CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 26 MEI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In de huidige stand van het geding zal mijn uiteenzetting kort zijn.
Verzoekster acht zich bezwaard, doordat zij niet de in artikel 4 van bijlage VII van het Ambtenarenstatuut bedoelde ontheemdingstoelage ontvangt, hetgeen blijkt uit haar salarisstrookje waarin deze rubriek is opengelaten.
In enkele zaken hebt U beslist dat een eenvoudige boekhoudkundige afrekening, zonder enige toelichting, geen bezwarend besluit vormde: het ging hetzij om een afrekening, waarin een onverschuldigd betaald bedrag werd teruggevorderd (arrest van 27 juni 1973, Kuhl, Jurispr. blz. 711) hetzij om een salarisstrookje waarin de administratie op een gegeven moment een tot dusver toegekende vergoeding stopzette (arrest van 15 juli 1970, Chuffart, Jurispr. blz. 641). Wij zijn het volledig eens met de destijds door Advocaat-Generaal Gand gemaakte opmerkingen in zijn conclusie in deze zaak (Jurispr. blz. 655-656).
Maar in het onderhavige geval kon verzoekster vanaf het begin, kort na haar indiensttreding, dat wil zeggen sedert november 1972, door lezing van haar maandelijkse salarisstrookje, wel degelijk weten dat de ontheemdingstoelage haar niet werd uitgekeerd.
Zeker, de redenen waarom haar deze uitkering werd geweigerd, varieerden mettertijd. Men kan met haar van mening zijn dat volgens het destijds geldende Statuut deze weigering werd verklaard door haar huwelijk met een Luxemburger en door het feit dat zij, daar zij niet de hoedanigheid van kostwinster had, niet in het genot van deze toelage kon komen. Vervolgens, toen U hebt erkend dat het Ambtenarenstatuut op dit punt onwettig was, heeft de administratie haar aanhoudende weigering gemotiveerd met het feit dat verzoekster gedurende een periode van vijf jaar, eindigend zes maanden vóór haar indiensttreding, regelmatig haar voornaamste beroepsbezigheden had uitgeoefend op het grondgebied in Europa van de Staat waar haar standplaats is gelegen. Ten slotte schijnt de administratie zich te beroepen op het feit dat verzoekster gedurende deze zelfde periode blijvend woonachtig is geweest in Luxemburg. Zij zou onzes inziens trouwens terecht een dergelijke reden kunnen aanvoeren, feitelijk omdat het juist is dat verzoekster gedurende dit hele tijdvak haar hoofdverblijf in het Groothertogdom had, en rechtens omdat het begrip gewone verblijfplaats op het grondgebied van een Staat waar een ambtenaar is aangesteld een der alternatieve voorwaarden is voor de weigering van de ontheemdingstoelage. Maar deze variaties in de motivering lijken ons hoe dan ook irrelevant voor het bestaan zelf en voor het voortduren van deze weigering.
In deze omstandigheden dient in de eerste plaats Uw overweging in de zaak Kortner (zaken 15 tot 33, arrest van 21 februari 1974, Jurispr. blz. 190) te worden toegepast, dat verstrekking van de salarisstrook de beroepstermijnen doet ingaan wanneer daaruit duidelijk van het genomen besluit blijkt — hetgeen ons hier het geval lijkt te zijn. Hoewel de in 1975 door de administratie tot verzoekster gerichte mededelingen gedetailleerd de in aanmerking genomen elementen uiteenzetten, bevestigen zij slechts het eerdere besluit van de Commissie dat verzoekster geen recht had op de ontheemdingstoelage. Deze mededelingen konden bijgevolg te haren behoeve geen nieuwe beroepstermijn doen ingaan (arrest van 8 mei 1973, Gunella, Jurispr. blz. 481).
Reeds om deze reden is het beroep krachtens artikel 91, lid 2, van het Statuut niet-ontvankelijk wegens tardiviteit.
Zodoende lijkt het ons overbodig de tweede grond van niet-ontvankelijkheid, die de Commissie aanvoert, te onderzoeken. Deze houdt in dat de brief van verzoekster van 16 januari 1975 zonder meer een „verzoek” in de zin van artikel 90, lid 1, van het Statuut en niet slechts een verzoek om inlichtingen zou vormen. Hoewel wij enige twijfel koesteren ten aanzien van de aldus door de administratie gehanteerde kwalificatie, lijkt ons haar bewijsvoering overbodig.
De op 25 juni 1974 uitgesproken echtscheiding van verzoekster kan geen nieuw feit vormen voor wat betreft het beweerde recht op de ontheemdingstoelage. Enerzijds kan de ontbinding van haar huwelijk geen terugwerkende kracht hebben tot de datum waarop verzoekster bij de Commissie in dienst is getreden; anderzijds ging de administratie, om haar weigering te rechtvaardigen, uit van hetzij de „gewone verblijfplaats”, hetzij de „regelmatige uitoefening van de voornaamste beroepsbezigheden”, en niet van de niet-erkenning van de hoedanigheid van kostwinster wegens huwelijk. De later ingetreden wijziging in de gezinssituatie van verzoekster zou derhalve slechts van invloed kunnen zijn op de erkenning van de hoedanigheid van kostwinster te haren behoeve en op de verstrekking van toelagen voor de beide kinderen die te haren laste komen.
Het lijkt ons ten slotte duidelijk dat de exceptie van onwettigheid die verzoekster opwerpt met betrekking tot de termijnregeling in het Statuut, slechts door het Hof zou kunnen worden onderzocht, indien het beroep zelf ontvankelijk zou zijn. Indien U, op ons voorstel, beslist dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens tardiviteit, kunt U geen der aangevoerde middelen ten gronde onderzoeken, zelfs indien een dezer middelen is ontleend aan de beweerde onwettigheid van bepalingen van het Statuut. Een dergelijk middel zou, in de woorden van de Commissie zelf, slechts in aanmerking kunnen worden genomen „in het kader van een beroep tegen de dienstfout, opzettelijk begaan door de administratie, die weigert de kennelijke fout die haar handeling aantast, te corrigeren”.
Wij concluderen tot verwerping van het beroep en tot compensatie van de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy