CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 29 MAART 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Zoals wij amper drie jaar geleden in de zaak Reyners hebben uiteengezet, omvat de economische en sociale integratie — een fundamentele doelstelling van het EEG-Verdrag — de ontwikkeling van de rechtsbetrekkingen tussen Lid-Staten en, bijgevolg, de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging in elk dezer Staten voor de hulpdienaren van justitie, zoals advocaten, ongeacht hun nationaliteit. Voor de toegang tot dit vrije en onafhankelijke beroep en de uitoefening ervan moet met andere woorden elke belemmering op grond van nationaliteit daadwerkelijk worden opgeheven.
Tot onze verbazing moesten wij destijds constateren, dat de uitwerking van de in het recht van vestiging vereiste gelijke behandeling meer dan vier jaar na het einde van de overgangsperiode in feite nog niet was verwezenlijkt, zulks in strijd met de duidelijke, volledige en onvoorwaardelijke, en bijgevolg rechtstreeks werkende bepalingen van artikel 52 EEG-Verdrag.
De Raad heeft op 22 maart 1977 weliswaar een richtlijn vastgesteld betreffende de werkzaamheid van advocaten, doch deze heeft slechts betrekking op het vrij verrichten van diensten en niet op het recht van vestiging.
Het feit, dat de communautaire instellingen, met name de Raad, de in de artikelen 54 en 57 van het Verdrag bedoelde richtlijnen niet hadden vastgesteld, leek ons niet de oorzaak van de vertraging in de daadwerkelijke uitvoering van artikel 52.
Het Hof heeft ons op dit wezenlijke punt gevolgd. Het heeft zich gebaseerd op artikel 7 van het Verdrag, dat deel uitmaakt van de „beginselen” van de Gemeenschap en waarin wordt bepaald dat binnen de werkingssfeer van het Verdrag en onverminderd de bijzondere bepalingen, daarin gesteld, „elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is”. Hieruit heeft het afgeleid dat artikel 52 de toepassing van dit beginsel op het bijzondere terrein van het recht van vestiging verzekert.
Deze vaststelling heeft U ertoe gebracht te beslissen:
1.
dat artikel 52, door de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging op het einde van de overgangsperiode te bepalen, aldus aan alle Lid-Staten een nauwkeurig omschreven resultaatsverplichting oplegt;
2.
dat de nakoming van deze verplichting niet afhankelijk is van de geleidelijke uitvoering van een programma van maatregelen in de vorm van de in de artikelen 54 en 57 van het Verdrag bedoelde richtlijnen, aangezien deze juridische instrumenten slechts ten doel hebben de toegang tot genoemde beroepen en de uitoefening ervan in elk der Lid-Staten te vergemakkelijken;
dat derhalve artikel 52 sedert het einde van de overgangsperiode rechtstreeks toepasselijk is en rechten voor particulieren doet ontstaan, niettegenstaande het eventueel ontbreken op het betrokken terrein van genoemde richtlijnen.
Wij hebben trouwens in onze conclusie uiteengezet dat de in artikel 57 bedoelde richtlijnen betreffende de onderlinge erkenning van diploma's en de coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake de toegang tot en de uitoefening van niet in loondienst verrichte werkzaamheden, stellig een nuttige aanvulling vormen voor de daadwerkelijke verwezenlijking van de gelijke behandeling, maar daarvoor niet de noodzakelijke voorwaarde zijn, behalve in het door artikel 57, lid 3, bedoelde speciale geval van de medische, paramedische en farmaceutische beroepen.
Het was echter aan de feitelijke omstandigheden in de zaak Reyners te danken dat wij tot een zo duidelijke conclusie konden komen, want de door de Belgische Raad van State aan Uw Hof gestelde prejudiciële vraag had in feite slechts betrekking op het probleem van de gelijke behandeling van advocaten op het duidelijk afgebakende terrein van de nationali-teitsvoorwaarde van de betrokken persoon.
Zoals bekend was Reyners een Nederlander die in België was opgegroeid en het Belgische diploma van doctor in de rechtsgeleerdheid had behaald en in dat geval deed zich dus niet het probleem voor van de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met het voor de inschrijving als advocaat te Brussel vereiste nationale diploma.
In de onderhavige zaak gaat het daarentegen in hoofdzaak om de gevolgen van een erkenning door het Franse universitaire gezag van de gelijkwaardigheid van het diploma doctor in de rechten van de Universiteit van Leuven met de Franse licence en droit.
Laten wij terstond onze kaarten op tafel leggen en reeds thans ons standpunt onthullen: voor ons staat vast dat, gezien de omstandigheden van het onderhavige geval, het door de orde van advocaten te Parijs aan betrokkene gestelde vereiste om te beschikken over een Franse licence en droit, met het oog op het beginsel van de vrijheid van vestiging een verkapte beperking of althans een juridische belemmering vormt die onverenigbaar is met de uitoefening van het recht van de gemeenschapsonderdanen om zich als advocaat in Frankrijk te vestigen. Wij hopen U hiervan te kunnen overtuigen.
Maar alvorens nader in te gaan op de aan U voorgelegde zaak lijkt het ons noodzakelijk de feitelijke omstandigheden aan te geven die ten grondslag liggen aan de door de Cour d'Appel te Parijs aan U gestelde prejudiciële vraag, al zullen daarbij wellicht feiten worden genoemd die ook reeds in de schriftelijke of mondelinge behandeling naar voren zijn gebracht.
De 46jarige Jean Thieffry, van Belgische nationaliteit, behaalde in 1955 de graad van doctor in het Belgisch recht aan de Universiteit vari Leuven en was daarna meer dan 10 jaar als advocaat te Brussel werkzaam; gedurende deze periode werkte hij samen met stafhouder van Reephingen aan de hervorming van het Belgisch gerechtelijk wetboek.
Voorts maakte hij zich als assistent van een barrister te Londen vertrouwd met het Engelse recht.
Ten slotte vestigde hij zich in Parijs waar hij al verscheidene jaren werkzaam is op het kantoor van Garcin.
Bovendien doceert hij vergelijkend recht, internationaal recht en Frans contractenen economisch recht.
Ook heeft hij met name in juridische tijdschriften artikelen gepubliceerd over de prijsregeling in Frankrijk, de internationale contracten en de contractuele aansprakelijkheid in het Franse, Engelse en Duitse vergelijkend recht.
Verzoeker in het hoofdgeding heeft dus meer dan 20 jaar daadwerkelijk het beroep van advocaat uitgeoefend en heeft hierbij blijk gegeven van zulke opmerkelijke kwaliteiten dat Garcin hem omlangs een associatiecontract heeft aangeboden, onder de opschortende voorwaarde dat hij als advocaat te Parijs zou worden ingeschreven.
Hiertoe diende Thieffry in 1974 bij de Universiteit van Parijs I een verzoek in tot gelijkwaardigerkenning van zijn Belgisch diploma met de Franse licence en droit. Dit verzoek werd ingewilligd en wij zullen hierna bezien hoe dit in zijn werk is gegaan en welke gevolgen dit heeft. Daarna heeft hij zich voorbereid op het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat”, dat hij in 1975 heeft behaald.
Hij dacht dan ook dat niets meer zijn inschrijving als stagiaire bij de Orde van advocaten te Parijs in de weg zou staan.
De Orde wees zijn verzoek tot inschrijving evenwel af bij besluit van 9 maart 1976 waarvan de gronden hier nader worden uiteengezet.
Op rapport van mr. S. Gueulette — die de Orde tijdens de mondelinge procedure voor Uw Hof heeft vertegenwoordigd — aanvaardde de Orde de rechtstreekse werking van artikel 52 van het Verdrag, doch was zij op grond van de wet van 31 december 1971 betreffende de hervorming van de rechterlijke beroepen, van mening dat de in artikel 11 van deze wet opgelegde verplichting om de Franse licence en droit of het Franse doctoraal diploma over te leggen, niet door het Verdrag buiten werking was gesteld; het door Thieffry ingediende verzoek tot inschrijving moest dan ook worden afgewezen, omdat hij niet over de licence en droit beschikte.
Laten wij ons hier beperken tot de opmerking dat deze afwijzingsgrond juridisch gezien op een wezenlijk punt foutief is. Het is onjuist te stellen dat artikel 52 van het EEG-Verdrag — of de in de artikelen 54 en 57 bedoelde richtlijnen — artikel 11, tweede alinea, van de betrokken wet terzijde kunnen stellen.
Het Verdrag kan evenals het afgeleide gemeenschapsrecht tot gevolg hebben dat deze wettelijke bepaling niet kan worden tegengeworpen aan gemeenschapsonderdanen die in Frankrijk het beroep van advocaat wensen uit te oefenen. Deze bepaling kan echter niet worden terzijde gesteld, want de verplichting om over een Frans diploma te beschikken blijft in elk geval gelden voor onderdanen van derde landen, tenzij in een bilaterale overeenkomst juridische diploma's worden gelijkgesteld of van sommige buitenlandse diploma's de rechtsgeldigheid in Frankrijk wordt erkend.
Hoe het ook zij, verzoeker heeft beroep ingesteld bij de Cour d'Appel te Parijs, de beroepsinstantie voor besluiten van de Orde van advocaten, met name wanneer inschrijving op het tableau wordt geweigerd, en op 13 juli 1976 hebben de drie eerste kamers van deze rechterlijke instantie besloten het geding te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen:
„Vormt het feit dat van een onderdaan van een Lid-Staat die in een andere Lid-Staat het beroep van advocaat wil uitoefenen, het door de wet van vestiging voorgeschreven nationale diploma wordt verlangd, terwijl het in zijn land van herkomst behaalde diploma als gelijkwaardig is erkend door het universitair gezag van het land van vestiging en het hem mogelijk heeft gemaakt in dat land het examen voor het beroep van advocaat af te leggen — voor welk examen hij is geslaagd —, bij ontbreken van de in artikel 57, leden 1 en 2, EEG-Verdrag bedoelde richtlijnen, een belemmering die verder gaat dan nodig is om de doelstellingen van de betrokken gemeenschapsbepalingen te bereiken?”
Aldus geformuleerd is de vraag duidelijk. De door ons genoemde motiveringsfout in het besluit van de Orde van advocaten wordt zorgvuldig vermeden en de vraag geeft aan waarom het juridisch gezien eigenlijk gaat. Daaraan zij toegevoegd dat wij geenszins twijfelen aan de ontvankelijkheid van het verzoek om een prejudiciële beslissing en aan Uw bevoegdheid in deze.
U bent thans dus in de gelegenheid om een dienstig antwoord te geven op de aldus afgebakende vraag en wij zullen uiteenzetten waarom wij vinden dat, zelfs bij het ontbreken van enige gemeenschapsrichtlijn betreffende de onderlinge erkenning van juridische diploma's met het oog op de uitoefening van het beroep van advocaat, het vereiste van een nationaal juridisch diploma van het land van vestiging, gelet op de in Frankrijk geldende voorwaarden op het gebied van de opleiding van advocaten en hun toegang tot de balie, inderdaad „een belemmering vormt die verder gaat dan nodig is om de doelstellingen van de betrokken gemeenschapsbepalingen te bereiken”.
Maar eerst moet worden duidelijk gemaakt wat de Franse regeling betreffende de inschrijving als advocaat inhoudt. Deze materie wordt thans, zoals gezegd, beheerst door de wet van 31 december 1971, die trouwens op de meeste punten gelijk is aan de vroegere wetgeving.
Afgezien van een onderzoek door de Orde van advocaten naar het zedelijk gedrag van de toekomstige advocaat, worden in artikel 11 van die wet drie voorwaarden gesteld:
1.
Men moet de Franse nationaliteit hebben, onder voorbehoud van internationale overeenkomsten; deze eerste voorwaarde kan volgens het arrest Reyners niet meer worden tegengeworpen aan een onderdaan van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap; wij zullen hierop niet meer terugkomen.
2.
Men moet in het bezit zijn van de licence of van het doctoraal diploma in de rechten. Hoewel dit niet nader wordt gepreciseerd, gaat het uiteraard om diploma's die door Franse universiteiten zijn afgegeven.
3.
Behoudens enkele wettelijke uitzonderingen die hier niet ter zake doen, moet men in het bezit zijn van het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat”.
De regeling betreffende dit in 1941 ingevoerde beroepsexamen, dat speciaal is bedoeld voor de opleiding van advocaten, is thans te vinden in decreet nr. 72/715 van 31 juli 1972. De voorbereiding voor dit examen vindt plaats bij de juridische faculteiten van de universiteiten, welke ook het diploma afgeven.
Voor de voorbereiding op het certificat d'aptitude à la profession d'avocat behoeft men noch de licence en droit, noch a fortiori, het doctoraaldiploma te bezitten: vierdejaars studenten kunnen zich inschrijven voor deze cursus en meedoen aan het examen.
Het spreekt echter vanzelf dat deze studenten, ook al behalen zij het certificat d'aptitude, later de licence en droit moeten overleggen om zich te kunnen laten inschrijven als advocaat.
De opleiding voor het certificat d'aptitude is voornamelijk op de beroepspraktijk gericht, waarbij niet alleen colleges worden gegeven, maar vooral werkgroepen worden georganiseerd betreffende:
—
de taak van de advocaat, de organisatie van de advocatuur en de ereregelen;
—
de verschillende functies van de advocaat: het geven van advies, het opstellen van stukken, het houden van pleidooien en de formulering van vorderingen evenals de procedures voor de verschillende rechterlijke instanties en de executiemiddelen.
Aan deze cursus werken zowel professoren in de rechten als rechters en advocaten mee.
Hoewel het certificat d'aptitude een universitair diploma is voorzover de opleiding ervoor wordt verzekerd door organen die behoren tot de faculteiten of, zoals men tegenwoordig zegt, tot de instellingen van juridisch onderwijs en onderzoek, dient men derhalve goed te beseffen dat de voorbereiding zowel in de colleges, als in nog grotere mate, bij de praktijklessen die vaak op advocatenkantoren plaatsvinden, rechtstreeks is gericht op het beroep van advocaat.
Het examen bestaat uit een schriftelijk gedeelte, waarna men toegelaten kan worden tot het mondelinge gedeelte.
Het eerste gedeelte heeft betrekking op de algemene ontwikkeling van de kandidaten en op hun technische rechtskennis betreffende de procedure in het burgerlijk en handelsrecht, het straf- en administratief recht.
De mondelinge vragen betreffen:
—
de rechterlijke organisatie en de burgerlijke rechtsvordering;
—
het bijzondere strafrecht;
—
de executiemiddelen;
—
belastingrecht en boekhouding;
—
en ten slotte de taak van de advocaat, de beroepspraktijk en de ereregelen.
Bovendien worden aan de hand van een uiteenzetting van 15 minuten, in de vorm van een advies of van een pleidooi betreffende een praktijkgeval dat bij loting wordt bepaald, evenals aan de hand van een gesprek met de jury van nog eens 15 minuten, de kwaliteiten van de kandidaat beoordeeld met het oog op de plichten en eisen van het beroep van advocaat.
In de jury die onder voorzitterschap staat van een hoogleraar in de rechten, zijn drie groepen gelijkelijk vertegenwoordigd: docenten, rechters en advocaten.
Dit zijn dus het programma en de voorwaarden voor deelname aan de cursus en het examen van het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat”, waardoor dit het echt technische en praktische gedeelte is van de opleiding tot advocaat. Dit is zowel in het algemeen als in het bijzonder, met het oog op de feiten in de onderhavige zaak van belang. Door het behalen van het „certificat d'aptitude” heeft de heer Thieffry bewezen dat hij niet alleen over een aan de Franse licence en droit gelijkwaardige algemene juridische kennis beschikt, maar ook over de specifieke kennis, vereist voor de inschrijving als advocaat in Frankrijk.
Laten wij thans bezien onder welke voorwaarden het door verzoeker in het hoofdgeding behaalde doctoraal diploma in de rechten van de universiteit van Leuven gelijkwaardig werd erkend met de Franse licence en droit en welke de gevolgen kunnen zijn van een dergelijke gelijkwaardigerkenning, niet alleen in het Franse recht en in het interne recht van de Lid-Staten, maar ook op communautair niveau en met het oog op de toepassing van artikel 52 van het EEG-Verdrag.
In de eerste plaats valt niet te betwisten dat uitsluitend het universitaire gezag diploma's gelijkwaardig kan erkennen en dat de orde van advocaten daarbij geen toezicht kan uitoefenen.
Wanneer bij een universiteit — in casu Parijs I — een verzoek tot gelijkwaardigerkenning van een buitenlands diploma wordt ingediend, onderzoekt deze niet slechts of het overgelegde diploma voorkomt op een van tevoren opgestelde lijst van gelijkwaardige diploma's. Zij onderzoekt zorgvuldig welke vakken in elk studiejaar zijn bestudeerd, vergelijkt die met het programma van de Franse licence en controleert eveneens de in elk vak door betrokkene behaalde punten, met het oog op wat men noemt een „transcrit d' etudes”. De universiteit onderzoekt dus op diepgaande en objectieve wijze of het diploma gelijkwaardig is, gelet op het door betrokkene vergaarde kennisniveau en de resultaten die hij op de examens heeft behaald.
Betekent dit niet dat de gelijkwaardigerkenning de zekerheid biedt dat de verzoeker wat zijn algemene juridische kennis betreft, van gelijk niveau kan worden beschouwd als degene die over een Franse licence en droit beschikt?
Maar dan rijst de in casu fundamentele vraag welke gevolgen aan de gelijkwaardigerkenning moeten worden toegekend.
Een decreet dat reeds dateert van 15 februari 1921, toen nog niemand de oprichting van een Europese Gemeenschap of de uitvoering in die Gemeenschap van de vrijheid van vestiging kon voorzien, bevat de volgende bepalingen:
Artikel 1 — Met het oog op het doctoraal examen kan hetzij bij individuele maatregel (hetgeen in casu het geval is) hetzij krachtens beginselbesluiten de gelijkwaardigheid worden erkend van een diploma met de licence en droit (zoals trouwens met de licence in de exacte wetenschappen of in de letteren).
Artikel 2, alinea 1 — Individuele ontheffingsverzoeken worden onderzocht door de voorzitters en gecontroleerd door de faculteit waarbij verzoeker verklaart het doctoraal examen af te leggen.
Ten slotte artikel 6 — Aan de gelijkwaardigheid van de licence en droit kan geen enkel recht worden ontleend op het licencediploma; deze gelijkwaardigheid is slechts geldig voor de inschrijving voor het „doctorat” aan de rechtenfaculteiten.
Wij moeten derhalve erkennen dat het begrip gelijkwaardigheid op grond van deze tekst in het nationale recht slechts zuiver effectus academicus heeft, en uitsluitend tot gevolg heeft dat de bezitter van een buitenlands diploma dat gelijkwaardig is erkend met de licence, zijn rechtenstudie in Frankrijk tot het doctoraalexamen kan voortzetten.
Ter terechtzitting heeft de vertegenwoordiger van de Orde van advocaten te Parijs duidelijk de systematiek van de Franse regeling betreffende de gelijkwaardigerkenning van buitenlandse juridische diploma's uiteengezet.
Volgens hem moeten drie situaties worden onderscheiden:
—
in de eerste plaats wordt krachtens bilaterale overeenkomsten - volledig rechtsgevolg toegekend aan diploma s welke zijn afgegeven door bepaalde vroegere Franse overzeese gebiedsdelen in Afrika. De lijst met deze diploma's wordt vastgesteld bij ministeriële beschikking. Volledige rechtsgeldigheid betekent dat de aldus erkende gelijkwaardigheid effectus civilis meebrengt, dat wil zeggen dat deze diploma's op zichzelf wettige titels vormen voor de toegang tot het beroep van advocaat.
—
in de tweede plaats bestaat er een volledige academische gelijkwaardigheid, welke wordt geregeld bij een nog steeds geldende beschikking van 16 oktober 1924, waarbij de gelijkwaardigheid wordt erkend van diploma's van 35 landen, doch uitsluitend met het oog op de toegang tot het „doctorat” in de rechten; hier gaat het dus om gelijkwaardigheid op universitair niveau.
—
wanneer ten slotte de universiteit bij individueel besluit de gelijkwaardigheid erkent, na de door de buitenlandse kandidaat verworven kennis te hebben onderzocht, heeft dit eveneens uitsluitend effectus academicus; de verzoeker verwerft hiermee het recht de rechtenstudie voort te zetten, dat wil zeggen zich voor te bereiden op het Franse doctorat, en slechts wanneer hij de graad van doctor verwerft krijgt hij een geldige titel voor zijn inschrijving als advocaat, onverigens onverminderd het behalen van het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat” en, uiteraard, het onderzoek van de orde van advocaten naar zijn zedelijk gedrag.
Indien de heer Thieffry deze weg had bewandeld, dat wil zeggen zich had ingeschreven voor het doctorat en ten slotte de graad van doctor in de rechtsgeleerdheid had behaald, en ook met succes, zoals hij heeft gedaan, het examen voor het „certificat d'aptitude a la profession d'avocat” had afgelegd, zou de orde van advocaten te Parijs volgens haar woordvoerder geen enkel bezwaar hebben gemaakt tegen zijn inschrijving als advocaat.
Dit argument is wel degelijk terzake dienend. Het vindt trouwens steun in vele nationale wettelijke regelingen, waaruit blijkt dat de erkenning van buitenlandse diploma's in principe slechts effectus academicus heeft in zover hieruit slechts het recht volgt om de rechtenstudie voort te zetten, maar niet om onmiddellijk een beroep te gaan uitoefenen waarvoor het bezit van een nationaal diploma een wettelijke voorwaarde vormt.
Er bestaan echter ook enkele nationale wettelijke regelingen die aan de erkenning van buitenlandse diploma's effectus civilis verbinden, doch vaak is dan bepaald dat de als gelijkwaardig erkende buitenlandse diploma's slechts toegang geven tot wettelijk geregelde beroepen, wanneer zij door nationale onderdanen zijn behaald. Hier gaat het dus niet zozeer om de vakbekwaamheid van de rechthebbenden alswel om hun hoedanigheid van onderdaan van het land van vestiging.
Zoals de Commissie in haar antwoord op een van de door het Hof gestelde vragen heeft uiteengezet, kunnen de bezitters van sommige Franse diploma's een functie vervullen als assistent aan Duitse letterenfaculteiten, terwijl de Franse regering op haar beurt sommige posten in het openbaar onderwijs openstelt voor personen die het Duitse „Staatsexamen” hebben afgelegd.
In sommige in het kader van de Frans-Duitse conferentie van universiteitsrectores gesloten overeenkomsten worden anderzijds bij voorbeeld het Franse „doctorat d' Etat” en de overeenkomstige Duitse „Habilitation” als volledig gelijkwaardig erkend, evenals het Franse diploma „docteur ingénieur” en de overeenkomstige Duitse titel; deze overeenkomsten zijn echter nog niet goedgekeurd door de regeringen van beide Staten.
In de Belgische wet van 19 maart 1971, aangevuld bij Koninklijk Besluit van 20 juli 1971, wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen effectus civilis en effectus academicus, maar wordt tegelijkertijd gesproken over de toegang van vreemdelingen tot bepaalde wettelijk geregelde beroepen wanneer hiervoor nationale diploma's moeten worden overgelegd.
Indien de bevoegde autoriteit in dat geval de gelijkwaardigheid van wettelijke graden heeft erkend, wordt het recht om een beroep uit te oefenen waarvan de toegang afhankelijk is van het bezit van een diploma, hetzij krachtens bilaterale overeenkomsten, hetzij om wetenschappelijke of humanitaire redenen uitgebreid tot buitenlandse onderdanen.
Doch deze wettelijke regeling is niet van toepassing op de toegang tot een beroep als dat van advocaat.
In Italië bepaalt de eenvormige wetgeving inzake het hoger onderwijs dat in het buitenland behaalde universitaire titels in Italië niet rechtsgeldig zijn, behoudens in een speciale wet voorziene uitzonderingen.
De toegang tot wettelijk geregelde beroepen blijft afhankelijk van het bezit van een nationaal diploma.
In Nederland wordt in het universitaire onderwijs (wet van 22 december 1960) de rechtsgeldigheid erkend van de in het buitenland behaalde titel doctor of ingenieur, voorzover deze titels voorkomen op een door de minister van Onderwijs opgestelde lijst. De uitoefening van de beroepen waartoe deze titels toegang geven is vrij.
Tussen België en Nederland worden voor primair en secundair onderwijs reeds nu sommige diploma's wederzijds erkend. Ten slotte wordt krachtens de Nederlandse wet op het hoger onderwijs, met het oog op het behalen van een Nederlands diploma, gedeeltelijke of volledige vrijstelling van examens verleend, indien de betrokkene in het bezit is van een buitenlands diploma dat door de minister van Onderwijs als gelijkwaardig is erkend. Deze bepaling geldt met name voor de Belgische graad van doctor in de rechten.
In het Verenigd Koninkrijk doen zich bijzondere problemen voor aangezien het onderscheid tussen effectus civilis en effectus academicus van de gelijkwaardigheid in zekere zin niet terzake doet, althans wat de toegang tot het beroep van advocaat betreft. De opleiding en de toelatingsvoorwaarden worden immers volledig door de beroepskringen zelf bepaald, zodat universitaire diploma's van het vasteland in beginsel niet worden erkend. Dit is een gevolg van het fundamentele verschil tussen het onderwijs in de „common law” en dat in het continentale privaatrecht.
Uit deze nadere toelichtingen blijkt duidelijk dat er bij de gelijkwaardigerkenning van de diploma's van de meeste Lid-Staten verschil bestaat tussen effectus civilis en effectus academicus.
Al kan derhalve niet worden bestreden dat de krachtens het Franse decreet van 15 februari 1921 door de universiteit van Parijs I erkende gelijkwaardigheid van het betrokken buitenlandse diploma slechts inschrijving voor het doctorat mogelijk maakt en derhalve enkel effectus academicus heeft, deze beperking, die voorheen ten opzichte van elke buitenlandse kandidaat, en wellicht zelfs ten opzichte van nationale kandidaten gold, is in de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet langer meer verenigbaar met de bepalingen van de artikelen 52 en 57 van het Verdrag.
In artikel 57, lid 1, wordt immers de onderlinge erkenning van diploma's door middel van richtlijnen van de Raad voorgeschreven, doch niet om de vrije toegang tot een beroep in te voeren — deze vloeit reeds voort uit artikel 52 — maar enkel om deze toegang te vergemakkelijken en om aldus de uitoefening van het recht van vestiging in beroepen, anders dan in loondienst, te bevorderen.
Het ontbreken in de huidige stand van het gemeenschapsrecht van enige richtlijn betreffende de vrije vestiging van advocaten in de Gemeenschap mag niet tot gevolg hebben dat de verwezenlijking van het recht van vestiging wordt gefnuikt en dat alleen hierom de bepalingen van artikel 52 iedere nuttige werking missen, althans ingeval de bevoegde autoriteit van het land van vestiging de bevoegdheid heeft om een buitenlands diploma, zij het dan slechts voor universitaire doeleinden, gelijkwaardig te erkennen met een nationaal diploma. Anders gezegd: het streven van een Lid-Staat als Frankrijk om de toegang tot het beroep van advocaat enkel voor te behouden aan kandidaten met de „licence en droit” kon vóór de inwerkingtreding van artikel 52 als bepaling met rechtstreekse werking, weliswaar niet worden gerechtvaardigd met een voorwaarde betreffende de nationaliteit van deze kandidaten, maar wel door de wens, de inschrijving als advocaat te beperken tot personen die een gelijkwaardige juridische kennis hebben als diegenen die aan de Franse universiteiten hebben gestudeerd en de Franse licence en droit hebben behaald.
De wetgeving van elk der Lid-Staten bevat wettelijke bepalingen waarin de uitoefening van sommige beroepsactiviteiten door buitenlanders wordt beperkt.
Dergelijke bepalingen kunnen dienen ter bescherming van de openbare orde, maar veelal gaat het om de bescherming van deze activiteiten. Daarnaast bestaan in elke Lid-Staat talrijke wettelijke bepalingen — en zelfs administratieve praktijken — betreffende de toegang tot sommige, vooral vrije, beroepen en de uitoefening daarvan.
Meestal zijn deze bepalingen zonder onderscheid op nationale en buitenlandse onderdanen van toepassing. Zij strekken ertoe bepaalde eisen te stellen ten aanzien van de vakbekwaamheid van de gegadigde.
Het gaat dan om wettelijke bepalingen die in theorie wel niet discriminerend zijn, maar waarvan de toepassing tot feitelijke discriminatie kan leiden omdat het voor een eigen onderdaan in het algemeen gemakkelijker zal zijn dan voor een vreemdeling om te voldoen aan de gestelde eisen, zoals bij voorbeeld het behalen van een nationaal diploma.
Bij de nationale bepalingen inzake de toegang van buitenlanders tot beroepen anders dan in loondienst, moet derhalve zorgvuldig onderscheid worden gemaakt tussen de garanties van beroepsbekwaamheid en de beperkingen ten aanzien van buitenlanders uit hoofde van de openbare orde.
Vóór de inwerkingtreding van de verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en het recht van vestiging, werd de positie van buitenlanders in elk land beheerst door overwegingen van politieke, economische of sociale aard en door protectionisme der beroepen, zonder dat dit verband hoefde te houden met eisen van bekwaamheid en universitaire titels.
Maar sinds het op de onderdanen der Lid-Staten toepasselijke stelsel hoofdzakelijk, zo niet uitsluitend, wordt beheerst door de communautaire bepalingen, is het noodzakelijk de beperkingen ten aanzien van het recht van vestiging op grond van de erkenning van vakbekwaamheden, overeenkomend met de afgegeven nationale diploma's, op autonome en afzonderlijke wijze te bezien.
Is een vergelijking betrekkelijk eenvoudig, wanneer het gaat om bekwaamheden die toegang geven tot technische beroepen, het probleem ligt moeilijker bij de uitoefening van het beroep van advocaat, want hoewel in alle Lid-Staten gelijksoortige, zo niet gemeenschappelijke algemene beginselen bestaan, vertonen de juridische opleidingen bijzonderheden die eigen zijn aan elke Staat, of liever aan elk rechtssysteem, zodat het niet vanzelfsprekend is dat de nationale autoriteiten van het land van vestiging aan onderdanen van andere Lid-Staten die geen opleiding aan de nationale universiteiten hebben gevolgd zomaar toegang zullen verlenen tot het beroep van advocaat.
Bovendien moet nog onderscheid worden gemaakt tussen de algemene juridische kennis, welke wordt gegarandeerd door de licence en droit, en de meer specifieke en technische kennis welke de toekomstige advocaten in Frankrijk tijdens de voorbereiding op het „certificat d'aptitude à la profession” verwerven.
Hieraan zij toegevoegd dat, hoewel een stagiaire die vers van de universiteit komt in principe kan pleiten voor elk Frans rechtscollege behalve de Conseil d'Etat en de Cour de Cassation, hij zeker nog geen grondige beroepservaring heeft en in het algemeen zijn vorming en ervaring moet verruimen in het kabinet van een bekwame advocaat of van een groep advocaten.
Hetzelfde geldt echter ook voor onderdanen van andere Lid-Staten, die in het bezit zijn van een gelijkwaardig diploma, waardoor zij kunnen worden geacht op zijn minst een even grote algemene kennis te hebben verworven als degenen die in het bezit van de licence en droit. Bovendien moeten zij zich niet alleen voorbereiden op het certificat d'aptitude à la profession d'avocat en dit behalen, maar moeten zij ook een stage van 3 jaren lopen alvorens te worden ingeschreven als advocaat. Meestal zullen zij met een ervaren advocaat samenwerken, dan wel als medewerker of, minder vaak, als geassocieerde worden opgenomen in een groep welke al dan niet de vorm van een maatschap heeft
Zij kunnen dus niet buiten een aanvullende praktische opleiding, om na enige jaren een eigen kabinet op te richten, tenzij zij er de voorkeur aan geven volledig geassocieerd lid te blijven van het kabinet waarbij zij hun eerste ervaring hebben opgedaan.
Doch deze feitelijke overwegingen kunnen geen voorrang hebben boven het beginsel van de vrijheid van vestiging en zelfs bij het ontbreken van enige richtlijn betreffende de onderlinge erkenning van diploma's voor de toegang tot het beroep van advocaat, mag deze toegang niet worden ontzegd aan onderdanen van andere Lid-Staten dan Frankrijk, wanneer hun nationale rechtendiploma op wettige wijze gelijkwaardig is erkend aan de licence en droit.
Want de door de Cour d'Appel te Parijs gestelde vraag moet uitsluitend worden beantwoord in het licht van de gemeenschapsbepalingen betreffende het recht van vestiging en gelet op de invloed van artikel 52 van het Verdrag op de nationale stelsels.
Er zij nogmaals op gewezen dat de Lid-Staten krachtens deze bepaling, wat de vrije beroepen betreft, alle discriminaties moeten opheffen die een onderdaan van een andere Lid-Staat kunnen beletten, belemmeren of zelfs maar hinderen zich te vestigen op hun grondgebied; het doet er weinig toe of deze opheffing plaatsvindt naar aanleiding van een richtlijn van de Raad of op eigen initiatief van de autoriteiten van het land van vestiging. Artikel 52 legt hun namelijk een resultaatsverplichting op
Al is het moeilijk alle eventuele discriminaties op uitputtende wijze op te sommen en nog lastiger deze te definieren, vooral wanneer zij verkapt zijn en schuil gaan achter een zeker beroepsprotectionisme, een uitlegging van de artikelen 52 en 54 van het Verdrag, evenals van het algemeen programma betreffende het recht van vestiging biedt de mogelijkheid om deze verboden beperkingen of discriminaties aan te pakken.
In artikel 52, tweede alinea, wordt immers bepaald dat de vrijheid van vestiging de toegang omvat tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan; artikel 54, lid 3, sub c), omschrijft de inhoud van het algemeen programma met betrekking tot het recht van vestiging en bepaalt met name dat dit programma strekt tot afschaffing „van de bestuursrechtelijke procedures en handelwijzen, voortvloeiende hetzij uit de nationale wetgeving hetzij uit voordien tussen de Lid-Staten gesloten akkoorden waarvan de handhaving een beletsel zou vormen voor de vrijheid van vestiging”.
Dit algemeen programma zelf heeft met name betrekking op: „elk verbod of elke belemmering van werkzaamheden anders dan in loondienst van onderdanen der overige Lid-Staten, bestaande in een verschil in behandeling van de onderdanen der overige Lid-Staten ten opzichte van de eigen onderdanen op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling van een Lid-Staat of als gevolg van de toepassing van een dergelijke bepaling of als gevolg van administratieve handelwijzen” (programma, titel III, letter A).
Deze begrippen omvatten zowel rechtstreekse beperkingen als verkapte discriminaties, dat wil zeggen discriminaties die voortvloeien uit een bepaling welke in beginsel op eigen èn vreemde onderdanen van toepassing is, maar in werkelijkheid vooral voor deze laatsten een belemmering vormt.
In het licht van deze bepalingen valt ons inziens niet te betwisten dat het vereiste van de Franse licence en droit, opgelegd bij artikel 11, lid 2, van de wet van 31 december 1971 betreffende de hervorming van de juridische beroepen, voor de onderdanen van de andere Lid-Staten die toegang wensen tot het beroep van advocaat in Frankrijk in feite stellig een — zij het indirecte en verkapte — beperking vormt. Hier is immers de nationaliteit van een diploma en niet meer die van de persoon in het geding en dit vormt een belemmering voor de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging.
Nu vormt de vrijheid van vestiging naar huidige rechtspraak een fundamenteel recht, dat aan alle onderdanen van de Lid-Staten moet worden toegekend; elke beperking op de daadwerkelijke uitoefening van dat recht kan slecht in enge zin worden uitgelegd; de verwezenlijking van de vrijheid van vestiging is geenszins afhankelijk van de vaststelling der richtlijnen, bedoeld in artikel 57 — met name lid 1 — waarin de onderlinge erkenning van diploma's wordt beoogd. Deze richtlijnen zijn slechts van bijkomstige en subsidiaire aard; zij strekken slechts, zoals U hebt beslist, ter vergemakkelijking van de feitelijke uitoefening van het recht van vestiging en het feit dat de Raad deze niet of te laat heeft vastgesteld kan de uitvoering van artikel 52 niet vertragen.
Waar gaat het nu in het onderhavige geding om? Volgens de Orde van advocaten en de Franse regering om het zuiver academische gevolg dat zou zijn gekoppeld aan de erkenning van de gelijkwaardigheid van het diploma doctor in de rechtsgeleerdheid van de universiteit te Leuven met de Franse licence en droit.
Deze opvatting, die aanvaardbaar zou zijn geweest vóór 1970, houdt geen rekening met de werkelijke vernieuwing die is ingetreden met de inwerkingtreding van artikel 52 van het Verdrag als rechtstreeks toepasselijke bepaling.
Hoewel het niet aan U staat het nationale recht uit te leggen, zult U toch niet aarzelen de gevolgen hiervan ten opzichte van het Verdrag te beoordelen en eventueel onverenigbaar te verklaren met de geldende gemeenschapsbepalingen.
Artikel 11, lid 2, van de wet van 31 december 1971 heeft ten doel te waarborgen dat elke kandidaat voor het beroep van advocaat in Frankrijk een algemene juridische kennis heeft verworven die overeenkomt met het niveau van de licence en droit. Daar gaat het om.
Is derhalve niet aan dit vereiste voldaan wanneer de bevoegde autoriteit — dat wil zeggen de universiteit — na een nauwgezet vergelijkend onderzoek van de onderwezen juridische vakken en het bereikte kennisniveau, bij individueel besluit de gelijkwaardigheid van een buitenlands diploma met de Franse licence erkent, vooral wanneer, zoal in casu, dit diploma is afgegeven in een land waarvan het rechtsstelsel veel lijkt op dat van Frankrijk?
Doch er is meer: het bezit van de licence en droit volstaat niet voor de inschrijving bij de balie. Men moet nog een beroepsexamen hebben afgelegd, als noodzakelijke aanvulling op de algemene juridische kennis van de licence. Nu heeft het universitaire gezag de heer Thieffry niet alleen toegelaten tot de voorbereiding van het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat”, maar deze heeft dit certificaat ook behaald. Zodoende wordt het vereiste van de Franse licence en droit zuiver formeel; objectief gezien is het niet gerechtvaardigd aangezien verzoeker in het hoofdgeding enerzijds ongetwijfeld een algemene juridische kennis bezit die vergelijkbaar is met die van de licence en droit en anderzijds heeft bewezen over de technische en specifieke kennis te beschikken welke vereist is voor het behalen van het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat”.
Hieraan zij toegevoegd dat in het algemeen programma wordt bepaald dat in afwachting van de onderlinge erkenning van diploma's of de coördinatie van de nationale bepalingen betreffende de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan, een overgangsregeling kan worden toegepast welke eventueel het overleggen van een verklaring over de wettige en daadwerkelijke uitoefening van de werkzaamheden in het land van oorsprong kan inhouden, om de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst of de uitoefening daarvan te vergemakkelijken en om distorsies te voorkomen.
De duur en de voorwaarden van deze overgangsregeling zouden bij de opstelling van de in artikel 57 bedoelde richtlijnen worden vastgesteld. Aangezien deze richdijnen nog niet zijn verschenen — althans wat betreft het beroep van advocaat — zijn ook de voorwaarden voor de inaanmerkingneming van de uitoefening van advocatenwerkzaamheden in het land van oorsprong nog niet vastgesteld. Doch de Orde had rekening moeten houden met het feit dat Thieffry 10 jaar lang als advocaat te Brussel werkzaam is geweest en daarna medewerker was van een bij de Orde van advocaten welbekend Parijs advocaat.
Thieffry, wiens zedelijk gedrag hier niet in het geding is, bezit derhalve de beroepskwalificaties die zijn vereist voor de toegang tot het beroep van advocaat, zoals dat in Frankrijk is georganiseerd.
De aldus gevonden oplossing kan niet zonder meer worden getransponeerd op andere Lid-Staten. Zij hangt immers sterk af van de preciese voorwaarden die de nationale wetgeving aan de opleiding van advocaten stelt en wij begrijpen zeer wel de zin van de door de regering van het Verenigd Koninkrijk ingediende opmerkingen, waarvan wij hebben gezegd dat de opleiding van advocaten en de toelatingsvoorwaarden voor het beroep in volledige onafhankelijkheid door de beroepskringen zelf worden geregeld, ofschoon ten aanzien van de nationaliteit der kandidaten geen enkele voorwaarde wordt gesteld.
Maar om bij het Franse stelsel te blijven, zowel door de Orde van advocaten te Parijs als door de procureur-generaal bij de Cour d'Appel in zijn conclusie werd bezwaar gemaakt tegen de door ons voorgestelde liberale oplossing.
Men betoogde dat het recht van vestiging in werkelijkheid bestaat in de toepassing van de nationale behandeling op onderdanen van andere Lid-Staten en, dit beginsel van gelijke behandeling eng uitleggend, stelde men dat in casu een Frans onderdaan die in het bezit is van een buitenlands diploma dat gelijkwaardig is bevonden aan de licence en droit, en voorts in gelijke omstandigheden verkeert als Thieffry, zelf ook niet als advocaat in Frankrijk zou kunnen worden ingeschreven, omdat hij slechts in het bezit is van een buitenlands diploma; derhalve zou als het ware in omgekeerde zin worden gediscrimineerd, omdat de Franse onderdaan aldus strenger zou worden behandeld dan de onderdaan van een andere Lid-Staat. En tot staving van dit betoog werd een arrest van de Cour de Paris van 30 oktober 1974 in de zaak Vaccaro genoemd.
In die zaak voerde verzoeker, van Italiaanse afkomst, maar genaturaliseerd tot Fransman, in hoofdzaak aan dat het door de universiteit van Ferrara in 1940 aan hem uitgereikte diploma van „Laurea di dottore in Giurisprudenza” gelijkwaardig moest worden erkend met het Franse licence en droit; hij voegde hieraan toe dat, nu in de artikelen 52 en 57 EEG-Verdrag vrijheid van vestiging voor onderdanen van een Lid-Staat van de Gemeenschap op het grondgebied van een andere Lid-Staat werd voorgeschreven en het beginsel van de onderlinge erkenning van diploma's was neergelegd, men hem niet kon tegenwerpen dat hij de Franse licence en droit niet kon overleggen, terwijl hij wel in het bezit was van een Italiaans diploma dat evenveel of zelfs meer waard was dan de Franse licence.
De Cour de Paris erkende weliswaar het bestaan krachtens ministeriële beschikking van 24 juli 1922 van de ingeroepen gelijkwaardigheid, doch liet de bepalingen van het EEG-Verdrag, die volgens haar niet van toepassing waren op een Fransman die zich in Frankrijk vestigt, terzijde.
Deze uitspraak lijkt ons onjuist. Zij miskent volledig de doelstellingen van het Verdrag, met name van artikel 52 dat van de vrijheid van vestiging een der grondbeginselen van de gemeenschappelijke markt maakt.
Ontzegt men een Frans — zij het genaturaliseerd — onderdaan het recht zich te vestigen in het land waarvan hij onderdaan is geworden, dan lijkt ons dit een duidelijke schending van artikel 52, dat ten doel heeft elke onderdaan van elke Lid-Staat in staat te stellen zijn beroepswerkzaamheden overal in de Gemeenschap uit te oefenen, en wel in de eerste plaats in de Staat waarvan hij de nationaliteit heeft verworven.
Ten aanzien van de toegang tot werkzaamheden anders dan in loondienst en de uitoefening daarvan is deze redenering ongetwijfeld gegrond. Zij is trouwens a fortiori van toepassing op de uitoefening van werkzaamheden in loondienst op grond van artikel 48 van het Verdrag. Kan men zich voorstellen dat een Franse werknemer, zij het van buitenlandse afkomst, een verbod kan worden opgelegd om bij voorbeeld het beroep van lasser uit te oefenen op grond dat hij niet in het bezit is van een certificaat betreffende de geschiktheid voor het beroep in kwestie, doch alleen een gelijkwaardige beroepsopleiding in het buitenland heeft genoten?
Met alle respect voor dit hoge rechtscollege beweren wij zonder meer dat de Cour de Paris in de zaak Vaccaro een juridisch onjuiste beslissing heeft genomen, althans gelet op het zojuist genoemde motief.
In de nog spaarzame gevallen waarin de Raad door middel van een richtlijn toepassing heeft gegeven aan artikel 57, lid 1, heeft hij het objectieve karakter van onderlinge erkenning van diploma's aanvaard, zonder rekening te houden met de nationaliteit van de bezitters ervan.
Zo wordt in artikel 2 van richtlijn nr. 75/362 betreffende het beroep van arts bepaald, dat de in alle Lid-Staten afgegeven diploma's onderling moeten worden erkend, zonder onderscheid naar de nationaliteit der bezitters ervan.
De Raad heeft bij deze richtlijn met zoveel woorden verklaard: „de Raad bevestigt dat ervan moet worden uitgegaan dat de vrijheid van vestiging met name voor houders van in andere landen van de Gemeenschap behaalde diploma's onder dezelfde voorwaarden voor de onderdanen van andere Lid-Staten moet worden gewaarborgd als voor de eigen onderdanen van de betrokken Lid-Staat, zoals dat overigens ook het geval is voor de overige richtlijnen”.
Deze nadere toelichting bevestigt onze analyse van de juridische situatie in de onderhavige zaak.
Evenals de Commissie willen wij er echter nog op wijzen dat, indien men al de uitspraak in het arrest Vaccaro, dat de eigen onderdaan van een Lid-Staat zich aldaar niet kan beroepen op artikel 52 van het Verdrag zou aanvaarden, het door de Orde van advocaten te Parijs gemaakte bezwaar niettemin moet worden afgewezen.
Er zij aan herinnerd dat discriminaties ten aanzien van het recht van vestiging niet alleen rechtstreekse en in het oog lopende beperkingen op grond van de nationaliteit van personen die zich op dit recht beroepen, maar ook verkapte discriminaties kunnen zijn, bij voorbeeld op grond van de woonplaats, zoals U hebt overwogen in het arrest van 12 februari 1974 (zaak 152/73, Sotgiu, Jurispr. 1974, blz. 153).
Zelfs indien een wettelijke bepaling als die van artikel 11, lid 2, van de wet van 31 december 1971 in beginsel zonder onderscheid naar nationaliteit van toepassing is, is het voldoende dat zij een belemmering van de vrije vestiging vormt, waardoor uitsluitend of hoofdzakelijk aan buitenlanders de toegang tot een bepaald beroep en de uitoefening daarvan kan worden ontzegd. Deze overweging is ook terug te vinden in het algemeen programma van 18 december 1961 betreffende de verwezenlijking van het recht van vestiging.
Dit nu is ook het geval met de wettelijke bepaling die de Orde van advocaten te Parijs tegen Thieffry heeft ingeroepen. Beziet men de feitelijke situatie, dan kan niet worden betwist dat in een land als Frankrijk in tegenstelling met bij voorbeeld het Groothertogdom Luxemburg — het aantal Fransen dat in het bezit is van een in een andere Lid-Staat behaald juridisch diploma kan worden verwaarloosd ten opzichte van het aantal onderdanen van andere Lid-Staten der Gemeenschap die een door een universiteit van hun land van oorsprong afgegeven diploma hebben behaald. Derhalve vormt de aan hen gestelde eis om de Franse licence en droit te bezitten een discriminerende voorwaarde, welke een belemmering vormt die verder gaat dan nodig is om de doelstellingen van de betrokken gemeenschapsbepalingen, met name van artikel 52 van het Verdrag, te bereiken, aangezien deze discriminatie zoniet uitsluitend dan toch hoofdzakelijk hèn hindert.
Wij zouden wensen dat U zich bij Uw uitleg voor de Cour d'Appel te Parijs, beperkt tot hetgeen noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil waarbij Thieffry is betrokken. U zult zich ervoor wachten een principieel arrest te wijzen dat een prececent van algemene strekking kan scheppen en elk nut zou kunnen ontnemen aan de in artikel 52, lid 1, of lid 2, bedoelde richtlijnen voor alle beroepen anders dan in loondienst en in alle Lid-Staten.
Het recht van vestiging is naar zijn aard een subjectief, individueel recht en de verwijzende rechter heeft de plicht de bijzondere aan hem voorgelegde situatie te beoordelen.
Hij moet in casu rekening houden met de voor het geval Thieffry kenmerkende omstandigheden. Doch alle gegevens van het dossier aan de hand waarvan de Cour de Paris uitspraak moet doen lijken te bevestigen dat het als gelijkwaardig erkende diploma van verzoeker in het hoofdgeding de garantie biedt dat de algemene juridische kennis die deze in België heeft verworven ruimschoots voldoende is ter rechtvaardiging van een objectieve gelijkwaardigheid met de kennis van de Franse licence en droit.
Bovendien voldoet verzoeker door het bezit van het „certificat d'aptitude à la profession d'avocat”, een exclusief Frans beroepsdiploma, afgegeven door het rechteninstituut van de universiteit van Parijs II onder de in het decreet van 31 juli 1972 bedoelde voorwaarden, aan de aanvullende doch onontbeerlijke voorwaarde voor zijn inschrijving als advocaat, als bedoeld in artikel 11, lid 3, van de wet van 31 december 1971.
Kortom, aangezien de kandidaat voldoet aan alle voorwaarden voor de toegang tot het beroep van advocaat — en wel recht streeks wat betreft het certificat d'aptitude, en door gelijkwaardigerkenning van zijn diploma, wat het bezit van de licence en droit betreft — en aangezien zijn Belgische nationaliteit hem krachtens het arrest Reyners niet kan worden tegengeworpen, zijn wij er volledig van overtuigd dat het zuiver formeel vereiste van de Franse licence en droit, afgegeven door een universiteit van het land van vestiging, voor zijn inschrijving als advocaat een belemmering vormt, welke verder gaat dan nodig is om de doelstellingen van de betrokken gemeenschapsbepalingen te bereiken.
Wij concluderen derhalve dat U voor recht verklare:
—
het feit dat van een onderdaan van een Lid-Staat die zich in een andere Lid-Staat van de Gemeenschap als advocaat wil vestigen, het door de wet van het land van vestiging voorgeschreven nationale diploma wordt verlangd, terwijl betrokkene in het bezit is van een door een bevoegde instantie van het land van herkomst afgegeven juridisch diploma, dat gelijkwaardig is erkend door het bevoegde gezag van het land van vestiging, vormt, zelfs bij ontbreken van de in artikel 57, leden 1 en 2, bedoelde richtlijnen, een verkapte beperking van het in artikel 52 neergelegde recht van vestiging, en derhalve een vereiste dat verder gaat dan objectief gezien nodig is om de doelstellingen van bovengenoemde gemeenschapsbepalingen te bereiken.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy