CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 30 JUNI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
In het onderhavige geding gaat het in hoofdzaak om de overplaatsing van een wetenschappelijk ambtenaar van Euratom van het Centrum voor Kernonderzoek te Petten naar dat van Ispra.
De betrokken ambtenaar is in 1962 bij de Commissie in dienst getreden. In februari 1963 kwam hij naar Petten. Daar leidde hij in de jaren 1963 en 1964 de groep „Hydrodynamica en metingen” („Hydrodynamique et Mesures”). Hij hield zich voornamelijk bezig met het programma betreffende de „kweekreactoren met gesmolten zouten” („réacteurs surgénérateurs à sels fondus”). In dit verband werd hij ook in 1964 en 1965 in de USA gedetacheerd. Na zijn terugkeer werd verzoeker weer leider van genoemde dienst en werd hij met ingang van 1 januari 1966 tot de rang A 5 bevorderd.
In de zomer van 1967 kwam de directie van het Centrum voor Onderzoek te Petten met instemming van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek — dit blijkt uit een aan verzoeker gerichte brief van 21 juni 1967 en uit een memorandum van april 1970 — tot de conclusie, dat de wijziging van het tweede onderzoekprogramma uit 1962, waartoe de Raad in juni 1965 had besloten, een voortzetting van het onderzoek op het gespecialiseerde gebied van verzoeker (reactoren met vloeibare brandstoffen — „réacteurs a combustibles liquides”) niet meer toeliet en het noodzakelijk maakte dat het personeel zich op de nieuwe taken concentreerde. Vandaar, dat de door verzoeker geleide groep op 24 juli 1967 werd ontbonden.
Daarmee rees het probleem, verzoeker anderszins zinvol in het kader van Euratom in te zetten. Aanvankelijk — vanaf april 1968 — werd hij rechtstreeks onder de directeur van het Centrum voor Onderzoek te Petten, en vervolgens — sedert 1970 — rechtstreeks onder de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek geplaatst. In deze positie zette hij zijn studies en onderzoekingen op het gebied van de kweekreactoren met gesmolten zouten voort. Daarbij maakte hij talrijke dienstreizen naar bevoegde nationale instanties en internationale organisaties en in 1973 nam hij deel aan een vergadering en maakte hij rapport op over dit thema.
Omdat de pogingen om verzoeker bij een ander directoraat-generaal in te zetten, vruchteloos bleven, werd reeds toen overwogen hem naar Ispra over te plaatsen. Dit blijkt uit een in oktober 1973 tot verzoeker gerichte nota van de directeur-generaal van het Centrum voor Onderzoek.
In 1975 kwam de leiding van het Centrum voor Onderzoek definitief tot de overtuiging dat handhaving van de bestaande toestand niet langer was te rechtvaardigen. Reeds in het voorjaar werd verzoeker derhalve aangeraden te solliciteren naar de post van wetenschappelijk attaché bij de vertegenwoordiging van de Gemeenschap te Washington, hetgeen verzoeker deed. De post te Washington werd echter aan een andere kandidaat vergeven.
Eind september 1975 werd de directie te Petten bij nota van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek meegedeeld dat het na de vaststelling van het nieuwe onderzoekprogramma voor Petten door de Raad in augustus 1975 niet meer mogelijk was, verzoeker in het kader van dit programma te werk te stellen en dat derhalve zijn overplaatsing naar een post in het kader van een ander programma moest worden overwogen. Een overeenkomstige mededeling werd verzoeker op 1 oktober 1975 gedaan. Daarin was ook sprake van contacten met andere directoraten-generaal en van het onderzoek van de mogelijkheid, verzoeker in andere inrichtingen te werk te stellen. Pogingen hiertoe bleven echter eveneens vruchteloos, zoals blijkt uit een brief van de directeur-generaal Onderzoek, Wetenschappen en Opleiding van 9 oktober 1975 en een schrijven van de directeur-generaal Industrie en Technologie van 13 oktober 1975. Daarvan werd verzoeker in een nota van de directeur-generaal van het Centrum voor Onderzoek van 17 november 1975 in kennis gesteld. Daarin werd ook beklemtoond dat er noch in Petten, noch in Karlsruhe noch in Geel werk was dat voldeed aan de kwalificaties van verzoeker, doch dat er in Ispra wel twee posten voorhanden waren waarvoor verzoeker in aanmerking kwam. De daaraan verbonden functies werden verzoeker gedetailleerd beschreven en ook werd hem meegedeeld dat zijn overplaatsing naar een dezer posten per 1 maart 1976 werd overwogen. Bovendien werd hem verzocht zich met Ispra in verbinding te stellen en uiterlijk 1 december 1975 mee te delen aan welke plaats hij de voorkeur gaf.
Op 10 december 1975 — verzoeker had geen keuze gemaakt — werd verzoeker bij besluit van de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek per 1 mei 1976 met zijn post overgeplaatst naar Ispra en wel naar departement B, afdeling Warmteuitwisseling en mechanica van de fluïda.
In die tijd nam verzoeker — ik vermeld dit omdat het ten processe ook een rol speelt — deel aan een congres van deskundigen dat van 8 tot 11 december 1975 bij de Internationale Organisatie voor Atoomenergie te Wenen plaatsvond. Daar schijnt hij tot voorzitter van deze groep van deskundigen te zijn gekozen en met de opstelling van een rapport op zijn gespecialiseerd gebied te zijn belast Met betrekking tot deze werkzaamheid werd verzoeker door de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek in februari 1976 echter meegedeeld, dat het niet aanvaardbaar was dat de Weense missie een groot deel van zijn tijd in beslag nam; hij mocht slechts marginaal werkzaam zijn buiten Ispra.
Deze feiten gaven verzoeker aanleiding op 27 februari 1976 — dat wil zeggen nog vóór zijn indiensttreding te Ispra na een verlof op 8 maart 1976 — een formele klacht bij het tot aanstelling bevoegde gezag in te dienen. Daarin betoogde hij vooral dat de overplaatsing voor hem — zowel wat zijn gezinsomstandigheden als wat zijn beroepscarrière betreft — met zware nadelen gepaard ging en dat deze hem onmogelijk maakte zijn werk in Wenen in passende mate voort te zetten. Hij klaagde voorts dat de reeds genoemde post in Washington door een andere ambtenaar was bezet. Bovendien maakte hij bezwaar dat in 1967 en 1969 onjuiste rapporten in de zin van artikel 43 van het Ambtenarenstatuut over hem waren opgemaakt — waarover hij een procedure voor het paritair beoordelingscomité had ingeleid, waarin hij in het gelijk was gesteld — en dat dergelijke rapporten met de omschrijving van zijn functies daarna helemaal niet meer waren opgesteld. Derhalve verzocht hij:
—
het overplaatsingsbesluit nietig te verklaren,
—
toe te laten dat hij zich uitsluitend met de werkzaamheden in Wenen bezig houdt,
—
een oordeel te geven over zijn uitlatingen betreffende de beide rapporten uit 1967 en 1969,
—
een taakomschrijving voor de jaren 1966-1976 te geven,
—
rapporten in de zin van artikel 43 voor 1965 tot 1975 op te maken,
—
hem met ingang van 1965 tot diensthoofd te benoemen,
—
overeenkomstige nabetalingen te verrichten, en
—
schadevergoeding te betalen.
Op deze klacht kreeg verzoeker geen antwoord. Daarom stelde hij op 30 juni 1976 het onderhavige beroep bij het Hof in.
Het verzoekschrift bevatte aanvankelijk een groot aantal vorderingen, waaronder een verzoek tot nietigverklaring van het stilzwijgend besluit tot afwijzing van zijn klacht betreffende de nietigverklaring van de weigering een omschrijving van zijn functies te geven en rapporten overeenkomstig artikel 43 op te maken, en een verzoek tot vergoeding van materiële en morele schade om verschillende redenen.
Deze vorderingen werden in repliek deels gewijzigd, deels aangevuld. Tijdens de mondelinge behandeling werd ten slotte duidelijk dat verzoeker alleen vordert:
1)
nietigverklaring van het besluit waarbij hij naar Ispra werd overgeplaatst,
2)
veroordeling van de Commissie tot vergoeding van morele en materiële schade op grond dat de overplaatsing onrechtmatig is, over hem geen rapporten overeenkomstig artikel 43 van het Personeelsstatuut werden opgemaakt en het hem onmogelijk werd gemaakt zich in voldoende mate aan de werkzaamheden te Wenen te wijden.
Mijn standpunt in de onderhavige zaak is als volgt:
I — Het overplaatsingsbesluit
Volgens verzoeker kleven aan het overplaatsingsbesluit zowel formele als materiële gebreken.
a)
Onderzoeken wij eerst of de grieven met betrekking tot formele- en procedurevoorschriften gegrond zijn.
aa)
Hierbij moet in de eerste plaats worden nagegaan of de Commissie artikel 25, tweede alinea, van het Personeelsstatuut, bepalende dat nadelige beslissingen met redenen moeten zijn omkleed, heeft miskend. Volgens verzoeker is dit het geval omdat in het besluit van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van 10 december 1975 slechts het dienstbelang van de Commissie bij een overplaatsing werd genoemd en dit niet nader werd toegelicht. De Commissie heeft daartegen vooral ingebracht dat een besluit waarin een overplaatsing om dienstredenen wordt uitgesproken, geen motivering behoeft. Bovendien staat zij op het standpunt dat een dergelijke motivering — mocht deze noodzakelijk worden geacht — voldoende voorhanden is in brieven die in verband met het overplaatsingsbesluit aan verzoeker zijn gezonden.
Ten deze moet enerzijds worden bedacht, dat overplaatsingsbesluiten die tegen de wil van de betrokkene worden genomen, zeker als nadelige besluiten in de zin van artikel 25, tweede alinea, van het Personeelsstatuut moeten worden beschouwd en derhalve met redenen moeten zijn omkleed. Dit blijkt, nadat in het arrest in zaken 18 en 35/65 (Max Gutmann t. Commissie van de EGA, arresten van 5 mei 1966 en 15 maart 1967, Jurispr. 1966, blz. 171) aanvankelijk een andere opvatting werd verdedigd, duidelijk uit het arrest in zaak 35/72 (Walter Kley t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 27 juli 1973, Jurispr. 1973, blz. 688).
Anderzijds is echter ook van belang dat de motiveringsplicht zich naar eerdere ten aanzien van de betrokkene genomen besluiten richt (zaken 36/64, Société Rhénane d'Exploitation et de Manutention „Sorema” t. Hoge Autoriteit van de EGKS, arrest van 2 juni 1965, Jurispr. 1965, blz. 446; 1/69, regering van de Italiaanse Republiek t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 9 juli 1969, Jurispr. 1969, blz. 286) en dat daarvoor — zoals in zaak 35/72 zeer in het algemeen werd overwogen — de omstandigheden waaronder een besluit wordt genomen, van belang zijn.
Aldus kan het in casu een rol spelen dat verzoeker reeds in een brief van 1 oktober 1975 van zijn directeur-generaal was meegedeeld, dat voor de ontwikkelng van de kweekreactor met gesmolten zouten in het programma van het Centrum voor Kernonderzoek geen plaats was en ook binnen afzienbare tijd geen plaats zou komen, zodat het volgens het door de Raad van Ministers voor Petten vastgestelde programma niet mogelijk was, hier van de bijzondere kennis van verzoeker gebruik te maken. Van nog meer belang is het, dat in een 11 december 1975 gedateerd begeleidend schrijven van de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek bij het overplaatsingsbesluit wordt verwezen naar een nota van 17 november 1975. In deze eveneens van de directeur-generaal afkomstige nota werd verzoeker uiteengezet dat in het kader van het Centrum voor Kernonderzoek de werkzaamheden op het gebied van kweekreactoren met gesmolten zouten niet konden worden voortgezet. Voorts werd erop gewezen, dat ook andere directoraten-generaal met dergelijke taken niets van doen hadden. Daarom was het noodzakelijk verzoeker met functies te belasten die tot het programma van het Centrum voor Onderzoek behoorden. Daar het niet mogelijk was verzoeker overeenkomstig zijn kennis en bekwaamheden in Petten, Karlsruhe of Geel in te zetten, en omdat in Ispra twee van zulke mogelijkheden, die gedetailleerd werden beschreven, bestonden, moest zijn overplaatsing naar Ispra worden overwogen.
Ik neem aan dat hiermee werd voldaan aan de motiveringsplicht „gelet op de omstandigheden”. In elk geval geloof ik dat het feit dat de inhoud van genoemde nota's niet in het overplaatsingsbesluit zelf werd herhaald, geen grond vormt om van een schending van wezenlijke vormvoorschriften te spreken. Bijgevolg kan de nietigverklaring van het overplaatsingsbesluit niet worden gerechtvaardigd met een beroep op artikel 25, tweede alinea, van het Personeelsstatuut.
bb)
In de tweede plaats is verzoeker van mening dat voor een overplaatsingsbesluit een onderzoek van het persoonsdossier vereist is. In zijn geval moet daarbij in aanmerking worden genomen dat zijn persoonsdossier geen rapporten overeenkomstig artikel 43 van het Personeelsstatuut met een omschrijving van zijn functies bevatte, daar het laatste rapport over hem uit 1969 dateerde en bovendien op zijn klacht door het daartoe bevoegde comité was bekritiseerd. Men zou dus kunnen zeggen dat het overplaatsingsbesluit een materiële basis ontbeert omdat het niet is genomen met kennis van alle feiten betreffende verzoekers loopbaan en werkzaamheid.
Toegegeven moet worden — wij zullen in een ander verband hierop nog terugkomen — dat voor verzoeker sedert genoemd tijdstip inderdaad geen rapporten overeenkomstig artikel 43 van het statuut, die zoals bekend ook een taakomschrijving moeten bevatten, zijn opgemaakt. Met de Commissie ben ik echter van mening, dat toch niet kan worden gezegd dat het overplaatsingsbesluit een materiële basis ontbeert. Men mag namelijk niet vergeten dat verzoeker, zoals aan het begin vermeld, rechtstreeks onder de directeur van het Onderzoekcentrum te Petten en vanaf 1970 onder de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ressorteerde. Derhalve kan er zonder meer van worden uitgegaan dat de directeur-generaal van de werkzaamheden en bekwaamheden van verzoeker goed op de hoogte was en dat het door hem genomen overplaatsingsbesluit derhalve met kennis van alle belangrijke elementen is uitgevaardigd.
cc)
Een ander gebrek in de overplaatsingsprocedure zou zijn gelegen in het feit dat in Ispra geen vacature bestond. In elk geval ontbrak een kennisgeving van vacature overeenkomstig artikel 4 van het statuut, die noodzakelijk is opdat — door de betrokken ambtenaar en eventueel door het Hof — kan worden nagegaan of de post waarnaar verzoeker werd overgeplaatst, beantwoordt aan zijn rang en bekwaamheden.
Wat deze grief betreft, is in de eerste plaats van belang, dat verzoeker tezamen met zijn ambt van Petten naar Ispra werd overgeplaatst. Dit verklaart het ontbreken van een vacature in Ispra en van een kennisgeving van vacature zoals in het statuut voorgeschreven. Inderdaad is volgens de jurisprudentie (vgl. arrest in zaak 61/70, Gianfranco Vistosi t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 16 juni 1971, Jurispr. 1971, blz. 541) een kennisgeving van vacature niet noodzakelijk wanneer de bekleder van een ambt tezamen daarmee wordt overgeplaatst, wanneer derhalve het tot aanstelling bevoegde gezag van mening is dat een ambt van de ene naar de andere dienst moet worden overgebracht omdat het daar meer nut oplevert. Daarbij doet het er — om mij thans tot deze opmerking te beperken — ook bij wetenschappelijke amtenaren, wil het niet tot een onduldbare kristallisatie van organisatievormen en functie-omschrijvingen komen, niet toe, of zulks wijzigingen in de functies van de betrokken ambtenaar meebrengt.
In de tweede plaats is het in casu essentieel dat de door verzoeker noodzakelijk geachte controle — functies en rang moeten overeenkomen — inderdaad kan worden uitgeoefend. In dit verband volstaat namelijk wel de taakomschrijving die zich in de reeds genoemde nota van de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek van 17 november 1975 voor de destijds in aanmerking komende posten te Ispra bevindt.
Ook vanuit het zoëven besproken gezichtspunt kan het overplaatsingsbesluit derhalve moeilijk worden bekritiseerd.
dd)
Hetzelfde geldt ten slotte — het zij reeds thans gezegd — met betrekking tot de vierde grief dat het overplaatsingsbesluit met veronachtzaming van artikel 25, derde alinea, van het statuut niet op de aankondigingsborden werd bekendgemaakt, doch dat eerst bij mededeling van 29 april 1976 aan het personeel ter kennis werd gebracht dat verzoeker met ingang van 1 maart 1976 naar Ispra was overgeplaatst
Voor mij is het duidelijk dat de bepaling waarop verzoeker zich beroept, alleen ten doel heeft het personeel over dergelijke gebeurtenissen te informeren opdat belanghebbende ambtenaren eventueel tijdig een klacht kunnen indienen. Het is daarentegen verkeerd in het vereiste van artikel 25, derde alinea, een voorwaarde te zien voor het van kracht worden van dergelijke besluiten. Een schending van artikel 25, derde alinea, van het statuut kan derhalve evenmin tot vernietiging van het overplaatsingsbesluit leiden.
b)
Van essentieel belang voor het geding is de volgende, thans te onderzoeken, vraag, of van het overplaatsingsbesluit kan worden gezegd dat het niet overeenstemt met de belangen van de dienst of in elk geval ondeugdelijk is omdat daarbij geen rekening werd gehouden met wezenlijke belangen van verzoeker.
aa)
In dit verband zij vooraf beklemtoond dat het tot aanstelling bevoegde gezag bij het nemen van dergelijke besluiten die nauw samenhangen met de uitoefening van bestuursmacht, een ruime discretionaire bevoegdheid bezit. Het Hof van Justitie kan zich derhalve in zo een geval niet met alle detailkwesties bemoeien, met name niet wanneer daarbij doelmatigheidsoverwegingen spelen. In een geval als het onderhavige komt de rechterlijke toetsing veeleer in wezen erop neer vast te stellen of er plausibele redenen zijn aangevoerd voor het feit dat verzoeker op zijn oude post niet meer passend kon worden ingezet en dat in de post waarnaar hij werd overgeplaatst een zinvolle tewerkstelling mogelijk leek. Bovendien kan bij de behandeling van de vraag of een juiste beslissing is genomen hoogstens nog worden bezien of het tot aanstelling bevoegde gezag in redelijke mate wezenlijke persoonlijke belangen in aanmerking heeft genomen en vóór de uitvaardiging van een besluit dat ingrijpende veranderingen met zich meebrengt, voldoende heeft getracht minder drastische oplossingen te vinden.
Zo gezien is reeds het uitgangspunt van verzoekers kritiek onjuist. Het standpunt van verzoeker dat het tot aanstelling bevoegde gezag verplicht is absolute voorrang te geven aan de overweging, hoe kan worden gegarandeerd dat verzoeker op zijn speciale gebied verder kan werken, moet mijns inziens worden afgewezen. Even onaanvaardbaar is de opvatting dat het overplaatsingsbesluit slechts als correct kan gelden indien wordt bewezen dat andere denkbare oplossingen, dat wil zeggen tewerkstelling van verzoeker buiten Ispra, helemaal niet in aanmerking kwamen.
bb)
Het gaat er derhalve om of ernstige materiële redenen werden aangegeven om verzoeker niet in de positie en functies te handhaven die hij tot eind 1975 had bekleed.
Hier spelen gebeurtenissen een rol die geruime tijd terugliggen. Zo heeft een in 1965 genomen besluit van de Raad over de wijziging van het voor Petten geldende onderzoekprogramma geleid tot ontbinding van de groep „Hydrodynamica en Metingen” die verzoeker sedert 1963 had geleid. Verzoeker, die destijds niet in aanmerking kwam voor een plaats in het kader van het eigenlijke onderzoekprogramma van Petten, werd daarna belast met de voortzetting van zijn vroegere werkzaamheden en studies, en wel in een ongewone positie: hij ressorteerde aanvankelijk direct onder de directeur van het Onderzoekcentrum Petten en later rechtstreeks onder de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Kernonderzoek.
Dit kon een tijdlang verdedigbaar lijken, namelijk zo lang er in het Onderzoekcentrum overtollig wetenschappelijk personeel was, dat in het kader van de vastgestelde programma's niet kon worden ingezet. Daarvan was echter na voortdurende inkrimping van het personeelsbestand ook in Petten vanaf 1974 blijkbaar geen sprake meer. In een nota van de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van 27 mei 1974 werd dan ook gesteld, dat de Raad vanaf 1974 geen overtollig wetenschappelijk personeel meer toestond.
Daarbij kwam dat in 1975 voor Petten een nieuw programma werd vastgesteld waarop alle krachten moesten worden geconcentreerd. Ook in het kader daarvan was blijkbaar geen plaats voor de studies van verzoeker en kon er geen oplossing worden gevonden voor een passende benutting van verzoekers kennis en bekwaamheden.
Gezien deze situatie die door verzoeker niet ernstig in twijfel wordt getrokken, kan er inderdaad van worden uitgegaan dat voor het nemen van het overplaatsingsbesluit een wezenlijke basis bestond: de noodzaak verzoeker elders te werk te stellen. In elk geval is in dit verband niets te onderkennen dat op misbruik van bevoegdheid wijst.
cc)
Wat betreft de ten deze nog relevante vraag of het tot aanstelling bevoegde gezag voldoende heeft getracht een minder ingrijpende maatregel te nemen alvorens tot overplaatsing naar Ispra te besluiten, zie ik ook hier geen aanleiding tot zwaarwegende kritiek.
Daarbij behoeven wij niet in te gaan op het feit dat verzoeker begin 1975 was aangeraden naar de post van wetenschappelijk attaché in Washington te solliciteren en dat dit tevergeefs was omdat aan een andere kandidaat de voorkeur was gegeven. Of de voorziening in deze vacature correct is geschied behoeft in casu niet te worden onderzocht en beslist, daar verzoeker heeft nagelaten tijdig rechtstreeks tegen de genoemde maatregel op te treden.
Van belang is veeleer dat — zoals aan de hand van de in het begin genoemde brieven werd aangetoond — bepaalde directoraten-generaal te Brussel werden benaderd. Dit bleef echter zonder resultaat omdat het speciale gebied van verzoeker in geen der lopende programma's van de aangeschreven directoraten-generaal zinvol kon worden ingepast. Van belang is ook — verzoeker kon dit niet met argumenten weerleggen — dat het tot aanstelling bevoegde gezag de mogelijkheid van tewerkstelling bij andere inrichtingen voor kernonderzoek (Karlsruhe, Geel, Mol) is nagegaan. Ook dat leverde blijkbaar geen bevredigend resultaat op, en wel eerstens wegens het geringe personeelsbestand van deze inrichtingen, en tweedens door hun bijzondere arbeidsgebieden waarvoor het specialisme van verzoeker niet van belang was.
Dit volstaat om aan te nemen dat het tot aanstelling bevoegde gezag zich redelijke inspanningen heeft getroost, en er derhalve niet van misbruik van bevoegdheid sprake is. Daarentegen hoeft niet te worden ingegaan op de vraag of de inspanningen niet nog hadden kunnen worden uitgebreid, temeer daar verzoeker niet genoegzaam vermocht aan te tonen dat bij andere directoraten-generaal voor de hand liggende plaatsingsmogelijkheden bestonden. Evenmin kan een beleidsfout worden gegrond op de opmerking dat het tot aanstelling bevoegde gezag een tewerkstelling van verzoeker in het kader van verdragen met nationale of internationale instanties, of zelfs een detachering zoals voorzien in artikel 6 van het Euratom-Verdrag, niet heeft beproefd. Daarvoor ontbreken eveneens voldoende duidelijke aanknopingspunten, nog daargelaten dat desbetreffende overwegingen te diep zouden ingrijpen in de aan het tot aanstelling bevoegde gezag voorbehouden discretionaire bevoegdheid, waarbinnen alleen dit gezag over de prioriteiten bij de uitwerking van bepaalde programma's en de tewerkstelling van het beschikbare personeel heeft te beslissen.
dd)
Verzoeker legt er in zijn kritiek sterk de nadruk op — en dit brengt mij op het volgende punt — dat zijn overplaatsing niet met de verantwoordelijke leider van het Onderzoekcentrum Ispra was afgesproken en dat hij in Ispra geen duidelijk omschreven functies had ontvangen. Daarom zou niet kunnen worden aangenomen dat het dienstbelang zijn overplaatsing naar Ispra noodzakelijk had gemaakt. Bovendien is van belang dat de functies die in het overplaatsingsbesluit staan aangeduid onder het niveau van zijn vroegere taken lagen en dat hij ook in de ambtenarenhiërarchie een slechtere positie kreeg toegewezen.
Het eerste deel van deze kritiek is kennelijk niet gegrond. Zo heeft de Commissie ons verzekerd — en ik zie geen aanleiding aan de juistheid van haar bewering te twijfelen — dat de leider van de inrichting te Ispra zich mondeling met de overplaatsing van verzoeker akkoord had verklaard. Het is derhalve niet zo, dat de leiding van de inrichting geen behoorlijke tewerkstelling voor verzoeker heeft gezien. Het is evenmin juist, dat de aan verzoeker nieuw toebedeelde taken niet duidelijk zijn omschreven. Daarvoor kan in de eerste plaats worden verwezen naar het reeds genoemde schrijven van de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek van 17 november 1975, dat aan de overplaatsing voorafging. In de tweede plaats blijkt ook uit een op 12 maart 1976 door een meerdere van verzoeker aan de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek gericht telexbericht, dat verzoeker over zijn nieuwe taken op de hoogte werd gesteld.
Wat bovendien de aard en het niveau van de aan verzoeker toegewezen functies en zijn positie in de ambtenarenhiërarchie betreft, dient nog het volgende te worden opgemerkt.
Ik acht het niet beslissend, dat bij een overplaatsing een zekere wijziging in de functies plaatsheeft, zolang maar een voldoende nauwe samenhang met de tot dusver uitgeoefende werkzaamheden alsmede met de vooropleiding en de kennis van de betrokken ambtenaar bestaat. Naar mijn overtuiging is niet genoegzaam duidelijk gemaakt, dat het in casu daaraan ontbreekt. Met name voor de bewering dat de aan verzoeker in Ispra toegewezen taken in werkelijkheid die van een technicus in de rang B 1 waren, wordt geen enkel bewijs geleverd. In dit verband mag met name niet worden vergeten, dat verzoeker ambtenaar in de rang A 5 is en als zodanig een loopbaan heeft die zich over verscheidene rangen (A 5 tot A 8) uitstrekt. Dat de functies zich daarbij niet altijd duidelijk genoeg naar hun niveau onderscheiden, is mijns inziens niet verwonderlijk.
Voorts is het feit dat verzoeker in Ispra in de hiërarchie werd opgenomen en derhalve vier rangen meerderen boven zich heeft van geen belang omdat dit voor een ambtenaar A 5 normaal is. Daarin valt geen degradatie te zien, ook al staat vast, dat verzoeker lange tijd direct onder de directeur van een inrichting voor kernonderzoek en daarna rechtstreeks onder de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ressorteerde. Zoals gezegd, gebeurde dit na ontbinding van de dienst, die verzoeker aanvankelijk had geleid, toen zich het probleem voordeed, hem passend werk te geven. Men kan echter niet zeggen, dat verzoeker op deze wijze een „adviseur” werd, en met name kan daaruit niet het recht worden afgeleid, dat de door de bekende moeilijkheden veroorzaakte bijzondere toestand ongewijzigd moest blijven.
ee)
Ten slotte moet nog worden ingegaan op de vraag of de rechtmatigheid van het overplaatsingsbesluit in twijfel kan worden getrokken op grond dat dit besluit heeft geleid tot een inperking van de taken die verzoeker in het kader van een bij de Internationale Organisatie voor Atoomenergie gevormde commissie van deskundigen werden toebedeeld en die in 1977 moesten worden afgesloten. Daarnaast moet worden nagegaan of tegen het overplaatsingsbesluit kan worden aangevoerd, dat daarbij buiten beschouwing is gelaten dat verzoeker als schuldloos gescheiden echtgenoot zijn drie minderjarige kinderen kreeg toegewezen waarvan er twee in Nederland waren geboren en dat hun Nederlandse verzorgster niet bereid was voor langere tijd naar Italië te verhuizen.
Ten aanzien van het eerste punt, de werkzaamheden van verzoeker in Wenen, moet allereerst erop worden gewezen, dat in een nota van de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek van 28 november 1975, waarin verzoeker werd toegestaan de uitnodiging voor het congres van 8 tot 11 december 1975 te aanvaarden, uitdrukkelijk werd gesteld dat werkzaamheden op dit gebied niet konden worden voortgezet, omdat zij niet meer tot het onderzoekprogramma van de Gemeenschap behoorden. Daarmee werd duidelijk gemaakt — en daarbij was zeker reeds aan verzoekers overplaatsing gedacht — dat verzoeker in Wenen geen belangrijke, langere tijd in beslag nemende taken op zich mocht nemen. Daarop is bovendien nog eens gewezen in een telexbericht van de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek, dat op 19 maart 1976 aan een chef van verzoeker was gericht. Het feit dat verzoeker voor zijn werkzaamheden in Wenen nog slechts marginaal tijd werd gelaten — 10 % werd in een brief als criterium genoemd — kan derhalve moeilijk tegen het overplaatsingsbesluit worden aangevoerd. Het zou mijns inziens zelfs van geen belang zijn, indien het genoemde voorbehoud niet vanaf het begin was gemaakt; want het staat het tot aanstelling bevoegde gezag vanzelfsprekend vrij, werkzaamheden anders te organiseren wanneer het van mening is dat bepaalde functies in het programma van de Gemeenschap voorrang moeten hebben. In geen geval heeft een ambtenaar recht op voortzetting van bepaalde werkzaamheden die hem eenmaal zijn opgedragen of toegestaan.
Wat anderzijds de gezinssituatie van verzoeker betreft, kan niet worden ontkend dat de overplaatsing voor hem in zoverre problemen met zich bracht, dat de Nederlandse verzorgster van zijn kinderen niet bereid was, voorgoed naar Italië te verhuizen. Ik ben echter van mening dat dit geen absolute hindernis is die in de weg staat aan een overplaatsingsbesluit, wanneer dit om dienstredenen raadzaam voorkomt. Bovendien zie ik niet in dat het om onoplosbare problemen gaat. Ten processe heeft verzoeker, die in 1975 toch bereid was naar de USA te gaan, niets gedaan om de indruk weg te nemen dat hij nog heel geen bijzondere moeite had gedaan om dit stellig lastige probleem op te lossen.
ff)
Op grond van het onderzoek van alle tot dusver aangevoerde aspecten kan derhalve worden vastgesteld dat de Commissie geen misbruik van bevoegdheid kan worden verweten bij het nemen van het bestreden overplaatsingsbesluit. Daar ook andere aanwijzingen waaruit moet blijken dat het om een verkapte tuchtmaatregel gaat, niet zwaarwegend genoeg zijn — verzoeker voert in dit verband de ontbinding van de groep „Hydrodynamica en Metingen”, het wegnemen van zijn secretaresse, de ontruiming van zijn bureau in Petten buiten zijn medeweten alsmede daarmee samenhangende bedreigingen met sancties aan—, kan worden geconcludeerd dat de hoofdvordering, strekkend tot nietigverklaring van het overplaatsingsbesluit, ongegrond is.
II — De vorderingen tot schadevergoeding
Onderzocht moet nog worden hoe het staat met de door verzoeker ingestelde schadevorderingen. Deze berusten op drie gronden:
—
op de volgens verzoeker onrechtmatige overplaatsing naar Ispra, die zowel materiële schade (hier is sprake van reiskosten, uitgaven voor huur, telefoon en levensonderhoud) als morale schade (verzoeker spreekt van een capitis diminutio) zou hebben veroorzaakt;
—
voorts op het feit dat verzoeker de voortzetting van de werkzaamheden in Wenen slechts in zeer beperkte omvang werd toegestaan;
—
ten slotte op het feit dat over verzoeker sinds 1967 geen rapporten overeenkomstig artikel 43 van het Personeelsstatuut met taakomschrijving bestaan, waardoor afbreuk zou zijn gedaan aan zijn kansen op bevordering en een toepassing van de artikelen 97 en 99 van het statuut zou zijn verijdeld.
a)
Over het eerste punt van de motivering der vordering kan ik kort zijn. Naar mijn mening kleven aan het overplaatsingsbesluit geen fouten en is dit derhalve niet onrechtmatig. Met name is niet aangetoond dat het voor verzoeker met een degradatie gepaard gaat. Het overplaatsingsbesluit kan dus niet tot betaling van schadevergoeding leiden.
b)
Wat de werkzaamheden van verzoeker in Wenen betreft, meent deze dat de genoemde beperking de in artikel 24, derde alinea, van het statuut neergelegde bijstandsverplichting miskent, daar zij verzoeker niet voldoende ruimte laat voor werkzaamheden op zijn speciale gebied, die voor zijn verdere loopbaan van belang zijn.
In wezen is alles wat hiervoor relevant is eveneens reeds gezegd in verband met de behandeling van het overplaatsingsbesluit waarbij dit standpunt zoals bekend ook een rol zou spelen. Er zij in dit verband nogmaals aan herinnerd dat in de rechtspraak (vgl. bij voorbeeld arrest in zaak 21/68, André Huybrechts t. Commissie van de Europese Gemeenschappen, arrest van 6 mei 1969, Jurispr. 1969, blz. 85) reeds herhaaldelijk werd gesteld dat niemand recht heeft op bepaalde functies; de taken worden de ambtenaren veeleer toegewezen in het kader van het bestuursgezag, dat een discretionaire bevoegdheid insluit. Ongetwijfeld bestaat er een ruime discretionaire bevoegdheid betreffende de vraag in hoeverre werkzaamheden in het kader van de bijscholing van de ambtenaar, waarvan sprake is in artikel 24, derde alinea, van het statuut, verenigbaar zijn met de eisen van de dienst. In casu zie ik geen aanleiding voor de stelling, dat deze bevoegdheid niet correct zou zijn uitgeoefend, nu verzoeker toch werd toegestaan, zich in bepaalde mate aan zijn werkzaamheden in Wenen te wijden, en zulks hoewel zijn specialisme thans niet tot het programma van de Gemeenschappen behoort. Ook op grond van het zoeven behandelde standpunt kan verzoeker derhalve zeker geen recht op schadevergoeding worden toegekend.
c)
Het ontbreken van rapporten over verzoeker overeenkomstig artikel 43 van het statuut werpt daarentegen meer problemen op. Zoals bekend, dateert het laatste rapport over verzoeker uit 1969. Daartegen had verzoeker bovendien een klacht ingediend, die door het paritair beoordelingscomité gegrond werd verklaard, waarna echter geen correctie plaatsvond.
Ten deze moet worden erkend, dat de commissie de ingevolge het statuut op haar rustende verplichtingen kennelijk niet is nagekomen. Gezien de bijzondere situatie waarin verzoeker zich sedert 1967 bevond, is dit weliswaar niet volkomen onbegrijpelijk, doch het feit dat hij rechtstreeks onder de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ressorteerde, kan zeker geen rechtvaardiging vormen voor het ontbreken van rapporten.
Het is echter twijfelachtig of bewezen kan worden geacht dat dit een nadelige uitwerking heeft gehad op de bezoldiging en de loopbaan van verzoeker en of daarmee een recht op schadevergoeding kan worden gerechtvaardigd. Met name betreffende het verlies van bevorderingskansen moet dit mijns inziens sterk worden betwijfeld.
Zo moet in de eerste plaats eraan worden herinnerd, dat verzoeker in de betrokken periode direct aan de directeur van de inrichting Petten en daarna aan de directeur-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek was toegewezen. Deze chefs kenden hem en zijn werk zeer goed en indien zij het passend hadden geacht, hadden zij voorstellen tot bevordering kunnen doen, temeer daar de directeur-generaal van het Centrum voor Onderzoek blijkbaar lid is van het bij de Commissie bestaande bevorderingscomité.
Van belang lijkt mij ook dat verzoeker weliswaar herhaaldelijk in brieven aan de directeur-generaal van het Centrum voor Kernonderzoek en aan de directeur-generaal Personeelszaken en algemeen beheer op het ontbreken van rapporten ingevolge artikel 43 van het statuut heeft gewezen, doch nooit doeltreffende stappen — klacht, beroep bij het Hof — tot herstel van dit gebrek heeft ondernomen. Evenzo heeft hij er blijkbaar nooit tegen geprotesteerd dat zijn naam niet werd genoemd in de voordrachten voor bevordering die volgens het bij de Commissie toegepaste systeem door bevorderingscomités worden opgemaakt.
Onder deze omstandigheden kan ik niet erkennen dat de bevorderingskansen van verzoeker of zijn vooruitzichten op toepassing van de genoemde statuutsbepalingen kunnen zijn verkleind. Op zijn minst moet van een aanzienlijke medeschuld van verzoeker worden gesproken. Daarmee staat voor mij vast, dat een veroordeling tot betaling van schadevergoeding ook niet met een beroep op het ontbreken van rapporten ingevolge artikel 43 van het statuut in aanmerking komt.
Het uiterste dat in dit verband kan worden overwogen — en daarmee sluit ik dit gedeelte af — is, met de genoemde omstandigheid rekening te houden bij de beslissing inzake de kosten. Dit is reeds gebeurd in gevallen waarin weliswaar een dienstfout kon worden vastgesteld, doch bij gebrek aan bewijs van schade geen recht op schadevergoeding werd erkend. Besluit men dit ook in het onderhavige geval te doen, dan zou bij inachtneming van het belang van deze vordering in het kader van het gehele proces — de twee vruchteloze verzoeken in kort geding mogen niet worden vergeten — kunnen worden overwogen de Commissie in een kwart van de aan verzoeker opgekomen proceskosten te verwijzen.
III —
Ik concludeer mitsdien tot verwerping van het beroep in volle omvang en tot verwijzing van de Commissie in een vierde van de aan verzoeker opgekomen proceskosten.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy