CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL F. CAPOTORTI
VAN 3 FEBRUARI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Het voorwerp van deze conclusie is beperkt: het gaat uitsluitend om de ontvankelijkheid van het beroep dat de heer Reinarz op 8 juni 1976 tegen de Raad en de Commissie heeft ingesteld. Deze Kamer heeft immers besloten eerst de door verweerders opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid te onderzoeken, zonder in te gaan op de zaak zelf, waarover partijen zich in deze fase van het geding nog niet hebben uitgelaten. Toch moet ik enkele woorden wijden aan de feiten die tot het geding hebben geleid, en aan de vorderingen van de heer Reinarz.
Verzoeker was sinds jaar en dag ambtenaar van de Commissie toen de Raad op 4 december 1972 verordening 2530/72 vaststelde, welke onder meer bijzondere bepalingen (en met name financiële voorzieningen) bevatte voor gemeenschapsambtenaren die hun dienstverband zouden beëindigen. Het was ingevolge deze verordening dat de heer Reinarz op 1 mei 1973 de dienst verliet. Toen hij zich enige tijd later in Canada vestigde (waar hij ook nu nog woont), vroeg hij hem vanaf 1 mei 1974 de vergoeding in Belgische franken, waarop hij ingevolge artikel 3, lid 1, van genoemde verordening recht had, uit te betalen in Canadese dollars (artikel 3, lid 3, laatste alinea). Dit verzoek werd toegestaan, maar daarmee was tevens de kiem gelegd voor het huidige geschil: het probleem is namelijk, volgens welke wisselkoers de in Belgische franken uitgedrukte schadevergoeding in vreemde valuta moet worden omgezet.
De gemeenschapsregeling op dit punt is duidelijk. Volgens het reeds genoemde artikel 3, lid 3, laatste alinea, wordt „de vergoeding, uitbetaald in andere valuta dan de Belgische frank, (…) berekend op basis van de pariteiten zoals bedoeld in artikel 63, derde alinea, van het statuut”. Laatstgenoemd artikel bepaalt dat de bezoldiging van de ambtenaar, uitbetaald in een andere valuta dan de Belgische frank, wordt berekend op basis van de pariteiten zoals door het Internationale Monetaire Fonds aanvaard, die op 1 januari 1965 van kracht waren. De bevoegde diensten van de Commissie pasten deze bepalingen natuurlijk ook toe in het geval van de heer Reinarz.
Deze stelt evenwel dat de conversie van de vergoeding in Canadese dollars moet geschieden „overeenkomstig de op het tijdstip van uitbetaling geldende wisselkoers van de Belgische frank ten opzichte van de Canadese dollar”, zulks omdat de boven weergegeven regeling „volstrekt willekeurig, discriminerend en onbillijk” zou zijn en een schending zou inhouden van het beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren; de regeling zou derhalve nietig moeten worden verklaard of althans ten aanzien van verzoeker buiten toepassing moeten blijven. Voorts zou de Raad nalatig zijn geweest doordat hij geen maatregelen heeft genomen tot aanpassing van de voor België geldende aanpassingscoëfficiënt aan de kosten van levensonderhoud in Canada. Verzoeker concludeert daarom tot nietigheid, althans niet-toepasselijkheid in casu, van artikel 3, lid 3, laatste alinea, van verordening 2530/72, juncto artikel 63, derde alinea, Ambtenarenstatuut, en tot vergoeding van de wegens toepassing dier bepalingen door hem geleden schade.
Beide verweerders hebben bij afzonderlijke akte een exceptie van nietontvankelijkheid opgeworpen overeenkomstig het bepaalde bij artikel 91, par. 1, van het Reglement voor de procesvoering. De Commissie stelt dat verzoeker nooit een klacht overeenkomstig artikel 90, lid 2, Ambtenarenstatuut heeft ingediend, zodat het beroep ingevolge artikel 91, lid 2, niet ontvankelijk is. De Raad voegt daaraan toe, dat wanneer het beroep gebaseerd zou zijn op artikel 173 EEG-Verdrag in plaats van op artikel 91 Ambtenarenstatuut, niet zou zijn voldaan aan de voorwaarden van het tweede lid van dat artikel, en dat anderzijds geen beroep kan worden gedaan op artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag, zowel omdat de schadevordering het onderzoek naar de geldigheid van de bestreden voorschriften impliceert en derhalve samenvalt met het beroep tot nietigverklaring, als omdat ambtenaren in elk geval de beroepsweg van de artikelen 90 en 91 van het statuut moeten volgen en de weg van artikel 215 van het Verdrag voor hen afgesloten is.
Niet-ontvankelijkheid van het verzoek zou ten slotte meebrengen dat ook het op artikel 184 van het Verdrag gebaseerde beroep op niet-toepasselijkheid van de betrokken verordening moet falen.
2.
Ofschoon verzoeker niet meer in dienst is van de Gemeenschap, is het stellig zijn hoedanigheid van voormalig gemeenschapsambtenaar, die hij aan zijn beroep ten grondslag legt, en het voorwerp ervan valt derhalve binnen het toepassingsgebied van het Ambtenarenstatuut. Ten deze merke men op dat de laatste overweging van verordening 2530/72 de inhoud der verordening omschrijft als „bijzondere maatregelen op het gebied van het statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen”. Het zou derhalve voor de hand hebben gelegen dat verzoeker gebruik had gemaakt van de beroepsweg van artikel 179 EEG-Verdrag en artikel 91, lid 1, Ambtenarenstatuut, uiteraard met inachtneming van het bepaalde bij lid 2 van dit artikel. Hij heeft dat niet gedaan, en in zijn op 15 september 1976 ingediende memorie verklaart hij de statutaire weg van artikel 179 niet te hebben gevolgd omdat hij van mening was dat alleen die van artikel 178 voor hem openstond. Ik kom hier straks op terug. Wanneer men echter het beroep aan artikel 179 EEG-Verdrag toetst, moet reeds aanstonds worden geconstateerd dat het niet ontvankelijk is: het staat immers vast dat de heer Reinarz geen klacht in de zin van artikel 90, lid 2, bij de Commissie heeft ingediend.
3.
Om de exceptie van niet-ontvankelijkheid af te weren beroept verzoeker zich op de artikelen 178 en 215, tweede alinea, van het Verdrag. Deze artikelen verklaren het Hof bevoegd kennis te nemen van vorderingen tot schadevergoeding op grond van niet-contractuele aansprakelijkheid. Twee vragen dienen ten deze beantwoord: heeft verzoekers eis inderdaad betrekking op nietcontractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap en, meer in het algemeen, kunnen ambtenaren (of voormalige ambtenaren) beroep instellen op de grondslag van artikel 178, wanneer het voorwerp van het beroep binnen de werkingssfeer van het Ambtenarenstatuut valt.
De eerste vraag moet mijns inziens ontkennend worden beantwoord. De schade waarover verzoeker klaagt, is naar zijn eigen zeggen niet het gevolg van de vaststelling van verordening 2530/72, maar van de toepassing dezer verordening in zijn geval: in zijn memorie van 15 september 1976 stelt hij immers dat zijn klacht „een schade betreft die eerst is ontstaan geruime tijd na het van kracht worden van de hem schade veroorzakende verordening 2530/72”. De toepassing evenwel van deze verordening op de heer Reinarz heeft plaatsgevonden in het kader van een rechtsverhouding tussen hem en de Commissie, die het rechtstreekse uitvloeisel is van de beëindiging van het dienstverband. Ook al moet deze rechtsverhouding als statutair en niet als contractueel worden omschreven, toch moet het mijns inziens duidelijk zijn dat wij ons hier op een ander gebied dan dat van de niet-contractuele aansprakelijkheid bevinden: voorwerp van het geschil is in feite de wijze waarop de Commissie een verplichting dient na te komen welke voortvloeit uit statutaire bepalingen en waar voor de ex-ambtenaar een subjectief recht op uitbetaling van een vergoeding tegenover staat.
Ook het antwoord op de tweede vraag moet ontkennend luiden. Waar volgens artikel 179 het Hof bevoegd is uitspraak te doen in elk geschil tussen de Gemeenschap en haar personeelsleden (wel te verstaan „binnen de grenzen en onder de voorwaarden vastgesteld in het statuut of voortvloeiende uit de regeling welke voor hen toepasselijk is”), lijkt het een logi sche gevolgtrekking dat men in elk geding dat aanhangig wordt gemaakt door iemand die zich op zijn hoedanigheid van personeelslid of voormalig personeelslid van de Gemeenschap beroept, en waarbij het gaat om een probleem dat zijn oplossing moet vinden in het kader van de op personeelsleden der Gemeenschap toepasselijke regeling, uitsluitend de weg dient te volgen van artikel 179 en de artikelen 91 en 92 van het statuut, niet slechts wanneer het beroep strekt tot nietigverklaring van een handeling, maar ook wanneer schadevergoeding wordt gevorderd. De omstandigheid dat in artikel 91, lid 1, sprake is van geschillen tussen de Gemeenschap en één van de in het statuut bedoelde personen, die „betrekking (hebben) op de wettigheid van een besluit waardoor deze persoon zich bezwaard voelt”, sluit — nog steeds in het kader van artikel 91 — de mogelijkheid van een verzoek om schadevergoeding niet uit. Ik denk hier met name aan schadevorderingen die, zoals in casu, gebaseerd zijn op de onwettigheid van een gemeenschapshandeling. In de geschillen bedoeld in artikel 179, bezit het Hof immers volledige rechtsmacht, zodat het zowel uitspraak kan doen over de geldigheid van de bestreden handeling als — al dan. niet in combinatie hiermee — op een schadevordering kan beslissen.
Het Hof heeft reeds gelegenheid gehad zich ten deze uit te spreken. In het arrest van 22 oktober 1975 (zaak 9/75, Meyer-Burckhardt, Jurispr. 1975, blz. 1171) wordt overwogen dat „een uit de dienstbetrekking voortkomend schadegeding tussen een ambtenaar en de instelling waarbij hij in dienst is of was, binnen het kader van artikel 179 van het Verdrag en de artikelen 90 en 91 van het statuut ligt, en met name op het punt van de ontvankelijkheid buiten het toepassingsgebied van zowel de artikelen 178 en 215 van het Verdrag als artikel 43 van 's Hofs statuut valt” (r.o. 7). Verder wordt er in r.o. 10 op gewezen dat bij geschillen tussen ambtenaren en de instellingen de artikelen 90 en 91 geen onderscheid ma ken tussen schadevorderingen en beroepen tot nietigverklaring.
Hiertegen kan niet worden ingebracht dat het Hof in zijn arrest van 5 april 1973 (zaak 11/72, Giordano, Jurispr. 1973, blz. 417) een beroep van een ex-ambtenaar, gebaseerd op artikel 215, tweede alinea, EEG-Verdrag, ontvankelijk heeft verklaard. Zoals uit de eerste rechtsoverweging van het arrest blijkt, ging het daarbij om een beroep tot aansprakelijkstelling van de Gemeenschap ter zake van het feit dat verzoeker geen aanstelling bij het Hof van Justitie had kunnen verkrijgen doordat de Commissie het Hof ongunstige inlichtingen over hem had verstrekt Vergoeding werd ge vraagd van schade welke zou zijn veroorzaakt door „bepaalde gedragingen van de Commissie na afloop van de (eerste) arbeidsovereenkomst” (r.o. 4). Betrokkenes positie was dus eenvoudig die van een kandidaat voor een functie bij de Gemeenschap; de omstandigheid dat hij eerder ambtenaar op proef was geweest, was zonder belang, behalve dan voor zover de Commissie daardoor in staat was geweest het Hof inlichtingen te verstrekken. En waar het een kandidaat betrof die de begeerde aanstelling niet had gekregen (en ook niet had deelgenomen aan een vergelijkend onderzoek in de zin van het statuut), kon de schadevordering uiteraard niet langs de beroepsweg van het statuut worden ingesteld; het zou anders zijn geweest indien de schadevordering in verband had gestaan met, bij voorbeeld, onrechtmatigheid van het ontslag uit de dienst van de Commissie.
Geheel in overeenstemming met mijn zienswijze daarentegen is 's Hofs arrest van 15 december 1966 (zaak 59/65, Schreckenberg, Jurispr. 1966, blz. 780). Een ambtenaar van Euratom had nietigverklaring gevraagd van een afwijzende beschikking van de Commissie alsmede schadevergoeding, beide onder artikel 91 van het statuut. Na de eerste vordering niet-ontvankelijk te hebben verklaard, besliste het Hof dat het verzoek om schadevergoeding op dezelfde grond moest falen; het overwoog dat men weliswaar een schadevordering kan instellen zonder tevens nietigverklaring van de schadeveroorzakende onrechtmatige handeling te moeten vragen, maar dat het niet mogelijk is langs die weg de nietontvankelijk-verklaring van een op die onrechtmatigheid gebaseerde vordering van dezelfde geldelijke strekking te ontgaan.
4.
De vraag of het beroep ontvankelijk is onder artikel 173, tweede alinea, of artikel 184 EEG-Verdrag is hiermee overbodig geworden. Ten aanzien van beroepen door personeelsleden en voormalige personeelsleden van de Gemeenschap, ingesteld in het kader van de voor hen toepasselijke regeling, is het Hof blijkens het vorenoverwogene immers uitsluitend bevoegd onder artikel 179; daarmee is de mogelijkheid om van de beroepsweg van een der genoemde artikelen gebruik te maken, bij voorbaat uitgesloten. Bovendien komt verzoeker in casu niet op tegen een jegens hem genomen „beschikking” maar verzoekt hij nietigverklaring van een bepaling van algemene strekking (artikel 3, lid 3, laatste alinea, van verordning 2530/72); en stellig kan evenmin worden gesteld dat de betrokken verordening slechts schijnbaar een verordening is, doch in werkelijkheid een beschikking waardoor de heer Reinarz rechtstreeks en individueel wordt geraakt Overigens heeft ook verzoeker zelf dit niet beweerd. Wat ten slotte artikel 184 betreft, dit komt slechts in aanmerking in het geval van „een geschil waarbij een verordening van de Raad of van de Commissie in hét geding is”: de vraag van de ontvankelijkheid moet dus worden gezien in verband met de actie op grond waarvan het geschil aanhangig is gemaakt, en een afwijzing van die actie slaat terug op het eigenlijke voorwerp van artikel 184.
5.
Om al deze redenen stel ik het Hof derhalve voor het beroep, op 8 juni 1976 door de heer Reinarz ingesteld tegen de Raad en de Commissie, nietontvankelijk te verklaren en elk der partijen de eigen kosten te doen dragen overeenkomstig artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering.
( 1 ) Vertaald uit het Italiaans.
Full & Egal Universal Law Academy