CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 25 NOVEMBER 1976 ( 1 )
Mijnheer de president,
mijne heren rechters,
In de onderhavige zaak gaat het vooral om het ontslag van verzoekster uit de dienst van de Raad van de Europese Gemeenschappen, dat in aansluiting op een tegen haar ingestelde tuchtprocedure werd verleend.
De feiten zijn gedeeltelijk uit vroegere door verzoekster tegen de Raad aangespannen gedingen (zaken 58 en 75-72) bekend. Thans behoef ik slechts kort aan het volgende te herinneren:
Verzoekster trad in januari 1964 in dienst bij de Gemeenschappen en werd op 16 juli 1964 bij de Raad tot ambtenares in de rang C4 benoemd. Aanvankelijk was zij typiste. In november 1965 kreeg zij een ongeval bij het paardrijden. Daarna was zij tijdelijk volledig en later gedeeltelijk arbeidsongeschikt. In het kader van het in het Statuut voorziene verzekeringsstelsel tegen ongevallen buiten de dienst werd in oktober 1968 vastgesteld dat verzoekster permanent voor 15 % invalide was.
Voordien reeds, namelijk vanaf 13 juli 1967, was zij bij de archiefdienst van de Raad als typiste en administratief secretaresse tewerkgesteld. Van januari 1971 tot januari 1972 was zij bij de boekhouding werkzaam. Toen voortzetting van dit werk — zoals de Raad zegt: om organisatorische reden — niet meer mogelijk was, werd overwogen verzoekster naar de centrale typekamer te verplaatsen. Daartegen maakte zij bezwaar op grond dat zij om gezondheidsredenen geen typewerkzaamheden mocht verrichten. Zij werd daarna door de raadgevende arts van de Raad, die ook een specialist aantrok, onderzocht. De conclusie van de artsen was; dat verzoekster in staat was typewerkzaamheden te verrichten en daarbij bleef het ook nadat verzoekster een andersluidend medisch attest had overgelegd. Zodoende werd in een nota van 24 mei 1972 besloten verzoekster naar de centrale typekamer over te plaatsen. Aan dit besluit gaf verzoekster echter geen gevolg: zij bleef in haar vroegere bureau van het secretariaat van de Raad verschijnen.
Vandaar dat op 20 juni 1972 het besluit werd genomen om wegens onregelmatige afwezigheid van verzoekster ingevolge artikel 60 van het Ambtenarenstatuut haar bezoldiging stop te zetten. Tegen de beide besluiten van 24 mei en 20 juni 1972 stelde verzoekster beroep in bij het Hof (zaken 58 en 75/72, reeds genoemd), echter zonder succes. Bij arrest van 17 mei 1973 (Jurispr. 1973, blz. 511) werden beide beroepen ongegrond verklaard.
Nog tijdens het geding, op 16 oktober 1972, besloot de Raad tegen verzoekster een tuchtprocedure in te leiden wegens schending van artikel 27, derde alinea, laatste zin en artikel 55, eerste alinea van het Statuut. Op 6 november 1972 werd de tuchtraad gevormd welke in verscheidene zittingen bijeenkwam. Op 4 juli 1973 brachten vier leden van de tuchtraad — een vijfde lid nam om gezondheidsredenen vanaf 5 december 1972 niet meer deel aan de procedure — hun verplichte advies uit. Daarin werden twee oplossingen voorgesteld: ingeval verzoekster van haar voornemen blijk gaf haar plaats in het secretariaat binnen een maand na kennisneming van het advies weer in te nemen, zou het — evenals wanneer verzoekster binnen deze termijn ontslag aanvroeg — bij een berisping moeten blijven; ingeval verzoekster bleef weigeren aan het besluit tot overplaatsing gevolg te geven, dan wel door het aanwenden van andere procedurele middelen aantoonde zich niet bewust te zijn van haar verplichtingen als ambtenaar, zou ontslag moeten worden verleend, maar zonder intrekking of korting van de pensioenrechten. Daarnaast werd door de tuchtraad geadviseerd, tevoren de gezondheidstoestand van verzoekster te laten onderzoeken.
Dit advies werd door het tot aanstelling bevoegde gezag opgevolgd. De met het onderzoek belaste arts kwam op 25 juli 1973 wederom tot de vaststelling dat verzoekster in staat was typewerkzaamheden te verrichten. Daar zij echter attesten van verscheidene specialisten met een afwijkende diagnose overlegde, gelastte de secretaris-generaal van de Raad een contradictoir aanvullend onderzoek. Bovendien werd verzoekster, met het oog op de nog hangende kwestie van haar gezondheidstoestand, bij brief van 26 juli 1973 aangeboden, tijdelijk op het secretariaat van het personeelscomité te werken, waar classificatiewerkzaamheden moesten worden verricht. Dit aanbod werd later echter weer ingetrokken omdat verzoekster daar niet opdaagde.
Voor het genoemde contradictoire medische onderzoek werd op de voet van de voor de invaliditeitscommissie geldende voorschriften een college van drie gevormd, bestaande uit een door de raadgevend arts van de Raad op 6 augustus 1973 benoemde arts, een door verzoekster op 9 augustus 1973 aangewezen arts alsmede een door deze beide artsen te zamen aangewezen derde arts. Dit college bracht op 21 november 1974 een rapport uit, volgens hetwelk verzoekster in staat was typewerkzaamheden te verrichten. Het rapport was door de door verzoekster aangewezen arts echter niet ondertekend. Daar verzoekster bleef weigeren gevolg te geven aan het besluit tot overplaatsing, vond op 29 januari 1975 het in het kader van de tuchtprocedure voorziene afsluitende onderhoud met de secretaris-generaal plaats. Daarbij legde verzoekster wederom twee artsenverklaringen betref fende haar gezondheidstoestand over. Nadat deze waren doorgegeven aan de beide artsen die genoemd rapport hadden ondertekend, en dezen toch bij hun constateringen bleven, werd op 24 februari 1975 het besluit genomen verzoekster per 1 maart 1975 uit de dienst te ontslaan.
Een op 20 mei 1975 door verzoekster ingediende klacht bleef onbeantwoord. Daarom ging verzoekster op 17 december 1975 in beroep bij het Hof van Justitie. Zij concludeert dat het den Hove behage:
—
het besluit van 17 oktober 1972 tot het inleiden van een tuchtprocedure nietig te verklaren;
—
de tuchtprocedure en het advies van de tuchtraad van 4 juli 1973 nietig te verklaren;
—
het medisch rapport van 21 november 1974 nietig te verklaren;
—
het onderhoud met verzoekster van 29 januari 1975 nietig te verklaren;
—
het besluit tot tuchtrechtelijk ontslag van 24 februari 1975 nietig te verklaren alsmede te verstaan dat verzoekster met ingang van 1 maart 1975 weer in het genot is gesteld van al haar rechten als ambtenares in de rang C 3 van het secretariaat-generaal van de Raad.
Mijn standpunt in de onderhavige zaak is als volgt:
1.
In de eerste plaats moet worden ingegaan op een exceptie van niet-ontvankelijkheid. De Raad acht namelijk alle conclusies niet-ontvankelijk behalve die met betrekking tot het ontslagbesluit. Daartoe beroept hij zich — voor zover het gaat om het besluit tot inleiding van de tuchtprocedure — op het feit dat daartegen geen klacht is ingediend binnen de door het Ambtenarenstatuut voorgeschreven termijn. Ten aanzien van de overige conclusies wijst hij op het rechtskarakter van de betrokken besluiten en betoogt dat het niet om handelingen van het tot aanstelling bevoegde gezag gaat — waarop artikel 90 van het Ambtenarenstatuut doelt — maar slechts om voorbereidende maatregelen.
Mijns inziens speelt het ontvankelijkheidsprobleem in feite geen rol meer, en wel omdat in de repliek nog slechts wordt geconcludeerd tot intrekking van het ontslagbesluiten vaststelling dat verzoekster zich ook na 1 maart 1975 nog in dienst van de Raad bevindt. De overige door de Raad bekritiseerde vorderingen worden blijkbaar nog slechts als middelen aangewend, waartegen zeker niets valt in te brengen.
Zou deze verklaring evenwel niet juist zijn, dan moet de Raad in wezen in het gelijk worden gesteld. Ik zou weliswaar niet zo ver willen gaan een betwisting van het besluit tot inleiding van de tuchtprocedure — ongetwijfeld een bezwarende maatregel in de zin van het Ambtenarenstatuut — niet meer ontvankelijk te achten. Dit zou namelijk niet overeenkomen met de weloverwogen tendens in de rechtspraak een lawine van processen te vermijden en bij de betwisting van een handeling tot afsluiting van een procedure ook toe te laten dat voorbereidende handelingen in het geding worden betrokken. Ik acht echter 's Raads opvatting juist dat een zelfstandige betwisting van de andere bekritiseerde handelingen en daarmee ook de formulering van afzonderlijke conclusies in dit verband niet mogelijk is. Daarvoor is doorslaggevend dat zij op zichzelf geen bezwarende maatregelen in de zin van de jurisprudentie vormen, doch slechts van voorbereidende aard zijn; met name zijn zij helemaal niet van het tot aanstelling bevoegde gezag afkomstig. Voor een beslissing in gelijke zin kan niet in de laatste plaats worden verwezen naar het arrest in zaak 35-67 (Van Eick t. Commissie der Europese Gemeenschappen, arrest van 11 juli 1968, Jurispr. 1968, blz. 461). Met betrekking tot deze andere conclusies moet derhalve — indien verzoekster deze niet heeft laten vallen — worden vastgesteld, dat deze slechts kunnen worden beschouwd als middelen in verband met de betwisting van de handeling waarmee de procedure is afgesloten. Daardoor worden de belangen van verzoekster overigens ook voldoende beschermd, want indien het beroep slaagt, dat wil zeggen het ontslagbesluit wordt ingetrokken, kan eventueel duidelijk uit de overwegingen van het arrest worden afgeleid, welke fasen van de procedure een gebrek vertonen en derhalve moeten worden herhaald.
2.
Het eerste middel, dat wij thans gaan behandelen, heeft betrekking op artikel 59, lid 3, van het Ambtenarenstatuut. Verzoekster leidt daaruit en uit het feit dat zij medische attesten betreffende haar arbeidsongeschiktheid heeft overgelegd, voor het tot aanstelling bevoegde gezag de verplichting af, zich tot de invaliditeitscommissie te wenden, voordat haar onregelmatige afwezigheid wordt verweten en een tuchtprocedure wordt ingeleid.
Over dit probleem kan ik betrekkelijk kort zijn. Naar mijn overtuiging levert de uitlegging van artikel 59, lid 3, geen moeilijkheden op. Indien daar wordt bepaald dat bij betwisting het advies van de invaliditeitscommissie moet worden ingewonnen, dan is het duidelijk dat dit alleen betrekking heeft op de leden 1 en 2. In beide leden gaat het echter slechts om ziekteverlof, dus om arbeidsongeschiktheid en afwezigheid van de dienst, doch niet om de vraag of een ambtenaar bepaalde werkzaamheden kan verrichten en of een desbetreffend plaatsingsbesluit rechtmatig is. Deze opvatting werd ook in het arrest in de zaken 58 en 75-72 juist geacht en dit is bijzonder belangrijk, omdat het in die zaak immers ging om de rechtmatigheid van het besluit tot tewerkstelling van verzoekster en om de schorsing van de bezoldiging wegens onregelmatige afwezigheid krachtens artikel 60 van het Ambtenarenstatuut. Wanneer dit zonder voorafgaande inschakeling van de invaliditeitscommissie mogelijk is, moet hetzelfde gelden voor de inleiding van de tuchtprocedure. Met name mag in dit verband niet worden vergeten dat in artikel 60 zelf ook naar de toepassing van tuchtrechtelijke bepalingen wordt verwezen en dat bovendien in de hier relevante tuchtprocedure geen andere verwijten in het geding waren dan schending van de plicht tot gehoorzaamheid (artikel 21, derde alinea, van het Ambtenarenstatuut) en overtreding van artikel 55 van het Statuut, volgens hetwelk de ambtenaren in actieve dienst op ieder ogenblik ter beschikking van hun instelling moeten staan.
Daartegen kan trouwens ook niet worden ingebracht dat later, na afsluiting van de tuchtprocedure, in werkelijkheid nog een college van artsen naar het voorbeeld van de invaliditeitscommissie werd ingeschakeld; het is evenmin van belang dat een dergelijke commissie in een andere zaak (31-71, Gigante t. Commissie der EG, interlocutoire arresten van 29 november 1973 en 12 maart 1975, Jurispr. 1973, blz. 1353 en 1975, blz. 337) buiten het kader van artikel 59 optrad. Belangrijk is namelijk dat de tuchtraad niet de inschakeling van de invaliditeitscommissie, doch slechts een medisch onderzoek heeft geadviseerd. Bovendien is duidelijk dat het in feite uitgevoerde contradictoire onderzoek niet was gegrond op een uit het Statuut voortvloeiende verplichting. Hetzelfde geldt voor zaak 31-71. Ook daar bestond geen noodzaak een beroep te doen op de invaliditeitscommissie; dit achtte de Commissie in overleg met verzoeker slechts doelmatig in het belang van de objectieve opheldering van omstreden medische kwesties. Van een inbreuk op artikel 59, lid 3, van het Statuut of de miskenning van een vaste analoge praktijk kan derhalve in het onderhavige geval zeker geen sprake zijn.
3.
Het tweede middel houdt in dat de tuchtraad vanaf zijn derde zitting op 5 december 1972 niet meer voltallig was en zijn advies derhalve niet door alle leden werd ondertekend. Verzoekster ziet daarin een zo ernstige fout, dat zij aanneemt dat het advies van de tuchtraad niet rechtmatig is en dus ook niet als basis voor de getroffen tuchtmaatregel kan dienen.
Bij het onderzoek van dit middel, waaraan men stellig niet zomaar kan voorbijgaan, dient eerst te worden vastgesteld, wat kan worden afgeleid uit de relevante bepalingen betreffende de samenstelling van de tuchtraad, de uitvoering van de tuchtprocedure en het door de tuchtraad uit te brengen advies.
Zo bestaat de tuchtraad ingevolge artikel 4 van bijlage II bij het Statuut uit een voorzitter en vier leden. De voorzitter wordt krachtens artikel 5 door het tot aanstelling bevoegde gezag aangewezen; twee leden worden bij loting aangewezen op een lijst die het tot aanstelling bevoegde gezag opstelt, de beide anderen op een lijst die van het personeelscomité afkomstig is. Artikel 5 bepaalt tevens uitdrukkelijk dat de beschuldigde ambtenaar een van de leden van de Raad kan wraken en dat de leden uit zichzelf geldige redenen tot verschoning kunnen aanvoeren. Gebeurt dit, dan gaat de voorzitter van de tuchtraad ingevolge artikel 5, lid 3, derde alinea, opnieuw tot loting over ter aanvulling van de raad. Ten aanzien van de procedure is in bijlage IX, artikel 7 bepaald dat de tuchtraad zijn advies met meerderheid van stemmen uitbrengt. Van belang is voorts (artikel 8) dat de voorzitter geen stemrecht heeft, behalve in procedurekwesties of bij staking der stemmen. Bovendien moet krachtens artikel 9 het met redenen omklede advies door alle leden van de tuchtraad worden ondertekend.
Uit deze bepalingen volgt mijns inziens — op dit punt heeft verzoekster gelijk — dat de tuchtraad alleen correct is bezet wanneer hij uit vijf leden bestaat en dat zijn advies in beginsel moet worden gesteund door de meerderheid van de vier leden die op de genoemde lijsten bij loting zijn aangewezen. Men kan daartoe wijzen op het feit dat het advies door alle leden — dus door de leden in de zin van artikel 4 van bijlage II — moet worden ondertekend. In dit verband is ook van belang dat men bepalingen betreffende aanvulling van de tuchtraad noodzakelijk heeft geacht. Daarmee wordt naar mijn overtuiging de gedachte uitgedrukt, dat de raad steeds voltallig moet zijn. Het valt evenmin in te zien waarom deze regeling tot gevallen van wraking of het aanvoeren van redenen tot verschoning moet worden beperkt, nog afgezien van het feit dat in het onderhavige geval — het vijfde lid schijnt wegens zwangerschapsverlof te zijn afgevallen — eigenlijk reeds onmiddellijk, omdat dit voorzienbaar was, op artikel 5, lid 3, van bijlage II een beroep had moeten worden gedaan. Voorts kan ook naar de bestaande rechtspraak in deze materie worden verwezen. Zo werd in zaak 46-72 (De Greef t. Commissie van de EG, arrest van 30 mei 1973, Jurispr. 1973, blz. 543) de nadruk gelegd op de paritaire samenstelling en op de noodzaak op deze basis tot meerderheidsbeslissingen te komen. Dit kan logischerwijze slechts betekenen dat evenveel leden van de zijde van het personeel als van de zijde van de administratie moeten meewerken, en omdat bij medewerking van telkens een lid uit elke groep geen meerderheid tot stand zou komen, kan dit bovendien slechts betekenen dat alle vier leden moeten meestemmen.
Men kan derhalve in casu wegens de afwezigheid van een lid vanaf een bepaalde procedurefase niet meer van een correcte samenstelling van de tuchtraad spreken. Tevens werd de bepaling volgens welke de voorzitter slechts bij staking der stemmen stemrecht heeft, miskend.
Dit kan ook niet — zoals werd getracht — worden gerechtvaardigd met een beroep op verwante regelingen in het Franse en Belgische recht die ingeval van afwezigheid van een lid van een tuchtcollege andere oplossingen kennen. Volgens de regeling in het Franse recht schijnt het bij ontbreken van bepalingen betreffende het quorum voldoende te zijn wanneer de helft van de leden plus een aanwezig is, respectievelijk wordt het bij afwezigheid van een vertegenwoordiger van het personeel als juist beschouwd dat ook een lid van de andere zijde zich terugtrekt. Volgens het Belgische recht is het blijkbaar voldoende dat minstens de helft der leden aanwezig is en wordt het bovendien niet noodzakelijk geacht dat evenveel vertegenwoordigers van het ministerie als van de vakbonden meewerken. Deze verwijzingen kunnen voor ons slechts van belang zijn, wanneer de gemeenschapsbepalingen werkelijk leemten zouden vertonen en een duidelijke oplossing van het onderhavige probleem niet reeds uit de bewoordingen en de systematiek ervan zou voortvloeien. Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar artikel 3 van bijlage II bij het Ambtenarenstatuut, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald, dat de bijeenkomst van de paritaire commissie slechts geldig is, indien alle leden aanwezig zijn. Afgezien van het feit dat men bij argumenta a contrario steeds voorzichtig moet zijn, acht ik ten aanzien van de tuchtraad een dergelijke gevolgtrekking niet verdedigbaar, omdat deze volgens het hiervoor beschreven voor de tuchtraad te onderkennen algehele systeem niet in aanmerking kan komen.
Of echter uit de vaststelling dat de tuchtraad niet behoorlijk was bezet en dat het ongeoorloofd was dat de voorzitter ervan aan de stemming deelnam, noodzakelijk voortvloeit dat het advies van de tuchtraad volledig kan worden genegeerd en het daarop steunend tuchtbesluit onrechtmatig is, kan mijns inziens niet zonder meer worden gezegd.
Al staat vast — dit werd in zaak 35-67 (Van Eick) benadrukt —, dat de tuchtraad, bij voorbeeld bij het horen van getuigen, de grondbeginselen van het procesrecht in acht moet nemen, en al moet men toegeven dat de raad bij het onderzoek van de feiten en wellicht ook bij de vaststelling van de tuchtmaatregel, die ten slotte door het tot aanstelling bevoegde gezag wordt getroffen, zeer belangrijk is, toch mag niet worden vergeten, dat het slechts om een raadgevend orgaan gaat waarvan de voorstellen niet bindend zijn. Houdt men dit belangrijke kenmerk voor ogen, dan kan bij de beoordeling van gebreken als in het onderhavige geval reeds betekenis worden gehecht aan het feit dat de raadslieden van verzoekster — dit werd door de Raad gesteld en niet weersproken — een dergelijke klacht niet voor beëindiging van de tuchtprocedure hebben ingediend. Zulk een gedrag leidt in het nationale procesrecht zeker bij bepaalde minder ernstige overtredingen tot uitsluiting van latere kritiek (vgl. bij voorbeeld Eyermann-Fröhler, Kommentar zur Verwaltungsgerichtsordnung, opmerking 17 bij paragraaf 137).
Bovendien — en dat is nog belangrijker — zij herinnerd aan de opmerking van de Raad dat in het advies niet wordt gerept van een afwijkende mening en dat zelfs door leden van de tuchtraad is bevestigd dat het advies met eenparigheid van stemmen tot stand is gekomen. Bedenkt men bij deze stand van zaken hoe de procedure bij een voltallige bezetting van de tuchtraad zou zijn verlopen, dan wijst eigenlijk niets erop, dat men tot een ander resultaat had kunnen komen. Aangenomen dat het vanaf een bepaald tijdstip afwezige vierde lid, dat trouwens op de door de administratie opgestelde lijst bij loting was aangewezen, een afwijkend standpunt had ingenomen, dan zou nog steeds een voldoende grote meerderheid van drie stemmen voor het advies zijn overgebleven. Aangenomen voorts dat dit lid zelfs erin was geslaagd — ik weet niet of zulks in dit verband ook maar waarschijnlijk is — nog een lid voor zijn opvatting te winnen, dan zouden de stemmen hebben gestaakt en in dit geval zou de stem van de voorzitter, die het advies eveneens heeft ondertekend, de doorslag hebben gegeven. Bovendien zij nogmaals eraan herinnerd dat het tot aanstelling bevoegde gezag wat het voorstel voor de sanctie betreft, niet aan het advies van de tuchtraad is gebonden. Na alles, wat tijdens de procedure ter beoordeling van verzoeksters gedrag is bekend geworden — zij heeft zich herhaaldelijk, bij voorbeeld toen haar ander werk werd aangeboden, zeer obstinaat getoond —, bestaat echter niet de geringste aanleiding aan te nemen dat het tuchtbesluit zelfs bij een andersluidend sanctievoorstel van de tuchtraad anders zou zijn uitgevallen.
Hoewel ik — het zij nogmaals benadrukt — van mening ben, dat de regels omtrent samenstelling en procedure van de tuchtraad niet zonder belang zijn, kom ik, gelet op het voorafgaande, tot de conclusie dat de genoemde gebreken geen grond opleveren het advies van de tuchtraad te negeren en het daarop berustende tuchtbesluit wegens het ontbreken van een juiste rechtsbasis te vernietigen.
4.
Ik kom thans op het volgende middel dat betrekking heeft op het voor het ontslagbesluit eveneens belangrijke medische rapport van 21 november 1974. Hiertoe worden drie grieven voorgedragen:
a)
In de eerste plaats maakt verzoekster bezwaar tegen de medewerking van de door de twee eerstbenoemde artsen aangewezen derde arts, en wel op grond dat deze in een belangenconflict verkeerde omdat hij in de regel ook werkzaam is voor de verzekeringsmaatschappij waarmee de Gemeenschap een contract heeft gesloten.
b)
Voorts betwijfelt verzoekster de wetenschappelijke waarde van het rapport omdat hierin niet werd ingegaan op afwijkende medische standpunten en met name geen gedetailleerde vergelijking werd getrokken met een verklaring die een door verzoekster geconsulteerde arts had opgemaakt.
c)
Ten slotte wordt er nog op gewezen, dat het rapport slechts door twee artsen werd ondertekend. Daar de door verzoekster aangewezen arts op medische gronden weigerde te ondertekenen, was het met name noodzakelijk naar aanvulling van het onderzoek te streven.
Over deze argumenten kan mijns inziens het volgende worden opgemerkt:
a)
Ik zie geen reden de eerste grief als steekhoudend te erkennen.
De Raad heeft zich bij de vorming van het artsencollege voor het onderzoek van de gezondheidstoestand van verzoekster gehouden aan de voor het samenstellen van een invaliditeitscommissie bindende voorschriften. Daardoor bestond voldoende garantie voor de behartiging van de belangen van betrokkene. Daar de aanwijzing van de derde arts in onderlinge overeenstemming moest geschieden, was bij deze gelegenheid de mogelijkheid aanwezig een eventueel belangenconflict uit te schakelen. Daar dit achterwege is gebleven en betrokkene ook heeft nagelaten, terstond nadat zij van de beslissende feiten vernam; een desbetreffende klacht in te dienen, kan haar grief dat de aanwijzing van de derde arts wegens een belangenconflict bedenkelijk lijkt, thans niet meer slagen.
b)
Met betrekking tot de wetenschappelijke waarde van de expertise, waaraan verzoekster twijfelt, is van belang — en daarmee wordt tegelijkertijd ingegaan op de vraag of het zojuist genoemde eventuele belangenconflict van invloed is geweest — dat uit het rapport zelf valt op te maken dat aan de totstandkoming ervan meerdere zittingen van het artsencollege en herhaalde onderzoeken van verzoekster voorafgingen; bovendien werden deskundigen aangetrokken en een overvloed van medische documenten ter kennis genomen. Het staat ook vast dat in het rapport de mening van andere artsen ter sprake kwam en dat na overlegging van nog meer medische documenten in januari 1975 zelfs aanvullende opmerkingen werden gemaakt die echter niet tot een ander resultaat leidden. Men kan derhalve stellig de indruk hebben — een dergelijke vaststelling is ook mogelijk voor leken op medisch gebied — dat het een serieus en zorgvuldig onderzoek was. Het lijkt mij in elk geval niet verdedigbaar het bekritiseerde rapport als onbelangrijk af te doen omdat enige artsenverklaringen niet uitdrukkelijk werden genoemd, omdat een nog meer gedetailleerde behandeling van afwijkende meningen of een nauwkeuriger vergelijking van de verschillende rapporten die overigens voor een deel erg kort gehouden waren, achterwege is gebleven en ten slotte omdat het college zich heeft aangesloten bij de mening van een deskundige, hoewel een door verzoekster aangetrokken deskundige het rapport van een andere expert die het college persoonlijk niet bekend was, vollediger en nauwkeuriger vond.
c)
Ten aanzien van het feit dat de door verzoekster aangewezen arts het rapport niet heeft ondertekend kan in de eerste plaats worden opgemerkt dat op zijn gemotiveerde advies inderdaad aanvullende onderzoeken hebben plaatsgevonden en zijn demarche dus niet vruchteloos was. Voorts — en dit is nog belangrijker — werd in de jurisprudentie met betrekking tot de werkzaamheden van een invaliditeitscommissie reeds beslist dat de weigering van een der artsen het eindrapport te ondertekenen, niet ter zake doet. Hiertoe zij verwezen naar het arrest Gigante (zaak 31-71, interlocutoir arrest van 12 maart 1975, Jurispr. 1975, blz. 344) alsmede naar het arrest in de zaken 42 en 62-74 (Vellozzi t. Commissie van de EG, arrest van 9 juli 1975, Jurispr. 1975, blz. 879). Ik betwijfel niet dat hetzelfde ook in het onderhavige geval moet gelden, daar immers vaststaat dat de Raad het contradictoire medische onderzoek liet uitvoeren in overeenstemming met de bepalingen die voor de invaliditeitscommissie gelden. Het daarna opgemaakte rapport is derhalve rechtens wel degelijk van belang, ook al is het slechts door twee van de betrokken artsen ondertekend.
5.
Thans behoeft dus nog slechts te worden ingegaan op het laatste middel, namelijk dat bij het horen van verzoekster door de secretaris-generaal van de Raad op 29 januari 1975 haar advocaat geen opmerkingen mocht maken.
Daarbij behoeft niet te worden onderzocht of de vaststelling in het overgelegde uittreksel van het proces-verbaal betreffende het onderhoud juist is, dat de advocaat van verzoekster aanwezig was en gelegenheid had zich te uiten dan wel of dit zoals verzoekster verzekert niet strookt met de feiten. Beslissend is wel dat volgens de duidelijke tekst van artikel 4 van bijlage IX bij het Ambtenarenstatuut een verdediger slechts voor de bij de tuchtraad plaatsvindende procedure, doch niet voor het afsluitende onderhoud met de betrokkene kan worden aangetrokken. Evenmin werd bewezen dat er een algemeen rechtsbeginsel bestaat dat een verdediger ook bij het afsluitend onderhoud aan het woord moet komen. Daar in casu echter van de uitdrukkelijk voorziene mogelijkheden daadwerkelijk gebruik is gemaakt en verzoekster aldus voor een genoegzame verdediging van haar belangen kon zorgen, bestaat er zeker geen aanleiding de tuchtprocedure wegens schending van de rechten van de verdediging nietig te verklaren, zelfs wanneer de advocaat van verzoekster zich bij het onderzoek niet mocht uiten.
6.
Ik concludeer derhalve tot ongegrondverklaring van het beroep in volle omvang en tot toepassing van artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering ten aanzien van de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy