CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 14 JULI 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak komt voor het Hof middels een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Tribunale te Pavia, waar een vordering is ingesteld wegens wanprestatie bij de verkoop van goederen. Verzoekster in het hoofdgeding is „Import Gadgets” S.à.r.l., te Parijs, verweerster is L.A.M.P. S.p.a., te Pavia.
De vraag die het Tribunale aan het Hof voorlegt, heeft betrekking op de uitlegging van hoofdstuk 97 van het gemeenschappelijk douanetarief: „Speelgoed, spelen, artikelen voor ontspanning en sportartikelen”. De vraag spitst zich toe op de juiste indeling in dit hoofdstuk van bepaalde „lachapparaatjes” die door verzoekster van verweerster zijn gekocht met het oogmerk ze in poppen te monteren. Eén van deze apparaatjes, dat door verzoekster desgevraagd aan het Hof werd overgelegd, hebt U gezien (en gehoord). Het is een klein apparaatje dat loopt op batterijen, in een roze plastic doosje en wanneer men op een knopje drukt maakt het een geluid als het lachen van een mens. Bij dit exemplaar was het het (nogal smalende) lachen van een man. De vraag ter beantwoording waarvan het Tribunale de hulp van het Hof inroept, is of dit instrumentje valt onder post 97.02 of 97.03 van het gemeenschappelijk douanetarief. Voor zover hier ter zake doet, vallen onder post 97.02 A: „poppen” en onder 97.02 B: „Delen, onderdelen en toebehoren daarvan”, terwijl onder post 97.03 valt: „ander speelgoed”.
De achtergrond van de zaak is de volgende.
In februari 1970 kocht verzoekster van verweerster 2000 van deze apparaatjes met levering in Pavia, en voerde ze middels een expediteur in Frankrijk in. De invoerdatum was 24 april 1970. Voor de inklaring bij de Franse douane werden de goederen door de expediteur aangegeven onder post 97.02, welke post ook op verweersters factuur stond vermeld.
De Franse douane vroeg om een certificaat van oorsprong, dat op 5 mei 1970 door de Kamer van Koophandel te Pavia aan verweerster werd afgegeven. Hierin werd verklaard dat de goederen van Italiaanse oorsprong waren. De inklaring vond plaats op 12 mei 1970.
In februari 1971 kocht verzoekster van verweerster een tweede partij, nu van 1600 apparaatjes. Wederom vond levering plaats in Pavia en verzoekster liet ze door dezelfde expediteur in Frankrijk invoeren. De invoer vond plaats op 15 februari 1971. Bij deze gelegenheid echter werden de goederen door de expediteur aangegeven onder post 97.03, hoewel de door verweerster afgegeven factuur vermelde dat zij onder post 97.02 vielen.
Daar de Franse douane wederom een certificaat van oorsprong vroeg, werd door de Kamer van Koophandel te Pavia op 18 februari 1971 een dergelijk certificaat, stellende dat de goederen van Italiaanse oorsprong waren, aan verweerster afgegeven. Toen echter de Franse douane de goederen kwam inspecteren (wat de eerste keer niet was gebeurd), zag zij dat enkele als opdruk hadden „Made in Japan”, terwijl andere er sporen van droegen dat deze opdruk was verwijderd. Het belang van deze ontdekking lag voor de Franse douane in het feit dat Frankrijk een handelsovereenkomst had met Japan, waaronder invoer uit Japan van goederen vallende onder post 97.03 aan contingentering was onderworpen. Bij achtereenvolgende beschikkingen van de Raad, genomen krachtens artikel 111 en 113 EEG-Verdrag, was Frankrijk gemachtigd deze overeenkomst in stand te houden, totdat de Lid-Staten een gemeenschappelijke politiek betreffende de invoer van dergelijke goederen uit Japan hadden vastgesteld. (De desbetreffende beschikkingen worden aangehaald in de opmerkingen van de Commissie).
Voor goederen vallende onder post 97.02 lag de situatie geheel anders. Invoer hiervan uit Japan stond reeds vanaf 1968 op de door de Raad bijgehouden liberalisatielijst, oorspronkelijk krachtens artikel 111 en 113 EEG-Verdrag en nu alleen krachtens artikel 113. Deze goederen zijn derhalve niet onderworpen aan enige kwantitatieve beperking in welke Lid-Staat dan ook. (Ook hier worden de desbetreffende verordeningen aangehaald in de opmerkingen van de Commissie).
De ontdekking door de Franse douane dat het certificaat van oorsprong van de tweede partij ingevoerde goederen onjuist was, had als rechtstreeks gevolg dat de goederen verbeurd werden verklaard en dat verzoekster een boete van 10000 Ffr. kreeg opgelegd. Tevens heropende de Franse douane nu de zaak van de eerste ingevoerde partij. Zij stelde dat de daarbij betrokken goederen onder post 97.03 hadden moeten zijn ingedeeld, en legde verzoekster een boete op van 5000 Ffr. voor de onjuiste verklaring van oorsprong van die goederen. Erger nog, het schijnt dat de expediteur om gerechtelijke vervolging van betrokkenen te voorkomen, een stuk heeft getekend waarbij afstand werd gedaan van het recht van verzoekster tot beroep op een Franse rechter.
Hoewel het Tribunale te Pavia het Hof niet heeft gevraagd of het optreden van de Franse douane wel verenigbaar is met het gemeenschapsrecht, heeft de Commissie er de aandacht op gevestigd dat deze vraag zich wel voordoet.
De Commissie wijst erop dat, wat ook de juiste tariefindeling van de onderhavige goederen mag zijn, een certificaat van oorsprong niet was vereist als ze in Italië in het vrije verkeer waren. Krachtens de artikelen 9, 10 en 30 EEG-Verdrag konden ze dan vrij in Frankrijk worden ingevoerd. Hierop zou slechts een uitzondering mogelijk zijn geweest indien — aangenomen dat de goederen onder post 97.03 vielen en derhalve bij rechtstreekse invoer uit Japan in Frankrijk waren onderworpen aan de contingenteringsregeling van de Frans-Japanse handelsovereenkomst — er een beschikking van de Commissie overeenkomstig artikel 115 EEG-Verdrag van kracht was geweest, waarbij Frankrijk werd gemachtigd om ze als vallende onder de contingentering te behandelen, ook al waren zij in een andere Lid-Staat in het vrije verkeer gebracht. Zo een beschikking was echter niet van kracht op de beide invoerdata. Hiertoe strekkende beschikkingen golden slechts van 17 juli tot 31 december 1970 en van 30 september tot 31 maart 1971 (voor de bijzonderheden van deze beschikkingen zie de opmerkingen van de Commissie).
De vraag of het optreden van de Franse autoriteiten verenigbaar was met het gemeenschapsrecht, is dus afhankelijk van een tweede, namelijk of de betrokken goederen daadwerkelijk in Italië in het vrije verkeer waren gebracht alvorens in Frankrijk te worden ingevoerd. Verzoekster beweerde tijdens de zitting met klem dat zij dat niet waren. Blijkens de verwijzingsbeschikking stelt verweerster (die op de zitting niet was vertegenwoordigd) dat zij dat wel waren. De Commissie is het eens met verweerster. De Franse Republiek heeft het niet nodig geacht opmerkingen in te dienen, hoewel het probleem door het Hof uitdrukkelijk onder de aandacht van de Franse Regering is gebracht.
Onder deze omstandigheden kunt U mijns inziens deze laatste vraag beter onbeslist laten. Een en ander moet eventueel worden vastgesteld door het Tribunale te Pavia. Wat dat betreft, weten wij te weinig over de punten die in het geschil aldaar van belang zijn, om er iets over te zeggen. Maar in ieder geval is het een zaak voor de Commissie. En inderdaad heeft de Commissie ons ter zitting medegedeeld dat zij reeds een brief hierover aan de Franse regering had gezonden. Zeer terecht voegde zij eraan toe dat de inhoud van die brief vertrouwelijk was, daar er mogelijk een actie van de Commissie krachtens artikel 169 EEG-Verdrag uit zou kunnen voortvloeien.
Ik kom terug op de eigenlijke vraag die door het Tribunale aan het Hof is voorgelegd. In de verwijzingsbeschikking gaat het Tribunale ervan uit dat „ofwel gesteld kan worden dat lachapparaatjes instrumentjes zijn die als zodanig als speelgoed (97.03) kunnen worden gebruikt, of daarentegen, dat het slechts onderdelen van poppen (97.02 B) zijn”. Het Tribunale vraagt het Hof in feite tussen deze twee mogelijkheden te kiezen.
Zoals tijdens de zitting werd betoogd, zowel door verzoekster als door de Commissie, ligt het probleem helaas niet zo eenvoudig.
Er zijn twee aantekeningen bij hoofdstuk 97, waarmee rekening moet worden gehouden. In de eerste plaats aantekening 3, luidende:
„Als poppen in de zin van post 97.02 worden slechts nabootsingen van de mens aangemerkt.”
En vervolgens aantekening 4, luidende: „Delen, onderdelen en toebehoren, waarvan kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn voor de artikelen, bedoeld bij een der posten van dit hoofdstuk, worden ingedeeld als deze artikelen.”
Hieruit valt af te leiden dat lachapparaatjes alleen onder post 97.02 vallen als „kan worden onderkend dat zij uitsluitend of hoofdzakelijk bestemd zijn” voor poppen die „nabootsingen van de mens” zijn.
Verzoekster heeft betoogd dat de betrokken lachapparaatjes even gemakkelijk gebruikt kunnen worden in poppen die nabootsingen van dieren zijn, bij voorbeeld speelgoedberen of Mickey Mouses, die onder post 97.03 vallen. De Commissie voegde hieraan toe, dat ze ook gebrui kt kunnen worden in artikelen die onder de omschrijving „fop- en schertsartikelen” van post 97.05 vallen. Als voorbeeld van zo een artikel liet de gemachtigde van de Commissie ons bij de mondelinge behandeling een „lachzak” zien. En stellig heeft het Tribunale te Pavia gelijk wanneer het zegt dat lachapparaatjes op zichzelf als speelgoed kunnen worden gebruikt.
Als het hierbij zou blijven, zou men tot de zeer onbevredigende slotsom kunnen komen, dat telkens wanneer een douanier of een rechter in een Lid-Staat met een partij lachapparaatjes werd geconfronteerd, hij aan de hand van eventueel beschikbare aanwijzingen zou moeten beslissen of van de betrokken apparaatjes kan worden onderkend dat zij bestemd zijn voor poppen (nabootsingen van de mens) voor speelgoeddieren, voor fop- en schertsartikelen dan wel dat zij zelfstandig speelgoed zijn.
Gelukkig blijft het niet hierbij. De toelichtingen bij de nomenclatuur van Brussel, die door het Hof vaak als gezaghebbende bron bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief worden beschouwd, verklaren met betrekking tot post 97.02:
„Als delen en onderdelen van poppen kunnen worden genoemd: … stemmen voor poppen …” (in de Franse tekst wordt gesproken van „les voix et cris”).
Anderzijds bevat de in de toelichtingen opgenomen lange lijst met voorbeelden van speelgoed van post 97.03 noch trouwens de lijst met voorbeelden van fop- en schertsartikelen van post 97.05 ook maar iets dat op lachapparaatjes lijkt.
Ik concludeer dat de samenstellers van deze Toelichtingen het standpunt hebben ingenomen, dat 'stemmen voor poppen' zo al niet uitsluitend, dan toch wel hoofdzakelijk bestemd zijn voor poppen die mensen voorstellen. Dit is het standpunt dat door de Commissie wordt verdedigd. Ik zie geen reden ervan af te wijken.
Mitsdien concludeer ik dat op de vraag van het Tribunale te Pavia worde geantwoord, dat lachapparaatjes bestemd voor het gebruik in poppen die nabootsingen zijn van de mens, vallen onder post 97.02 B van het gemeenschappelijk douanetarief, ondanks het feit dat zij wellicht voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy