CÓNCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 30 MAART 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het onderhavige beroep, dat mevrouw Hebrant, geboren Macevicius, op 24 maart 1976 heeft ingesteld tegen het Europese Parlement, is het logische en overigens voorzienbare gevolg van een eerder geschil tussen dezelfde partijen, waarover de Tweede Kamer van het Hof zich vorig jaar heeft uitgesproken.
Verzoekster, ambtenaar van de rang A 4, was bibliothecaresse bij het Directoraat-generaal Onderzoek en Documentatie, dat sedert 1973 wordt geleid door een Britse ambtenaar met de titel directeur-generaal, de heer Taylor, op wiens voorstel het Bureau van het Parlement in september 1974 besloot de parlementsbibliotheek grondig te reorganiseren. Deze reorganisatie bestond met name hierin dat naast het analytische systeem dat tot dan toe alleen was gevolgd voor de samenstelling van de catalogus, tevens een decimale classificatie werd ingevoerd voor werken, tijdschriftartikelen en andere documenten bij de bibliotheek van het Parlement.
Als tegenstandster van deze reorganisatie, die zij ongewenst en onnodig vond, werd mevrouw Hebrant, die zichzelf als enige verantwoordelijke persoon voor de opstelling en de controle van de catalogus beschouwde, niet de geschikte persoon geacht om de reorganisatie tot stand te rengen.
Deze taak werd toevertrouwd aan een werkgroep onder voorzitterschap van een ambtenaar van Britse nationaliteit, de heer Reid, die begin 1974 als tijdelijk functionaris in de rang A 5 was aangeworven. Verder bevatte de groep vier andere personeelsleden, eveneens van lagere rang dan verzoekster.
Laatstgenoemde voelde zich gegriefd door dit besluit dat zij als een verkorting van haar bevoegdheden beschouwde, en diende op 22 december 1974 een administratieve klacht in tot intrekking van de benoeming van de heer Reid. Nadat de voorzitter van het Parlement deze klacht uitdrukkelijk had afgewezen, stelde mevrouw Hebrant een eerste beroep in (zaak 66/75) zowel tot nietigverklaring van de benoeming van de heer Reid als tot vaststelling dat het Parlement in gebreke was gebleven door haar klacht niet in aanmerking te nemen.
Bij arrest van 20 mei 1976, heeft de Tweede Kamer het beroep, gericht tegen een „handeling die onder de interne organisatiebevoegdheid van de verwerende instelling valt in zoverre deze handeling, zoals verzoekster beweert, de krachtens de artikelen 5 en 7 van het Statuut aan haar toekomende rechten kon aantasten hetgeen tot gevolg had, dat zij werd ontheven van de functies die overeenkwamen met haar ambt en rang”, weliswaar ontvankelijk geoordeeld doch verworpen op grond „dat uit al deze elementen (uit het dossier) die van latere datum zijn dan de benoeming van de heer Reid tot reorganisator van de bibliotheek, volgt, dat niets de stelling wettigt dat als gevolg van deze handeling verzoeksters werkzaamheid zozeer is teruggebracht dat haar bevoegdheden onder het niveau blijven van een in de rang A 4 ingedeelde hoofdadministrateur”.
In mijn conclusie in die zaak had ik erop gewezen dat het persoonsdossier van mevrouw Hebrant destijds geen enkel beoordelingsrapport over de jaren 1973-1974 bevatte. Pas in antwoord op vragen van het Hof heeft het Parlement uiteindelijk dit toen nog niet door de secretarisgeneraal van die instelling ondertekende beoordelingsrapport overgelegd.
Mevrouw Hebrant vordert thans met haar onderhavige beroep nietigverklaring van dit beoordelingsrapport en verwijdering ervan uit haar persoonsdossier alsmede veroordeling van het Europese Parlement tot betaling van een symbolische schadevergoeding van één frank wegens de morele schade, welke zij zegt te hebben geleden door die uitzonderlijk strenge beoordelingen in het rapport.
Dit ontwerp-beoordelingsrapport dat was opgesteld door de bevoegde autoriteit, te weten haar directeur-generaal, de heer Taylor, was uiterlijk op 24 april 1975 te harer kennis gebracht met het verzoek het rapport te ondertekenen en met haar eventuele opmerkingen terug te zenden aan de voor de beoordeling verantwoordelijke directeur.
Dit ontwerp bevatte voor bekwaamheid de gemiddelde waardering „goed”. Zowel voor „prestaties” als voor „gedrag in de dienst” werd verzoekster echter onvoldoende geoordeeld. Deze waarderingen werden gemotiveerd met de volgende overwegingen:
—
verzoekster zou bij haar werk zijn tekortgeschoten in verantwoordelijkheidsgevoel en in bepaalde opzichten zou dit werk onbevredigend zijn geweest;
—
haar gedrag in de dienst zou hebben getuigd van onvoldoende goede wil om met haar collega's samen te werken.
Deze aanmerkingen worden herhaald en samengevat in de slotwaardering van het rapport: mevrouw Hebrant zou bij voortduring tekort schieten in het verantwoordelijkheidsgevoel dat normaliter is te verwachten van een ambtenaar van haar anciënniteit, en blijk geven van een stelselmatige tegenwerking. Deze houding was eens te meer betreurenswaardig, daar belanghebbende duidelijk in staat was tot waardevol werk.
Deze beoordeling, die zeer ongunstig is, daar de term „onvoldoende” — zowel voor de prestaties als voor het gedrag in de dienst — de strengste is in de beoordelingsschaal, bevestigt de geleidelijke doch zeer duidelijk aflopende lijn, waarvan het oordeel van de bevoegde autoriteit over de beroepscapaciteit van mevrouw Hebrant getuigt.
Ter vergelijking dient het beoordelingsrapport 1971-1972 dat weliswaar verzoeksters bekwaamheid als „goed” aanmerkt doch reeds vermeldt dat de arbeidsprestatie slechts „redelijk goed” was, en de volgende conclusie van de beoordelaar bevat:
„Mevrouw Hebrant levert nog steeds bepaalde prestaties die niet zonder waarde zijn, maar niet voldoende beantwoorden aan hetgeen mag worden verwacht van de voor de bibliotheek rechtstreeks verantwoordelijke persoon.”
De tekortkomingen in het werk van verzoekster kwamen dus reeds toen tot uitdrukking, zij het in mildere termen dan in de beoordeling van de twee volgende jaren.
Mevrouw Hebrant heeft de gestrengheid van haar laatste beoordeling geweten aan de persoonlijke vijandigheid van haar nieuwe directeur, de heer Taylor, jegens haar.
Na in een „commentaar op de beoordeling door de heer Taylor” en in een „nota over het bevorderingsrapport” kennis te hebben gegeven van haar opmerkingen, waarin zij de directeur-generaal, die zij een leek in blibliotheekzaken noemt, de bedoeling verwijt haar uit haar ambt te drukken teneinde daarin een landgenoot te benoemen, die volgens mevrouw Hebrant van alle vakbekwaamheid is gespeend, heeft verzoekster op 7 oktober 1975 krachtens artikel 90 van het Statuut een klacht ingediend bij de voorzitter van het Parlement.
Tegen diens stilzwijgende afwijzing komt zij thans bij het Hof in beroep.
Deze zaak vertoont enige overeenkomst met de zaak 122/75, Berthold Küster t. Europees Parlement, waarin U op 25 november 1976 uitspraak hebt gedaan.
Om te beginnen worden ook hier door de verwerende instelling ontvankelijkheidsvragen opgeworpen, die enerzijds betrekking hebben op de aard van het bestreden besluit en anderzijds op de laattijdigheid van de administratieve klacht van mevrouw Hebrant.
Het Parlement betoogt ten eerste dat de tweejaarlijkse beoordelingsrapporten, die krachtens artikel 43 van het Statuut dienen te worden opgesteld, niet vatbaar zijn voor een beroep tot nietigverklaring; het gaat hier om zuiver voorbereidende handelingen die slechts een waarderingselement bij latere besluiten inzake de loopbaan der ambtenaren vormen en hen derhalve niet rechtstreeks kunnen bezwaren.
Het klachtrecht van de ambtenaren tegen hun beoordelingsrapport zou zijn uitgeput, wanneer zij gebruik hebben gemaakt van hun mogelijkheid om opmerkingen te maken over de in het rapport vervatte waarderingen.
Dit betoog wordt afgewezen in Uw arrest-Küster, dat overigens de opvatting weerspiegelt, die door de administratieve rechtspraak van verschillende Lid-Staten ten deze wordt gehuldigd.
In Frankrijk was de Conseil d'État aanvankelijk van oordeel dat een beroep tot nietigverklaring niet kan worden ingesteld tegen beoordelingsrapporten als interne maatregelen (arrest De Meyer, 1 december 1950, Lebon, blz. 594), of, sedert 1953, als voorbereidende maatregelen waarvan de gebreken slechts kunnen worden aangevoerd ter ondersteuning van beroepen tegen besluiten die de loopbaan betreffen en zijn genomen aan de hand van deze beoordelingen (arrest Martin van 20 maart 1953, Lebon, blz. 140).
Doch de Conseil d'État is hiervan teruggekomen en erkent sinds het beginselarrest-Camara (Afdeling Contentieux, 23 november 1962, Lebon, blz. 627) nog bevestigd door het arrest-Vanesse (22 november 1963, Lebon blz. 577), dat „rapporten en beoordelingen van het hiërarchieke gezag over ambtenaren behoren tot de handelen waarover bij de administratieve rechter kan worden geklaagd met een beroep wegens overschrijding van bevoegdheid”.
In Italië stelt artikel 54 van het ambtenarenstatuut een hiërarchiek beroep tegen jaarlijkse beoordelingsrapporten open bij de „Raad van Administratie” die over een zeer ruime herzieningsbevoegdheid beschikt en, zelfs ambtshalve, onregelmatigheden in beoordelingsrapporten kan wraken. Bij de Raad van State kan alleen beroep worden ingesteld over de rechtmatigheid van de beoordeling, doch de administratieve rechter kan bij overschrijding van bevoegdheid de beoordeling van de administratie over het dienstoptreden van de ambtenaar toetsen.
In het Duitse recht kan volgens de rechtspraak van het Bundesverwaltungsgericht weliswaar tegen beoordelingsrapporten zelf geen rechtstreeks beroep tot nietigverklaring worden ingesteld (arrest van 9 november 1967, Vol. 28, blz. 191), doch het besluit van het hiërarchieke gezag kan op een verzoek tot herziening of wijziging van een beoordelingsrapport worden bestreden voor de administratieve rechter.
In het Belgische recht staat een beroep tot herziening van de beoordeling van de ambtenaar open voor een departementale of interdepartementale kamer van herziening, waarna van het besluit van de minister, genomen op advies van de bevoegde kamer van herziening, beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan worden ingesteld.
Een geheel ander systeem bestaat in het Verenigd Koninkrijk waar beoordelingen over Britse „civil servants” worden beschouwd als zuiver interne maatregelen waartegen geen enkel beroep mogelijk is. Er is dan ook geen jurisprudentie over dit onderwerp.
Voor ambtenaren van de Gemeenschappen hebt U in aansluiting op de conclusie van advocaat-generaal Reischl beroepen tot nietigverklaring van de in artikel 43 van het Statuut bedoelde tweejaarlijkse beoordelingsrapporten ontvankelijk verklaard; deze rapporten die binnen de instellingen door het met beoordelingsbevoegdheid beklede gezag dienen te worden opgesteld, vormen derhalve een verplichting voor dit gezag en hebben een zeker en zelfs duidelijk gewicht voor de ontwikkeling van de loopbaan van de ambtenaren, met name bij eventuele bevorderingen of bij deelneming aan vergelijkende onderzoeken als bedoeld in artikel 29 van het Statuut.
Wij scharen ons des te gereder achter deze oplossing, daar zij aansluit bij de meest ontwikkelde stand van het recht in de Lid-Staten.
Als tweede grond van niet-ontvankelijkheid voert het Parlement termijnoverschrijding aan, daar verzoekster die uiterlijk 24 april 1975 in kennis was gesteld van het beoordelingsrapport over de jaren 1973-1974, haar administratieve klacht pas heeft ingediend op 7 oktober daaraanvolgend, dus na afloop van de in artikel 90, lid 2, van het Statuut gestelde termijn van drie maanden.
Het beroep zou derhalve tardief zijn en bijgevolg, wegens strijd met de voorschriften van artikel 91, lid 2, niet-ontvankelijk.
Deze tweede grond kan echter niet worden aanvaard.
In hetzelfde arrest Küster hebt U immers overwogen dat een beoordelingsrapport pas definitief wordt, nadat het voor gezien is mede-ondertekend door de secretaris-generaal van het Parlement, zulks ingevolge artikel 2, laatste alinea, van de algemene bepalingen die door deze instelling zijn vastgesteld ter uitvoering van artikel 43 van het Statuut (document PE 16.808 — dienstnota 66/19 van 21 december 1966).
Derhalve kan het op 24 maart 1976 ingestelde beroep in rechte niet als tardief worden beschouwd. Vaststaat immers dat het litigieuze beoordelingsrapport pas op 19 oktober 1976 door de secretarisgeneraal is geviseerd.
Moet het beroep nu prematuur worden verklaard?
Ik meen van niet. De verwerende instelling wil ook niet zover gaan. Bovendien heeft zij zich in haar verweerschrift ook wel degelijk ingelaten met de gegrondheid van het beroep en zich daarmee in foro vastgelegd.
Het beoordelinsrapport dat na de ondertekening door de secretaris-generaal definitief is geworden en aan verzoekster kan worden tegengeworpen, is derhalve vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring.
Met betrekking tot de zaak ten gronde doen zich twee mogelijkheden voor:
—
Ofwel zou ik U, na bestudering van de door mevrouw Hebrant aangevoerde middelen ten gronde willen voorstellen het beroep te verwerpen gezien de nauwe grenzen die naar mijn mening aan Uw toetsingsbevoegdheid in beoordelingszaken zijn gesteld;
—
Ofwel zou de aanzienlijke en naar mijn mening ongerechtvaardigde en onrechtmatige vertraging waarmee de secretarisgeneraal van het Parlement het litigieuze rapport heeft geviseerd, zijn te beschouwen als een elementaire onregelmatigheid op zichzelf, die de gehele beoordelingsprocedure, zoals voorgeschreven in artikel 43 van het Statuut en in de dienstnota van het Parlement van 1966, met nietigheid bedreigt.
Laten wij eerst ingaan op de eerste mogelijkheid.
Overeenkomstig algemeen aanvaarde beginselen in de meeste wetgevingen en nationale rechterlijke uitspraken hebt U in genoemd arrest-Küster (zaak 122/75) te kennen gegeven dat U slechts bevoegd bent een beoordelingsrapport nietig te verklaren, indien zich bij de vaststelling ervan kennelijke vorm- of procedurefouten hebben voorgedaan of het rapport op duidelijk onjuiste feiten is gebaseerd of uit het dossier blijkt van misbruik van bevoegdheid.
Met andere woorden: U acht zich niet bevoegd Uw eigen beoordeling over het dienstgedrag van een ambtenaar in de plaats te stellen van die van het administratieve gezag, dat is aangewezen om de hiërarchieke beoordelingsbevoegdheid uit te oefenen of de beoordelingselementen op hun juistheid te toetsen.
Een soortgelijke begrenzing is in de meeste nationale wetgevingen te vinden.
In Duitsland is de rechterlijke toetsing ten deze beperkt tot de vaststelling van kennelijke feitelijke onjuistheden, van miskenning van algemene beoordelingsregels en van misbruik van bevoegdheid (Bundesverwaltungsgericht, arrest van 13 mei 1965, Vol. 21, blz. 127).
Deze beperkende opvatting laat zich verklaren uit het subjectieve en persoonlijke karakter van het oordeel der beoordelaars. Daarom verwerpt het Bundesverwaltungsgericht het somtijds aangevoerde middel, dat de over een ambtenaar uitgebrachte successieve beoordelingen uiteenlopen met de wisseling van de persoon van de beoordelaar.
Evenzo is volgens de Belgische Raad van State (arrest Dubart van 27 januari 1966, Pasycrisie 1966, deel IV, blz. 90) de administratieve rechter niet bevoegd om in de plaats te treden van het beoordelend gezag bij de waardering van feiten die een ambtenaar worden verweten; zijn bevoegdheid gaat niet verder dan de controle of dit gezag aan de betrokken regels een uitleg heeft gegeven die overeenkomt met de bedoeling van de wetgever. Anders gezegd, kunnen alleen dwalingen rechtens of een juridisch onjuiste motivering ten toets komen.
In Frankrijk laat de Conseil d'État zich niet in met de waardering door de hoger geplaatste, dat wil zeggen het beoordelend gezag, blijkens een arrest van 19 november 1971 (Ministère de la Santé tegen Delle Bruguière, Lebon blz. 692). Hij onderzocht slechts vorm- of procedurefouten bij niet nakoming of onregelmatige uitvoering van wezenlijke vormvoorschriften (genoemd arrest Vanesse), de materiële onjuistheid van feiten waarop de beoordelingen zijn gebaseerd (arrest Massoni van 4 februari 1955, Lebon blz. 71), kennelijke rechtsdwalingen in het beoordelingsrapport (arrest Assemblée Plénière Volff en Exertiers) en ten slotte misbruik van bevoegdheid, met name politieke invloed op de beoordeling (genoemd arrest Camara).
Het Italiaanse recht gaat in dezelfde richting, behalve dat het nog strikter is in de toelating van middelen voor een beroep tot nietigverklaring wegens overschrijding van bevoegdheid.
Rekening houdend met de grenzen die U zelf hebt gesteld aan het bereik van Uw rechtmatigheidstoetsing van beoordelingsrapporten, komen mij de ten gronde aangevoerde middelen niet aannemelijk voor.
Verzoekster stelt misbruik van bevoegdheid in zoverre het beoordelingsrapport zou zijn opgemaakt door dezelfde persoon tegen wie zij reeds haar administratieve klacht had ingediend in de voorgaande zaak 66/75. De beoordelaar zou zowel rechter als partij zijn. Dit houdt in dat de persoonlijke naijver, waarvan hij jegens verzoekster zou hebben getuigd door haar niet met de reorganisatie van de bibliotheek te belasten en haar werkzaamheden op een lager niveau te brengen, althans te reduceren in vergelijking tot hetgeen zij voorheen deed, ten gronde zou liggen aan het misbruik van bevoegdheid.
Dit eerste middel kan niet slagen. Het misbruik van bevoegdheid moet duidelijk blijken uit de gedingstukken, hetgeen hier niet het geval is. Dat er tussen verzoekster en haar nieuwe directeur-generaal, de heer Taylor, wrijvingen zijn geweest, valt niet te betwisten. Maar er is onzes inziens geen enkel doorslaggevend element waaruit blijkt dat de heer Taylor de opstelling van het beoordelingsrapport 1973-1974 als gelegenheid heeft aangegrepen om een persoonlijke vijandschap jegens mevrouw Hebrant uit te vechten. De haar gegeven waarderingen zijn ongetwijfeld kras, om niet te zeggen uitzonderlijk streng. Niets doet echter vermoeden dat hij de bedoeling had verzoekster in een hoek te drukken en haar dwingen haar taken in de bibliotheek op te geven, om haar door één zijner landgenoten te doen vervangen.
Trouwens de verschillende dossierstukken en met name de vorige beoordelingsrapporten, evenals de scherpe en zelfs onheuse opmerkingen en uitlatingen van mevrouw Hebrant tegenover haar chef getuigen er omgekeerd van dat zij blijk heeft gegeven van zeer weinig tegemoetkomendheid en zelfs van kwade wil om zich naar de haar gegeven dienstaanwijzingen te voegen.
Zo gezien, kan men niet zeggen dat de beoordelingen die over haar zijn uitgebracht, op kennelijk onjuiste feiten berusten.
Uit het gehele dossier krijgt men integendeel de indruk dat mevrouw Hebrant zich in zichzelf heeft teruggetrokken en welbewust een niet-coöperatieve houding heeft willen aannemen.
Het tweede aangevoerde middel heeft betrekking op de tegenstrijdigheid die uit het beoordelingsrapport zou blijken, waar dit concludeert tot de ontoereikendheid of zelfs onbekwaamheid van verzoekster, terwijl men haar anderzijds belangrijke taken bleef toevertrouwen.
Tegenstrijdig zijn mijns inziens echter veeleer de opeenvolgende stellingen van mevrouw Hebrant, die ter ondersteuning van haar eerste beroep (zaak 66/75) aanvoerde dat haar taken waren gereduceerd en dat zij in feite werd uitgesloten van de controle op de leiding van de bibliotheek, terwijl zij in de onderhavige zaak toegeeft dat men haar belangrijke taken bleef opdragen.
Ik ben mijnerzijds van mening dat het rapport blijk geeft van geen enkele duidelijke dwaling feitelijk of rechtens en dat U in ieder geval noch de bevoegdheid noch overigens de middelen hebt om Uw eigen waardering in de plaats te stellen van die van het beoordelend gezag.
Maar — en hier komen wij aan de tweede mogelijkheid — mevrouw Hebrant voert de ongebruikelijke en in zoverre bedenkelijke vertraging aan, waarmee de secretaris-generaal van het Parlement het beoordelingsrapport 1973-1974, dat in maart 1975 in ontwerp aan verzoekster was voorgelegd, eerst — naar vaststaat — in oktober 1976, toen de procedure voor het Hof reeds zes maanden liep, voor gezien heeft getekend.
Van deze kant beschouwd, lijkt mij dat een andere oplossing kan en zelfs moet worden overwogen.
U hebt immers niet slechts het belang van de tweejaarlijkse beoordelingsrapporten voor de loopbaan van de ambtenaren onderstreept, maar tevens het verplichte karakter van een periodieke en regelmatige beoordeling. Het is duidelijk dat, waar deze rapporten een zo principiële rol spelen bij de bevorderingsmogelijkheden en de toelating tot interne vergelijkende onderzoeken, de door artikel 43 van het Statuut aan de instellingen opgelegde verplichting om deze periodiciteit te eerbiedigen een grondregel is, waarvan miskenning de beoordelingsprocedure nietig kan maken, de rechten van de ambtenaren kan aantasten en de ontwikkeling van hun loopbaan ongunstig kan beïnvloeden.
Het onderhavige rapport, over het tijdvak 1 januari 1973 -31 december 1974, is op 19 maart 1975 door de bevoegde beoordelaar opgesteld. Het zou aan verzoekster ter hand zijn gesteld op 20 maart 1975 althans uiterlijk op 24 april 1975. Vanaf die datum heeft zij vier pagina's met opmerkingen over haar beoordeling ingediend. Echter pas op 19 oktober 1976, dus ongeveer achttien maanden later, is het rapport definitief geworden door ondertekening door de secretaris-generaal.
Ter terechtzitting is uiteengezet dat deze vertraging haar oorzaak vond in de zorg waarmee laatstgenoemde deze „moeilijke” zaak heeft behandeld, en in het feit dat de verantwoordelijke beoordelaar die hij wenste te raadplegen, gedurende enige tijd afwezig was.
Deze nalatigheid is ook op andere wijze te verklaren: het rapport had verzoekster argumenten kunnen verschaffen in haar vorige beroep, dat juist op de aard van haar werkzaamheden en op de waardevermindering daarvan betrekking had. Het rapport beschrijft echter niet de belangrijkste door haar uitgevoerde taken en geeft de bij het ambt behorende werkzaamheden slechts aan met het enkele woord „librarian”.
Maar wat ook de aard van deze redenen mag zijn, ik meen dat het rapport met een zodanige vertraging is opgesteld dat het hierdoor iedere betekenis heeft verloren en niet meer aan verzoekster kan worden tegengeworpen. Zoals advocaat-generaal Dutheillet de Lamothe heeft gezegd: „de jaarlijkse of tweejaarlijkse beoordeling en de mededeling daarvan zijn slechts, — als U mij de uitdrukking veroorlooft — een schijnvertoning, wanneer deze beoordeling buiten beschouwing blijft bij het onderzoek naar de schriftelijke bewijsstukken van de ambtenaar” (zaak 21/70, Rittweger, Jurispr. 1971, blz. 21, arrest van 3 februari 1971, Jurispr. blz. 7). Bijgevolg heeft het geen enkele zin om het rapport opnieuw op te stellen en moet het als niet-bestaand worden beschouwd. Trouwens, eerstdaags moet een nieuw rapport over het tijdvak 1975-1976 worden opgemaakt.
Onder deze omstandigheden en zelfs zonder dat U behoeft in te gaan op verzoeksters grieven ten gronde en op haar bewijsaanbod, ben ik van mening dat het Europese Parlement zowel artikel 43 van het Statuut als de in zijn eigen dienstnota nr. 66/19 van 21 december 1966 neergelegde voorschriften heeft geschonden.
De vertraging van 18 maanden waarmee de secretaris-generaal het rapport voor goedkeuring heeft getekend, is op zich al een elementair gebrek dat de rechtmatigheid van de beoordelingsprocedure aantast.
Wat ten slotte de symbolische schadevordering van één frank betreft: hieraan ontvalt de grond, indien U de verwijdering van het rapport uit verzoeksters persoonsdossier gelast.
Ik concludeer derhalve tot
—
nietigverklaring van het beoordelingsrapport over de jaren 1973-1974 betreffende mevrouw Hebrant-Macevicius,
—
verwijdering van dit rapport uit haar persoonsdossier,
—
verwijzing van het Europese Parlement in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy