laten en dat een schending van artikel 29 van het Statuut dan ook niet gegeven is.
2.
Over een tweede beroepsgrond, de onregelmatige samenstelling van de jury door de secretaris-generaal van het Parlement, die krachtens een van oktober 1971 daterende en beweerdelijk niet-gepubliceerde machtiging zou hebben gehandeld, kan ik kort zijn.
Deze grief, met de conclusie dat alle daaruit voortvloeiende handelingen van het tot aanstelling bevoegde gezag onrechtmatig zouden zijn, hebben wij reeds in een aantal andere gedingen — de zaken 23-74, 77-74 en 80-74 — aangetroffen. Ik ben toen na een diepgaand onderzoek tot de conclusie gekomen dat de grief geen stand houdt. Hiernaar verwijzend, blijf ik bij deze mening, temeer omdat zich hier geen nieuwe argumenten voordoen en omdat ook uit de verwer ping van het beroep in de zaak 23-74 kan worden afgeleid, dat het Hof verzoekers standpunt niet deelt.
3.
Van meer belang schijnt daarentegen de derde grief die is gericht tegen de aankondiging van het intern vergelijkend onderzoek door het tot aanstelling bevoegde gezag en met name tegen de daarin vermelde beoordelingscriteria. Volgens die criteria zou bij de puntenwaarderingen voor talenkennis alleen met die boven de vijf rekening worden gehouden. Bovendien zouden de schriftelijke bewijsstukken worden gewaardeerd met 0 tot 40 punten, dat wil zeggen een zelfde maximum als voor twee mondelinge examens, daar voor een examen van vijftien minuten over onderwerpen die betrekking hadden op de werkzaamheden van het aangekondigde ambt, 0 tot 30 punten en voor een ander van 10 minuten betreffende talenkennis, 0 tot 10 punten konden worden gegeven.
Dat tegen de beperkte puntenwaardering voor talenkennis bezwaren zijn te maken, is naar mijn mening overduidelijk en behoeft geen nader betoog. Immers, met een dergelijke waarderingsmethode is de verlangde kennis — en zeker de verschillen in talenkennis — niet nauwkeurig weer te geven. Hoe dit in een vergelijkend onderzoek valt te rechtvaardigen, is mij niet duidelijk.
Wat betreft de vaststelling van, een be- oordelingsschaal voor enerzijds schriftelijke bewijsstukken en anderzijds mondelinge examens, herinner ik eraan dat ik al in mijn conclusie in de zaak 23-74 kritiek heb geoefend op de invloed en het gewicht van waarderingen die slechts op grond van een kort gesprek tot stand komen. In het destijds litigieuze vergelijkende onderzoek golden tien criteria voor de beoordeling der schriftelijke bewijsstukken met telkens maximaal tien punten, daarentegen voor twee andere criteria, die in een onderhoud werden beoordeeld, in totaal twintig punten. Was deze verdeling al aanvechtbaar, dan moet dit nog temeer gelden voor die in het vergelijkend onderzoek A/51. Het is immers niet te verdedigen dat objectieve criteria, zoals anciënniteit, leeftijd, universitaire diploma's, rapporten ex artikel 43 Statuut enz, die vaak lange tijdvakken betreffen, evenveel gewicht krijgen als de uitkomsten van een gesprek van bij elkaar vijfentwintig minuten. Wie mondelinge examens al eens heeft bijgewoond, weet, hoezeer daarbij het toeval — de keus van de vragen en de gedisponeerdheid van de kandidaten — een rol speelt. Krijgen de resultaten hiervan dan toch evenveel gewicht als de na jaren verworven diploma's, dan ligt het gevaar van een foutieve beoordeling en ook van manipulatie voor de hand. In zoverre moet men hier spreken van een krasse en evidente wanverhouding en ernstig bezwaar maken tegen de bepalingen van de aankondiging.
Doch de conclusie dat de uitkomsten van het vergelijkend onderzoek nul en van gener waarde zijn en dat het daarop gebaseerde benoemingsbesluit onrechtmatig moet worden verklaard, is nochtans voorbarig.
Immers, wat ten eerste de laakbare beoordeling van de talenkennis betreft, is van belang dat slechts over één der op de aanbevelingslijst vermelde kandidaten inzoverre, dat wil zeggen wegens toekenning van nul punten, onduidelijkheid bestaat. Daar deze kandidaat echter zowel na de benoemde ambtenaar als na verzoeker is geplaatst, zou een desbetreffende herziening van de lijst voor het aangevallen benoemingsbesluit geen enkele consequentie hebben.
Wat ten tweede de ongebruikelijke puntenverdeling voor schriftelijke bewijsstukken en examenresultaten betreft, kan men zonder meer op grond van de aanwezige gegevens een correctie aanbrengen. Doet men dit bij een verdeelsleutel van 4:1 voor de bewijsstukken en het mondeling examen, dan blijkt, dat de lijst slechts een geringe verandering zou ondergaan — één kandidaat zou wegvallen en een andere zou daarvoor in de plaats komen — en dat ook de volgorde niet fundamenteel zou worden gewijzigd. Weliswaar zou de benoemde ambtenaar dan niet meer op de tweede, doch op de derde plaats komen, maar hij zou nog altijd boven verzoeker staan, die bij de nieuwe puntenverdeling de vierde plaats zou innemen. Zo gezien, moet men ervan uitgaan dat het tot aanstelling bevoegde gezag bezwaarlijk een ander besluit ter voorziening in de vacature zou hebben genomen, en dat met andere woorden de aangetoonde fout geen invloed heeft gehad op het bestreden besluit.
Ik ben derhalve van mening dat ten deze, ondanks de gegronde kritiek, geen aanleiding bestaat het gehele vergelijkende onderzoek onrechtmatig te achten en in het bijzonder het daarna genomen benoemingsbesluit te vernietigen.
4.
De overige grieven behoeven naar mijn mening — om het reeds dadelijk te zeggen — geen uitvoerige bespreking.
a)
Allereerst de omstandigheid, dat van het mondeling examen dat zo zwaar heeft gewogen, niets is vastgelegd: voor de controle achteraf op de gang van zaken — van een wijziging in de beoordeling kan namelijk geen sprake zijn — acht ik dit onbevredigend, al zou ik niet zo ver willen gaan bandopnamen te verlangen, hetgeen immers nergens is voorgeschreven. Daar anderzijds echter op het verloop van het mondelinge examen geen kritiek is geleverd en niet is gebleken van een onjuiste handelwijze, ben ik van mening, dat het vergelijkend onderzoek op deze grond niet ongeldig kan worden verklaard.
b)
Ik zie ook geen bezwaar in de lage verdiscontering van de diensttijd der kandidaten. Ik verwijs daartoe naar mijn conclusie in de zaak 23-74 met betrekking tot een overeenkomstig punt in een vroeger vergelijkend onderzoek.
c)
Verder acht ik irrelevant dat de benoemde ambtenaar niet heeft deelgenomen aan het examen Deens. Hierover hebben wij gehoord dat hij deze kennis niet bezit en dat dit het tot aanstelling bevoegde gezag bekend was. Naar mijn mening stond dit een benoeming niet in de weg, daar kennis van het Deens slechts als gewenst was aangegeven en dus geen volstrekte voorwaarde was voor de bekleding van het ambt.
d)
Op een hele reeks vragen, die verzoeker heeft opgeworpen of waartoe het door het Parlement overgelegde juryrapport overigens aanleiding zou kunnen geven, is naar mijn mening bij het horen van de getuigen bevredigend geantwoord, zodat ook hier geen reden tot kritiek overblijft. Dit geldt voor:
—
de vraag, of de jury over een volledig dossier van verzoeker waaronder een brief van februari 1975 met bijlagen beschikte. Dit was blijkbaar het geval en het schijnt zelfs vast te staan dat een deel van genoemde bijlagen zich reeds lang in verzoekers personeelsdossier bevindt.
—
het feit dat verzoeker ad interim als afdelingshoofd is opgetreden. Dat hiermee rekening is gehouden, blijkt uit een vergelijking van vooral criterium 7 in het onderhavig vergelijkend onderzoek met de resultaten van het vergelijkend onderzoek A/43.
—
de vraag, of rekening behoorde te worden gehouden met vroegere plaatsingen op lijsten van geschikte kandidaten. In zoverre is naar mijn mening van belang dat bij andere vergelijkende onderzoeken alleen rekening is gehouden met dergelijke plaatsingen na onderzoeken op de grondslag van examens, dus niet na onderzoeken op de grondslag van alleen schriftelijke bewijsstukken.
—
de vraag, of rekening gehouden is met verzoekers kennis van het Deens, wat blijkbaar wel het geval was, maar gezien het rudimentaire karakter van deze kennis niet speciaal op de lijst is vermeld.
—
de beoordeling van verzoekers vroegere werkzaamheden in het bedrijfsleven, waarvoor de jury geen extra punten wilde toekennen, daar zij die niet als voorbereiding op de taken van de te vervullen post wilde doen aanmerken.
—
het door verzoeker gelegde verband met de resultaten van eerdere vergelijkende onderzoeken; zoals wij hebben gehoord, is een dergelijk verband niet te leggen, omdat die examens op andere wijze zijn verlopen.
Ten slotte — en dit als laatste punt — valt voor het beroep ook niets aan te vangen met de opmerking dat het bestreden besluit wordt gesteund op artikel 45 van het Statuut en spreekt van bevordering.
Uit de motivering blijkt namelijk duidelijk dat de benoeming volgde op een intern vergelijkend onderzoek. Het kan dus voor niemand twijfel lijden dat er geen sprake is van een bevordering in de technische zin van artikel 45 en dat wellicht alleen is verwezen naar artikel 45, daar het ging om een verhoging in rang en de salaristrap dienovereenkomstig moest worden vastgesteld.
5.
Na ampele bestudering van de vertogen rest dus nog slechts de vaststelling dat geen van verzoekers argumenten ertoe noopt het bestreden benoemingsbesluit te vernietigen. Het beroep moet derhalve ongegrond worden verklaard met verwijzing in de kosten overeenkomstig artikel 70 Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit hel Duits.
Full & Egal Universal Law Academy