CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL G. REISCHL
VAN 2 FEBRUARI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak heeft betrekking op de samenstelling van het Raadgevend Comité in het kader van het EGKS-Verdrag.
Dit Comité bestaat ingevolge artikel 18 van dit Verdrag uit vertegenwoordigers van producenten, werknemers, verbruikers en handelaren. Wat de werknemers betreft, waarover het in casu alleen gaat, bepaalt artikel 18 dat de Raad de representatieve organisaties aanwijst waartussen hij de beschikbare zetels verdeelt. Deze organisaties wordt verzocht lijsten samen te stellen met de namen van telkens twee kandidaten voor elke aan de organisatie toegewezen zetel. De Raad benoemt uit deze lijsten de leden van het Comité voor de tijd van twee jaar.
Daar het mandaat van de in 1974 benoemde comitéleden op 24 juni 1976 ten einde liep, is deze procedure ook medio 1976 weer gevolgd.
Dit was ook bekend aan verzoekster, een Franse vakvereniging in de ijzer- en staalsector. In een brief van 4 juni 1976 aan de secretaris-generaal van de Raad wees zij erop dat zij, hoewel tweede grootste Franse vakvereniging in deze sector, sinds 1966 geen zitting meer had gehad in het Raadgevend Comité. Naar haar mening had zij recht op één zetel waarvoor zij ook twee kandidaten voordroeg.
Zij had hiermee geen succes. De Raad had namelijk reeds bij besluit van 1 juni 1976 (PB L 149, blz. 12) de representatieve organisaties aangewezen die voordrachten voor het Raadgevend Comité moesten opmaken. In de bijlage bij dit besluit was verzoekster echter niet genoemd onder de vier Franse werknemersorganisaties die elk één zetel toegewezen hadden gekregen. De secretaris-generaal van de Raad deelde verzoekster dan ook bij brief van 1 juli 1976, onder bijvoeging van een exemplaar van het raadsbesluit, mede dat de Raad de representatieve organisaties op voorstel van de regeringen had aangewezen; daar verzoekster hierbij niet was vermeld, was het niet mogelijk haar voordracht aan de Raad door te geven.
Hiermee niet akkoord, wendde verzoekster zich op 14 juli 1976 — intussen waren de leden van het Raadgevend Comité bij raadsbesluit van 10 juli 1976 benoemd — tot het Hof. Zij betoogde dat zij, gerekend naar haar ledental en bestaansduur, de tweede plaats inneemt onder de betrokken Franse vakverenigingen en derhalve representatiever is dan drie vakverenigingen die wel in het raadsbesluit van 1 juni 1976 voor Frankrijk waren aangewezen. Bovendien had de keuze niet zonder overleg met de belanghebbende verenigingen mogen worden gemaakt noch — zoals in dit geval — praktisch aan de regering mogen worden overgelaten, die in feite trouwens in het geheel geen lijst van alle in aanmerking komende verenigingen aan de Raad had verstrekt.
Verzoekster concludeerde bijgevolg tot nietigverklaring van het raadsbesluit van 1 juni 1976 en van de weigering in de brief van de secretaris-generaal van de Raad van 1 juli 1976.
De Raad acht het beroep niet-ontvankelijk en concludeert dan ook, overeenkomstig artikel 91, paragraaf 1, van het Reglement voor de procesvoering, slechts tot een uitspraak over de ontvankelijkheid.
Ook ik zelf zal mij overeenkomstig artikel 91, paragrafen 3 en 4, van dit Reglement in mijn conclusie tot de ontvankelijkheidskwestie beperken.
Allereerst zij echter opgemerkt dat in het beroepschrift ook nog wordt verzocht om opschorting van de procedure voor de benoeming van de nieuwe comitéleden. Dit verzoek is, kort gezegd, niet-ontvankelijk, daar het niet zoals voorgeschreven in artikel 83, paragraaf 3, van ons Reglement — bij afzonderlijke akte is gedaan. Bovendien ontbrak reeds ab ovo de grondslag aan dit verzoek, daar op dat moment de procedure voor de — zoals gezegd, op 10 juli 1976 verrichte — benoeming van de nieuwe comitéleden al was afgesloten.
Wat nu dan de hier aan de orde zijnde ontvankelijkheid van het door de CFDT ingestelde beroep zelf betreft, wijst de Raad er terecht op dat, aangezien het hier uitsluitend om handelingen in het kader van het EGKS-Verdrag gaat, de ontvankelijkheid alleen aan dit Verdrag moet worden getoetst..
1.
Ter zake van het verzoek tot nietigverklaring van het raadsbesluit van 1 juni 1976 kan in dit verband het volgende worden vastgesteld:
In casu speelt niet artikel 33 EGKS-Verdrag, dat alleen in een beroep tegen beschikkingen en aanbevelingen van de Hoge Autoriteit (thans de Commissie) voorziet en op grond waarvan naast de Lid-Staten en de Raad alleen ondernemingen in de zin van artikel 80 EGKS-Verdrag, dat wil zeggen blijkens de jurisprudentie alleen produktieondernemingen, en voorts alleen verenigingen in de zin van artikel 48 EGKS-Verdrag, dat wil zeggen verenigingen van ondernemingen (zaken 7 en 9/54, Groupement des Industries Sidérurgiques Luxembourgeoises t. Hoge Autoriteit, arrest van 23. 4. 1956, Jurispr. 1955-1956, blz. 55) beroep kunnen instellen.
Veeleer gaat het hier om artikel 38 EGKS-Verdrag. De daar bedoelde besluiten van de Raad omvatten stellig ook bindende handelingen gelijk de onderhavige. Een beroepsrecht hiertegen ex artikel 38 is evenwel alleen aan de Hoge Autoriteit (de Commissie) en de Lidstaten gegeven. Andere lichamen — zoals ook vakverenigingen — kunnen dergelijke handelingen derhalve niet in rechte laten toetsen. Dit mag te betreuren zijn, zoals ook is gedaan door verzoekster die erop heeft gewezen dat vakverenigingen in het Verdrag zelf als structurele bestanddelen der Gemeenschap worden beschouwd en dat de verbetering van het levenspeil van de werknemers een der verdragsdoeleinden is, maar gezien de duidelijke bewoordingen van artikel 38 — dat blijkens artikel 232 EEG-Verdrag ook niet bij latere verdragen is gewijzigd — is aan deze regel niet te ontkomen. Met name lijkt dit niet mogelijk via artikel 31 EGKS-Verdrag, volgens hetwelk het Hof de eerbiediging van het recht dient te verzekeren bij de uitleg en toepassing van dit Verdrag en deszelfs uitvoeringsvoorschriften. In deze inleidende bepaling wordt immers overduidelijk alleen de functie van het Hof gekenschetst. Gelet op de nadere bepalingen in de artikelen 33 en volgende kan aan artikel 31 echter geenszins een bevoegdheid worden ontleend, die in de overige voorschriften nergens verder wordt genoemd.
Daargelaten of in gevallen als deze wellicht door beroep van een Lid-Staat of van de Commissie, waartoe de betrokkenen zich zouden kunnen wenden, of ook via verwijzing door de nationale rechter, nog een enigszins bevredigende rechtsbescherming mogelijk is, kan mitsdien ten aanzien van het eerste petitum slechts worden vastgesteld dat dit niet-ontvankelijk is.
2.
Met het tweede petitum is het — om het al dadelijk te zeggen — niet anders gesteld.
Daarbij kan de vraag in het midden blijven of de betrokken brief, gezien zijn inhoud, wel een aantastbare handeling vormt. Immers — en dit spreekt hiertegen —, de secretaris-generaal heeft in die brief alleen maar gewezen op een reeds getroffen besluit en daaruit de logische consequenties getrokken. Rechtsgevolgen in de zin van het arrest in de zaken 23, 24 en 52/63 (Usines Emile Henricot en twee andere verzoekers t. Hoge Autoriteit, arrest van 5. 12. 1963, Jurispr. 1963, blz. 459) komen aan deze handeling niet toe.
Het is veeleer voldoende vast te stellen dat ook met betrekking tot deze brief — een aangelegenheid in het kader van de Raad — hoogstens alleen artikel 38 EGKS-Verdrag in aanmerking komt. Zelfs al zou men door de vingers zien dat het bij deze brief niet om een besluit van de Raad maar om een handeling van 's Raads secretaris-generaal gaat, dan is toch in ieder geval doorslaggevend dat artikel 38 limitatief vermeldt wie beroep kan instellen, en dat vakverenigingen daarbij niet zijn genoemd. Daar ook ten aanzien van de brief geen andere bepalingen die in een beroepsmogelijkheid voorzien, in aanmerking komen, is het beroep op dit punt evenmin ontvankelijk.
3.
Samenvattend, kan ik mitsdien slechts concluderen dat het beroep niet-ontvankelijk worde verklaard en dat overeenkomstig 's Raads vordering verzoekster in de kosten worde verwezen.
( 1 ) Vertaald uit het Duits.
Full & Egal Universal Law Academy