CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 1 DECEMBER 1976 ( 1 )
Mijnheer de president,
mijne heren rechters.
1.
Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van de term „ferrolegeringen” in de zin van post 73.02 van het gemeenschappelijk douanetarief. Het Finanzgericht te Düsseldorf wenst een uitspraak over de draagwijdte van deze term ten einde een geschil tussen een Duits douanebureau en de te Düsseldorf gevestigde firma Luma te kunnen beslissen.
Deze firma importeert reeds jaren uit Groot-Brittannië wolframhoudend schroot in de vorm van zogenaamde gietelingen. Na op verzoek van de Duitse delegatie het probleem van de indeling van gesmolten en tot gietelingen gegoten wolframhoudend schroot van ferrolegeringen te hebben bestudeerd, heeft het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief (ingesteld krachtens verordening nr. 97/69 van 16 januari 1969) op 20 oktober 1970 geadviseerd dit onder geen enkele tariefpost vermelde produkt gelijk te stellen aan „afvalingots” en derhalve in te delen onder post 73.15-B -I -b-l-aa. Dientengevolge werden de door Luma geïmporteerde goederen — blokken ijzerafval met een gehalte van ongeveer 30 % wolfram en minder dan 10 % kobalt — door de Duitse douane van oktober 1970 tot maart 1972 ingedeeld als afvalingots. Op 23 maart 1972 evenwel voerde genoemde firma schrootblokken in die naast 30 a 33 % wolfram meer dan 10 % kobalt bevatten. Op grond van dit kenmerk deelde het douanebureau de goederen in onder post 73.02 G betreffende „andere” ferrolegeringen (dat wil zeggen andere dan de sub A-F genoemde).
Gevraagd om vernietiging van deze beschikking, heeft het Finanzgericht te Düsseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag het Hof de volgende vraag voorgelegd:
„Dient het gemeenschappelijk douanetarief te worden uitgelegd in die zin, dat de term „ferrolegeringen” bij post 73.02 mede in verband met noot 1 c van hoofdstuk 73, slechts slaat op produkten uit nieuwe metalen of ertsen of die met het oog op hun gebruik in de staalvervaardiging gekenmerkt worden door vaste en constante percentages van verschillende legeringselementen,
ofwel in die zin, dat hieronder ook valt gesmolten schroot (smelterijprodukten) dat de materiële eigenschappen bezit bedoeld in noot 1 c van hoofdstuk 73.”
2.
Gezien de feiten die aanleiding hebben gegeven tot de aan het Hof voorgelegde uitleggingsvraag, komt niet slechts post 73.02 in aanmerking, maar zoals wij hebben gezien ook post 73.15-B-I-b-l-aa.
Hierbij zij opgemerkt dat terwijl post 73.02 vrijwel geheel betrekking heeft op produkten die onder het EEG-Verdrag vallen, de produkten van post 73.15-B-I-b-1-aa tot het toepassingsgebied van het EGKS-Verdrag behoren. Feitelijk heeft de vraag, die de nationale rechter krachtens artikel 177 EEG-Verdrag heeft gesteld, rechtstreeks alleen betrekking op post 73.02; wanneer men echter de draagwijdte van een tariefpost moet afbakenen teneinde een oplossing te vinden voor een geschil over twee nauw verwante posten, die beide voor de indeling van een bepaald produkt in aanmerking komen, dan is het uiteraard noodzakelijk de inhoud van de ene post te bepalen in zijn verhouding tot de andere en de grenzen tussen beide te trekken. In dit soort zaken is het onvermijdelijk de andere tariefpost te onderzoeken en — zij het bijkomstig — uit te leggen, ongeacht of deze al dan niet betrekking heeft op een produkt dat onder hetzelfde Verdrag valt. Het gemeenschappelijk douanetarief is één geheel, dat produkten omvat die nu eens onder het EEG-Verdrag dan weer onder het EGKS-Verdrag vallen. De begrippen die aan de verschillende posten van nauw verwante groepen van produkten ten grondslag liggen, zijn noodzakelijkerwijze eikaars complement, zodat ook in het kader van de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag uitlegging van de ene post niet mogelijk is wanneer men de andere daarbij buiten beschouwing laat. Het zou immers weinig realistisch zijn en tot een volledig gekunstelde gedachtengang en tot foutieve uitkomsten kunnen leiden indien men zou trachten een EEG-tariefpost louter op zichzelf uit te leggen, alleen omdat een eventuele complementaire post — in relatie waarmee de betekenis van de eerste moet worden vastgesteld — betrekking heeft op produkten die onder het EGKS-Verdrag en niet onder het EEG-Verdrag vallen. De eenheid van het douanetarief wordt trouwens bevestigd door het feit dat bepaalde posten — en dit geldt ook voor post 73.02 — onderverdelingen bevatten die voor een deel verband houden met het ene Verdrag en voor een deel met het andere.
3.
De vraag van de nationale rechter stelt een duidelijk alternatief voor de uitlegging van post 73.02: omvat deze slechts produkten die uit nieuwe metalen of uit ertsen zijn vervaardigd en gekenmerkt worden door een constante en nauwkeurige samenstelling van bepaalde legeringselementen, of omvat zij ook smelterijprodukten (uiteraard indien daarbij is voldaan aan de materiële voorwaarden van aantekening 1 c van hoofdstuk 73)? Maar alvorens het aldus geformuleerde probleem aan te vatten, dient mijns inziens nog een andere mogelijkheid te worden onderzocht die, gezien de feitelijke ontwikkelingen in deze zaak, logisch voorrang schijnt te verdienen boven het door de nationale rechter gestelde alternatief. Het is namelijk de vraag of er wel voldoende redenen zijn om de betrokken produkten in te delen onder post 73.02 in plaats van onder post 73.15, zoals vroeger gebeurde.
Ten deze dient er allereerst op gewezen dat het indelingsadvies van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief van 20 oktober 1970 uitgaat van de vaststelling dat geen enkele post van het douanetarief specifiek melding maakt van gietelingen van wolframhoudend schroot van staallegeringen. Leest men de brief van de Duitse delegatie van 28 april 1970, waarmee de procedure voor het Comité werd ingeleid, dan wordt het waarom van deze vaststelling duidelijk: enerzijds zijn gietelingen iets anders dan ingots (in post 73.15-B-I-b-l wordt gesproken van „ingots”), anderzijds ligt het wolframgehalte van deze gietelingen altijd onder 40 %. En het is volgens de brief van de Duitse delegatie juist deze tweede omstandigheid waardoor het betrokken produkt niet onder post 73.02 kan worden ingedeeld: immers, één van de bijkomende vereisten voor indeling onder deze post is volgens aantekening 1 c van hoofdstuk 73 een wolframgehalte van meer dan 40 %. In deze situatie zag het Comité zich genoopt om, overeenkomstig de algemene bepalingen voor de toepassing van de nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief, tot „gelijkstelling” met afvalingots te adviseren (punt 5 bepaalt immers dat de voorafgaande regels betreffende de posten ook gelden voor het indelen onder de onderverdeling van een zelfde post, terwijl volgens punt 4 goederen, die onder geen enkele post van het tarief vallen, worden ingedeeld in de post die van toepassing is op de goederen waarmee zij de meeste overeenkomst vertonen). Overigens is een blik op het opschrift van post 73.15 en aantekening 1 d van hoofdstuk 73 voldoende om de zekerheid te verkrijgen dat de indeling van 20 oktober 1970 niet méér was dan „gelijkstelling” met een overeenkomstige post: in werkelijkheid heeft post 73.15 betrekking op gelegeerd staal (dat volgens de aantekening ten minste 0,30 % wolfram bevat) en de onderverdeling B-I-b-1 op staalingots, terwijl eerst bij de laatste onderverdeling sub aa wordt gesproken van afvalingots, een produkt dat op sommige punten vergelijkbaar is met ijzergietelingen, maar op andere daarvan verschilt.
Daarentegen wordt post 73.02, ferrolegeringen, in aantekening 1 c van hoofdstuk 73 zodanig omschreven, dat ijzergietelingen rechtstreeks daaronder lijken te vallen wanneer zij één van de genoemde legeringselementen in de aangegeven verhouding bevatten. Volgens deze aantekening immers moeten onder ferrolegeringen worden verstaan „ruwe smelterijprodukten, welke praktisch niet geschikt zijn voor het walsen en ook niet voor het smeden en welke als toeslag voor de staalvervaardiging gebruikt worden, bevattende, afzonderlijk of te zamen, meer dan 8 gewichtspercenten silicium, meer dan 30 gewichtspercenten mangaan, meer dan 30 gewichtspercenten chroom, meer dan 40 gewichtspercenten wolfram en meer dan 10 gewichtspercenten andere legeringselementen te zamen.” Het is duidelijk dat zolang de gietelingen geen van deze elementen in de aangegeven minimumpercentages bevatten, post 73.02 niet toepasselijk is, maar zodra zij wel aanwezig zijn, kan deze post worden toegepast, aangezien de omschrijving van ferrolegeringen beter lijkt te beantwoorden aan de overige eigenschappen van ijzergietelingen dan het begrip „gelegeerd staal”. In casu is het wolframgehalte nooit groter geweest dan 40 %, maar toen het kobaltgehalte tot boven 10 % steeg, was aan de alternatieve voorwaarde van meer dan 10 % andere legeringselementen voldaan. Post 73.02 vereist geen andere kenmerken: men zie slechts naar de tekst van onderverdeling G, die — na een lijst van legeringen aangeduid als fer-romangaan, ferroaluminium, ferrosilicium … — eenvoudig „andere” noemt, dat wil zeggen alle legeringen die niet onder specifieke onderverdelingen vallen.
4.
Keren wij nu terug tot de keuze die de nationale rechter voorstelt tussen twee mogelijke interpretaties van de draagwijdte van post 73.02. Dit alternatief gaat kennelijk terug op hetgeen de firma Luma voor de rechter in eerste aanleg heeft betoogd, namelijk dat de geïmporteerde produkten technisch gezien duidelijk verschillen van de ferrolegeringen van post 73.02. Zijn de eerste immers eenvoudig door smelten verkregen, de vervaardiging van ferrolegeringen geschiedt in principe langs elektrothermische of metallothermische weg; bovendien worden ferrolegeringen in het algemeen met behulp van speciale technieken uit nieuwe metalen of ertsen vervaardigd, aangezien zij vaste percentages van specifieke legeringselementen moeten bevatten, hetgeen niet te verwezenlijken is bij het versmelten van schroot vanwege de grote hoeveelheid slakken die dit bevat.
In haar opmerkingen schijnt de Commissie de juistheid van het technische begrip ferrolegering, waarop de firma Luma zich beroept, niet te bestrijden; zij wijst er echter op dat de geciteerde noot 1 c van hoofdstuk 73 van het gemeenschappelijk douanetarief de term ferrolegering anders omschrijft. Met het oog op de douanepraktijk heeft men ten deze de voorkeur gegeven aan een begripsomschrijving die in wezen uitgaat van de samenstelling van het produkt, dat wil zeggen van elementen wier aanwezigheid gemakkelijker objectief kan worden aangetoond. Zo komt de Commissie ten slotte tot de conclusie dat het betrokken produkt op grond van het kobaltgehalte van meer dan 10 % door de Duitse douane terecht is ingedeeld onder post 73.02.
Een ander argument van de firma Luma is van economische aard.
Dat een partij gesmolten schroot een percentage kobalt bevat dat een weinig hoger is dan normaal, is zuiver toeval. Volgens de firma Luma kan dit geen reden zijn om de gebruikelijke indeling van de goederen zo te wijzigen, dat zij, na eerst lange tijd te zijn ingedeeld als „afvalingots”, waarover geen invoerrecht verschuldigd is, thans onder post 73.02 G worden gebracht, zodat een recht van 7 % moet worden betaald. Anderzijds — en hier komen het economische en het technische argument samen — gaat het nog steeds om goederen die volgens hetzelfde procédé en met hetzelfde gebruiksdoel zijn vervaardigd en die dezelfde economische waarde hebben als het produkt dat gewoonlijk door Luma wordt ingevoerd, een waarde die normalerwijze aanzienlijk kleiner is dan die van ferrolegeringen.
5.
Het punt waarop het aankomt, is dus of men zich bij de uitlegging van de betrokken postonderverdeling in wezen moet baseren op het technische begrip en de technische kenmerken van ferrolegeringen, of dat men veeleer dient af te gaan op hun samenstelling volgens de definitie van noot 1 c van hoofdstuk 73.
Ter waarborging van de rechtszekerheid en met het oog op het belang van de administratie bij duidelijke criteria die op gemakkelijk te verifiëren kenmerken berusten en daardoor eenvoudig kunnen worden toegepast, heeft het Hof herhaaldelijk verklaard dat de indeling van goederen in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief dient te geschieden op grond van hun objectieve kenmerken en eigenschappen zoals deze zich voordoen op het moment van inklaring, dus ongeacht de vervaardigingswijze of de gebruiksbestemming (zie de arresten van 23 maart 1972, zaak 36-71, Henck, Jurispr. 1972, blz. 187; 22 november 1973, zaak 128-73, Past, Jurispr. 1973, blz. 1277; 29 mei 1974, zaak 185-73, König, Jurispr. 1974, blz. 607; 10 december 1975, zaak 53-75, Vandertaelen, Jurispr. 1975, blz. 1647; 18 februari 1976, gevoegde zaken 98 en 99-75, Carstens, Jurispr. 1976, blz. 241).
Van de consequente toepassing van dit criterium is het Hof slechts eenmaal afgeweken en wel in het arrest van 12 december 1973 (zaak 149-73, Witt, Jurispr. 1973, blz. 1587), waarin het beginsel werd aangepast aan de bijzondere indelingsvereisten van een produkt dat zich in zijn objectieve kenmerken uiterlijk niet onderscheidde van een ander produkt (het ging om wilde rendieren die, na geslacht te zijn, niet konden worden onderscheiden van gedomesticeerde rendieren). Het Hof aanvaardde dat de hoedanigheid „wild rendier” nog op andere wijze kon worden bewezen — bijvoorbeeld door afgifte door de bevoegde autoriteiten van een certificaat van oorsprong, aan de hand waarvan de aard van het produkt kon worden vastgesteld — en dat dit bewijs de mogelijkheid bood het produkt een andere douanebehandeling te geven dan vlees van gedomesticeerde rendieren; daarmee werd duidelijk het strikte criterium losgelaten, dat indeling moet geschieden volgens de objectieve kenmerken van het produkt op het tijdstip van invoer.
Dit arrest vindt evenwel zijn rechtvaardiging in het feit dat het vóór de slacht bestaande verschil tussen de twee soorten dieren doorwerkt in een verschillende douanebehandeling. Met andere woorden, de afwijking van de algemene regel dat de tariefindeling plaatsvindt op grond van de objectieve kenmerken en hoedanigheden van de goederen, ongeacht het gebruiksdoel en de wijze van vervaardiging, was noodzakelijk ten einde rekening te kunnen houden met het belang dat het gemeenschappelijk douanetarief zelf, blijkens het feit dat daarin de post „wild” voorkomt, hecht aan de wilde dan wel gedomesticeerde leefwijze van het betrokken dier.
Zo een rechtvaardiging is er evenwel niet in het onderhavige geval. Dit blijkt ten stelligste uit de vanwege de Commissie opgestelde Toelichtingen op het gemeenschappelijk douanetarief; bij post 73.03 wordt verklaard dat schroot, resten en afvallen, versmolten en tot ingots (zogenaamde afvalingots) gegoten, voor de toepassing van het tarief te beschouwen zijn als ferrolegeringen of als ingots en afhankelijk van hun samenstelling onder één van de verschillende onderverdelingen van post 73.02, post 73.06, of onder de verschillende onderverdelingen A-I-b of B-I-b-I-aa van post 73.15 vallen.
Bij de indeling van het betrokken produkt kan dus blijkbaar geen rekening worden gehouden met verschillende overwegingen van technische of economische aard, zelfs niet wanneer dat, zoals wij hebben gezien, in een grensgeval zoals dat van de partij goederen waarom het in casu gaat, tot economische gezien te harde resultaten leidt.
6.
Concluderend stel ik het Hof voor om de op 30 april 1976 door het Finanzgericht Düsseldorf krachtens artikel 177 EEG-Verdrag voorgelegde vraag aldus te beantwoorden, dat post 73.02 van het gemeenschappelijk douanetarief ook gietelingen omvat die voldoen aan de materiële vereisten van noot 1 c van hoofdstuk 73.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy