CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 29 SEPTEMBER 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Na uw arrest van 15 juni 1976 dient het door de heer Jänsch ingestelde beroep thans ten gronde te worden behandeld. Wij zullen de door hem opgeworpen middelen in omgekeerde volgorde bespreken.
I —
De rechtmatigheid of de „niet-opposabiliteit” van artikel 92 van het Statuut.
Volgens artikel 45, lid 2, dier regeling kan „de overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie … alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek”.
Evenwel wordt in de tweede alinea van het in titel VIII opgenomen artikel 98 met zoveel woorden een uitzondering gemaakt voor ambtenaren in de zin van de bijzondere bepalingen, geldende voor het wetenschappelijk of technisch kader der Gemeenschappen.
Artikel 98 verklaart artikel 45, lid 2, niet van toepassing op de in artikel 92 bedoelde ambtenaren.
Artikel 92 staat in dezelfde titel VIII en verklaart de aldaar gegeven bijzondere regeling van toepassing „op de ambtenaren van de Gemeenschappen, die op het gebied van de kernenergie een ambt bekleden waarvoor wetenschappelijke of technische bekwaamheden worden vereist, en die bezoldigd worden uit de kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen”.
Er worden dus drie voorwaarden gesteld; men moet:
1)
wetenschappelijk of technisch ambtenaar zijn,
2)
ambtenaar zijn op het gebied van de kernenergie,
3)
een ambt bekleden dat bezoldigd wordt uit kredieten van de begroting voor onderzoek.
Vóór zijn ontslag om redenen van persoonlijke aard kwam verzoekers bezoldiging ten laste van de begroting voor onderzoek. Maar bij wederindiensttreding — op 26 september 1973 — zag hij zich buiten het gemeenschappelijk centrum geplaatst op het Directoraat-generaal „energie en veiligheidscontrole van Euratom” te Luxemburg (inspectie van de nucleaire installaties van de EGA), en wel als assistent in de rang B 3 overeenkomstig bijlage I A van het Statuut, dat wil zeggen op een post ten laste van de huishoudelijke begroting.
Verzoeker is wel degelijk in het bezit van wetenschappelijke en technische bekwaamheden op het gebied van de kernenergie en ziet in de weigering om de bepalingen van artikel 98, tweede alinea, te zijnen gunste toepassing te doen vinden, een schending van het beginsel van gelijke behandeling der ambtenaren, waarvan immers sprake is wanneer personen die over dezelfde capaciteiten beschikken en gelijke functies uitoefenen, nochtans — al naar gelang van de begroting ten laste waarvan zij worden betaald — verschillend worden behandeld.
Wij kunnen hierin evenwel niet met hem meegaan zonder, juridisch gezien, het eigenlijke beleid van de gezagsorganen van de Gemeenschap op het gebied van de kernenergie aan de orde te stellen.
De in artikel 92, eerste alinea, gestelde voorwaarden zijn cumulatief en ook de in de laatste plaats gestelde voorwaarde draagt geen zuiver „expletief” karakter: om de uitzonderingsbepaling van artikel 98, tweede alinea, te zijnen gunste te zien toegepast is het niet reeds voldoende wanneer men over wetenschappelijke of technische bekwaamheden — op het gebied van de kernenergie — beschikt; men moet bovendien worden bezoldigd ten laste van de kredieten der begroting voor onderzoek en investeringen.
Het formele onderscheid tussen de huishoudelijke begroting en die voor onderzoek en investeringen — dat niet tot materiële schending van het beginsel van gelijke behandeling der ambtenaren kan leiden wanneer zij tot verschillende categorieën behoren —, is met zoveel woorden omschreven in artikel 174 van het Verdrag van de Europese Gemeenschap voor atoomenergie, waarin enerzijds wordt bepaald:
„1. de uitgaven voorkomende op de huishoudelijke begroting omvatten met name:
a)
de administratiekosten,
b)
de uitgaven die betrekking hebben op de veiligheidscontrole en de gezondheidsbescherming”,
en anderzijds:
„2. de uitgaven voorkomende op de begroting voor onderzoek en investeringen omvatten met name:
a)
de uitgaven die betrekking hebben op de uitvoering van het onderzoekprogramma van de Gemeenschap …”.
Volgens artikel 7 van het Verdrag worden de onderzoekprogramma's voor een tijdvak van ten hoogste vijf jaar vastgesteld. In feite zijn ze tot nu toe voor tijdvakken van drie of hoogstens vier jaar goedgekeurd.
Hetzelfde geldt voor de Lid-Staten: de bepalingen inzake de begroting dwingen, wat de regeling voor de ambtenaren en overige personeelsleden betreft, tot het maken van dergelijke verschillen, ten einde rekening te kunnen houden met de uitzonderlijke behoeften die kunnen voortvloeien uit de aanvaarding van programma's welke tot beperking kunnen leiden van het aantal ambten van personeelsleden die uit de kredieten voor onderzoek worden bezoldigd.
In de communautaire bepalingen betreffende ambtenaren die uit de kredieten van de begroting voor onderzoek en investeringen worden bezoldigd, wordt hun de met het oog op hun functie noodzakelijke onafhankelijkheid verzekerd, terwijl hun ook wat hun bezoldiging betreft, bepaalde voordelen worden toegekend (artikel 97, mogelijkheid tot toekenning van een extra salaristrap op grond van buitengewone verdiensten; artikel 99, mogelijkheid tot toekenning ener beloning wegens uitzonderlijke verdiensten; artikel 100, schadeloosstelling wegens „bezwaarlijk” werk).
Tegenover die voordelen staat evenwel een veel grotere vrijheid van handelen der instellingen en een — met de aard der programma's verband houdende — grotere soepelheid der structuren. „Normale” loopbaancondities zijn het rantsoen van stabiliteit en duurzaamheid, terwijl de wisselvallige, evoluerende aard der programma's voor het onderzoek op het gebied der kernenergie in genoemde voordelen zijn compensatie vindt. Met zulk een stelsel heeft men willen vermijden dat het gemeenschappelijk centrum van onderzoek de verlammende invloed van een te star personeelsstatuut zou ondergaan, terwijl men de wetenschappers ook een grotere mobiliteit heeft willen verzekeren.
In dit verband behoeft wel nauwelijks te worden herinnerd aan de precaire situatie van het gemeenschappelijk centrum voor onderzoek, en vooral van de vestiging te Ispra, waar de programma's voor slechts één jaar worden goedgekeurd.
Dit budgettaire onderscheid is in 1962 door de Raad van de EGA, op zijn ambtenaren toegepast in verordening nr. 11 van 18 december 1961, waarin de door verzoeker aangevochten bepaling precies is terug te vinden. Sinds het verdrag „tot instelling van één Raad en één Commissie welke de Europese Gemeenschappen gemeen hebben” is dit onderscheid telkens weer op de ambtenaren der Gemeenschappen werkzaam op het gebied van de kernenergie, toegepast. Van zulk een „industrieel personeelsbeheer” is te meer sprake sinds men voor het gemeenschappelijk centrum van de nieuwe opvatting der communautaire research is uitgegaan.
Verzoeker heeft, hoogst verdienstelijk, het in 1966 opgenomen verlof om redenen van persoonlijke aard gebruikt om op eigen kosten zijn wetenschappelijke opleiding te voltooien. Maar toen zijn verlof in 1969 afliep, waren de programma's van onderzoek gewijzigd; Euratom bevond zich in een crisistoestand en er was in zijn categorie of kader geen enkele post — van zijn rang en bekwaamheden — ten laste van de begroting voor onderzoek vakant; van zijn wederindiensttreding kon dan ook geen sprake zijn. Hij werd evenwel al evenmin — ter verminering van het aantal ambten (artikel 41) — ter beschikking gesteld. Pas op 1 augustus 1973 kon hij wederom in dienst worden genomen, evenwel ten laste van de huishoudelijke begroting. Op dat ogenblik opteerde hij voor een stabiele rechtspositie; hij behield de rang, de salaristrap en de anciënniteit welke hij onder het oude Statuut had bereikt, doch tevens konden de bijzondere bepalingen van titel VIII van het Statuut krachtens artikel 2, lid 2, derde alinea, van verordening nr. 1543/73 van 4 juni 1973, niet langer op hem worden toegepast.
Het lijdt geen twijfel dat al te sprekende discriminatiegevallen tussen verschillende categorieën van personeel die, ofschoon met soortgelijke taken belast en in het bezit van gelijkwaardige diploma's, volgens verschillende maatstaven worden bezoldigd, een blijvende bron van wrijving en conflicten zijn. Idealiter zouden alleen de wetenschappelijke en technische ambtenaren — maar dan ook alle ambtenaren die op het gebied van de kernenergie over deze bekwaamheden beschikken — moeten worden bezoldigd ten laste van de begroting voor onderzoek, en de met administratief werk belaste ambtenaren ten laste van de huishoudelijke begroting.
In werkelijkheid is het evenwel niet mogelijk de budgettaire maatstaven en de bekwaamheidsnormen dan wel de hoedanigheid van wetenschappelijk of technisch ambtenaar en de uitvoering van een onderzoekprogramma volkomen op elkander af te stemmen. Zo dient er, juist ten einde op nucleair gebied te zorgen voor een goed functionerende veiligheidscontrole en gezondheidsbescherming, wat betreft de posten der met zulke taken belaste personen voor de nodige stabiliteit te worden gezorgd.
Opgemerkt zij overigens dat de ten laste van de begroting voor onderzoek bezoldigde „administratieve” ambtenaren anders worden behandeld dan „wetenschappelijke” of „technische” ambtenaren wier bezoldiging ten laste van dezelfde begroting loopt: zij kunnen niet — volgens de voor deze laatste categorieën geldende procedure — in aanmerking worden gebracht voor een met de wijziging van categorie of zelfs van loopbaan gepaard gaande bevordering, en geen van laatsbedoelde ambtenaren heeft tot nu toe aanleiding gevonden zich over die situatie te beklagen.
II —
Zulks brengt mede dat op het middel volgens hetwelk de „procedure-modaliteiten betreffende beluiten tot wijziging van categorie — van B naar A — voor ambtenaren van het wetenschappelijk of technisch kader” zich niet met het recht zouden verdragen, maar kort behoeft te worden ingegaan.
Bedoelde modaliteiten zijn gepubliceerd in de „administratieve inlichtingen” nr. 19 van 16 december 1974.
Mutatis mutandis zijn ze een getrouwe reproduktie van de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende een bevorderingsprocedure binnen de loopbaan van ambtenaren wier bezoldiging komt ten laste van de huishoudelijke begroting en administratieve of wetenschappelijke ambtenaren, bezoldigd ten laste van de begroting voor onderzoek en investeringen.
1)
Evenals de algemene uitvoeringsbepalingen betreffende de procedure welke bij bevordering binnen de loopbaan moet worden gevolgd — zoals die op 17 maart 1965 door de Commissie van de Europese Economische Gemeenschap zijn vastgesteld — hadden ook de hierbedoelde modaliteiten onzes inziens na raadpleging van het Comité van het Statuut — en dus niet alleen van het centraal personeelscomité der Commissie — moeten worden vastgesteld: het zijn algemene uitvoeringsvoorschriften in de zin van artikel 110 van het Statuut; zij gaan zelfs verder dan eerstbedoelde bepalingen, immers betreffen een wijziging van categorie zonder vergelijkend onderzoek. Verzoeker heeft dus geen ongelijk, wanneer hij stelt dat deze bepalingen van zeer algemene strekking waren, ook al waren zij slechts voor één enkele instelling bedoeld, en dat er in de praktijk der „bevorderingscomité's” voor een zekere harmonie dient te worden gezorgd.
Verzoeker kan zich evenwel niet op deze vormfout beroepen, immers bedoelde modaliteiten konden, zonder met artikel 92 in strijd te komen, niet de mogelijkheid bieden om, zoals verzoeker wil, met betrekking tot ambtenaren wier bezoldiging ten laste van de huishoudelijke begroting loopt, zonder vergelijkend onderzoek tot wijziging van categorie of kader over te gaan.
2)
Hetzelfde geldt voor het tweede onderdeel van dit door verzoeker ingeroepen middel: ook al kunnen deze modaliteiten worden geacht niet alleen betrekking te hebben op ambtenaren die tot het wetenschappelijk en technisch kader behoren, dat wil niet zeggen dat er kan worden afgeweken van artikel 92 of dat daarvan kan worden geprofiteerd door ambtenaren wier bezoldiging ten laste van de huishoudelijke begroting loopt, ook al beschikten — c.q. beschikken — zij op het gebied van de kernenergie in de zin van bijlage I B van het Statuut over wetenschappelijke of technische bekwaamheden. Er kan alleen een beroep op worden gedaan door wetenschappelijke of technische ambtenaren die bij de uitvoering van een onderzoekprogramma betrokken zijn. Wij vinden hier de wezenlijke discriminatie terug waarover verzoeker zich beklaagt, discriminatie die, naar wij reeds opmerkten, haar verklaring vindt in dwingende omstandigheden van budgettaire aard, in de opzet van het communautair researchwerk op het gebied van de kernenergie en in het industrieel getinte personeelsbeheer op het gemeenschappelijk centrum van onderzoek.
Hoe men het ook keert of wendt, verzoeker bevindt zich in een nogal paradoxale situatie: ondanks het. feit dat hij voor plaatsing in categorie A over de nodige universitaire kwalificaties beschikt, is hij in categorie B geplaatst. De administratie is dan ook op zijn geval geattendeerd en wij kunnen slechts wensen dat hij via een vergelijkend onderzoek in de zin van het Statuut de categorie A zal weten de bereiken.
Wij concluderen tot verwerping van het beroep,
tot verwijzing van de Commissie in de op de exceptie gevallen kosten,
alsook tot compensatie der kosten in dier voege dat elk van beide partijen de eigen kosten drage.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy