CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 28 OKTOBER 1976 ( 1 )
Mijne heren,
In deze zaak heeft het Finanzgericht Baden-Württemberg U om een prejudiciële beslissing verzocht. Eiseres in het hoofdgeding is de firma Milac GmbH die zichzelf groothandelaar en exporteur noemt, verweerder is het Hauptzollamt Freiburg.
In het tijdvak van 26 juni tot 14 augustus 1974 importeerde de firma Milac vier partijen ongesuikerde volle-melkpoeder — met een vetgehalte van 9,6 tot 24,4 gewichtspercenten — uit Frankrijk in Duitsland. Het douanekantoor Neuenburg-Rheinbrücke paste op deze waren tariefnummer 04.02 A II b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief toe; onder dit nummer valt melk en room, in poeder of in korrel, in verpakkingen met een netto-inhoud van meer dan 2,5 kg en met een vetgehalte van meer dan 1,5 doch niet meer dan 27 gewichtspercenten. Overeenkomstig de destijds geldende communautaire voorschriften belastte het douanekantoor de goederen met monetaire compenserende bedragen naar rato van 25,74 DM per 100 kg, verhoogd met 0,91 DM per 100 kg voor ieder procent vet per 100 kg eigen gewicht.
Ten processe betwistte eiseres de rechtsgeldigheid der aanslagen op twee alternatief voorgedragen gronden: allereerst had op de monetaire compenserende bedragen een „correctie” van 2 rekeneenheden per 100 kg moeten worden toegepast, zoals die destijds bij invoer van mageremelkpoeder uit Frankrijk in Duitsland gold, althans een gedeeltelijke correctie, evenredig aan het in volle-melkpoeder voorkomend gehalte aan mageremelkpoeder. Subsidiair betoogde zij dat de compenserende bedragen welke de Commissie destijds voor importen van volle-melkpoeder in Duitsland had voorgeschreven, ten minste 2 rekeneenheden per 100 kg te hoog waren.
Tot goed begrip van verzoeksters betoog dient eerst te worden stilgestaan bij de communautaire wetgeving inzake de gemeenschappelijke marktordening voor melk en zuivelprodukten, vervolgens bij die betreffende de berekening van monetaire compenserende bedragen over bedoelde produkten, en in de derde plaats bij de regeling volgens welke er gedurende een zekere periode (onder meer ook ten tijde van de hierbedoelde import) in de handel in magere-melkpoeder met „corrigerende bedragen” werd gewerkt.
Een kenmerkende bijzonderheid van de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten, zoals die is vastgelegd in 's Raads verordening (EEG) 804/68 van 27 juni 1968, is dat er voor een bepaald produkt, te weten melk, aan de fabriek geleverd met een vetgehalte van 3,7 %, met een uniforme richtprijs wordt gewerkt, welke richtprijs men dan tracht te realiseren door een stelsel van interventie alsmede heffingen en restituties, die niet over het basisprodukt, doch over bepaalde veredelingsprodukten worden berekend. Zo worden er krachtens artikel 5 der verordening jaarlijks interventieprijzen vastgesteld voor boter, magere-melkpoeder, Grana Padano kaas en Parmigiano Reggiano kaas. De bedoeling is duidelijk. Met de bereiding van boter — waarvan magere-melkpoeder een bijprodukt is — is veel melk gemoeid. Door de prijzen van boter en van magere-melkpoeder te subsidiëren, subsidiëert men tevens de melkprijzen. Bovendien zijn er interventieprijzen vastgesteld voor Grana Padanoen Parmigiano Reggiano kaas; daarbij zal wel in aanmerking zijn genomen dat in de gebieden waar deze Italiaanse kaas wordt aangemaakt, met die kaasbereiding meer melk gemoeid is dan met de boterproduktie.
De term „magere-melkpoeder” is in verordening 804/68 niet gedefinieerd, doch in de bijlagen van de aanvullende verordening (EEG) 1108/68 van 27 juli 1968 heeft de Commissie criteria vastgesteld waaraan magere-melkpoeder met het oog op interventiemaatregelen moest voldoen. Onder meer mocht het in zulke melkpoeder voorkomend vetgehalte ten hoogste 1,5 % bedragen. Eiseres betoogt dat hetgeen in de handel gewoonlijk „magere-melkpoeder” genoemd is, poeder is met een vetgehalte van hoogstens 1,5 % — de Commissie betoogt evenwel dat de opvatting van de handel flexibeler is —. Wat hiervan zij, een vetgehalte van 1,5 % vormt ook de grens tussen de tariefnummers 04.02 A II b) I en 04.02 A II b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief, waarin evenwel van „mageremelkpoeder” niet wordt gesproken.
Zoals U zich zult herinneren, werd het stelsel der monetaire compenserende bedragen in het leven geroepen bij 's Raads verordening (EEG) 974/71 van 12 mei 1971. Ook zult U zich ook herinneren dat de produkten waarover compenserende bedragen konden worden geheven of toegekend, in artikel 1, lid 2, der verordening, voor zover ten deze van belang, worden omschreven als „a) produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen” en „b) produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de sub a) bedoelde produkten en die … onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen”. Volle-melkpoeder is uiteraard geen produkt waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien. Zie ik het goed, dan werden op de handel in zulk poeder monetaire compenserende bedragen toegepast omdat de prijs ervan geacht werd afhankelijk te zijn van die van mageremelkpoeder en — wellicht in mindere mate — van de boterprijs.
Artikel 2 van verordening 974/71 regelt de vaststelling van deze compenserende bedragen. Lid 1 (zoals dat — voor zover ten deze van belang — bij 's Raads verordening (EEG) 1112/73 van 30 april 1973 is gewijzigd) regelt die vaststelling voor produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, dat wil zeggen voor die bedoeld in artikel 2, lid 1, sub a). Voor produkten in de zin van artikel 1, lid 2, onder b), is in artikel 2, lid 2) het volgende bepaald:
„Voor de overige in artikel 1 genoemde produkten zijn de compenserende bedragen gelijk aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserende bedrag op die prijzen van het in lid 1 bedoelde produkt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn.” (PB 1971, nr. L 106)
Voor het tijdvak van Milacs importen zijn bij (EEG) verordeningen 725/74, 1692/74 en 2038/74 der Commissie (die achtereenvolgens in de plaats zijn getreden voor deel 5 van bijlage I van verordening (EEG) 218/74 van 25 januari 1974 der Commissie), de monetaire compenserende bedragen vastgesteld, te heffen c.q. toe te kennen bij invoer uit dan wel uitvoer naar Duitsland van melkpoeder in de zin van tariefnummer €, en daarbij werd hetzelfde percentage voorzien dat in de litigieuze aanslagen is aangehouden. Zoals gezegd, werd er een basisbedrag van 25,74 DM per 100 kg berekend, vermeerderd met 0,91 DM voor ieder procent vet per 100 kg eigen gewicht.
De litigieuze „corrigerende bedragen” werden toegepast sinds 1 april 1973 (begin van het „melkjaar” 1973-1974) tot 7 oktober 1974, toen er bij wijze van uitzondering tussentijds werd overgegaan tot een algemene verhoging der landbouwprijzen (waarmede het Hof te maken kreeg in zaak 100-74 CAM t. Commissie (Jurispr. 1975, blz. 1393)).
De voorgeschiedenis van deze corrigerende bedragen was de volgende;'
Toen de Raad voor het jaar 1973-1974 de richtprijs voor melk en de daarmede samenhangende interventieprijzen had vast te stellen, heeft hij enerzijds gemeend die richtprijs te moeten verhogen en anderzijds de interventieprijs voor boter in de oorspronkelijke Lid-Staten te moeten verlagen. Dit betekende een geweldige verhoging van de interventieprijs voor magere-melkpoeder: steeg de richtprijs van 11,77 r.e. per 100 kg (op welk bedrag hij voor het vorig jaar was vastgesteld in 's Raads verordening (EEG) 647/72) tot 12,42 r.e. per 100 kg en werd de interventieprijs voor boter in de oorspronkelijke Lid-Staten van 186 r.e. per 100 kg (op welk bedrag het voor het tijdvak 15 september 1972 — 31 maart 1973 was vastgesteld in verordening 647/72) tot 176 r.e. per 100 kg verlaagd, de interventieprijs voor magere-melkpoeder steeg van 54 tot 66 r.e. per 100 kg.
Tegelijkertijd kreeg de Raad kennis te nemen van voorstellen der Commissie waarmede vooral werd beoogd de door revaluaties en devaluaties der munteenheden ontstane verschillen in de landbouwprijzen der onderscheiden Lid-Staten te verminderen en, bijgevolg, de behoefte aan monetaire compenserende bedragen te doen afnemen, zo al niet te doen verdwijnen. Deze vergaande voorstellen bleken onaanvaardbaar en in plaats daarvan werd voorgesteld de in bepaalde sectoren te verwachten aanzienlijke prijsstijgingen via „corrigerende bedragen” op te vangen in Lid-Staten met een opgewaardeerde valuta. Dit systeem werd ten slotte alleen voor mageremelkpoeder ingevoerd.
De richtprijs voor melk en de interventieprijzen voor boter, mageremelkpoeder, Grana Padano en Parmigiano Reggiano kaas werden voor 1973-1974 vastgesteld in artikel 1 van 's Raads verordening (EEG) 1188/73 van 8 mei 1973. Het „corrigerend bedrag” werd — „in afwijking van” het bepaalde in artikel 7, lid 1, van verordening 804/68 (dat maar een enkele interventieprijs voor de gehele Gemeenschap kende) — geïntroduceerd in artikel 2 der verordening, luidende als volgt:
„1. In afwijking van het bepaalde in artikel 7, lid 1, van verordening (EEG) 804/68 is de prijs waartegen de interventiebureaus van België, Duitsland, Luxemburg en Nederland magere-melkpoeder aankopen gelijk aan de interventieprijs verminderd met een corrigerend bedrag van 2 rekeneenheden per 100 kg.
2. Het in lid 1 bedoelde corrigerende bedrag wordt voor het betrokken produkt toegepast in het handelsverkeer van elk van de in lid 1 bedoelde Lid-Staten met de andere Lid-Staten en derde landen, waarbij de Staten van de Benelux als één Lid-Staat worden beschouwd.
Hiertoe worden de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid bij invoer geheven en bij uitvoer toegekende bedragen verminderd met het corrigerende bedrag.
3. De uitvoeringsbepalingen van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 30 van verordening (EEG) 804/68.” (PB 1973, nr. L 122)
Volgens artikel 30 van verordening 804/68 moet ten deze de aan Uw Hof welbekende beheerscomité-procedure worden gevolgd. Met inachtneming van deze procedure heeft de Commissie verordening (EEG) 1267/73 van 14 mei 1973 vastgesteld „houdende toepassingsmodaliteiten voor het correctiebedrag voor magere-melkpoeder”. Volgens artikel 2 dier verordening worden de overeenkomstig verordening 974/71 vastgestelde monetaire compenserende bedragen met de „in bijlage vastgestelde” bedragen verminderd. Het gaat in die bijlage om corrigerende bedragen voor twee soorten produkten: melk in poeder of in korrels, met een vetgehalte van niet meer dan 3 gewichtspercenten in de zin van nr. 04.02 A II b) van het tarief (de verwijzing naar dat tariefnummer betekent dat alleen poeder of korrels in verpakkingen met een netto-capaciteit van ten minste 2,5 kg er onder vallen) en bepaalde veevoeders in de zin van tariefnummer 23.07. Op eerstbedoelde produkten was het corrigerend bedrag volledig toepasselijk, bij de tweede groep was het percentage aan magere-melkpoeder (i.c. met een vetgehalte van minder dan 1,5 %) bepalend voor de hoogte van het corrigerend bedrag.
De wettelijke regeling inzake deze corrigerende bedragen werd een jaar later herzien. In artikel 2 van 's Raads verordening (EEG) 663/74 van 28 maart 1974 werden de richtprijs voor melk — en de daarmede samenhangende interventieprijzen — voor 1974-1975 vastgesteld. De richtprijs werd opnieuw — en wel van 12,42 tot 13,41 r.e. per 100 kg — verhoogd, de interventieprijs voor boter in de oorspronkelijke Lid-Staten bleef 176 r.e., doch de interventieprijs voor magere-melkpoeder werd van 66 tot 79 r.e. per 100 kg verhoogd. Bij artikel 3 van deze verordening werd het door mij voorgelezen artikel 2 van verordening 1188/73 gewijzigd en krachtens dit artikel 3 werd voor de Commissie verordening (EEG) 712/74 van 29 maart 1974 vastgesteld, in welker bijlage met het oog op de „corrigerende bedragen” dezelfde twee groepen worden genoemd als in de bijlage bij verordening 1267/73 van de Commissie.
Het Finanzgericht stelt het Hof twee vragen, waarin beide voormelde fundamentele stellingen van eiseres tot uitdrukking komen. Zij luiden als volgt:
„1.
Moeten op de compenserende bedragen bedoeld in artikel 1 van verordening (EEG) nr. 974/71 juncto artikel 1 van verordening (EEG) nr. 218/74, bijlage I, Deel II, zoals dat is komen te luiden ingevolge verordening (EEG) nr. 725/74, met betrekking tot melkpoeder in de zin van post 04.02 A II b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief ook ten hoogste twee rekeneenheden in mindering worden gebracht wanneer het vetgehalte meer dan drie gewichtspercenten bedraagt en de overige in verordening (EEG) nr. 712/74 gestelde voorwaarden zijn vervuld?
2.
Waren de in vraag 1 genoemde compenserende bedragen, bedoeld in verordening (EEG) nr. 725/74, in het tijdvak van 25 juni tot 15 augustus 1974 met het basisvoorschrift in overeenstemming?”
Eigenlijk hadden in deze vraag de verordeningen 1692/74 en 2038/74, alsook verordening 725/74, moeten worden aangehaald, maar dat is niet belangrijk.
Haar standpunt bepalend met betrekking tot de eerste vraag, heeft eiseres er met name op gewezen dat de Commissie in artikel 3 van verordening 663/74, indien op de juiste wijze uitgelegd, wordt gemachtigd ook voor andere produkten dan magere-melkpoeder „corrigerende bedragen” vast te stellen en dat de Commissie onrechtmatig zou hebben gehandeld door van die machtiging voor vollemelkpoeder geen gebruik te maken. Subsidiair betoogt zij dat artikel 3 van verordening 663/74 zelf onrechtmatig zou zijn indien de Commissie daarin niet tot het vaststellen van zulke corrigerende bedragen mocht zijn gemachtigd.
Zij baseert zich daarbij op de stelling dat de door de „corrigerende bedragen” teweeggebrachte prijsverlaging op de Duitse en Beneluxmarkten voor mageremelkpoeder, vergeleken met die op de Franse markt, de concurrentie op de vroegere markten voor volle-melkpoeder ongunstig heeft beïnvloed. Het kwam haar afnemers van volle-melkpoeder (grotendeels fabrikanten van chocolade, consumptieijs en babyvoeding) voordeliger uit gebruik te maken van mageremelkpoeder, vermengd met gesmolten boter, welk laatste produkt door de betrekkelijk lage interventieprijs van boter ook vrij voordelig verkrijgbaar was. Tot staving van haar betoog heeft eiseres tal van statistieken en andere gegevens overgelegd, vooral ook statistieken die een daling van de Duitse importen van vollemelkpoeder uit Frankrijk te zien geven.
De Commissie betwist deze voorstelling van zaken: het verlagend effect der corrigerende bedragen, zoals dat in de prijzen van magere-melkpoeder op de Duitse en de Beneluxmarkt tot uitdrukking kwam, was te gering om de mededinging in volle-melkpoeder op deze markten merkbaar te doen verflauwen; de daling van de Duitse importen van Franse vollemelkpoeder moet aan andere oorzaken worden toegeschreven. In haar schriftelijke opmerkingen heeft de Commissie — tot staving van haar zienswijze — bewijs door deskundige aangeboden.
Gekomen aan het einde van de schriftelijke behandeling heeft het Hof een beslissing nopens preparatoire maatregelen betreffende dit feitelijk punt van geschil aangehouden totdat partijen aangaande het rechtspunt zouden zijn gehoord — ten einde alsdan te beslissen of het punt terzake dienende is —.
Ik ben tot de slotsom gekomen dat dit niet het geval is. Ook al mochten de feiten zich hebben toegedragen zoals eiseres stelt, dan nog moet haar betoog mijns inziens worden verworpen.
Eiseres stelt zich te beroepen op twee hogere voorschriften van gemeenschapsrecht.
1.
Artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag, voorzover daarin binnen de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten „elke discriminatie tussen producent en verbruikers van de Gemeenschap” wordt verboden, alsook:
2.
„het beginsel van gelijke behandeling”.
Het lijdt geen twijfel, mijne heren, dat het „principle of equality of treatment”, zoals ik het liever in het Engels noem, het beginsel dat men billijk moet worden behandeld, in het gemeenschapsrecht erkend is. Het is met name toegepast in ambtenarenzaken (vgl. zaak 48-70 Bernardi t. Parlement (Jurispr. 1971, blz. 185). Ik geloof echter dat het, in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten, naast of nevens de uitdrukkelijke non-discriminatie-clausule van artikel 40, lid 3, van het Verdrag, geen toepassing kan vinden. Het is slechts een algemeen beginsel dat, in bedoeld kader, een bijzondere, specifieke, uitwerking krijgt. En geen van de door eiseresse genoemde autoriteiten heeft het anders bedoeld. Aan 's Hofs arresten in de zaken 153-73 Holtz en Willemsen t. Raad en Commissie, (Jurispr. 1974, blz. 675) en 51-74 van Hulst t. Produktschap voor Siergewassen (Jurispr. 1975, blz. 79) is, voorzover ten deze van belang, uitsluitend artikel 40, lid 3, ten grondslag gelegd, terwijl de arresten 34-70 SNC t. CNC (Jurispr. 1970, blz. 1233) en 31-74 Galli (Jurispr. 1975, blz. 47) op geheel andere overwegingen berustten.
Het gaat er daarom mijns inziens alleen maar om of de volgens eiseres niet rechtsgeldige maatregelen met artikel 40, lid 3, van het Verdrag verenigbaar zijn.
Daarmede ben ik toegekomen aan eiseresses stelling dat de Commissie in artikel 3 van verordening nr. 663/74 zou zijn gemachtigd voor andere produkten dan magere-melkpoeder corrigerende bedragen vast te stellen.
Mijns inziens is dat niet het geval. Het lijkt mij uit taalkundig oogpunt volkomen duidelijk dat met de in lid 2 van het artikel voorkomende woorden „het betrokken produkt” gedoeld wordt op een produkt in de zin van het eerste lid, te weten „magere-melkpoeder” en op niets anders. Dit blijkt ook bij lezing van de desbetreffende overwegingen van de considerans van de verordening. Daarin wordt slechts het volgende gezegd:
„… dat de bijzondere situatie in bepaalde Lid-Staten het momenteel niet mogelijk maakt voor magere-melkpoeder een uniforme interventieprijs toe te passen; dat het derhalve noodzakelijk is op die prijs een correctie aan te brengen; … dat de bestaande prijsverschillen in het handelsverkeer van magere-melkpoeder moeten worden gecompenseerd om te bereiken dat bovenbedoelde correctie haar weerslag vindt in de marktprijzen in de betrokken Lid-Staten zonder evenwel tot concurrentiedistorsies te leiden.” (PB 1974, nr. L 85).
Lezing van artikel 3 in de verschillende talen der Gemeenschap leidt ook niet tot een andere conclusie.
De Commissie betoogt dat ook vergelijking van de tekst van een ongepubliceerd gebleven voorontwerp van verordening 663/74 (bijlage II (a) bij de opmerkingen der Commissie) en de definitieve tekst dier verordening tot de slotsom leiden dat artikel 3 alleen voor mageremelkpoeder geldt. Mijnerzijds betwijfel ik of het wel ooit aanbeveling verdient bij de uitlegging van een verordening van de Raad met de „travaux préparatoires” te rade te gaan. Het is best mogelijk dat de leden van de Raad het over een tekst eens worden zonder er dezelfde betekenis aan te hechten. Maar ik meen dat deze vraag thans geen bespreking behoeft omdat er, hoe het antwoord ook moge uitvallen, mijns inziens in geen geval met ongepubliceerd gebleven stukken mag worden gewerkt. Indien en voorzover ze er bij de uitlegging van verordeningen der Gemeenschap op na moeten worden geslagen, behoren ze ook voor iedereen, en wel in de eerste plaats voor rechtsbeoefenaren en rechterlijke instanties in de Lid-Staten, toegankelijk te zijn.
Wanneer mijn zienswijze met betrekking tot verordening 663/74 de juiste is, rijst vervolgens de vraag of de Raad artikel 40, lid 3, van het Verdrag heeft geschonden door de Commissie niet te machtigen voor andere produkten dan mageremelkpoeder „corrigerende bedragen” vast te stellen.
Wie met betrekking tot deze vraag zijn gedachten wil bepalen, doet er mijns inziens goed aan te bedenken dat het verbod van artikel 40, lid 3, tegen discriminatie tussen „producenten” of „verbruikers” binnen de Gemeenschap gericht is. Artikel 40, lid 3, verbiedt de Raad niet een beleid te volgen dat een ongelijke behandeling van verschillende produkten als zodanig medebrengt. Ware dit wel zo, dan zou de communautaire landbouw-wetgeving goeddeels niet rechtsgeldig zijn. Om met haar stelling het gelijk aan haar zijde te krijgen, moet eiseres niet alleen aantonen dat magere-melkpoeder en volle-melkpoeder in artikel 3 van verordening 663/74 verschillend worden behandeld, doch ook dat zo'n ongelijke behandeling discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap behelst. Ik zie in dit verband niet voorbij aan het onlangs door het Hof gewezen arrest 95-74 EFFEM t. Hauptzollamt Lüneburg (Jurispr. 1976, blz. 361), dat misschien op het eerste gezicht met mijn standpunt niet te verenigen lijkt. Aan die uitspraak lag echter de overweging ten grondslag dat de Commissie met een juiste toepassing van artikel 14 van s Raads verordening 120/67/EEG — volgens hetwelk voor alle onder die bepaling vallende produkten passende heffingen moeten worden vastgesteld — in gebreke was gebleven. Artikel 40, lid 3, van het Verdrag was niet in het geding.
Eiseres legde in haar redenering alle nadruk op het feit dat volle-melkpoeder en magere-melkpoeder niet op dezelfde wijze waren behandeld, hetgeen haars inziens tot ontwrichting van de mededinging tussen deze beide produkten had geleid. Zij heeft niet in ernst getracht aan te tonen dat zulks tot discriminatie tussen bepaalde producenten of bepaalde consumenten in de Gemeenschap geleid heeft. Zij kwam nog het dichtst in de buurt van zulk een bewijsvoering, toen zij uiting gaf aan de veronderstelling dat volle-melkpoeder in België, Nederland of Duitsland ongeveer 2 rekeneenheden per 100 kg goedkoper te betrekken was dan in Frankrijk. Dit was echter een puur theoretische opvatting, ontleend aan de tekst der wettelijke regelingen en niet berustend op vergelijking van aan de feitelijke wisselkoersen getoetste werkelijke marktprijzen. Voorts gaf zij te kennen dat handelaren in haar positie bij verkoop van uit Frankrijk geïmporteerde vollemelkpoeder in het nadeel zouden zijn. Zij werkt dat echter niet nader uit. En wij missen iedere indicatie dat zulke handelaren niet op de import van vollemelkpoeder uit België of Nederland dan wel op de import van mageremelkpoeder uit Frankrijk konden „overstappen”.
Ofschoon eiseres het punt niet ter sprake heeft gebracht zou er, indien zij met betrekking tot de feiten het gelijk aan haar zijde had, van „discriminatie” tussen Franse producenten van vollemelkpoeder onderscheidelijk mageremelkpoeder moeten worden gesproken, in die zin dat voor beide produkten een ongelijke behandeling was weggelegd. Ik wil niet zover gaan te beweren dat zulk een discriminatie nimmer onder het verbod van artikel 40, lid 3, zou kunnen vallen. Ingeval van willekeur zou dat stellig wel het geval zijn. Maar niemand heeft dit aspect in zijn overwegingen betrokken, ook eiseres niet, zodat ik meen er niet verder op te moeten ingaan.
Mijn slotsom luidt dat het Hof artikel 3 van verordening 663/74 geenszins onrechtmatig zal kunnen verklaren.
Ofschoon dit punt, naar ik meen, de zaak niet rechtstreeks raakt, meen ik er goed aan te doen op te merken dat ik niet wil meegaan met eiseresses stelling dat de Commissie niet consequent zou hebben gehandeld door voor melkpoeder met een vetgehalte tot 3 % en voor veevoeder waarin magere-melkpoeder is verwerkt wel corrigerende bedragen vast te stellen, doch er bij volle-melkpoeder niet van te willen weten.
Ik geloof niet dat de Commissie, uitvoering gevende aan artikel 3 van verordening 663/74, gebonden was aan een vroeger in ander verband gegeven definitie van magere-melkpoeder — dat is aan de 1,5 procentsgrens —. Ook komt het mij voor dat de Commissie ten gunste van een hogere limiet — 3 % — goede gronden heeft aangevoerd. Zou het latere percentage zijn aangehouden, dan hadden exporteurs van melkpoeder uit landen met opgewaardeerde valuta via een geringe verhoging van het in zulk poeder voorkomend vetgehalte, tot bij voorbeeld 1,6 %, zichzelf een aanspraak op hogere monetaire compenserende bedragen kunnen verschaffen.
En wat het hierbedoelde veevoeder betreft: het lijkt volkomen in orde dat men de erin voorkomende magere-melkpoeder ook als zodanig heeft willen beschouwen. Volle-melkpoeder is een heel ander produkt. Het wordt, meen ik, althans in de regel niet door vermenging van magere-melkpoeder met een ander produkt, doch door het indrogen van volle melk verkregen.
Hiermede ben ik toegekomen aan de tweede vraag van het Finanzgericht, die gebaseerd is op eiseresses tweede grief: de Commissie zou in haar verordeningen 725/74, 1692/74 en 2038/74 voor volle-melkpoeder te hoge monetaire compenserende bedragen hebben vastgesteld.
Zij ontwikkelt tegen het niveau dier bedragen twee bezwaren, waarvan het ene van verdergaande strekking is dan het andere.
Het meest vergaande bezwaar houdt in dat de aan de grenzen van de Bondsrepubliek Duitsland geldende monetaire compenserende bedragen van de aanvang af op een te hoog niveau zouden zijn vastgesteld en alsnog zouden moeten worden verlaagd. Zij beroept zich in zoverre op de opvattingen van — onder meer — bepaalde Duitse deskundigen. Het is best mogelijk dat eiseres gelijk heeft, maar haar stelling is vervat in zo algemene bewoordingen, dat er geen middel in te lezen valt.
Het minder algemeen luidende bezwaar is, als ik het goed zie, daarin gelegen dat toen de Raad eenmaal in zijn verordening 663/74 voor magere-melkpoeder in Duitsland en de Beneluxlanden enerzijds en de andere Lid-Staten anderzijds verschillende interventieprijzen had vastgesteld, dat verschil, met name gezien de artikelen 1, lid 2, en 2, lid 2, van verordening 974/71, tot uitdrukking had moeten komen in de monetaire compenserende bedragen voor produkten welker prijzen van de prijs van volle-melkpoeder „afhingen”, volle melk daaronder begrepen.
De Commissie heeft hierop geantwoord dat de Raad in verordening 663/74 opzettelijk geen „verschillende interventieprijzen” voor magere-melkpoeder had vastgesteld. Hij opteerde voor een enkele interventieprijs en introduceerde daarnevens een voor de Benelux en Duitsland geldend stelsel van „corrigerende bedragen”. De Commissie zou dus in strijd met de bedoelingen van de Raad hebben gehandeld door de corrigerende bedragen in aanmerking te nemen bij vaststelling van de monetaire compenserende bedragen voor produkten welker prijzen van de interventieprijs voor mageremelkpoeder afhankelijk zijn.
Toegegeven: het zijn erg subtiele argumenten. Maar uiteindelijk zal ter oplossing van het probleem in 's Raads desbetreffende wettelijke regelingen moeten worden gezocht naar hetgeen in objectieve zin als de oorspronkelijke bedoeling der auteurs is te beschouwen, en ik ben het met de Commissie eens dat de bedoeling verschillen tussen de werkelijke interventieprijzen voor magere-melkpoeder in de Benelux en in Duitsland enerzijds en in de andere Lid-Staten an derzijds te doen doorwerken in de monetaire compenserende bedragen voor — laat ons zeggen — „afhankelijke produkten” tot een andere redactie van verordening 663/74 zou hebben geleid.
Ik geef Uw Hof dan ook in overweging de vragen van het Finanzgericht als volgt te beantwoorden:
1.
Op monetaire compenserende bedragen welke tussen 25 juni en 15 augustus 1974 krachtens verordeningen (EEG) 974/71 en 218/74 (zoals gewijzigd) hebben gegolden voor melkpoeder als bedoeld in tariefnummer 04.02 A II b) 2 van het gemeenschappelijk douanetarief, behoefde in geval van een hoger vetgehalte dan 3 gewichtspercenten geen correctie te worden toegepast als bedoeld in verordening (EEG) 712/74;
2.
Bij onderzoek naar de tweede vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden welke aan de rechtsgeldigheid der voor die monetaire compenserende bedragen vastgestelde percentages afbreuk kunnen doen.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy