CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 14 DECEMBER 1976 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Ingevolge artikel 99 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap kan de Commissie bij de Raad voorstellen indienen voor maatregelen om in het belang van de gemeenschappelijke markt de wetgevingen van de verschillende Lid-Staten met betrekking tot de omzetbelasting te harmoniseren.
In een advies van 3 juni 1964 gaf de Commissie de hoofdlijnen aan van een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Vervolgens stelde de Raad op grond van de artikelen 99 en 100 EEG-Verdrag een aantal richtlijnen hiervoor, vast.
De eerste dateert van 11 april 1967 en had ten doel de belastingheffing volgens het cumulatieve cascadestelsel af te schaffen en in alle Lid-Staten een gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde in te voeren. Echter werd de noodzaak erkend om etappegewijs te werk te gaan, omdat de harmonisatie van de omzetbelastingen in de Lid-Staten zou leiden tot aanzienlijke wijzigingen in hun belastingstructuur en merkbare gevolgen zou hebben op budgettair, economisch en sociaal terrein.
Derhalve werd in een eerste fase wel de invoering door alle Lid-Staten van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde voorgeschreven, doch nog geen harmonisatie van de tarieven en vrijstellingen van deze belastingen. De uiterste termijn voor de vervanging van de omzetbelastingen door het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde was aanvankelijk vastgesteld op 1 januari 1970. Vóór die datum moesten de Lid-Staten ingevolge artikel 2, eerste alinea, dat op dit punt aansluit bij de bewoordingen van het advies van de Commissie van 1964, het beginsel hebben ingevoerd dat „van goederen en diensten een algemene verbruiksbelasting wordt geheven welke strikt evenredig is aan de prijs van goederen en diensten, zulks ongeacht het aantal transacties welke tijdens het produktie- en distributieproces vóór de fase van heffing plaatsvonden”. Volgens de tweede alinea van dit artikel is bij elke transactie de belasting over de toegevoegde waarde, berekend over de prijs van het goed of van de dienst volgens het tarief dat voor dat goed of voor die dienst geldt, verschuldigd onder aftrek van het bedrag van de belasting over de toegevoegde waarde waarmede de onderscheidene elementen van de prijs rechtstreeks zijn belast.
De maatregelen betreffende de structuur en de wijze van toepassing van dit gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde zijn getroffen in een tweede richtlijn van de Raad, eveneens van 11 april 1967. De aftrekregeling is vervat in artikel 11, waarop ik nog terugkom, omdat de Hoge Raad der Nederlanden met name deze bepaling wenst te zien uitgelegd.
Toen het niet mogelijk bleek het stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde in Italië en België in te voeren vóór 1 januari 1970, is deze datum verschoven naar 1 januari 1972 (derde richtlijn van 9 december 1969), zij het met uitzondering van Italië, waaraan andermaal uitstel werd gegund tot, uiteindelijk, 1 januari 1973 (vijfde richtlijn van 4 juli 1972).
Overeenkomstig de eerste en tweede richtlijn verscheen in Nederland een wet van 28 juni 1968 houdende vervanging van de destijds geldende omzetbelasting door een belasting volgens het stelsel van heffing over de toegevoegde waarde. Deze wet trad op 1 januari 1969 in werking en is nadien herhaaldelijk aangevuld en nader uitgewerkt in een hele serie „officiële toelichtingen”.
Het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), dat onder andere tijdschriften uitgeeft en bepaalde activiteiten verricht ten behoeve van de bij het Verbond aangesloten ondernemingen, schafte zich in de eerste maanden van 1972 een lettertang en convocatiedrukwerk voor de bij het Verbond aangesloten leden aan. VNO is als ondernemer in de zin van artikel 7 van de genoemde wet van 1968 omzetbelasting verschuldigd over leveringen van goederen of — hetgeen hier veeleer het geval is — diensten, welke binnen het Rijk worden verricht, in de zin van artikel 1 van bedoelde wet.
Op zijn belastingaangifte bracht VNO de hem voor de aankoop van dit materiaal gefactureerde BTW volledig in aftrek, als betrekking hebbende op transacties die recht geven op aftrek wegens gebruik van goederen en diensten voor bedrijfsdoeleinden, zulks op grond van twee bepalingen van deze wet die luiden als volgt:
Artikel 2:
„Op de belasting, verschuldigd ter zake leveringen van goederen en diensten, wordt in aftrek gebracht de belasting ter zake van de aan de ondernemer verrichte leveringen van goederen en verleende diensten en terzake van invoer van voor hem bestemde goederen.”
Artikel 15, lid 1:
„De in artikel 2 bedoelde belasting welke de ondernemer in aftrek brengt, is:
a)
de belasting welke in het tijdvak van aangifte door andere ondernemers ter zake van door hen aan de ondernemer verrichte leveringen en verleende diensten in rekening is gebracht op een de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur …”
Deze bepalingen geven slechts uitvoering aan het beginsel neergelegd in de eerste en tweede richtlijn van de Gemeenschap, en met name in artikel 2 van de eerste richtlijn en in artikel 11, leden 1 en 3, van de tweede richtlijn (volledige en onmiddellijke aftrek).
Op dit beginsel wordt echter een uitzondering gemaakt in artikel 45 van de wet op de omzetbelasting, gewijzigd bij wet van 18 december 1969 en vervolgens bij wet van 15 december 1971, in werking getreden op 1 januari 1972. Artikel 45, lid 1, luidt als volgt:
„Met afwijking in zoverre van de artikelen 2 en 15 is, met betrekking tot goederen welke zijn bestemd om door de ondernemer als bedrijfsmiddel te worden gebruikt, aftrek slechts toegestaan van:
a)
30 percent van de belasting ingeval de levering of de invoer plaatsvindt in 1969 of 1970;
b)
60 percent van de belasting, ingeval de levering of de invoer plaatsvindt in 1971;
c)
67 percent van de belasting, ingeval de levering of de invoer plaatsvindt in 1972.”
De Nederlandse wetgever heeft aldus gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 17 van de tweede richtlijn waarin onder meer wordt bepaald:
„Met het oog op de overgang van de huidige stelsels van omzetbelasting naar het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde hebben de Lid-Staten de bevoegdheid:
—
…
—
…
—
gedurende een bepaalde overgangsperiode de investeringsgoederen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de in artikel 11 bedoelde aftrekregeling…”
Op grond van artikel 45, lid 1, van de wet op de omzetbelasting stond de ten deze bevoegde inspecteur der invoerrechten en accijnzen de door VNO toegepaste aftrek slechts toe tot 67 % van het belastingbedrag dat het Verbond bij aankoop van bedoeld materiaal had betaald. Hij legde hiertoe een naheffingsaanslag op voor het verschil, te weten Fl 96,67.
VNO bestreed deze aanslag bij de Tariefcommissie met een beroep op de volledige en onmiddellijke aftrekregeling van artikel 11 van de tweede gemeenschapsrichtlijn. De Tariefcommissie verwierp dit beroep echter op grond dat de in artikel 17 gebruikte term „investeringsgoederen” de nationale wetgever een aanzienlijke beleidsmarge laat en deze gemeenschapsbepaling dus niet „rechtstreeks toepasselijk” is.
Het Verbond heeft zich van deze uitspraak in cassatie voorzien bij de Hoge Raad, die zich thans tot Uw Hof heeft gewend met een drietal interpretatievragen.
De Hoge Raad vraagt in de eerste plaats of onder de in artikel 17, na het derde streepje, van de tweede richtlijn van de Raad van 11 april 1967 genoemde „investeringsgoederen” moeten worden verstaan goederen, waarvan de aanschaffingskosten volgens de principes van het boekhouden en van de bedrijfseconomie niet tot de lopende uitgaven worden gerekend maar over meer dan één jaar worden verdeeld.
In geval deze vraag niet bevestigend wordt beantwoord, vraagt de Hoge Raad voorts aan de hand van welk ander criterium dan moet worden beoordeeld of een goed tot de aldaar genoemde investeringsgoederen moet worden gerekend.
In de derde plaats vraagt de Hoge Raad ten slotte of het in artikel 11 van de bedoelde richtlijn vervatte voorschrift inzake aftrek van de omzetbelasting welke aan een belastingplichtige is gefactureerd voor hem geleverde goederen, aan een aan de Nederlandse omzetbelasting-onderworpen justitiabelen een door de Nederlandse rechter te handhaven aanspraak geeft op onbeperkte aftrek voor zover het betreft goederen, aangeschaft in 1972, die voor bedrijfsdoeleinden zullen worden aangewend, doch die niet behoren tot de investeringsgoederen als bedoeld in artikel 17 van de richtlijn.
Alvorens in te gaan op het stelsel van de tweede gemeenschapsrichtlijn, eerst enkele vooropmerkingen.
Voor de beslissing in het hoofdgeding zal de nationale rechter zelf moeten uitmaken of het door VNO aangeschafte materiaal een „bedrijfsmiddel” is in de zin van de wet van 1968 en of een dergelijk „bedrijfsmiddel” valt onder het begrip „investeringsgoederen” bedoeld in artikel 17 van de tweede richtlijn. Het is uiteraard niet aan het Hof om vast te stellen wat moet worden verstaan onder „bedrijfsmiddelen” in de zin van de nationale wet, laat staan te verklaren of de litigieuze goederen in het licht van de nationale wet als zodanig moeten worden beschouwd. In het kader van deze procedure gaat het evenmin om een uitspraak over de merites van de Nederlandse wet van 1968, doch om de uitlegging van de term „investeringsgoederen” aan de hand van de doelstelling van de richtlijn, opdat de nationale rechter kan beslissen, of de wetgever van zijn land naar dit doel heeft gehandeld respectievelijk hoe de nationale uitvoeringswet moet worden uitgelegd en toegepast, om haar in overeenstemming te brengen met de richtlijn.
De geringe hoogte van het door VNO gevorderde bedrag geeft allerminst het achterliggende belang van deze zaak weer. Verzoeker in het hoofdgeding komt er namelijk rond voor uit dat het hier om een proefgeding gaat en dat een eventuele beslissing te zijnen gunste de Nederlandse fiscus zou verplichten een aantal ondernemingen aanzienlijke bedragen te restitueren. De litigieuze voorwerpen zijn met zorg gekozen en samengesteld om als proefballon te dienen. Zij houden het midden tussen „bedrijfsmiddelen”, die wegens hun geringe waarde als lopende uitgaven worden geboekt, en kostbaarder bureaumateriaal (zoals schrijfmachines) dat een langere gebruiksduur heeft en, afhankelijk van plaats en tijd, over meerdere jaren kan worden afgeschreven.
Volgens de officiële „toelichting” op de overgangsregeling voor bedrijfsmiddelen (bij rondschrijven bekendgemaakt gelijktijdig met de wet) vindt artikel 45 geen toepassing ten aanzien van bedrijfsmiddelen waarvan de vergoeding (exclusief omzetbelasting) per in de handel gebruikelijke eenheid niet meer dan Fl 50 bedraagt.
In de „toelichting” wordt uiteengezet dat veel goederen in beginsel „per stuk” kunnen worden aangeschaft (ballpoints, ordners, kantoormappen, perforateurs, e.d.). Voor deze goederen kan als „in de handel gebruikelijke eenheid” één exemplaar worden beschouwd. Dit is het geval met de door VNO aangeschafte lettertang. Veel andere goederen kunnen echter in beginsel slechts in bepaalde standaardhoeveelheden worden aangeschaft (paperclips, nietjes, e.d.). Voor deze goederen dient de in de handel gebruikelijke eenheid te worden gesteld op de minimum standaardhoeveelheid welke gewoonlijk wordt verkocht. In gevallen ten slotte waarin goederen normaliter niet per stuk worden verkocht, terwijl evenmin sprake is van een gebruikelijke minimum standaardhoeveelheid, dient onder „in de handel gebruikelijke eenheid” te worden verstaan de minimumhoeveelheid welke een willekeurige verkoper bereid is te leveren in dier voege, dat levering van een nog kleinere hoeveelheid niet meer leidt tot een lagere totale prijs. Indien de prijs van deze minimumhoeveelheid niet meer bedraagt dan Fl 50, blijft artikel 45 buiten toepassing, ongeacht de hoeveelheid die in feite wordt aangeschaft, en is de door de opdrachtgever (bij voorbeeld in verband met een grote afname) betaalde prijs niet bepalend. Wanneer een onderneming bij voorbeeld 10000 stuks drukwerk (facturen) betrekt tegen een prijs van Fl 45 per duizend terwijl de prijs van de minimumhoeveelheid welke de verkoper bereid is te leveren (zonder dat de prijs verder daalt) bij voorbeeld Fl 55 per duizend is, komt de ter zake in rekening gebrachte belasting derhalve niet geheel voor aftrek in aanmerking. Deze regel is naar ik meen toegepast op het door VNO gekochte drukwerk.
Ik wil thans nader ingaan op de bepalingen waarop het verzoek om een prejudiciële beslissing betrekking heeft.
Artikel 11, lid 1, van de tweede richtlijn is als het ware de sleutel van het BTW-stelsel, omdat daarin het beginsel van de aftrek van voorbelasting is neergelegd. Met dit beginsel wordt beoogd cumulatie van belastingen te vermijden en een der doeleinden van het stelsel — belastingneutraliteit op mededingingsgebied — te bereiken.
De aftrekregeling is dan ook van verstrekkende betekenis.
Volgens artikel 11, lid 1, mag de belastingplichtige in beginsel aftrekken:
„a)
de belasting over de toegevoegde waarde, welke hem is gefactureerd voor de hem geleverde goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte diensten;
b)
de belasting over de toegevoegde waarde, welke voor ingevoerde goederen is voldaan;
c)
de belasting over de toegevoegde waarde, welke hij heeft voldaan wegens het voor bedrijfsdoeleinden in gebruik nemen van een goed, dat door hemzelf of voor zijn rekening door een derde is vervaardigd of gewonnen.”
De enige voorwaarde voor het recht op aftrek is dat de goederen en diensten inderdaad bestemd zijn om te worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden: ingevolge artikel 11, lid 4, zijn de Lid-Staten bevoegd van de aftrekregeling goederen en diensten uit te sluiten die weliswaar zijn aangeschaft of verricht voor bedrijfsdoeleinden, doch waarvan in verband met hun aard kan worden verwacht dat zij „uitsluitend of gedeeltelijk worden gebruikt voor de privébehoeften van de belastingplichtige of van zijn personeel”.
In de tweede plaats bevat lid 3 van dit artikel duidelijk het beginsel van de onmiddellijke aftrek. De belastingplichtige mag van de belasting over de toegevoegde waarde welke hij over een bepaalde periode verschuldigd is, de belasting aftrekken, die hijzelf in die periode heeft betaald over de waarde van door hem aangeschafte goederen of aan hem verleende diensten.
Dit geldt in het definitieve gemeenschappelijke BTW-stelsel in beginsel eveneens voor investeringsgoederen. Een eerste uitzondering wordt voor deze categorie echter gemaakt in nummer 23 van bijlage A bij de richtlijn, waarin de Lid-Staten worden gemachtigd — voor zover zulks om „conjuncturele redenen” gerechtvaardigd is —;
—
hetzij deze investeringsgoederen geheel of gedeeltelijk van de aftrekregeling uit te sluiten;
—
hetzij om voor die goederen de methode van aftrek in jaarlijkse gedeelten toe te passen (pro rata temporisaftrek).
De kwestie van de investeringsgoederen vroeg echter ook om een regeling in de fase van de overgang van de oude omzetbelastingstelsels naar het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. De tweede richtlijn verleende de zes Lid-Staten dan ook de bevoegdheid af te wijken van het beginsel van aftrek voor dit soort goederen, en wel — volgens artikel 17 — door:
—
gedurende een bepaalde overgangsperiode voor de investeringsgoederen de methode van aftrek in jaarlijkse gedeelten (pro rata temporis-aftrek) toe te passen, ofwel
—
deze investeringsgoederen geheel of gedeeltelijk uit te sluiten van de in artikel 11 bedoelde aftrekregeling (derde streepje).
Van deze tweede bevoegdheid heeft de Nederlandse wetgever gebruik gemaakt met betrekking tot goederen die bestemd zijn om door de belastingplichtige als bedrijfsmiddelen te worden gebruikt.
Ofschoon de tweede richtlijn dus herhaaldelijk de term „investeringsgoederen” gebruikt, geeft zij daarvan geen nauwkeurige omschrijving.
Moet hieruit nu worden afgeleid — zoals de Tariefcommissie doet — dat het begrip zo vaag en voor uiteenlopende interpretatie vatbaar is dat de Lid-Staten, die zijn belast met de uitwerking van de richtlijn in het nationale recht, zelf de inhoud daarvan hebben te bepalen en dus het toepassingsgebied van de richtlijn naar eigen goeddunken kunnen afbakenen?
Ik meen van niet. De Lid-Staten mogen op het gebied van de BTW, bij voorbeeld wat de tariefvaststelling betreft, geheel autonoom zijn gebleven, doch van de mogelijkheid om afwijkingen aan te brengen en van de bevoegdheid zekere overgangsbepalingen toe te passen, zoals die voorzien in artikel 17, tweede en derde streepje, mogen zij slechts gebruik maken binnen het kader en volgens de bepalingen van de richtlijn.
Wat ons thans te doen staat, is uit de verschillende bepalingen over investeringsgoederen de elementen af te leiden om, zoal niet tot een nauwkeurige omschrijving die immers ontbreekt, dan toch tot algemene criteria voor dit begrip te komen.
Daarover kan naar ik meen al dadelijk een eerste opmerking worden gemaakt.
Immers, anders dan goederen die rechtstreeks worden verwerkt in het produktieproces, zoals grondstoffen of halffabrikaten die opgaan in de verkochte produkten, worden investeringsgoederen gebruikt voor bedrijfsdoeleinden, zonder rechtstreeks te worden verwerkt in het produktie- en verkoopproces. Het zijn goederen die gedurende langere tijd telkens worden gebruikt.
Als gevolg hiervan worden investeringsgoederen in het algemeen geleidelijk afgeschreven.
Dit begrip afschrijving vindt men nu, tezamen met de term investeringsgoederen, terug in verschillende bepalingen van de tweede richtlijn van 11 april 1967.
Ingevolge artikel 11, lid 2, is de belasting over de toegevoegde waarde, drukkende op goederen welke worden gebruikt voor het verrichten van niet belastbare of vrijgestelde handelingen, niet aftrekbaar. Eenzelfde belastingplichtige kan echter deels handelingen met recht op aftrek en deels handelingen zonder recht op aftrek hebben verricht. In dat geval geldt volgens de richtlijn de zogenaamde pro rataregel, welke slechts aftrek toestaat voor het gedeelte van de belasting over de toegevoegde waarde, dat evenredig is aan het bedrag van de handelingen die recht geven op aftrek in verhouding tot het geheel van de handelingen waarover belasting wordt geheven.
Artikel 11, lid 3, bepaalt voor dit geval van gedeeltelijke aftrek dat het in aftrek te brengen bedrag voorlopig wordt bepaald aan de hand van door de Lid-Staat vastgestelde criteria; aan het einde van het jaar wordt, wanneer het verhoudingsgetal van het jaar van verkrijging is berekend, de aftrek herzien.
Artikel 11, lid 3, derde alinea, geeft voor ditzelfde geval een bijzondere regeling voor investeringsgoederen.
Hierin wordt bepaald dat de herziening plaatsvindt op basis van de wijzigingen van het verhoudingsgetal gedurende een periode van vijf jaren, het jaar van verkrijging daaronder begrepen; voor elk jaar heeft deze herziening van de aftrek slechts betrekking op een vijfde gedeelte van de op de investeringsgoederen drukkende belasting.
Deze forfaitaire spreiding over vijf jaren valt slechts te verklaren door het duurzame gebruikskarakter van investeringsgoederen.
In dezelfde zin moet de bevoegdheid van de Lid-Staten worden gezien om in de overgangsfase (artikel 17, tweede streepje) ofwel permanent om conjuncturele redenen (bijlage A van de tweede richtlijn, sub 23), voor investeringsgoederen de methode van aftrek in jaarlijkse gedeelten toe te passen.
Ook deze mogelijkheid van pro rata temporis-aftrek geeft steun aan de gedachte dat investeringsgoederen over meerdere jaren worden afgeschreven.
Ten slotte wordt in het kader van de overgangsmaatregelen die ten doel hebben eventuele cumulatie van belastingen ten gevolge van de overgang van vroegere stelsels van omzetbelasting naar het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde te voorkomen, in artikel 17 onder het vierde streepje bij wijze van uitzondering een forfaitaire aftrek toegestaan van de tot de inwerkingtreding van het nieuwe stelsel geheven omzetbelasting, zulks met name voor de investeringsgoederen welke op dat tijdstip nog niet zijn afgeschreven.
Het lijkt mij dat het begrip „investeringsgoederen” op het gebied van de BTW als het ware de tegenhanger is van het begrip „afschrijvingsgoederen” op het gebied van de directe belasting op de bedrijfsinkomsten.
Aan de hand van het criterium „afschrijving” kan derhalve worden vastgesteld of er sprake is van een investeringsgoed in de zin van artikel 17.
Anders is het gesteld met de goederen, waarvan de aanschaffingskosten onder de algemene kosten worden geboekt, die op de balans niet onder de activa paraisseren en die bijgevolg niet volgens de in de bedrijfseconomie algemeen gebruikelijke methode over meerdere jaren worden afgeschreven.
Onder deze omstandigheden lijkt het mij niet nodig in te gaan op de tweede vraag van de Hoge Raad de Nederlanden.
De derde vraag moet naar mijn mening bevestigend worden beantwoord.
Deze vraag is door het verwijzend college nauwkeurig omlijnd: gevraagd wordt of het in artikel 11 van de richtlijn vervatte voorschrift inzake volledige aftrek rechtstreeks toepasselijk is „voorzover het betreft goederen, aangeschaft in 1972, die voor bedrijfsdoeleinden zullen worden aangewend, doch die niet behoren tot de investeringsgoederen als bedoeld in voormeld artikel 17, welk gebruik de Nederlandse wetgever ook heeft gemaakt van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 11 en 17 van bovenbedoelde richtlijn”.
Zoals gezegd, is het beginsel van volledige aftrek van voorbelasting voor goederen, bestemd om te worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden, de sleutel van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde.
Deze regel is niet alleen bindend voor de Lid-Staten, althans vanaf 1 januari 1972 voor Nederland, doch ook in duidelijke en ondubbelzinnige bewoordingen gesteld.
Er is geen enkele voorwaarde aan verbonden, behoudens de bestemming der aangeschafte goederen voor bedrijfsdoeleinden.
De enige uitzonderingen — in artikel 11, lid 2 en lid 4 — zijn duidelijk afgebakend en kunnen geen afbreuk doen aan de rechtstreekse werking.
Deze uitzonderingen betreffen hetzij het geval dat de goederen worden gebruikt voor het verrichten van niet belastbare of vrijgestelde handelingen (lid 2), hetgeen noodzakelijkerwijze meebrengt dat geen aftrek plaatsvindt, hetzij het geval dat niet is voldaan aan de voorwaarde dat de aangeschafte goederen zijn bestemd voor bedrijfsdoeleinden (lid 4); deze bepaling doelt op het gebruik van bepaalde goederen voor de privébehoeften voor de belastingplichtige of van zijn personeel.
Dergelijke bepalingen doen geen afbreuk aan het recht van de belastingplichtigen zich te beroepen op het beginsel in artikel 11, lid 1, dat de nationale autoriteiten geen enkele beoordelingsruimte laat, doch de Lid-Staten daarentegen een resultaatsverbintenis oplegt om een niet-cumulatief stelsel van omzetbelasting in te voeren.
Samenvattend, concludeer ik dat op de gestelde vragen worde geantwoord:
1.
De in artikel 17, na het derde streepje, van de tweede richtlijn 67/228/EEG van de Raad van 11 april 1967, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting, voorkomende term „investeringsgoederen” heeft betrekking op duurzame gebruiksgoederen waarvan de aanschaffingskosten over meerdere jaren worden afgeschreven;
2.
Ter zake van goederen die voor bedrijfsdoeleinden worden aangewend, doch niet behoren tot investeringsgoederen, is artikel 11, lid 1, sub a, van bedoelde richtlijn een bepaling die ten behoeve van de justitiabelen rechten doet ontstaan, welke zij in een Lid-Staat in rechte geldend kunnen maken en die de nationale rechter dient te handhaven.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy