CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 6 OKTOBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
In het geschil tussen Robert Giry en de Commissie dat heeft geleid tot de drie gevoegde zaken 126/75, 34/76 en 92/76, gaat het in wezen om de volgende vraag: moet aan een ambtenaar die na het ver strijken van een verlof om redenen van persoonlijke aard niet tijdig in zijn ambt is herplaatst in strijd met het bepaalde in artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut van de ambtenaren, het recht worden toegekend met terugwerkende kracht (dat wil zeggen vanaf de datum waarop het verlof is beëindigd) met alle gevolgen van dien, met name ook wat betreft de uitbetaling van het salaris te worden herplaatst?
Ingevolge genoemde bepaling moet de ambtenaar die op eigen verzoek in het genot is gesteld van verlof zonder bezoldiging om redenen van persoonlijke aard na het verstrijken daarvan „bij de eerste vacature worden herplaatst in een tot zijn categorie of groep behorend ambt dat met zijn rang overeenkomst, mits hij de voor dit ambt vereiste geschiktheid bezit” .
Gelet op de in casu relevante feiten, is de bovengenoemde vraag als volgt nader te preciseren: kan de ambtenaar — uit hoofde van achterstallig salaris of althans schadevergoeding — aanspraak maken op het volledige salaris dat hij zou hebben gekregen indien hij dadelijk na afloop van het verlof was herplaatst, ongeacht of hij ook elders salaris heeft genoten voor andere arbeid die hij buiten de gemeenschapsinstellingen heeft verricht zolang herplaatsing uitbleef?
Alvorens hierop in te gaan, wil ik een kort overzicht geven van de omstandigheden die aan de onderhavige zaken ten grondslag liggen.
2.
Verzoeker kwam op 1 januari 1961 bij de Commissie in dienst als hoofdadministrateur in de rang A 4. Op eigen verzoek kreeg hij per 12 oktober 1970 een verlof om redenen van persoonlijke aard, op de voet van artikel 40 van het Statuut van de ambtenaren. Dit verlof verstreek op 11 oktober 1973. Op 22 januari 1973 vroeg verzoeker om toepassing in zijn geval van verordening nr. 2530/72 welke voorzag in bijzondere gunstige voorwaarden voor de definitieve beëindiging van de dienst in verband met de toetreding van nieuwe Lid-Staten tot de Gemeenschap; doch drie maanden later, toen dit verzoek nog liep, deelde hij de Commissie mede dat hij in de dienst wenste te worden herplaatst per 12 oktober 1973, de datum van afloop van het verlof. Derhalve verzocht hij om bericht welk ambt hem zou worden aangeboden krachtens artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut van de ambtenaren.
De Commissie weigerde verzoeker in het genot te stellen van de gunstige regeling van verordening nr. 2530/72 welke volgens haar niet gold voor ambtenaren met verlof om redenen van persoonlijke aard. Het tegen dit afwijzend besluit door betrokkene ingestelde beroep bij het Hof werd verworpen bij arrest van 21 november 1974 (Jurispr. 1974, blz. 1269).
Hoewel de dienst van de Commissie belast met de aanwerving, aanstelling en bevordering, reeds op 11 juli 1973 een nota van het hoofd van de afdeling Personeelszaken had ontvangen, waarin werd gevraagd verzoeker in aanmerking te nemen onder de gegadigden voor de beschikbare posten in de loopbaan A 5/A 4, deed deze dienst in die hele periode niets om gevolg te geven aan de verplichting tot herplaatsing welke in artikel 40 op de instelling wordt gelegd ingeval van verstrijken van een verlof om redenen van persoonlijke aard en die in bovengenoemd arrest van het Hof in duidelijke bewoordingen werd herhaald (zie overweging 15).
Kort na genoemd arrest, op 6 januari 1975, richtte verzoeker zich overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut tot de Commissie met verzoek om een besluit tot herplaatsing met terugwerkende kracht tot 12 oktober 1973. Op 3 juli daaropvolgend diende hij een klacht over het stilzwijgen der Commissie in. Toen de Commissie in haar stilzwijgen bleef volharden, stelde verzoeker op 19 december 1975 beroep in (zaak 126/75), waarbij hij niet alleen herplaatsing vorderde, maar tevens nietigverklaring van alle na 12 oktober 1973 verrichte benoemingen op posten van de rang A 4 of van loopbaan A 5/A 4, ten aanzien waarvan verweerster niet kon aantonen dat verzoeker niet de vereiste geschiktheid bezat. Bij het daaropvolgende beroep van 21 april 1976, zaak 34/76, vorderde hij hetzelfde met betrekking tot alle tussen 8 april 1975 en 21 april 1976 verrichte benoemingen in de rang A 4 of in de loopbaan A5/A4.
Bij brief van 1 maart 1976 stelde de Commissie hem ten slotte voor om zijn werkzaamheden te hervatten in een speciaal gecreëerde post bij het Directoraat-generaal „Regionaal Beleid”. Als compensatie voor de vertraging die zich bij zijn herplaatsing had voorgedaan, zou volgens het voorstel van de Commissie de periode tussen 12 oktober 1973 en de dag waarop hij weer in dienst was getreden, worden meegeteld bij zijn diensttijd in zijn rang en salaristrap; voor het overige zou de herplaatsing volgens de Commissie echter pas effect krijgen op de dag waarop de dienst daadwerkelijk werd hervat.
Bij brief van 26 maart daaropvolgend wees verzoeker dit aanbod af en bleef hij bij de eis dat zijn herplaatsing volledig effect zou sorteren vanaf 12 oktober 1973. Het lijkt me niet nodig uit te weiden over alle formele en materiële vragen welke worden opgeworpen in de 37 punten tellende brief. Het ging verzoeker er uiteindelijk om voor de hele periode tussen het verstrijken van het verlof en de datum van feitelijke hervatting van de dienst het volledige salaris te verkrijgen, dat was verbonden aan rang en salaristrap welke de Commissie hem met betrekking tot zijn loopbaan met terugwerkende kracht wilde toekennen.
In een brief van 1 juni 1976 verklaarde de gemachtigde van de Commissie die haar ook vertegenwoordigde in de zaken 126/75 en 34/76, dat de aanvaarding van de post die de Commissie verzoeker had aangeboden met het oog op diens herplaatsing in de dienst, niet zou prejudicieren op de mogelijkheid voor Giry om vast te houden aan zijn vorderingen in deze procedures.
Gezien verzoekers volharding in zijn standpunt (zie brief van zijn advocaat van 2 juli 1976, bijlage 21 bij de opmerkingen ten aanzien van de exceptie van nietontvankelijkheid in de zaak 92/76), stelde de Commissie op 29 juli 1976 een formele beschikking tot herplaatsing vast. Bij deze beschikking werd onder meer overwogen dat artikel 4 van het Statuut volgens hetwelk aanstelling of bevordering er slechts toe kan strekken in een vacature te voorzien, in de weg staat aan een besluit tot herplaatsing met terugwerkende kracht. De Commissie achtte het echter billijk om met betrekking tot de diensttijd in de rang en in de salaristrap de datum in aanmerking te nemen waarop verzoeker had moeten worden herplaatst. Mitsdien besloot zij tot verzoekers herplaatsing van 15 augustus 1976 in een post van de rang A 4 bij het Directoraat-generaal Regionaal Beleid, en kende zij hem de diensttijd in de rang en in de salaristrap toe die hij zou hebben gekregen indien hij op 12 oktober 1973 opnieuw in dienst was getreden. Ten slotte werd besloten dat de periode tussen 12 oktober 1973 en 14 augustus 1976 kon worden meegeteld voor het pensioenstelsel, indien betrokkene de desbetreffende bijdragen betaalde.
In de brief waarbij dit besluit aan Giry ter kennis werd gebracht werd hem ook verzocht de Commissie mede te delen hoeveel hij buiten de diensten van de Gemeenschap had verdiend in de periode tussen 12 oktober 1973 en 15 augustus 1976, „opdat de Commissie eventueel de schade zou kunnen vaststellen die hij vanwege de vertraging bij de herplaatsing in de dienst had geleden”.
Op 27 september 1976 stelde verzoeker tegen dit besluit een derde beroep in (zaak 92/76) met vordering tot nietigverklaring van dit besluit en tot betaling door de Commisse van zijn salaris en de bijkomende toelagen, vermeerderd met wettelijke interessen vanaf 12 oktober 1973 tot de datum van de uitspraak van het arrest. Bovendien verlangde hij een schadevergoeding van 1 1/2 miljoen Belgische franken wegens gederfde mogelijkheden tot bevordering in de periode tussen 12 oktober 1973 en de datum van herplaatsing in de dienst, en een schadevergoeding van 1 miljoen Belgische franken wegens morele schade. Verzoeker handhaafde eveneens zijn vordering tot nietigverklaring van alle benoemingen in posten van de rang A 4 van de loopbaan A 5/A 4, welke de Commissie sedert 12 oktober 1973 had verricht.
3.
Bij haar memorie van 25 augustus 1976 stelde de Commissie in haar exceptief verweer dat er geen grond was voor een uitspraak, omdat de eerste twee beroepen van Giry zonder voorwerp waren geraakt, als gevolg van genoemd besluit tot herplaatsing in de dienst van 29 juli 1976.
Bij beschikking van 21 september 1976 heeft het Hof deze exceptie gevoegd met de zaak ten gronde.
Na het derde beroep (zaak 92/76) wierp verweerster (bij akte van 3 november 1976) andere processuele excepties op, stellende dat het betrokken beroep op de volgende gronden niet ontvankelijk was:
a)
het vormde een enkele herhaling van de conclusies in de zaken 126/75 en 34/76;
b)
verzoeker had nagelaten de in artikel 91, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren bedoelde klacht in te dienen, hetgeen een voorafgaande voorwaarde is voor een beroep in rechte;
c)
verzoeker had geen procesbelang omdat het bestreden besluit geen effect sorteert wanneer de adressaat het niet aanvaardt.
Bij beschikking van 17 december 1976 heeft het Hof ook deze exceptie gevoegd met de zaak ten gronde.
Ten aanzien van de exceptie dat er geen grond voor een uitspraak is, moet echter worden erkend dat het besluit tot herplaatsing van Giry wel enige invloed moest hebben op verzoekers eerdere vorderingen in de zaken 126/75 en 34/76 in die zin dat deze vorderingen althans gedeeltelijk zonder voorwerp raakten. Maar de invloed van dit besluit kan pas volledig worden beoordeeld na een onderzoek van de aard en dé draagwijdte ervan, dat wil zeggen bij het onderzoek ten gronde in de zaak 92/76, waarin genoemd besluit is aangevochten.
Wat betreft de eerste van de drie excepties van niet-ontvankelijkheid welke zijn opgeworpen in de zaak 92/76, zij allereerst opgemerkt dat het besluit tot herplaatsing in de dienst een belangrijk nieuw feit vormde ten opzichte van de situatie waarin het beroep in de zaken 126/75 en 34/76 werd ingesteld. Bij dit besluit heeft de Commissie immers voor het eerst aan verzoeker een post ter beschikking gesteld en heeft zij zowel de datum van zijn herplaatsing als de daaraan verbonden gevolgen voor de aanpassing van zijn loopbaan over het tijdvak vanaf 12 oktober 1973 vastgesteld.
Ofschoon het besluit tot herplaatsing aan verzoeker geen volledige genoegdoening heeft verschaft, zijn door dit besluit volgens mij toch tevens de eerdere stilzwijgend afwijzende besluiten vervallen.
Gezien dit nieuwe feit, neemt de omstandigheid dat de conclusies in het beroep tegen voornoemd besluit grotendeels gelijk zijn aan de conclusies in de vorige beroepen, niet weg dat in deze nieuwe context Giry's vorderingen een ander karakter krijgen dan voorheen.
Na het vervallen van de weigering tot herplaatsing had Giry zich er ook toe kunnen beperken de conclusies van zijn voorafgaande beroepen te wijzigen, in plaats van een nieuwe procedure in te stellen. Maar men kan hem niet het recht ontzeggen die procesweg te kiezen waaraan hij de voorkeur geeft, ook al is die niet de snelste. Van de andere kant moet men toegeven dat vanuit het standpunt van verzoeker, die het besluit onwettig achtte door de niet volledig terugwerkende kracht van de herplaatsing, een beroep tot nietigverklaring wellicht de meest aangewezen weg was.
Hiermee is volgens mij de ongegrondheid van de eerste van de drie bovengenoemde excepties van niet-ontvankelijkheid voldoende aangetoond.
Wat betreft de tweede exceptie, waarin de Commissie de heer Giry verwijt geen klacht te hebben ingediend tegen het besluit van 29 juli 1976, dient te worden gewezen op de nauwe samenhang tussen dit besluit en de door verzoeker op 13 juli 1975 ingediende klacht tegen het stilzwijgende besluit tot afwijzing van zijn verzoek om herplaatsing. Zo het genoemde besluit inderdaad de herroeping meebrengt van de eerdere stilzwijgende afwijzing van de klacht van 13 juli 1975, vormt dit in feite een nieuw en nader antwoord op deze klacht. Ik meen dan ook dat, voorzover dit besluit verzoeker niet in al zijn vorige vorderingen genoegdoening verschafte, hij dit kon aanvechten zonder opnieuw de in artikel 90 van het Statuut bedoelde procedure van de voorafgaande klacht te hoeven volgen. Mijns inziens beantwoordt dit ook aan een beginsel van proceseconomie.
Derhalve moet ook het tweede bezwaar van verweerster tegen de ontvankelijkheid van het beroep worden verworpen.
Ten aanzien van het derde middel van niet ontvankelijkheid, het ontbreken van procesbelang, zij opgemerkt dat het bestreden besluit, afgezien van het punt van een aanvaarding hiervan door de geadresseerde, van de kant van de Commissie een formele en definitieve standpuntbepaling vormt inzake de voorwaarden voor verzoekers herplaatsing in de dienst. Wanneer verzoeker dit besluit niet binnen de termijn zou bestrijden, zou hij het gevaar lopen zich ook in het geval dat de Commissie een nieuw aanbod zou doen, niet meer te kunnen verzetten tegen de omschrijving van zijn rechten in het besluit van 29 juli 1976. Zoals in een analoog geval door het Hof is gezegd, heeft de ambtenaar belang bij de bestrijding van een besluit tot herplaatsing in de dienst na een verlof om redenen van persoonlijke aard, „omdat hieruit eventueel voor het tot aanstelling bevoegde gezag de verplichting kan voortvloeien de her plaatsing op andere, gunstiger voorwaarden, te doen plaatsvinden” (arrest van 11 juli 1976 in de zaak 58/75, Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1148, overwegingen 4-6).
Ook al in dit opzicht is derhalve de door verweerster opgeworden exceptie van niet-ontvankelijkheid ongegrond.
Wel zij opgemerkt dat om andere redenen de tweede en de derde vordering in de zaak 92/76, respectievelijk tot nietigverklaring van de stilzwijgende weigering van de herplaatsing in de dienst en van het afwijzende besluit op de door verzoeker tegen deze weigering ingediende klacht, kennelijk ongegrond voorkomen. Immers, door het vervallen van deze besluiten van de Commissie op het wezenlijke punt van verzoekers herplaatsing in de dienst — zulks als impliciet gevolg van het besluit van 29 juli 1976 — zijn deze verzoeken immers zonder voorwerp geraakt. In de tweede plaats is duidelijk dat, gelet op de datum van het beroep in de zaak 92/76, de termijn voor deze vorderingen was verstreken.
4.
Ik zal thans overgaan tot het onderzoek ten gronde in de zaak 92/76, uiteraard voorzover het de andere vorderingen dan de twee door mij niet-ontvankelijk geachte betreft.
Als vierde onderdeel van zijn eis vordert verzoeker nietigverklaring van het besluit tot herplaatsing in de dienst. Niettemin volgt uit de beroepsgronden dat niet zozeer bezwaar wordt gemaakt tegen het wezenlijk deel van het besluit, betreffende de aan verzoeker geboden mogelijkheid om weer in dienst te komen, als wel tegen bepaalde modaliteiten van die herplaatsing.
Indien men bovendien rekening houdt met de meermaals door verzoeker geuite wens om weer in dienst te treden bij de Commissie, en met het feit dat hij niet heeft gesteld dat de hem aangeboden betrekking niet overeenkomt met zijn beroepsopleiding, moet worden aangenomen dat verzoeker met zijn vierde vordering eigenlijk slechts een wijziging van het besluit in de zin van toekenning van achterstallig salaris wil bereiken. In dat geval zou het niet nodig zijn het besluit volledig te vernietigen, doch hoogstens gedeeltelijk.
Zoals ik vanaf het begin heb gezegd, gaat het hier dus vooral om de vraag of verzoeker recht heeft op herplaatsing met terugwerkende kracht met alle gevolgen van dien, dat wil zeggen op het volledige salaris dat hij zou hebben gekregen als hij weer in dienst was genomen na zijn verlof om redenen van persoonlijke aard.
Een dergelijke probleemstelling gaat ervan uit dat de Commissie met haar besluit tot herplaatsing van verzoeker ongerechtvaardigd heeft gedraald en derhalve aansprakelijk is voor schending van genoemd artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut van de ambtenaren. Ik wil beklemtonen dat omtrent deze veronderstelling geen enkele twijfel bestaat: de Commissie heeft zelf toegegeven dat zij het besluit ongerechtvaardigd heeft vertraagd.
Zoals ik echter al heb gezegd, betoogt de Commissie onder verwijzing naar artikel 4 van het Statuut dat het haar juridisch onmogelijk was verzoeker met terugwerkende kracht te herplaatsen. Inderdaad heeft de Eerste Kamer van het Hof zich in genoemd arrest van 11 juli 1976 in de zaak 58/75 (Sergy, Jurispr. 1976, blz. 1141) geschaard achter de toen door de Commissie voorgedragen en thans in de motivering van het bestreden besluit van 26 juli herhaalde stelling dat artikel 4 van het Statuut van de ambtenaren niet toelaat aan een besluit tot herplaatsing terugwerkende kracht toe te kennen, aangezien het onwettig zou zijn iemand in een post te benoemen voordat die post vacant is geworden. Maar anders dan in die zaak heeft in casu verzoeker alle benoemingen bestreden welke na het verstrijken van zijn verlof waren verricht in posten van de rang A 4 of van de loopbaan A 5/A 4, ten aanzien waarvan de Commissie verzoekers ongeschiktheid niet kan bewijzen. Aldus heeft hij zich gehouden aan de weg die in de zaak Sergy uitdrukkelijk door de Commissie was aangegeven (Jurispr. 1976, blz. 1144-1145), toen deze bij haar exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep tegen een besluit tot te late herplaatsing en van de daaraan verbonden vordering tot schadevergoeding, naar voren bracht dat de eventuele schade haar grondslag vond in de benoemingen van derden in vacatures waarvoor verzoeker eventueel in aanmerking zou komen, en dat hij derhalve alleen door betwisting van deze benoemingen genoegdoening had kunnen krijgen.
Ik vraag mij in gemoede af of de Commissie thans zo verheugd zal zijn dat haar les nauwgezet is opgevolgd. Zou immers de vordering tot nietigverklaring van alle benoemingen welke hebben plaatsgehad na het verstrijken van verzoekers verlof worden toegewezen, dan zou de organisatie en werking van de diensten der verwerende instelling ernstig kunnen worden verstoord. Derhalve is het wellicht goed om, alvorens deze vordering ten gronde te behandelen, eerst na te gaan of verzoekers andere vorderingen hem geen genoegdoening kunnen geven binnen de grenzen van de rechten die hij stellig op goede gronden geldend maakt jegens de Commissie.
Deze vraag dient volgens mij bevestigend te worden beantwoord. Want zelfs wanneer alle bestreden benoemingen nietig zouden worden verklaard en de Commissie zou worden verplicht om verzoeker op een der aldus vacant geworden posten te benoemen — afgezien nog van de hindernis van artikel 4 Statuut —, zou betrokkene op die manier geenszins beter af zijn dan met een schadevergoeding, terwijl dit voor de Commissie als ernstig bezwaar een desorganisatie van haar diensten zou hebben, welke in geen enkele verhouding staat tot het door verzoeker beoogde doel.
Hierbij moet nog een punt in het licht worden gesteld. In het meermalen genoemde arrest in de zaak Sergy heeft het Hof gezegd dat de ambtenaar die geen arbeid heeft verricht — ook al is dit niet aan zijn eigen wil te wijten maar aan een fout van de administratie — geen achterstallig salaris kan vorderen doch alleen vergoeding van de schade die hij werkelijk heeft geleden doordat hem dat salaris ten gevolge van de onregelmatige handelwijze der administratie is onthouden.
Het verband tussen het recht op salaris en het daadwerkelijk verrichten van arbeid was ook reeds, zij het in andere samenhang, gelegd in het arrest van de Tweede Kamer van het Hof van 18 maart 1975 in de gevoegde zaken 44, 46 en 49/74 (Acton en anderen, Jurispr. 1975, blz. 383). Uit dit arrest blijkt dat geen recht op salaris voor stakingsdagen kan worden toegekend, zelfs wanneer de instelling de gegrondheid zou hebben erkend van de eisen van de vakbonden, waaraan de staking kracht moest bijzetten.
De latere stelregel van de Eerste Kamer in het arrest Sergy bevestigt de gelding van dit verband, zelfs in het geval dat het verrichten van arbeid niet opzettelijk is uitgebleven doch als gevolg van een onrechtmatigheid van de instelling. In casu moet dan ook het recht van verzoeker op automatische uitbetaling van het volledige achterstallige salaris worden uitgesloten, zelfs indien als gevolg van de vernietiging van de door hem bestreden benoemingen ex tune een vacature zou ontstaan, waarvoor hij in aanmerking zou komen.
Gezien deze overwegingen, moet verzoekers stelling dat zijn retroactieve herplaatsing het recht op salaris over de periode voorafgaand aan de daadwerkelijke hervatting van de dienst meebrengt, worden verworpen. Wij hebben er echter reeds op gewezen dat, door verzoekers herplaatsing ondanks diens herhaald aandringen ten onrechte uit te stellen, de Commissie ongetwijfeld de bovengenoemde regel van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut heeft geschonden. Bij gevolg moet het zevende onderdeel van verzoekers vordering, betreffende de aansprakelijkheid der Commissie voor verzoekers eventuele schade als gevolg van deze vertraging, gegrond worden geacht. Giry heeft derhalve recht op schadevergoeding.
Het is duidelijk dat het schadebedrag zou kunnen samenvallen met het volledige salaris waarop verzoeker recht zou hebben gehad indien hij tijdig in de dienst was herplaatst. Doch dit mag er in geen geval toe leiden dat het recht op schadevergoeding wegens het niet ontvangen van salaris over de periode van vertraging wordt vereenzelvigd met het recht op achterstallig salaris als zodanig. Dit in aanmerking genomen, wijs ik erop dat de betrokkene in het onderhavige geval geen enkel belang heeft bij een nietigverklaring van de benoemingen van derden op posten van zijn rang of loopbaan welke vacant zijn geworden na het verstrijken van zijn verlof, aangezien het door hem beoogde economische voordeel eveneens kan worden gerealiseerd door toewijzing van zijn schadevordering.
Derhalve dient zijn vijfde petitum te worden afgewezen.
5.
Giry is derhalve gerechtigd van de Commissie vergoeding te vorderen van de schade die hij heeft geleden door de schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut. Rest de vraag of hij uit dien hoofde recht heeft op een bedrag overeenkomend met het volledige salaris dat hij zou hebben ontvangen indien hij bij het verstrijken van zijn verlof in de dienst was herplaatst.
Ook in dit opzicht moet rekening worden gehouden met hetgeen reeds is uitgemaakt in de genoemde zaak Sergy. Het Hof erkende dat de ambtenaar die te laat in de dienst wordt herplaatst recht heeft op vergoeding van de schade die hij werkelijk heeft geleden doordat hem geen salaris is uitgekeerd over de periode van de vertraging, met dien verstande evenwel dat „de vergoeding in beginsel gelijk moet zijn aan het netto-inkomen dat hij zou hebben ontvangen, doch onder aftrek van de verdiensten die hij gedurende dezelfde tijd in de uitoefening van een andere bezigheid had” (Jurispr. 1976, blz. 1154, overwegingen 39-40). Dit criterium beantwoordt duidelijk aan eisen van billijkheid en dient mijns inziens te worden bevestigd. Overeenkomstig een elementair rechtsbeginsel moet echter de door Uw Hof zelf toegepaste regel worden gevolgd dat de aan de ambtenaar toekomende schadevergoeding kan worden beperkt voorzover de door betrokkene geleden schade voor een deel aan diens eigen gedrag is te wijten.
Uit een en ander volgt dat in het onderhavige geval verzoeker recht heeft op het verschil tussen de netto bezoldiging voor zijn werkzaamheden buiten de Gemeenschappen gedurende de periode van vertraging en het salaris waarop hij recht zou hebben gehad indien hij tijdig was herplaatst: zulks natuurlijk alleen in geval het gemeenschapssalaris hoger is dan hetgeen hij in die tijd elders heeft verdiend.
Bij de berekening van deze eventuele schade zal eveneens rekening moeten worden gehouden met pensioenrechten, voor zover verzoeker verlies heeft geleden wegens voor hem nadelige verschillen tussen het gemeenschapspensioenstelsel en het pensioenstelsel waarbij hij in genoemde periode was aangesloten.
Tot nu toe hebben wij de periode van de onrechtmatige vertraging van de herplaatsing gerekend vanaf 12 oktober 1973, dat wil zeggen de dag na het verstrijken van verzoekers verlof om redenen van persoonlijke aard. De verplichting van de Commissie om verzoeker na het verstrijken van zijn verlof te herplaatsen, ontstond echter pas bij de eerste vacature in verzoekers loopbaan waarmee zijn werkzaamheden overeenkwamen en waarvoor hij de vereiste geschiktheid bezat. Wij weten niet of bij de diensten van de Commissie een dergelijke post beschikbaar was vanaf de eerste dag na de verlofperiode. Een vermoeden in die zin zou zijn af te leiden uit het feit dat de Commissie verzoeker een diensttijd in de rang heeft toegekend, alsof hij zijn werkzaamheden had hervat op 12 oktober 1973. Hoe het ook zij, deze vraag is van geen enkel praktisch belang, nu de Commissie zelf zich bereid heeft verklaard de hele periode vanaf genoemde datum tot het moment waarop verzoeker de mogelijkheid werd geboden om weer in dienst te komen bij de Commissie (15 augustus 1976), ook voor de toekenning van een redelijke schadevergoeding voor de eventuele loonderving van verzoeker mee te tellen.
Het staat thans aan verzoeker om deze schade met bewijzen te staven, zoals de directeur-generaal Personeelszaken en Algemeen Beheer hem trouwens al had gevraagd in de begeleidende brief van 3 augustus 1976 bij het bestreden herplaatsingsbesluit van 29 juli.
Wat betreft de tijd na de datum waarop hij de dienst had kunnen hervatten, dat wil zeggen op 15 augustus 1976, heeft verzoeker mijns inziens geen recht op schadevergoeding, noch op voortzetting van de diensttijd, aangezien hij na het herplaatsingsbesluit in feite de dienst had kunnen hervatten, zonder zichzelf de mogelijkheid te ontnemen het besluit van de Commissie enkel met betrekking tot de herplaatsingsmodaliteiten te bestrijden. Evenmin kan mijns inziens rekening worden gehouden met het op 19 januari 1977 door Giry laattijdig ingediende „voorstel” om „ter bewaring van zijn rechten” de dienst te hervatten, welk voorstel geen wijziging bracht in zijn vordering tot algehele nietigverklaring van het besluit der Commissie. De schade die verzoeker vanaf 15 augustus 1976 zou hebben geleden wegens verdere vertraging in de hervatting van zijn werkzaamheden bij de Commissie, heeft hij slechts aan zichzelf te wijten.
6.
Heeft verzoeker naast bovengenoemde schadevergoeding nu nog recht op andere vergoedingen?
Gevorderd heeft hij een bedrag van 1 1/2 miljoen Belgische franken als vergoeding voor de schade die hij in zijn loopbaan zou hebben geleden. Ik zou willen opmerken dat verzoeker na het herstel van zijn loopbaan vanaf 12 oktober 1973 in dit opzicht alleen nog zou kunnen zijn geschaad, doordat hij tijdens de periode van vertraging geen mogelijkheid heeft gehad om via bevordering of intern vergelijkend onderzoek in een hogere rang te komen. Zuiver statistisch zou verzoeker volgens de Commissie één op de 29 kansen voor elk dienstjaar hebben gehad om tot een hogere rang te worden bevorderd. Anderzijds kan niet worden vastgesteld welke kansen verzoeker in concreto zou hebben gehad.
In de reeds genoemde zaak 58/75 (Sergy) had verzoeker eveneens schadevergoeding gevorderd voor gemiste promotiekansen als gevolg van te late herplaatsing in de dienst. Het Hof heeft deze vordering niet in overweging genomen, aangezien ook was gebleken van een zekere nalatigheid van verzoeker bij zijn verzoek tot herplaatsing in de dienst. In het onderhavige geval daarentegen lijkt verzoeker in dit opzicht geenszins nalatig te zijn geweest, althans tot 15 augustus 1976. Hij heeft immers tijdig, namelijk op 26 april 1973, dus enige maanden voor het verstrijken van zijn verlofperiode, om herplaatsing in de dienst gevraagd. De lange periode van stilzwijgen die toen volgde tot 6 januari 1975, is 'daardoor te verklaren dat het beroep dat verzoeker had ingesteld tegen de weigering van de Commissie om zijn dienstverband te beëindigen op grond van de bijzondere verordening nr. 2530/72 (betreffende het zogenaamde vrijwillige vertrek) hangende bleef van 4 januari 1974 tot 21 november daaropvolgend. Zodra echter het Hof dat beroep had verworpen, beijverde verzoeker zich weer tot 15 augustus 1976 om zijn functie bij de Commissie te kunnen hervatten.
Waar het onmogelijk is objectief vast te stellen welke carrièremogelijkheden verzoeker heeft gemist door de aan de Commissie toe te rekenen vertraging, dient deze vordering tot schadevergoeding te worden onderzocht uit het oogpunt van de frustratie bij het vooruitzicht van gemiste promotiekansen, dat wil zeggen in het kader van verzoekers andere vordering tot vergoeding van de morele schade die hij door het onrechtmatige gedrag van de Commissie zou hebben geleden. In zoverre heeft het besluit tot herplaatsing in de dienst van 26 juli 1976 verzoeker reeds gedeeltelijke genoegdoening verschaft. Gezien echter de langdurige periode waarin de diensten van de Commissie tegenover verzoeker een onrechtmatig stilzwijgen hebben bewaard over zijn verzoek tot herplaatsing in de dienst, alsmede de onvermijdelijke psychologische gevolgen van deze langdurige onzekerheid, lijkt mij dat de Commissie moet worden veroordeeld tot betaling aan verzoeker van een niet zuiver symbolische vergoeding voor morele schade, voor de vaststelling waarvan ik mij refereer aan 's Hofs oordeel. Bij de vaststelling van deze schadevergoeding ware rekening te houden met verzoekers beroepskwaliteiten welke objectief blijken uit de bij de Commissie opgestelde beoordelingsrapporten. Men kan immers aannemen dat bij een hoog niveau van zijn beroepskwaliteiten en werkhouding ook zijn carrièremogelijkheden des te groter zouden zijn geweest en daarmee tevens zijn frustratiegevoel en zijn morele schade. Hieromtrent wil ik opmerken dat de in artikel 43 van het Statuut bedoelde beoordelingsrapporten inzake verzoekers bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst, blijkens zijn door de Commissie overgelegde persoonsdossier, de beoordeling „uitstekend” bevatten met betrekking tot de bekwaamheid, de prestaties en het verantwoordelijkheidsgevoel van betrokkene, en goede beoordelingen betreffende de andere aspecten van zijn gedrag in de dienst.
Ik moge hier herhalen dat om de reeds genoemde redenen ook bij de vaststelling van de morele schade uitsluitend rekening dient te worden gehouden met de periode tussen 12 oktober 1973 en 15 augustus 1976.
Het spreekt vanzelf dat bij erkenning van de gelding van het besluit tot herplaatsing in de dienst uiteraard de vorderingen tot de in bijlage IV en in artikel 12 van bijlage VIII van het Statuut bedoelde uitkeringen bij beëindiging van de dienst en derhalve ook van de in artikel 6 van bijlage VII bedoelde inrichtingsvergoeding zullen moeten worden afgewezen wegens niet-vervulling van de statutaire voorwaarden.
7.
Aan de hand van onze bevindingen inzake het beroep tegen het besluit van 29 juli 1976 kunnen wij thans ook nagaan wat de gevolgen van dit besluit zijn voor de twee voorafgaande beroepen tegen de stilzwijgende weigering tot herplaatsing — de zaken 126/75 en 34/76 —.
Het is duidelijk dat de twee eerste vorderingen in de zaak 126/75, tot nietigverklaring van het stilzwijgende besluit tot afwijzing van de herplaatsing, zonder voorwerp zijn geraakt door het aanbod van herplaatsing dat aan verzoeker bij genoemd besluit werd gedaan. Immers, zoals gezegd en zoals verzoeker zelf ook erkent, moet dit besluit worden geacht een herroeping in te houden van het vorige stilzwijgende besluit van de Commissie tot afwijzing van het verzoek tot herplaatsing. Zo gezien, is het beroep tegen dit stilzwijgende besluit zonder voorwerp geraakt, ook al is het besluit om bovengenoemde redenen ontegenzeglijk ongeldig.
Voor het overige zijn de conclusies in de zaak 126/75 gelijk aan die in de zaak 92/76, en kan ik dus volstaan met een verwijzing naar mijn opmerkingen in deze laatste zaak. Ook wat betreft de vordering in de zaak 34/76 tot nietigverklaring van alle benoemingen in ambten van de rang A 4 of van de loopbaan A5/A4 welke de Commissie na 12 oktober 1973 heeft verricht, behoef ik slechts te verwijzen naar mijn opmerkingen dienaangaande in de zaak 92/76, ten betoge dat verzoeker geen belang heeft bij een dergelijke nietigverklaring.
Derhalve zullen de verschillende vorderingen in de beide genoemde beroepen moeten worden afgewezen, met uitzondering van de in het beroep 126/75 sub 5 gestelde vordering tot schadevergoeding, welke trouwens is verwerkt in de overeenkomstige vordering — zij het over een langere periode — sub 7 van beroep 92/76.
8.
Wat de kostenbeslissing betreft, dient in aanmerking te worden genomen dat de ongerechtvaardigde vertraging van de Commissie het beroep in de zaak 126/75 als het ware heeft uitgelokt. Het als voorzorgsmaatregel bedoelde beroep in de zaak 34/76 is ingesteld wegens het voortduren van de vertraging en op grond van het door de Commissie in de zaak Sergy ingenomen standpunt. In de zaak 92/76 heeft verzoeker ten slotte voor een aanzienlijk deel van zijn vorderingen het gelijk aan zijn zijde.
Op grond van een en ander, en vooral op grond van de omstandigheid dat dit te langdurige geschil zijn oorzaak vindt in een onrechtmatig handelen van de Commissie, ben ik van mening dat de Commissie moet worden veroordeeld in verzoekers kosten van het geding.
Samenvattend concludeer ik dat de Commissie worde veroordeeld om overeenkomstig bovengenoemde criteria aan verzoeker te vergoeden:
a)
de schade die voor verzoeker is ontstaan, doordat hij in de tijd van 12 oktober 1973 tot 15 augustus 1976 niet het salaris heeft genoten waarop hij recht zou hebben gehad indien hij bij het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard in de dienst bij de Commissie was herplaatst; het bedrag van deze schade ware te begroten op het verschil tussen dat salaris en andere eventueel door verzoeker genoten inkomsten voor werkzaamheden, gedurende genoemde periode verricht buiten de diensten van de Commissie;
b)
de uit deze vertraging voortvloeiende morele schade, mede als gevolg van de gemiste promotiekansen gedurende genoemde periode, tot een door het Hof vast te stellen bedrag.
Ten slotte ware verweerster te verwijzen in alle kosten van de drie gedingen.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy