CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 12 JANUARI 1977 ( 1 )
Mijne heren,
In deze zaak, een verzoek om een prejudiciële beslissing van het Verwaltungsgericht Hamburg, gaat het kort gezegd om de vraag of ruwe caseïne uit de Sovjetunie, die in Hamburg wordt gereinigd, vermalen, gesorteerd en opnieuw verpakt, van oorsprong is uit de Sovjetunie dan wel uit Duitsland. Het betreft hier de uitlegging van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB 1968, L 148).
Volgens de considerans van de verordening dienen de Lid-Staten „de oorsprong van ingevoerde goederen vast te stellen of te controleren wanneer dit vereist is voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, van de kwantitatieve beperkingen en van alle andere bepalingen die op het handelsverkeer van toepassing zijn”, en „een verklaring inzake de oorsprong af te geven in alle gevallen waarin zulks wordt vereist door de autoriteiten van de landen van invoer, inzonderheid wanneer aan een dergelijke verklaring voordelen zijn verbonden.” Vastgesteld wordt dat er geen internationale definitie van het begrip oorsprong van goederen bestaat, en dat het derhalve van belang is terzake regels uit te werken die voor alle Lid-Staten gelijkelijk gelden. Vervolgens wordt verklaard „dat goederen die geheel en al in een bepaald land zijn verkregen zonder gebruik van uit andere landen ingevoerde goederen, moeten worden geacht van oorsprong te zijn uit dat land”, maar dat „in toenemende mate ondernemingen die in verschillende landen zijn gevestigd, achtereenvolgens worden ingeschakeld bij de fabricage van een zelfde goed”; en „dat men dientengevolge dient te bepalen welk van deze landen moet worden beschouwd als land van oorsprong van het betrokken goed”; en „dat het gerechtvaardigd is als land van oorsprong van een dergelijk goed aan te merken het land waarin de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde bewerking of verwerking heeft plaatsgevonden.” De considerans vermeldt voorts de opvatting van de opstellers der verordening, dat een uniforme toepassing van de bepalingen moet worden gewaarborgd, waartoe een Comité wordt ingesteld „met het oog op het tot stand brengen van een nauwe en doeltreffende samenwerking tussen de Commissie en de Lid-Staten.”
Het toepassingsgebied van de verordening wordt omschreven in de artikelen 1, 2 en 3; deze zijn in casu echter niet van rechtstreeks belang. Artikel 4 luidt: „Goederen die geheel en al in een land zijn verkregen, zijn van oorsprong uit dat land”, en geeft vervolgens een gedetailleerde omschrijving van wat moet worden verstaan onder „goederen geheel en al in een land verkregen”.
De bepaling waarop het in deze zaak aankomt, is artikel 5:
„Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest, zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.”
Artikel 10 bepaalt onder meer dat op certificaten van oorsprong voor goederen die hun oorsprong hebben in en worden uitgevoerd uit de Gemeenschap, wordt vermeld dat de goederen van oorsprong zijn uit de Gemeenschap of, „indien dit voor de uitvoerhandel vereist is”, dat de goederen van oorsprong zijn uit een bepaalde Lid-Staat.
Voorts zijn in casu nog slechts van belang de artikelen betreffende de samenwerking tussen de Commissie en de Lid-Staten bij de toepassing van de verordening, met name de artikelen betreffende de instelling en de taak van het in de considerans aangekondigde Comité.
Artikel 11 bepaalt:
„Elke Lid-Staat stelt de Commissie in kennis van de maatregelen die hij op het niveau van de centrale overheid voor de toepassing van deze verordening treft, alsmede van alle problemen die zich ten aanzien van deze toepassing voordoen. De Commissie doet van deze inlichtingen onverwijld mededeling aan de andere Lid-Staten.”
Artikel 12 betreft de instelling van het zogenoemde „Comité (Doorsprong van goederen”, samengesteld uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en met een vertegenwoordiger van de Commissie als voorzitter; het Comité stelt zijn eigen reglement van orde vast.
Ingevolge artikel 13 kan het Comité „elk vraagstuk betreffende de toepassing van deze verordening onderzoeken, dat door zijn voorzitter hetzij op diens initiatief, hetzij op verzoek van een vertegenwoordiger van een Lid-Staat aan de orde wordt gesteld.”
Artikel 14 ten slotte regelt de procedure, min of meer overeenkomend met de uit de landbouwsector bekende „procedure van het Comité van Beheer”, voor de vaststelling van bepalingen ter toepassing van onder meer de artikelen 4 en 5. Volgens deze procedure legt de Commissie een ontwerp voor, waarover het Comité advies kan uitbrengen. Is dit advies positief, dan stelt de Commissie de bepalingen vast in overeenstemming met het ontwerp; wijkt het advies af of hult het Comité zich in stilzwijgen, dan doet de Commissie een voorstel aan de Raad, doch indien de Raad niet binnen drie maanden een besluit neemt, stelt zijzelf de bepalingen vast overeenkomstig haar voorstel.
In de loop van de jaren heeft de Commissie volgens de procedure van artikel 14 een aantal verordeningen uitgevaardigd „betreffende de vaststelling van de oorsprong van” bepaalde soorten goederen. In paragraaf 10 van de opmerkingen van de Commissie zijn deze verordeningen opgesomd en wat hun uitwerking betreft, besproken. Bestudering ervan levert een nuttige illustratie op van het soort problemen waartoe de toepassing van de artikelen 4 en 5 aanleiding kan geven. Op enkele voorbeelden hiervan kom ik nog terug. Uit de verordeningen blijkt ook dat men het over die toepassing niet altijd eens kon worden. Zo wordt in de meeste verordeningen verklaard, dat zij „in overeenstemming zijn met het advies van het Comité Ooorsprong van goederen” — uiteraard zonder te vermelden in welk geval het Comité eenparig besliste, en in welk geval met meerderheid van stemmen. De considerans van verordening nr. 964/71 van 20 mei 1971, betreffende de vaststelling van oorsprong van vlees en afvallen, vers, gekoeld of bevroren, van bepaalde huisdieren (PB 1971, L 104), maakt daarentegen gewag van het ontbreken van een eensluidend advies van het Comité en van het feit dat de Raad niet binnen drie maanden een besluit heeft genomen.
Tijdens de mondelinge behandeling deelde de Commissie mee dat in de praktijk alleen dan een verordening als bedoeld in artikel 14 wordt vastgesteld, wanneer er binnen het Comité Oorsprong van goederen twijfel of onenigheid bestaat over de oplossing van een bepaald probleem. In de andere gevallen wordt mededeling van het advies van het Comité voldoende geacht. Dit is tot nu toe in drie gevallen gebeurd; bijzonderheden hierover zijn te vinden in paragraaf 11 van de opmerkingen van de Commissie. Het eerste geval betrof het steriliseren van medische instrumenten; volgens het Comité was deze be- of verwerking niet ingrijpend genoeg om „oorsprong te verlenen” als bedoeld in artikel 5. In het tweede geval meende het dat de vervaardiging van corned beef uit ingevoerd vers vlees wel een ingrijpende verwerking was. Dit lijken mij inderdaad duidelijke gevallen. Het derde geval is dat waarmee wij ons thans bezighouden. Tweemaal (op de omstandigheden kom ik nog terug) verklaarde het Comité eenstemmig dat het vermalen, sorteren en opnieuw verpakken van ingevoerde caseine niet een „oorsprong verlenende” be- of verwerking is.
Met name de Commissie heeft het Hof verzocht uitspraak te doen over de rechtswaarde of bindende kracht van adviezen van het Comité. Volgens de Commissie is er op dit punt geen verschil tussen een advies van het Comité Oorsprong van goederen en een advies van het Comité Nomenclatuur van het gemeenschappelijk douanetarief. In de zaken 98 en 99/75 (Carstens Keramik, Jurispr. 1976, blz. 241, r.o. 12) verklaarde het Hof dat een advies van laatstgenoemd Comité geen bindende kracht heeft, maar een „waardevolle aanwijzing” is bij de uitlegging van het gemeenschappelijk douanetarief. Dat is ook mijn mening. Er bestaat geen noemenswaard verschil tussen de artikelen 12-14 van verordening nr. 802/68 en die van 's Raads verordening nr. 67/69 van 16 januari 1969 waarbij het Comité Nomenclatuur werd ingesteld en zijn samenstelling en taak omschreven. Het is duidelijk dat ingevolge eerstbedoelde bepalingen het Comité Oorsprong van goederen geen rechtstreeks bindende adviezen kan geven, maar het is evenzeer duidelijk dat het Hof bij zijn uitlegging van artikel 5 de bestaande opvattingen van de Commissie en van de bevoegde instanties der Lid-Staten niet zonder meer kan negeren.
In paragraaf 12 van haar opmerkingen noemt de Commissie voorbeelden van een derde groep gevallen, waarin artikel 5 door de Lid-Staten eenvormig wordt toegepast. Dit zijn de gevallen waarvan de Commissie weet dat alle Lid-Staten dezelfde uitlegging van het artikel hanteren, zonder dat daarvoor een uitspraak van de Commissie of van het Comité Oorsprong nodig was. Aan enkele van deze voorbeelden werd tijdens het debat groot belang toegekend. Zo is men algemeen van oordeel dat het enkele vermalen van koffie geen oorsprong verleent, maar wel het fabriceren van cafeïnevrije koffie (en, neem ik aan, van poederkoffie). Ook dit lijken mij duidelijke gevallen. Twee andere evenwel zijn m.i. minder vanzelfsprekend: het vervaardigen van steenslag voor gebruik als ballast verleent geen oorsprong, maar wel het kloven en slijpen van diamant.
Komen wij thans tot de feiten van de zaak.
Verzoekster in het geding a quo, de Gesellschaft für Überseehandel mbH, importeert al enige jaren ongemalen caseïne uit de Sovjetunie en Polen. Het produkt heeft bij invoer de vorm van brokjes ter grootte van een erwt tot die van een hazelnoot en is in deze toestand onbruikbaar voor de industrieën die ruwe caseïne als grondstof gebruiken (fabrikanten van lijm, verf, spaanderplaat, plastic verpakkingsmateriaal etc). Het moet eerst worden gereinigd en vervolgens fijngemalen tot wat genoemd wordt „ziftmaat 30, 60 of 90”, en soms tot een door de verbruiker gespecificeerde korrelgrootte. Dit reinigen en vermalen gebeurt door verzoekster in een speciaal ingerichte maalderij in Hamburg. „Tezelfdertijd”, aldus verzoekster in haar inleidend beroepschrift voor het Verwaltungsgericht, „wordt een kwaliteitscontrole uitgevoerd te zamen met de noodzakelijke sorteerverrichting.” Na te zijn verpakt, is de vermalen caseïne klaar voor aflevering aan de afnemers. (Ik ontleen deze feiten aan genoemd beroepschrift met het oog op de formulering van de vraag van het Verwaltungsgericht.)
Blijkens de lijst welke als bijlage 1 bij verzoeksters opmerkingen is gevoegd, zijn veel van die afnemers in derde landen gevestigd. Bij de uitvoer naar die landen is het voor verzoekster voordelig om te beschikken over certificaten waarin de Bondsrepubliek Duitsland als land van oorsprong van de gemalen caseïne is vermeld. Zou verzoekster aanspraak hebben op die certificaten, dan moeten ze worden afgegeven door verweerster in het hoofdgeding, de Handelskammer (Kamer van Koophandel) te Hamburg. Tijdens de mondelinge behandeling heeft deze verklaard er nooit helemaal zeker van te zijn geweest hoe artikel 5 op verzoeksters produkt moest worden toegepast. Tot 1 juni 1972 heeft zij op aanvraag van verzoekster certificaten afgegeven waarin de betrokken caseïne van Duitse oorsprong werd verklaard. Op genoemde datum stopte zij daarmee om de maand daarop haar vroegere handelwijze te hervatten, waarschijnlijk ten gevolge van een protest van verzoekster. In september 1975 weigerde zij opnieuw de gevraagde certificaten af te geven, blijkbaar in verband met het feit dat de Bondsregering de juistheid van die handelwijze in twijfel had getrokken. Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerster die certificaten wel mocht weigeren, gelet op een toezegging die zij verzoekster in juli 1972 had gedaan. Ten aanzien hiervan evenwel zijn het Hof geen vragen gesteld.
De Bondsregering legde de kwestie voor aan het Comité (Doorsprong van goederen, dat tijdens zijn bijeenkomst van 17 en 18 december 1975 als zijn mening te kennen gaf dat „het vermalen, mengen en verpakken van caseïne geen verrichting is waardoor het aldus verkregen produkt als oorsprong krijgt het land waarin die verrichting plaatsvindt, in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68.” (De notulen van die vergadering en het document met de uiteeenzetting van het door de Duitse delegatie aan de orde gestelde probleem, dat tevoren aan de leden van het Comité was toegezonden, bevinden zich bij de stukken die de Commissie desgevraagd aan het Hof heeft overgelegd.)
Bij brief van 24 februari 1976 verzocht verzoekster de Commissie de zaak opnieuw aan het Comité voor te leggen; zij deed dit verzoek vergezeld gaan van een uiteenzetting van de feiten en van haar eigen opvatting. Op 16 maart 1976 maakte zij vervolgens de zaak aanhangig bij het Verwaltungsgericht en zij zond afschriften van haar memories in dit geding aan de Commissie ter nadere informatie van het Comité. Voor het Verwaltungsgericht vorderde verzoekster primair verklaring voor recht dat verweerster gehouden was certificaten van oorsprong af te geven „voor caseïne uit derde landen, die in de Bondsrepubliek Duitsland wordt ingevoerd en daar wordt vermalen.” Bij beschikking van 28 mei 1976 legde het Verwaltungsgericht het Hof de navolgende vraag voor:
„Is ruwe caseïne die in een derde land is geproduceerd en in een Lid-Staat der Gemeenschap op de door verzoekster beschreven wijze wordt vermalen tot voor gebruik geschikte caseïne, van oorsprong uit die Lid-Staat in voege als bedoeld in artikel 5 van 's Raads verordening nr. 802/68?”
Na kennis te hebben genomen van de twee stukken die door verzoekster waren ingezonden, besloot het Comité Oorsprong van goederen tijdens zijn vergadering van 22 en 24 juni 1976 eenstemmig het eerder uitgebrachte advies te bevestigen. Het was voorts van mening dat het niet nodig was de zaak bij verordening te regelen. (Een uittreksel van de ontwerpnotulen en afschriften van de ingezonden stukken bevinden zich eveneens in het door de Commissie geproduceerde dossier.)
Verzoekster klaagt dat geen van beide adviezen van het Comité met redenen is omkleed. Met de Commissie ben ik van oordeel dat dat ook niet nodig is, aangezien de adviezen van het Comité geen rechtskracht hebben.
Ik kom nu tot de vraag van het Verwaltungsgericht.
Partijen en de Commissie zijn het erover eens dat voor het verkrijgen van oorsprong in de zin van artikel 5 de bewerking of verwerking aan vier voorwaarden moet voldoen, en wel:
—
het moet de laatste ingrijpende en
—
economisch verantwoorde be- of verwerking zijn, die
—
heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf, en
—
hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.
Tussen partijen staat voorts vast dat in casu aan de tweede en de derde voorwaarde is voldaan: het vermalen van de caseïne is economisch verantwoord en vindt plaats in een daartoe ingericht bedrijf. Het geschil betreft de eerste en de vierde voorwaarde.
Ik wil al aanstonds zeggen dat mijns inziens ook de eerste voorwaarde vervuld is. Verweerster en de Commissie betogen dat wat verzoekster doet, niet een „ingrijpende” be- of verwerking is. Om de betekenis van de eerste en de vierde voorwaarde duidelijk te doen uitkomen, houdt de Commissie een uitgebreid betoog, waarin zij stelt dat men bij de vraag of een verrichting „ingrijpend” is, het „dynamische” aspect ervan in aanmerking moet nemen, dat wil zeggen de plaats welke die verrichting in het gehele produktieproces inneemt; bij de vraag of een verrichting tot de „fabricage van een nieuw produkt” leidt dan wel een „belangrijke fabricagefase” uitmaakt (de vierde voorwaarde dus), dient men daarentegen uit te gaan van het „statische” aspect, dat wil zeggen dat men het produkt vóór de verrichting moet vergelijken met het produkt erna. Ik geloof dat de Commissie de semantische analyse te ver drijft. Voor mij is een be- of verwerking „ingrijpend” wanneer zij het tegendeel is van „niet-ingrijpend”, dat wil zeggen wanneer zij niet te verwaarlozen of niet onbeduidend is. Mijns inziens is de zinsnede „de laatste ingrijpende bewerking of verwerking” in artikel 5 als een geheel te beschouwen en valt het accent op „de laatste”.
Naar mijn mening gaat het bij de onderhavige zaak dus om de vraag of aan de vierde voorwaarde is voldaan.
Wat dit betreft, beweert verzoekster niet dat vermalen caseïne, vergeleken met ruwe caseïne, een „nieuw produkt” is. Het gaat er derhalve uitsluitend om of verzoeksters activiteiten een „belangrijke fabricagefase” uitmaken in de zin van artikel 5.
Dat dit althans in één opzicht het geval is, is zonneklaar, want verzoekster wijst er nadrukkelijk op dat ongemalen caseïne onbruikbaar is voor de industrieën die caseïne als grondstof gebruiken. Hiertegen kan ook niet worden ingebracht dat dit slechts bewijst dat de betrokken verwerking „economisch verantwoord” is. De vier voorwaarden van artikel 5 vallen in zekere zin samen, en het zou niet juist zijn om feiten waaruit blijkt dat aan één voorwaarde is voldaan, niet meer in aanmerking te nemen wanneer het erom gaat uit te maken of ook een andere voorwaarde is vervuld.
Helaas lijkt het mij niet mogelijk de vraag zo eenvoudig af te doen. De uitdrukking „een belangrijke fabricagefase” moet worden uitgelegd in het kader van artikel 5 en inzonderheid met het oog op het doel van dit artikel. Wij dienen er dan van uit te gaan dat de uitdrukking betrekking heeft op een fabricagefase die belangrijk genoeg is om bepalend te zijn voor de oorsprong van het betrokken produkt.
Hier kunnen de verordeningen die door de Commissie overeenkomstig artikel 14 zijn vastgesteld, uitkomst brengen; zij tonen namelijk aan hoezeer het daarbij om graduele verschillen gaat en, in grensgevallen, om een praktische beoordeling. Dit behoeft niet te verbazen, want het woord belangrijk houdt zelf al een gradatie in en heeft een connotatie van relativiteit.
Het ligt uiteraard niet in mijn bedoeling al die verordeningen te bespreken, en ik zal ook niet de vergissing maken waartoe, dacht ik, de Commissie zich enkele malen heeft laten verleiden door ze, ook in omstandigheden waarin zij niet rechtstreeks van toepassing zijn, te behandelen als gezaghebbende richtlijnen voor de uitlegging van artikel 5. Wanneer ik enkele bepalingen van sommige dier verordeningen bespreek, is dat enkel bij wijze van voorbeeld.
Het is om te beginnen interessant de eerste en de laatste van de betrokken verordeningen te vergelijken, namelijk verordening nr. 641/69 van 3 april 1969 betreffende de vaststelling van de oorsprong van sommige uit eieren verkregen goederen (PB 1969, L 83, blz. 15) en verordening nr. 2026/73 van 25 juli 1973 betreffende het bepalen van de oorsprong van druivesap (PB 1973, L 206, blz. 33). Eerstgenoemde bepaalt kort gezegd dat het vervaardigen van gedroogde eieren door het drogen van eieren een bewerking is die oorsprong verleent. Volgens de tweede verordening is, al even kort gezegd, de vervaardiging van druivesap uit druivemost geen oorsprong verlenende bewerking. Dan is er verordening nr. 315/71 van 12 februari 1971 betreffende het vaststellen van de oorsprong van basiswijn bestemd voor de vervaardiging van vermout en van de oorsprong van vermout (PB 1971, L 36, blz. 10). Deze bepaalt dat het toevoegen van verse druivemost, geconcentreerde most of alcohol aan wijn ter verkrijging van „basiswijn” geen oorsprong verleent, maar dat dit wel het geval is met de verwerking van „basiswijn” tot vermout, die geheel andere organoleptische kenmerken bezit. Dit is ongetwijfeld juist, maar er blijkt wel uit hoe subtiel het onderscheid kan zijn.
Vervolgens zijn er verordeningen waarin duidelijk sprake is van gradatie. Kenmerkend voor deze groep zijn verordening nr. 2632/70 van 23 december 1970 betreffende de vaststelling van de oorsprong van radio- en televisieontvangtoestellen (PB 1970, L 279, blz. 35) en verordening nr. 861/71 van 27 april 1971 betreffende de vaststelling van de oorsprong van bandrecorders (PB 1971, L 95, blz. 11). Artikel 1 van beide verordeningen bepaalt dat de betrokken produkten slechts beschouwd worden als zijnde van oorsprong uit „het land of uit de Gemeenschap waar de vervaardiging heeft plaatsgevonden, indien de waarde verkregen uit hoofde van de montagehandelingen en, eventueel, door het gebruik van onderdelen welke van oorsprong zijn uit dit land of uit de Gemeenschap, ten minste 45 % uitmaakt van de factuurprijs, af fabriek' van de betrokken toestellen.”
Verordening nr. 1039/71 van 24 mei 1971 met betrekking tot het vaststellen van de oorsprong van enige textielprodukten (PB 1971, L 113, blz. 13) bevat tal van voorbeelden van fijne onderscheidingen tussen diverse fabricageprocédés. Zij bepaalt ook dat borduurwerk slechts oorsprong verleent „indien de geborduurde oppervlakte ten minste 5 % van de totale oppervlakte (van het produkt) vormt.”
Ik geloof niet dat meer voorbeelden noodzakelijk zijn.
Verweerster en de Commissie hebben het vermalen van caseïne zoals dat door verzoekster geschiedt, vergeleken met het malen van koffie of peper. Ik geloof niet dat deze bewerkingen op één lijn kunnen worden gesteld, want anders dan caseïne wordt koffie ook gemalen bij de kruidenier of in de keuken, en peper ook wel aan tafel.
Voorts hecht de Commissie tamelijk veel belang aan de omstandigheid dat het vermalen van caseïne geen wijziging brengt in de indeling van het produkt in het gemeenschappelijk douanetarief (post 35.01) en ook in handelsovereenkomsten tussen de Gemeenschap en derde landen niet als een oorsprong verlenende bewerking wordt vermeld. Maar hieraan kunnen geen conclusies worden verbonden, zoals ook de Commissie zelf wel schijnt in te zien.
Harerzijds heeft verzoekster als bijlage 2 bij haar opmerkingen de antwoorden overgelegd die haar afnemers hebben gegeven op vragen die zij hun had toegezonden op 28 mei 1976 — de dag waarop het Verwaltungsgericht zijn verwijzingsbeschikking gaf. Ik geloof echter niet dat verzoekster daarbij veel baat kan vinden. Weliswaar geeft het merendeel van haar afnemers — zij het lang niet alle — toe dat verzoeksters activiteiten een belangrijke fabricagefase vormen. Maar de formulering van de vraag was zodanig, dat dit antwoord als het ware werd gesuggereerd en bovendien was geen verband gelegd met het probleem van de oorsprong. De vragenlijst heeft trouwens enkele merkwaardige resultaten opgeleverd. Zo bleek een afnemer van mening dat verzoeksters activiteiten tot het ontstaan van een „nieuw produkt” leidden, maar hij weigerde niettemin ze als belangrijk te kwalificeren.
Wat mij ten slotte na lang aarzelen ertoe heeft gebracht mij aan de zijde van de Commissie en het Comité Oorsprong van goederen te scharen, is het argument van de Commissie betreffende het relatieve belang van enerzijds het produktieproces ter bereiding van ruwe caseïne en anderzijds de door verzoekster toegepaste bewerking. Wat verzoekster doet, is zoals gezegd stellig belangrijk, maar het schijnt dat de kwaliteit en zelfs de soort van de caseïne hoofdzakelijk afhankelijk zijn van de toegepaste procédés bij de vervaardiging van het ruwe produkt. De beschrijving van deze procédés in de opmerkingen van de Commissie is door verzoekster niet betwist. Ik laat de technische bijzonderheden voor wat ze zijn, doch merk slechts op dat de kwaliteit en aard van de caseïne kennelijk door tal van factoren worden bepaald, zoals de mate waarin de melk die als grondstof dient, is afgeroomd, het gebruikte stremsel (zwavelzuur, melkzuur, zoutzuur of leb) alsmede de zuiverheid en hoeveelheid hiervan, de temperatuur waarop het mengsel wordt gebracht, de doeltreffendheid van het droogprocédé enzovoorts.
Drie schijnbaar onbetekenende gegevens kunnen deze indruk bevestigen.
In de eerste plaats is er een brief met commentaar van verzoeksters grootste Japanse afnemer op de eerderbedoelde vragenlijst (in bijlage 2 bij haar opmerkingen); daarin maakt die afnemer duidelijk onderscheid tussen „gebruikers van lebcaseïne” en „gebruikers van zuurcaseïne”.
In de tweede plaats een opmerking die de Duitse Regering heeft gemaakt toen zij het probleem voorlegde aan het Comité Oorsprong van goederen. Met betrekking tot het produkt van verzoekster zei zij: „De vermalen caseïne is kennelijk van belang voor andere gebruikers dan die voor wie het kwalitatief betere EEG-produkt geschikt is, zodat de producenten hiervan geen afzetmogelijkheden verliezen.”
Het derde gegeven is te vinden in het antwoord van sommige afnemers op een van de vragen van verzoeksters vragenlijst. Nadat eerst is gevraagd of de afnemer wel eens heeft overwogen zelf een caseïnemolen te kopen, vervolgt de vragenlijst:
„Zo ja, hoe groot moet uw prijsvoordeel zijn bij de aankoop van ongemalen caseine, om op te wegen tegen de kosten van het vermalen, het risico van vervuiling en de ongelijke kwaliteit van baal tot baal?
2 %, 5 %, 10 %, 20 %”.
Slechts een minderheid van de afnemers beantwoordde deze vraag; daarvan antwoordden er twee met 5 %, zes met 10 %, een met 20 % en een met „meer”. Geen van verzoeksters afnemers bezat een caseïnemolen of zei de aankoop ervan te overwegen, maar de gegeven antwoorden schijnen erop te wijzen dat over het geheel genomen de kosten van het reinigen, vermalen en sorteren slechts als een klein deel van de totale kosten van gemalen caseïne worden beschouwd.
Samenvattend concludeer ik dat het Hof de vraag van het Verwaltungsgericht beantwoorde als volgt: onbewerkte caseïne uit een derde land, die in een Lid-Staat van de EEG wordt gereinigd, vermalen, gesorteerd en opnieuw verpakt, kan niet worden geacht van oorsprong te zijn uit die Lid-Staat in voege als bedoeld in artikel 5 van 's Raads verordening nr. 802/68.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy