CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 2 JUNI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze door het Finanzgericht Düsseldorf naar het Hof verwezen zaak betreft de invoer van Belgisch bier in de Bondsrepubliek Duitsland in het tijdvak november 1968 — september 1969 door Bobie Getränkevertrieb GmbH, verzoekster in de procedure voor het Finanzgericht. Verweerder in het hoofdgeding is het Hauptzollamt Aachen-Nord. Bedoelde invoer bedroeg circa 52700 hl in 1968 en circa 45260 hl in 1969 en was geheel afkomstig van één Belgische brouwerij, namelijk brouwerij Martens te Bocholt.
De vragen van het Finanzgericht hebben betrekking op de uitlegging van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, luidende:
„De Lid-Staten heffen op produkten van de overige Lid-Staten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.”
De belasting op bier is in de Bondsrepubliek Duitsland geregeld in het Biersteuergesetz van 14 maart 1952.
§ 3 hiervan bepaalt dat Duits bier onderworpen is aan een progressieve belasting, zulks in verband met het feit dat grote brouwerijen onder gunstiger omstandigheden kunnen produceren dan kleine en middelgrote brouwerijen. Over de eerste 2000 hl van de jaarproduktie wordt daarom 12 DM/hl aan belasting geheven, over de volgende 800012,30 DM/hl, over de daaropvolgende 10000 hl 12,60 DM/hl, enzovoort. Het maximum van 15 DM/hl is verschuldigd over de jaarproduktie boven 120000 hl. Het gevolg is dat een brouwerij minder belasting betaalt naar mate zij minder produceert. Uit aan het Finanzgericht overgelegde en in de verwijzingsbeschikking overgenomen cijfers blijkt dat in de jaren 1968 en 1969 over de gehele Duitse bierproduktie gemiddeld circa 13,90 DM/hl werd betaald, met slechts een geringe afwijking tussen de beide jaren.
geimporteerd was over in Duitsland geïmporteerd bier een vast bedrag van 15 DM/hl aan belasting verschuldigd. Voor invoer uit de andere Lid-Staten van de EEG werd dit tarief echter verlaagd tot 14,40 DM/hl door een wijziging van het Biersteuergesetz per 1 juni 1968, dus enkele maanden voor de eerste hierbedoel-de import.
Alle genoemde tarieven gelden voor gewoon bier („Vollbier”), de biersoort die door verzoekster werd ingevoerd. Er bestaan lagere tarieven voor lichtere biersoorten en hogere voor zwaardere. Deze tarieven doen echter in casu niet ter zake en waar in deze conclusie over bier wordt gesproken, wordt dan ook gewoon bier bedoeld.
De Commissie — zo werd ons medege-deeeld — heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat het Duitse bierbelastingstelsel niet verenigbaar was met artikel 95 EEG-Verdrag, doch zij meende dat de met dat stelsel en met soortgelijke stelsels in andere Lid-Staten verbonden vraagstukken alleen bevredigend kunnen worden opgelost door harmonisatie van de desbetreffende belastingwetgeving in alle Lid-Staten. Het schijnt dat de Commissie hiertoe in 1972 voorstellen aan de Raad heeft gedaan, maar daar is tot nu toe niets uitgekomen.
Als interimmaatregel richtte de Commissie op 29 juli 1966 tot de Lid-Staten met progressieve bierbelastingstelsels een (niet in het Publikatieblad bekendge maakte) aanbeveling om bierimporten uit andere Lid-Staten te belasten tegen het tarief dat gold voor de produktie van een „modale” brouwerij, dat wil zeggen een brouwerij met een produktie van 300000 hl bier per jaar. Overeenkomstig deze aanbeveling verlaagde de Bondsrepubliek de belasting bij invoer uit andere Lid-Staten tot 14,40 DM/hl.
Verzoekster werd, zoals bekend, voor de onderhavige invoer aangeslagen voor 14,40 DM/hl. Na hiertegen zonder succes administratief beroep te hebben ingesteld, bracht zij de zaak voor het Finanzgericht, stellende dat de Bondsrepubliek, door het tarief voor invoer uit de Lid-Staten tot 14,40 DM/hl te verlagen, haar verplichtingen ex artikel 95 niet ten volle was nagekomen. Verzoekster betoogde dat de wettelijke grondslag voor het criterium „modale brouwerij” ontbrak en vorderde toepassing van het tarief dat volgens § 3 Biersteuergesetz geldt voor de ierproduktie van een brouwerij met een jaarlijkse produktie ter grootte van haar (verzoeksters) totale invoer uit de andere Lid-Staten in elk jaar. Gemakshalve zal ik de door verzoekster voorgestelde belastinggrondslag „de totale importbasis” noemen.
Verweerder betoogde zijnerzijds voor het Finanzgericht dat de aan verzoekster gezonden aanslagen volkomen geldig waren. Hij voerde in het bijzonder aan dat de betrokken wetgeving der Lid-Staten nog niet was geharmoniseerd en wees daarnaast op de aanbeveling van de Commissie van 29 juli 1966.
De standpunten van beide partijen vindt men terug in de vragen die het Finanzgericht aan het Hof heeft voorgelegd bij beschikking van 26 november 1975, dus vóór 's Hofs arrest van 17 februari 1976 in zaak 45-75, Rewe-Zentrale t. Haupt-zollamt Landau/Pfalz.
De vragen luiden, enigszins bekort, als volgt:
1.
Was het in de jaren 1968 en 1969 verenigbaar met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, dat voor geïmporteerd bier uit de Lid-Staten in de Bondsrepubliek ingevolge de Biersteuergesetz in zijn destijds geldende redactie een belastingtarief van 14,40 DM/hl gold, terwijl de belasting op binnenlands bier gemiddeld 13,90 DM/hl bedroeg en dit bier door de progressieve belasting van § 3 Biersteuergesetz gedeeltelijk onder een lager belastingtarief viel dan geïmporteerd bier.
2.
Zo nee, is het dan verenigbaar met artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, dat geïmporteerd bier wordt belast volgens de tarieven van § 3 Biersteuergesetz op basis van de jaarlijkse invoer van de betrokken importeur uit andere Lid-Staten (dwz op wat ik heb genoemd de totale importbasis)?
3.
Indien de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, hoe moeten dan de toe te passen belastingtarieven worden vastgesteld en binnen welke grenzen moeten zij liggen om te voldoen aan de vereisten van artikel 95, eerste alinea?
Niemand houdt thans nog staande dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Bondsrepubliek Duitsland heeft — en mijns inziens volkomen terecht — voor het Hof toegegeven dat deze vraag in het licht van 's Hofs arrest in zaak 45-75 ontkennend moet worden beantwoord. Wat deze eerste vraag betreft, dien ik slechts de voor de hand liggende opmerking te maken dat, voor zover de vraag betrekking heeft op het Biersteuergesetz, — het Hof daarbij wordt uitgenodigd buiten de grenzen van zijn bevoegdheid te treden. Het is vaste rechtspraak dat het Hof in prejudiciële zaken uitsluitend uitspraak kan doen over vragen betreffende het Gemeenschapsrecht en de toepassing in concreto van die uitspraak aan de verwijzende nationale rechter moet overlaten; hieronder valt ook de beslissing of de bepalingen van nationaal recht verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht zoals dit in 's Hofs uitspraak is geïnterpreteerd.
Ik meen daarom dat het Hof in zijn antwoord op de eerste vraag zich, mutatis mutandis, moet aansluiten bij het arrest in zaak 45-75 en moet beslissen dat artikel 95, eerste alinea, aldus moet worden uitgelegd, dat het niet toestaat ingevoerde produkten op andere wijze te belasten dan gelijksoortige inheemse produkten wanneer zulks tot hogere belasting van het ingevoerde produkt kan leiden en dat het in het bijzonder de toepassing verbiedt van een progressief tarief in het éne geval en een vast tarief in het andere.
Het belang van de tweede vraag ligt uiteraard in de omstandigheid dat verzoekster, wanneer de eerste vraag ontkennend en de tweede bevestigend wordt beantwoord, wellicht haar vordering belasting te betalen op basis van de totale import, toegewezen ziet.
De regering van de Bondsrepubliek heeft betoogd dat artikel 95 het gebruik van die belastinggrondslag weliswaar niet verbiedt, maar ook niet vereist, zodat verzoekster daarop geen recht kan doen gelden nu een Duitse wettelijke regeling waarin die belastinggrondslag wordt voorgeschreven, ontbreekt. In dit verband werd uiteengezet dat het Duitse belastingstelsel ten doel had steun te bieden aan kleine brouwerijen, doch niet aan kleine handelaren.
De Commissie heeft betoogd dat de totale importbasis niet verenigbaar is met artikel 95, en ik deel deze mening. Het is zeer wel denkbaar dat een grote Duitse handelsonderneming een hele reeks biersoorten uit de verschillende Lid-Staten importeert, waarvan sommige misschien in betrekkelijk kleine brouwerijen worden geproduceerd. De totale jaarlijkse import van een dergelijke onderneming kan de jaarlijkse produktie van enkele van die brouwerijen afzonderlijk aanmerkelijk overschrijden. Toepassing van de totale import als belastinggrondslag zou er dan toe leiden dat over de bierproduk-tie van die kleine brouwerijen in Duitsland meer belasting verschuldigd zou zijn dan over bier afkomstig van Duitse brouwerijen van dezelfde omvang. In werkelijkheid is de totale importbasis als belastinggrondslag een even grove wijze van belastingheffing op ingevoerde produkten als een vast tarief. Het kan in bepaalde gevallen de invoer bevoordelen, doch in andere gevallen benadelen.
Daarom meen ik dat de tweede vraag ontkennend moet worden beantwoord, wederom met vermijding van iedere uitdrukkelijke verwijzing naat het Biersteuergesetz.
De moeilijkste vraag in deze zaak is mijns inziens de derde.
De Duitse Regering betwijfelt in haar schriftelijke memorie de ontvankelijkheid van deze vraag. Tot op zekere hoogte heb ik hiervoor begrip, omdat de vraag in zeer algemene bewoordingen is gesteld en praktisch neerkomt op een uitnodiging aan het Hof om vast te stellen welk belastingstelsel dient te worden gehanteerd voor Duitse bierimporten uit andere Lid-Staten.
Het staat voor mij echter vast dat het Hof de vraag niet onbeantwoord kan laten. Het Finanzgericht mag verlangen dat het Hof enige aanwijzingen geeft betreffende verzoeksters rechten wanneer, zoals ik aanneem, zowel de eerste als de tweede vraag ontkennend wordt beantwoord, wanneer het dus onverenigbaar zou zijn met artikel 95 zowel om het door verzoekster ingevoerde bier te belasten volgens een vast tarief overeenkomstig het Biersteuergesetz als op de door verzoekster voorgestelde „totale importbasis”.
De Commissie stelt dat het antwoord op de derde vraag alleen kan zijn dat importen uit andere Lid-Staten slechts mogen worden belast volgens het laagste tarief voor in Duitsland geproduceerd bier, hetgeen neerkomt op een uniforme belasting overeenkomend met het tarief van 12 DM/hl over de eerste 2000 hl van de jaarlijkse produktie van een brouwerij. De Commissie erkent dat dit antwoord niet zeer bevredigend is, maar, zegt zij, zolang de betrokken belastingregelingen der Lid-Staten niet geharmoniseerd zijn, kan de naleving van artikel 95 alleen op deze wijze worden gewaarborgd, want alleen zo wordt verzekerd dat bierimporten uit andere Lid-Staten niet hoger worden belast dan Duits bier.
De Duitse Regering voert hiertegen begrijpelijkerwijze aan dat dit antwoord niet alleen de naleving van artikel 95 zou waarborgen, doch ingevoerd bier een positief voordeel zou verschaffen, vooral omdat — hetgeen de Commissie erkent — in Duitsland geen brouwerijen meer bestaan die slechts 2000 hl per jaar produceren.
De Duitse Regering verzoekt het Hof om, indien het (hetgeen mijns inziens inderdaad het geval is) meent de derde vraag te moeten beantwoorden, rekening te houden met het nieuwe belastingstelsel voor bierimporten uit andere Lid-Staten, dat de Bondsrepubliek — ik mag wel zeggen met opmerkelijke en prijzenswaardige snelheid — naar aanleiding van 's Hofs arrest in zaak 45-75 heeft ingevoerd.
Zoals gezegd is dat arrest gewezen op 17 februari 1976. De schriftelijke opmerkingen van de Duitse Regering in de onderhavige zaak dateren van 4 maart 1976. Daaruit blijkt dat het nieuwe stelsel op dat tijdstip nog niet in werking, doch wel in voorbereiding was. Bij de mondelinge behandeling op 20 mei 1976 deelde de Duitse Regering mede dat het stelsel in werking was getreden en hoe het in grote lijnen werkte.
Het heeft ten doel het belastingtarief voor bier afkomstig uit een willekeurige brouwerij in een andere Lid-Staat, aan te passen aan het tarief voor Duits bier uit een brouwerij met dezelfde jaarproduktie. Heb ik het goed begrepen, dan dient de Duitse douane de importeurs van bier uit andere Lid-Staten te vragen om aan te geven uit welke brouwerij het afkomstig is en hoe groot de totale produktie van die brouwerij het voorgaande jaar was. Het belastingtarief voor dat bier wordt dan vastgesteld aan de hand van tabellen betreffende het gemiddelde belastingtarief voor Duitse brouwerijen met dezelfde produktieomvang. In verband met het feit dat Duitse brouwerijen van maand tot maand in de belasting worden aangeslagen op basis van hun produktie voor het lopende jaar, terwijl bierimporten worden belast op basis van de produktie van de betrokken brouwerij over het voorgaande jaar, is een terugbetalingsregeling voorzien waarbij een importeur dat deel van de belasting kan terugvorderen dat overeenstemt met een eventuele verlaging van de produktie der betrokken brouwerij over het lopende jaar in vergelijking met het voorgaande jaar. Anderzijds wordt geen aanvullende belasting gevorderd wanneer blijkt dat de produktie van de betrokken brouwerij gedurende het lopende jaar is toegenomen, zodat importen in zoverre worden bevoordeeld. De Duitse Regering erkende echter dat kleine verschillen in belastingdruk zouden blijven bestaan als gevolg van onvermijdelijke verschillen in de wijze van aanslag en inning. Bovendien blijkt het nieuwe stelsel, om redenen waarvoor naar ik meen verklaring is gegeven, niet te worden toegepast wanneer de produktie van de buitenlandse brouwerij meer dan 300000 hl per jaar bedraagt.
De Commissie betoogde dat afgezien hiervan de invoering van het stelsel geen waarborgen biedt voor naleving van artikel 95 door de Bondsrepubliek, omdat dit artikel geen gelijke behandeling van brouwerijen, doch van produkten voorschrijft. Wat de Bondsrepubliek doet, aldus de Commissie, is zijn politiek van hulp aan kleine brouwerijen exporteren, hetgeen echter in het kader van artikel 95 irrelevant is.
Ik ben van mening dat het Hof zich in deze zaak niet kan uitspreken over de verdiensten van het nieuwe stelsel als zodanig, want niet alleen is het Hof — ondanks de ter zitting verstrekte informatie — onvoldoende op de hoogte van de details ervan, doch ook was het stelsel niet van kracht in de jaren 1968 en 1969, toen de litigieuze importen plaatsvonden.
Het gold zelfs nog niet toen het Finanzgericht de zaak naar het Hof verwees. De beoordeling van het stelsel als zodanig valt derhalve duidelijk buiten het kader van deze procedure.
Dit betekent echter niet dat het Hof zich niet kan uitspreken over de principiële vraag die besloten ligt in het betoog van de Commissie en van de Duitse Regering, en aldus het Finanzgericht behulpzaam kan zijn bij zijn beslissing in deze zaak. Die vraag luidt of een Lid-Staat die over een produkt een progressieve belasting heeft naar gelang van de produktieomvang van de betrokken onderneming, alleen dan in overeenstemming met artikel 95 handelt, wanneer hij gelijksoortige produkten van andere Lid-Staten niet hoger belast dan volgens het laagste tarief voor de binnenlandse produktie, dan wel of hij die produkten ook mag belasten naar gelang van de produktieomvang van de onderneming van herkomst.
Ik meen dat beantwoording van deze vraag in de door de Commissie voorgestelde zin neer zou komen op de stelling dat artikel 95 instandhouding van zo een progressief stelsel verbiedt. Geen enkele Lid-Staat immers zou in de praktijk een dergelijk stelsel kunnen handhaven, indien dit slechts mogelijk zou zijn door importen uit andere Lid-Staten het voordeel van uniforme toepassing van het laagste tarief toe te kennen.
Er is stellig iets te zeggen voor de opvatting dat een progressief stelsel niet wenselijk is omdat het een inefficiënte produktie bevordert. Maar ook een ander standpunt is verdedigbaar. Dankzij de Duitse bierbelasting blijven misschien brouwerijen bestaan die anders zouden moeten sluiten, hetgeen niet slechts in het belang van die bedrijven is, maar ook in dat van de bierliefhebbers die graag een ruimere keuze hebben dan bij een concentratie van de bierproduktie bij de grote brouwerijen mogelijk zou zijn. Het klemmende punt is mijns inziens dat deze argumenten thuishoren op het gebied van de sociale en economische politiek, en niet op dat van artikel 95, dat alleen betrekking heeft op de hoogte van belastingen. Het is, geloof ik, niet mogelijk artikel 95 aldus uit te leggen, dat het de afschaffing van progressieve belastingstelsels als het onderhavige ten doel zou hebben.
Daarom acht ik het standpunt van de Commissie niet houdbaar. Heeft een Lid-Staat een dergelijk progressief belastingstelsel, dan moet artikel 95 in overeenstemming daarmee worden toegepast. Artikel 95 verlangt slechts dat produkten uit andere Lid-Staten niet zwaarder wor den belast dan gelijksoortige binnenlandse produkten. Worden binnenlandse produkten voor de belasting ingedeeld naar gelang van de omvang van de producerende onderneming, dan is mijns inziens aan de voorwaarden van artikel 95 voldaan wanneer produkten uit andere Lid-Staten op dezelfde wijze worden behandeld. In casu betekent dit dat het Finanzgericht naar vermogen dient vast te stellen hoe groot de totale produktie van brouwerij Martens in de jaren 1968 en 1969 was, en op basis daarvan de door verzoekster te betalen belasting moet bepalen.
Mitsdien concludeer ik dat het Hof de derde vraag van het Finanzgericht aldus beantwoorde, dat indien een Lid-Staat op een bepaald produkt een progressieve belasting heft afhankelijk van de jaarlijkse produktie van de onderneming van herkomst, artikel 95 moet worden uitgelegd in die zin, dat daarmee onverenigbaar is het heffen van een belasting op ingevoerde produkten tegen een hoger tarief dan zou gelden indien de onderneming van herkomst in die Lid-Staat was gevestigd.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy