CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 25 JANUARI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Deze zaak betreft een verzoek aan het Hof van de Franse Cour de Cassation om een prejudiciële beslissing inzake de uitlegging van artikel 52 van verordening nr. 3 van de Raad, hetwelk luidt als volgt:
„Indien een persoon, die prestaties geniet krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat naar aanleiding van een op het grondgebied van een andere Staat ontstane schade, het recht heeft op het grondgebied van die tweede Staat tegen een derde een eis tot schadevergoeding in te stellen, worden de eventuele rechten van het orgaan dat de prestatie verschuldigd is, tegenover de derde als volgt geregeld:
a)
wanneer het orgaan dat de prestatie verschuldigd is, krachtens de wettelijke regeling welke op hem van toepassing is, gesubrogeerd is in de rechten welke de rechthebbende tegenover de derde heeft, erkent elke Lid-Staat die subrogatie;
b)
wanneer het orgaan dat de prestatie verschuldigd is, een onmiddellijk recht heeft tegenover de derde, erkent elke Lid-Staat dat recht.
De toepassing van deze bepaling zal bij bilaterale akkoorden nader worden geregeld.”
De laatste zin kan hier buiten beschouwing blijven, aangezien er geen bilateraal akkoord bestaat dat in casu van toepassing zou kunnen zijn. Het is echter een uitgemaakte zaak dat artikel 52 ook zonder een dergelijk akkoord rechtstreekse werking heeft — zie zaak 31/64 (De Sociale Voorzorg t. Bertholet, Jurispr. 1965, blz. 107) en zaak 33/64 (Heseper Torfwerk GmbH t. Van Dijk, Jurispr. 1965, blz. 127).
Een tweede algemene vaststelling van het Hof ten aanzien van artikel 52 is dat de door dit artikel aan de nationale organen van sociale zekerheid toegekende rechten een logische en ook billijke tegenhanger vormen van de uitbreiding van de verplichtingen dezer organen tot het gehele gebied der Gemeenschap, welke uit de bepalingen van verordening nr. 3 voortvloeit — zie de arresten in de genoemde zaken Bertholet en Van Dijk, Jurispr. 1965, blz. 115 en 136, alsmede het arrest in zaak 44/65, Hessische Knappschaft t. Singer et Fils, ibidem, blz. 1156.
De onderhavige zaak vindt zijn oorsprong in een ongeval dat zich op 19 augustus 1968 in Mulhouse heeft voorgedaan. Daarbij werd de heer Töpfer aangereden door de bromfietser Weber; Töpfer liep een schedelbasisfractuur op, aan de gevolgen waarvan hij op 11 september 1968 overleed.
De aansprakelijkheid is geen punt van discussie: bij vonnis van het Tribunal de Grande Instance te Mulhouse van 25 juni 1971 (waartegen geen beroep is ingesteld) is Weber volledig aansprakelijk verklaard voor het ongeval.
Töpfer, een Duitser en gehuwd met een Française, woonde en werkte ten tijde van het ongeval in Mulhouse, waar hij was aangesloten bij een sociale verzekering. Daarvóór had hij echter het grootste deel van zijn leven in de Bondsrepubliek Duitsland gewerkt, waar hij was aangesloten bij de Landesversicherungsanstalt Rheinland-Pfalz (LVA), waaraan hij na zijn vertrek uit Duitsland naar het schijnt vrijwillig premies bleef betalen.
Töpfer was geboren op 21 maart 1906, zodat hij 62 jaar was toen hij stierf; op 21 maart 1971 zou hij 65 jaar zijn geworden.
Na de dood van haar man kreeg zijn weduwe zowel uitkeringen van Franse instellingen van sociale zekerheid als van LVA, te weten een overlijdensuitkering van FF 2889,33 van de Caisse Primaire d'Assurance Maladie te Mulhouse, een pensioen van FF 44,80 per maand van de Caisse Régionale d'Assurance Viellesse te Straatsburg (overeenkomstig artikel 351 van de Franse Code de la Sécurité sociale 50 % van het ouderdomspensioen waarop Töpfer zelf bij het bereiken van de 65- jarige leeftijd recht zou hebben gehad uit hoofde van het tijdvak gedurende hetwelk hij in Frankrijk werkzaam was geweest) en een pensioen van LVA van FF 349,65 per maand (overeenkomstig Duits recht 60 % van het ouderdomspensioen waarop Töpfer met 65 jaar recht zou hebben gehad).
Vóór de dood van haar man ontving mevrouw Töpfer, die al lange tijd ziek was, een ziekteuitkering van ongeveer FF 516 per maand. Haar recht op die uitkering verviel echter op 17 juni 1969, toen zij arbeidsongeschikt werd verklaard. Daardoor had zij in beginsel vanaf die datum recht op een invaliditeitspensioen, maar ingevolge de relevante wetgeving kon zij niet tegelijkertijd invaliditeitspensioen en weduwenpensioen ontvangen. Aangezien de som van het Franse en het Duitse weduwenpensioen groter was dan het bedrag van het invaliditeitspensioen, kon zij geen aanspraak maken op dit laatste.
Op 21 mei 1970 stelde mevrouw Töpfer bij het Tribunal de Grande Instance te Mulhouse een actie tot schadevergoeding in tegen Weber en diens verzekeringsmaatschappij „Le Phénix” LARD, SA (die ik hierna tezamen „verweerders” zal noemen).
Voor een goed begrip van het probleem waarover de Cour de Cassation heeft te beslissen, lijkt het mij noodzakelijk wat nader in te gaan op de vordering van mevrouw Töpfer en te zien hoe het Tribunal de Grande Instance en vervolgens de Cour d'Appel te Colmar daarover hebben geoordeeld.
De eis tot schadevergoeding in het inleidend verzoekschrift van mevrouw Töpfer omvatte vier rubrieken.
In de eerste plaats vorderde zij een bedrag van FF 30000 wegens morele schade, met name omdat zij door de dood van haar man een zenuwinstorting had gekregen.
In de tweede plaats vorderde zij een bedrag van FF 30507,43 wegens materiële schade.
Bij de berekening van deze som ging zij tewerk volgens een blijkbaar in de Franse rechtspraak aanvaarde regel, volgens welke in het geval van een samenwonend echtpaar elk der beide echtelieden geacht wordt een derde van zijn of haar inkomen voor zichzelf te behouden en het overige in te brengen voor het huishouden. Op grond van deze regel berekende mevrouw Töpfer dat haar man van zijn netto maandelijks inkomen ad FF 860 een derde — FF 286,60 — voor zichzelf behield en de rest — FF 573,40 — aan het huishouden bijdroeg. Zij van haar kant behield een derde van haar ziekteuitkering van FF 516 — FF 172 — voor zichzelf en besteedde de rest — FF 344 — aan het huishouden. Het huishoudgeld bedroeg dus FF 573,40 plus FF 344 is FF 917,40 per maand. Haar eigen inkomsten vóór de dood van haar man bedroegen dus FF 630,70 per maand, namelijk FF 172 plus de helft van het huishoudgeld ad FF 917,40 ofwel FF 45870.
Na de dood van haar man bedroegen haar inkomsten uit het Franse en het Duitse weduwenpensioen in totaal FF 394,45 per maand.
Door het overlijden van haar man leed zij dus een financieel verlies van FF 63070 min FF 394,45 is FF 236,25 per maand, ofwel FF 2835 per jaar. Dit bedrag vermenigvuldigde zij met een actuariële factor, de zogenaamde „prix du franc de rente”, die voor een man van 62 jaar 10,761 bedraagt, en kwam aldus op een bedrag van FF 30507,43.
Ter mondelinge behandeling meenden zowel LVA als de Commissie dat mevrouw Töpfer bij de berekening van haar materiële schade een fout had gemaakt: zij had haar weduwenpensioen niet op haar schade in mindering moeten brengen. Het onderhavige probleem zou zich dan niet hebben gesteld, althans niet in zo scherpe vorm. Naar ik heb begrepen, gaan zij ervan uit dat in het Franse recht bij het totale schadebedrag dat naar burgerlijk recht van verweerders kan worden teruggevorderd, geen rekening wordt gehouden met sociale zekerheidsuitkeringen waarop mevrouw Töpfer aanspraak kan maken, maar dat na vaststelling van het totale bedrag dit moet worden verdeeld tussen mevrouw Töpfer en de sociale zekerheidsorganen.
Aangezien dit een kwestie van Frans recht is, behoeft het Hof zich daarover niet uit te spreken en ik zal er evenmin op ingaan. Ik vestig echter de aandacht op de navolgende passage in Doublet, „Sécurité sociale” (5e druk, 1972, blz. 258):
„De gelaedeerde kan van de derde slechts het verschil vorderen tussen hetgeen hij van de sociale zekerheid heeft ontvangen, en de schadevergoeding waartoe de gewone rechter of eventueel de administratieve rechter de aansprakelijke derde hebben veroordeeld (CE 23 november 1966, CPSS des Bouches-du-Rhône; T GI Verdun, 7 maart 1969, D. 69; S 123). Het orgaan van sociale zekerheid kan van de derde terugbetaling vorderen van de schade-uitkeringen die het heeft verstrekt aan de gelaedeerde of diens rechtverkrijgenden (CE, CPSSRP, 17 november 1965, CE, 20 mei 1966, Bérenger). Maar de omvang van de rechten van dat orgaan werpt een aantal moeilijke vragen op die aanleiding hebben gegeven tot een omvangrijke rechtspraak (aangezien de aansprakelijken voor en de slachtoffers van ongevallen over het algemeen verzekerd zijn, hebben de verzekeringsmaatschappijen natuurlijk getracht de omvang der vergoedingen welke de sociale zekerheid opeiste, te beperken).”
Wellicht heeft mevrouw Töpfer het bij haar vordering dus terecht aan de betrokken instellingen van sociale zekerheid zelf overgelaten om naar eigen inzicht hun eigen vorderingen tegen verweerders in te dienen.
Vervolgens vorderde mevrouw Töpfer onder rubriek 3 en 4 in totaal FF 4479,12 schadevergoeding voor diverse begrafeniskosten. Op dit bedrag bracht zij FF 2889,33 in mindering, zijnde de overlijdensuitkering die zij van de Caisse Primaire d'Assurance Maladie had ontvangen, zodat zij nu nog slechts het verschil vordert.
LVA, die als interveniërende partij in het door mevrouw Töpfer aangespannen geding optrad, vorderde van verweerders terugbetaling van de weduwenpensioenen die zij aan mevrouw Töpfer had uitgekeerd, zulks op grond van § 1542, lid 1, van de Reichsversicherungsordnung (RVO) alsmede artikel 52 van verordening nr. 3. Haar totale vordering bedroeg DM 34386,40, waarvan DM 6331 het bedrag was dat zij tot 30 september 1970 aan mevrouw Töpfer had uitgekeerd, en de overige DM 28055,40 de gekapitaliseerde waarde van haar pensioen op die datum.
Voor zover hier van belang, wordt in § 1542, lid 1, RVO bepaald dat wanneer personen die krachtens deze wet zijn verzekerd, of hun rechtverkrijgenden krachtens enige andere wettelijke bepaling gerechtigd zijn vergoeding te vorderen voor schade die zij hebben geleden ten gevolge van ziekte, letsel, invaliditeit of dood van de kostwinner, dat recht „overgaat” („geht über”) op de instellingen van sociale zekerheid tot ten hoogste het bedrag van de krachtens de RVO aan de gerechtigden verstrekte uitkeringen.
Zoals U zich zult herinneren, is tijdens de mondelinge behandeling de vraag ter sprake gekomen of de betrokken instelling van sociale zekerheid krachtens die bepalingen ten opzichte van de aansprakelijke een recht van subrogatie krijgt zoals bedoeld in artikel 52, sub a, dan wel een eigen recht overeenkomstig artikel 52, sub b. Zowel LVA als verweerders en de Commissie waren van mening dat er sprake is van subrogatie en niet van een onmiddellijk recht, en blijkens haar schriftelijke opmerkingen is ook mevrouw Töpfer deze mening toegedaan. Belangrijker lijkt mij dat de prejudiciële vraag van de Cour de Cassation van subrogatie uitgaat. Ik meen dan ook dat wij, althans voor wat deze zaak betreft, deze opvatting moeten overnemen.
Het Tribunal de grande instance te Mulhouse kende mevrouw Töpfer bij vonnis van 3 maart 1972 een bedrag van FF 20000 toe uit hoofde van morele schadevergoeding; voorts accepteerde het blijkbaar haar berekening van de materiële schade — alleen werd het gevorderde bedrag afgerond op FF 30000 — en ten slotte wees het de eis tot vergoeding van de begrafeniskosten toe. Na aftrek van een bedrag van FF 10000 — reeds eerder uitgekeerd als voorlopige schadevergoeding — veroordeelde het Tribunal verweerders uiteindelijk tot betaling van een bedrag van FF 41589,79. Het Tribunal verwierp de vordering van LVA op grond dat weduwenpensioen naar hun aard ouderdomspensioenen zijn en geen schadevergoedingsuitkeringen, zodat de instellingen van sociale zekerheid welke deze zijn verschuldigd, geen terugbetaling kunnen vorderen van de aansprakelijke derde. Evenmin kunnen zij worden afgetrokken van de aan de gelaedeerde of zijn rechtverkrijgenden verschuldigde schadevergoeding. Deze laatste stelling wordt in het arrest enigszins raadselachtig gemotiveerd. Als motivering zou men verwachten dat met die pensioenen reeds rekening is gehouden bij de berekening van de schadevergoeding. Het Tribunal overwoog echter dat de sociale zekerheidsinstellingen de gelaedeerde, of zijn rechtverkrijgenden, anders zouden ontnemen hetgeen hij in de loop van zijn werkzaam leven aan premies had betaald en waarvan bij zijn in leven blijven een hoger percentage had moeten worden uitgekeerd.
In elk geval ging LVA van dit vonnis in beroep bij de Cour d'Appel te Colmar. Hier betoogde zij dat krachtens artikel 52 van verordening nr. 3 de aard en de omvang van haar recht van subrogatie door het Duitse recht worden beheerst; dat de schuldige aan een ongeval naar Duits recht gehouden is schadevergoeding te betalen aan de gelaedeerde of zijn rechtverkrijgenden ongeacht hun rechten op sociale zekerheidsuitkeringen, maar dat deze geen recht hebben op dubbele schadevergoeding, zodat de betrokken instelling van sociale zekerheid in een geval als het onderhavige wordt gesubrogeerd in de rechten van de weduwe tot het bedrag van haar pensioen, aangezien dit de vergoeding is voor het verlies van haar recht op onderhoud vanwege haar echtgenoot, en dat het niet van belang is of de instelling van sociale zekerheid zelf verlies heeft geleden als gevolg van het ongeval dan wel er in zoverre voordeel uit trekt, dat zij in plaats van de gelaedeerde een volledig ouderdomspensioen te moeten betalen, kan volstaan met betaling van een kleiner pensioen aan zijn weduwe.
Voor de Cour d'Appel wijzigde LVA haar eis, die wederom alleen tegen verweerders was gericht. Thans vorderde zij van hen een bedrag van DM 15339,10 — het totaal pensioenbedrag dat zij tot 1 juli 1973 aan mevrouw Töpfer had uitbetaald — en zij vroeg verweerders te gelasten tot terugbetaling van toekomstige pensioenuitkeringen voor zover en wanneer die verschuldigd werden.
Mevrouw Töpfer betoogde dat het haar door het Tribunal de grande instance toegekende bedrag van FF 41589,79 niet de volledige schadevergoeding vormde waarop zij naar burgerlijk recht aanspraak kon maken. Dat bedrag was slechts de schade die overbleef na aftrek van het pensioen dat zij van LVA ontving, en daarom kon het niet onder het recht van subrogatie van LVA vallen. Door middel van een nieuwe berekening toonde zij aan dat haar totale schade naar burgerlijk recht FF 77248,22 zou hebben bedragen. Zij beriep zich voorts op een nieuwe Franse wet (nr. 73 — 1200 van 27 december 1973) waarbij aan de Code de la sécurité sociale een nieuw artikel L 397 was toegevoegd, onder meer bepalende dat wanneer een verzekerde aan de gevolgen van een ongeval overlijdt, het op de morele schade betrekking hebbende gedeelte van de schadevergoeding die aan de rechtverkrijgenden wordt toegekend, aan deze blijft voorbehouden zonder dat enige instelling van sociale zekerheid daarop recht kan doen gelden. LVA voerde hiertegen aan dat deze Franse wettelijke bepaling hier niet ter zake deed, aangezien de omvang van haar recht van subrogatie door Duits recht werd beheerst. Volledigheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat bij genoemde Franse wet ook een nieuw artikel L 398 in de Code de la sécurité sociale blijkt te zijn opgenomen, bepalende dat instellingen van sociale zekerheid ook geen verhaal hebben ten aanzien van „déboursés”, waaronder kennelijk ook begrafeniskosten vallen, ten aanzien waarvan mevrouw Töpfer een uitspraak heeft verkregen.
Voor de Cour d'Appel betoogden verweerders dat bij vonnis van het Tribunal de grande instance definitief was vastgesteld tot welk bedrag zij in totaal aansprakelijk waren, en dat LVA dit in beroep niet meer kon betwisten. De Cour d'Appel maakte korte metten met deze stelling. Voor het overige schijnen verweerders zich in hun betoog vooral te hebben geconcentreerd op de verdediging van de redenering van het Tribunal de grande instance en de bestrijding van LVA's uitlegging van het Duitse recht.
De Cour d'Appel wees eindarrest op 21 juni 1974.
Na de argumenten van partijen te hebben samengevat, stelde het vooreerst vast dat partijen het erover eens waren dat artikel 52 van verordening nr. 3, overeenkomstig 's Hofs uitspraak in de zaak — Hessische Knappschaft (reeds aangehaald), geenszins de voorwaarden wijzigt welke het ontstaan of de grenzen van niet-contractuele aansprakelijkheid beheersen. Dit bleef uitsluitend een zaak van nationaal recht — dat wil zeggen het Franse recht, aangezien de schade in Frankrijk was ontstaan. Krachtens artikel 52 evenwel trad de betrokken instelling van sociale zekerheid in de plaats van de rechthebbende ten aanzien van alle vorderingen die deze op de aansprakelijke derde had, met andere woorden het artikel stelde een nieuwe schuldeiser in de plaats van de oude. In zoverre is de redenering van partijen en van de Cour d'Appel stellig geheel juist. Zij hadden ook kunnen verwijzen naar zaak 78/72 (Ster — Algemeen Syndikaat, Jurispr. 1973, blz. 499), waarin het Hof heeft beslist dat hetzelfde geldt ten aanzien van artikel 52, sub. b. Uit 's Hofs arresten in de zaken-Hessische Knappschaft en Ster — Algemeen Syndikaat volgt dat het schadebedrag dat volgens de wet van het land waar de schade is ontstaan — de lex loci delicti — kan worden teruggevorderd, het maximum is dat, met toepassing van artikel 52, sub a of sub b, gevorderd kan worden, hetzij door de gelaedeerde of zijn rechtverkrijgenden, hetzij door de betrokken instelling van sociale zekerheid. Dat dit zo is, volgt mijns inziens trouwens duidelijk uit de tekst van artikel 52 zelf.
Vervolgens overwoog de Cour d'Appel dat LVA slechts in de rechten van mevrouw Töpfer kon worden gesubrogeerd, voor zover zij haar pensioen had betaald tussen 11 september 1968, de sterfdatum van haar man, en 21 maart 1971, de datum waarop hij 65 jaar zou zijn geworden; vanaf laatstgenoemde datum zou hij naar Duits recht immers recht hebben gehad op ouderdomspensioen. Derhalve zou de verplichting van LVA volgens de Cour d'Appel vanaf die datum niet meer uit het ongeval zijn voortgevloeid. Slechts de uitkeringen die vóór die datum aan mevrouw Töpfer waren verstrekt, DM 7765,09 of ongeveer FF 13646, droegen het karakter van schadevergoeding.
Op die grond besliste de Cour d'Appel dat de aan mevrouw Töpfer uit hoofde van materiële schade toe te kennen vergoeding moest worden verhoogd van FF 30000 tot FF 40000.
Bijgevolg verminderde de Cour d'Appel het totale bedrag dat verweerders aan mevrouw Töpfer zelf moesten betalen, met FF 3646, dat wil zeggen van FF 41589,79 tot FF 37943,79, en veroordeelde hen tot betaling aan LVA van de tegenwaarde in FF van DM 7765,09.
Tegen deze uitspraak is LVA in beroep gegaan bij de Cour de Cassation. Zij stelt krachtens artikel 52 van verordening nr. 3 gerechtigd te zijn tot uitoefening van haar recht van subrogatie overeenkomstig de Duitse wetgeving en dientengevolge aanspraak te kunnen maken op volledige terugbetaling van het pensioen dat zij aan mevrouw Töpfer uitkeert.
In haar verwijzingsbeschikking verzoekt de Cour de Cassation het Hof om uitlegging van artikel 52 en met name om een uitspraak inzake de navolgende vraag:
„Wordt de actie uit subrogatie, welke eventueel krachtens artikel 52 van verordening nr. 3 openstaat voor het sociale zekerheidsorgaan van een Lid-Staat ter zake van een ongeval dat een bij dit orgaan aangeslotene is overkomen op het grondgebied van een andere Lid-Staat, met betrekking tot de omvang daarvan en de verdeling — tussen het orgaan en de aangeslotene of diens rechtverkrijgenden — van de schadevergoeding die ten laste komt van de derde aansprakelijke voor het ongeval, beheerst door de wetgeving van het land waaronder bedoeld orgaan ressorteert?”
U zult zich herinneren dat artikel 52, sub a, aldus aanvangt: „Wanneer het orgaan dat de prestatie verschuldigd is, krachtens de wettelijke regeling welke op hem van toepassing is, gesubrogeerd is in de rechten …” enzovoort. Voor de beantwoording van de vraag of de instelling kan worden gesubrogeerd in de zin van artikel 52, moeten wij derhalve uitgaan van de wetgeving waaraan zij is onderworpen. Dit heeft het Hof reeds beslist in zaak 27/69 Entr'aide médicale, Jurispr. 1969, blz. 405), waarin het overwoog dat met artikel 52 wordt beoogd dat iedere Lid-Staat elk … recht zal erkennen, hetwelk de andere Lid-Staten ten behoeve van het tot de prestaties gehouden orgaan hebben ingesteld. Mijns inziens moet daaruit volgen dat bij het vaststellen van de omvang van dat recht van dezelfde wetgeving dient te worden uitgegaan. Men kan zich moeilijk een situatie indenken waarin het bestaan van een recht wordt bepaald aan de hand van het ene rechtssysteem, maar de inhoud van het recht aan de hand van een ander.
Tot mijn genoegen heb ik kunnen vaststellen dat advocaat-generaal Gand dezelfde mening was toegedaan. In de zaak-Hessische Knappschaft (Jurispr. 1965, blz. 1166) stelde hij: „… en wat is eigenlijk de strekking van. artikel 52? Het wijzigt de vroegere nationale wetgevingen niet, doch coördineert de toepassing daarvan. Het stelt een regel krachtens welke de Lid-Staten gehouden zijn om behalve de uit hun eigen wetgeving voortvloeiende subrogaties ook die te erkennen die op de wetgeving van andere Lid-Staten berusten, en dan nog uitsluitend voor zover zulks in die wetgevingen is voorzien.” En in de zaak-Entr'aide médicale (Jurispr. 1969, blz. 417) betoogde hij: „In de eerste plaats heeft de rechter bij wie de vordering tot schadeloosstelling van het slachtoffer tegen de derde werd aangebracht, krachtens artikel 52 de wettelijke subrogatie of onmiddellijke recht van het orgaan dat de prestatie verschuldigd is, te erkennen wanneer die subrogatie of dat onmiddellijke recht bestaat krachtens de wettelijke regeling welke op de instelling van toepassing is. Slechts naar deze wettelijke regeling kan worden bepaald hetgeen onder deze beide begrippen moet worden verstaan, en het is op die regeling dat de rechter acht moet slaan en haar strekking en inhoud waarderen …”
Het aanvaarden van de tegenovergestelde opvatting zou betekenen dat artikel 52 geen toepassing kan vinden indien de wetgeving van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan, geen recht van subrogatie of ander verhaal toekent aan de eigen nationale instellingen van sociale zekerheid. Dit is bij voorbeeld het geval in het Verenigd Koninkrijk. Weliswaar is artikel 52 daar nooit van toepassing geweest, maar het ervoor in de plaats gekomen artikel 93 van verordening nr. 1408/71 is dat wel. Stel dat het ongeluk waarover wij thans spreken, niet in 1968 in Frankrijk had plaatsgehad, maar in 1973 in Engeland, dan zou de opvatting dat de omvang van de door LVA aan § 1542, lid 1, RVO ontleende rechten aan de hand van het Engelse recht moet worden vastgesteld, ten gevolge hebben dat die rechten volkomen inhoudloos worden.
Ik ben derhalve van mening dat de bepalingen van Frans recht, die de omvang vaststellen van de verhaalsrechten van de Franse instellingen van sociale zekerheid, zoals artikel L 397 en L 398 van de Code de la Sécurité sociale, en de regel dat die instellingen slechts regres kunnen uitoefenen ten aanzien van uitkeringen die het karakter van schadevergoeding dragen, hier geen toepassing vinden, althans niet voor zover het gaat om vaststelling van de omvang van LVA's recht als zodanig.
Maar daarmee is de zaak mijns inziens niet afgedaan. Een van de wezenlijke kenmerken van subrogatie is namelijk dat er slechts een beroep op kan worden gedaan wanneer degene die zich op subrogatie beroept, gehouden is dezelfde schade te betalen als ten aanzien waarvan de persoon in wiens plaats hij treedt, een vordering heeft. Wanneer dus uit eenzelfde gebeurtenis twee schadeposten voortvloeien, kan een verzekeraar slechts worden gesubrogeerd in het vorderingsrecht van zijn verzekerde, dat betrekking heeft op de schade die door de polis wordt gedekt. Dit beginsel kan ook uit de aanhef van artikel 52 worden afgeleid: „Indien een persoon, die prestaties geniet krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat naar aanleiding van een op het grondgebied van een andere Staat ontstane schade, het recht heeft op het grondgebied van die tweede Staat tegen een derde een eis tot schadevergoeding („réparation de ce dommage”) in te stellen …” Wil artikel 52 dus van toepassing zijn, dan moet de schade uit hoofde waarvan de begunstigde in de eerste Lid-Staat een sociale zekerheidsuitkering krijgt, klaarblijkelijk dezelfde zijn als die op grond waarvan hij in de tweede Lid-Staat een vordering tegen de derde heeft.
Aan het betoog van LVA voor het Hof ligt kennelijk de opvatting ten grondslag, dat de in casu relevante schade het overlijden van Töpfer was. Ik acht deze opvatting onjuist of in elk geval al te simplificerend. Hoewel de dood van haar man voor Töpfer natuurlijk een „verlies” was in de gewone zin van het woord, was het zuiver juridisch gezien slechts de oorzaak van verschillende verlies- (of schade-)posten. Menselijk uitgedrukt waren deze posten: zijn dood veroorzaakte haar zoveel verdriet, dat ze een zenuwinstorting kreeg; zij verloor zijn financiële ondersteuning en zij moest begrafeniskosten betalen. Men kan die posten echter ook juridisch omschrijven. Het Franse recht gebruikt de termen „préjudice moral”, „préjudice matériel” en „frais et débours” of „déboursés”. In andere rechtsstelsels worden ze misschien anders omschreven, anders ingedeeld en volgens andere maatstaven vergoed.
De moeilijkheid is nu dat — althans naar mijn mening en om de redenen die ik heb uiteengezet — volgens artikel 52 de aard en omvang van een eventueel recht van subrogatie moet worden bepaald aan de hand van het recht van de Lid-Staat waartoe de betrokken instelling van sociale zekerheid behoort, terwijl volgens hetzelfde artikel de wetgeving van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan, bepaalt welke schade op de aansprakelijke derde kan worden verhaald. Laatstbedoelde wetgeving bepaalt ook welke soorten schade verhaalbaar zijn en in welke omvang. Artikel 52 is slechts van toepassing indien en voor zoverre ingevolge deze laatste wetgeving een bedrag kan worden teruggevorderd voor hetzelfde nadeel — noem het „loss” of „damage” in het Engels, „préjudice” of „dommage” in het Frans — als dat in verband waarmee de sociale zekerheidsuitkering moet worden betaald.
Mag ik mijn opvatting illustreren aan de hand van de feiten van de onderhavige zaak, ook al riskeer ik daarmee te komen op het terrein van de toepassing van het gemeenschapsrecht (zoals ik dat zie) op die feiten — hetgeen natuurlijk een taak is van de Franse rechter?
Zoals reeds vermeld, schijnt LVA zelf voor de Cour d'Appel te Colmar te hebben gesteld dat een weduwenpensioen naar Duits recht een compensatie is voor het verlies van het onderhoud waartoe de man verplicht was. Dit klinkt heel geloofwaardig en ik ga ervan uit dat het juist is, ofschoon het uiteindelijk de Franse rechter is die hierover heeft te beslissen.
Ik ga er verder van uit dat de schadeposten die mevrouw Töpfer naar Frans recht op verweerders kan verhalen, die zijn welke in de uitspraken van het Tribunal de grande instance te Mulhouse en van de Cour d'Appel te Colmar zijn genoemd.
Het lijkt mij dan duidelijk dat de schade waarvoor Mevrouw Töpfer een pensioenuitkering van LVA krijgt, niet dezelfde is als die waarvoor de Franse rechter haar een vergoeding onder het hoofd „préjudice moral” heeft toegekend, en ook niet dezelfde als die waarvoor de Franse rechter haar een vergoeding heeft toegekend onder het hoofd begrafeniskosten. Zo gezien kan LVA dus geen aanspraak maken op de bedragen die mevrouw Töpfer uit hoofde van deze schadeposten zijn toegewezen.
Blijft over haar „préjudice matériel”. Ten aanzien hiervan hangt het antwoord mijns inziens wederom af van de opvattingen van het Franse recht.
Ik zie drie mogelijkheden.
De eerste is dat verweerders naar Frans recht slechts schadeplichtig zijn aan mevrouw Töpfer, en wel voor zover zij niet schadeloos wordt gesteld door de Franse of de Duitse sociale zekerheidsregeling. In dat geval heeft LVA geen verhaalmo-gelijkherd, omdat dan de schade die verweerders aan mevrouw Töpfer vergoeden, slechts de restschade is die overblijft na aftrek van haar weduwenpensioenen.
De tweede mogelijkheid is dat verweerders naar Frans recht mevrouw Töpfer schadeloos moeten stellen voor het verlies van de financiële steun van haar man, ongeacht de pensioenen die zij van Franse of Duitse sociale zekerheidsinstellingen krijgt. In dat geval moet LVA krachtens artikel 52 haar recht van subrogatie kunnen uitoefenen ten aanzien van het bedrag dat verweerders mevrouw Töpfer wegens „dommage matériel” zijn verschuldigd.
De derde mogelijkheid is dat verweerders naar Frans recht enerzijds gehouden zijn mevrouw Töpfers schade te vergoeden voor zover deze niet door sociale zekerheidsuitkeringen wordt gecompenseerd, en anderzijds rechtstreeks aansprakelijk zijn tegenover de instellingen die bedoelde uitkeringen aan mevrouw Töpfer doen. Dit is het moeilijkste geval, omdat artikel 52, naar de letter genomen, er niet in voorziet. Het is het geval waarin, om met artikel 52 te spreken, de wettelijke regeling van de Lid-Staat waartoe de betrokken sociale zekerheidsinstelling behoort, deze een recht van subrogatie toekent, maar de wettelijke regeling van de Lid-Staat waar de schade is ontstaan, die. instelling een onmiddellijk recht tegenover de derde aansprakelijke geeft. In dit geval kan artikel 52 mijns inziens slechts in die zin worden uitgelegd, dat de sociale zekerheidsinstelling in de eerste Lid-Staat wordt „gesubrogeerd” — in een nogal bijzondere en vergaande zin — in de rechten die een sociale zekerheidsinstelling in de tweede Lid-Staat zou hebben gehad. In casu zou LVA dus regres kunnen nemen op verweerders, doch slechts voor zover een Franse instelling die in dezelfde situatie verkeerde, dat zou hebben gekund. Ongetwijfeld betekent dit dat men door de achterdeur juist die bepalingen van Frans recht binnenhaalt, waaraan ik de toegang via de voordeur meende te moeten weigeren. Maar gelet op de tekst en opbouw van artikel 52, zie ik niet hoe men dit kan vermijden.
Samenvattend concludeer ik dat de vraag van de Cour de Cassation aldus worde beantwoord, dat aard en omvang van een recht van subrogatie, dat krachtens artikel 52 van verordening nr. 3 eventueel toekomt aan een sociaal zekerheidsorgaan van een Lid-Staat, moeten worden vastgesteld overeenkomstig het recht van de Lid-Staat waartoe dat orgaan behoort, maar dat dit recht slechts kan worden uitgeoefend ten aanzien van dat gedeelte van de schadevergoeding die krachtens de wetgeving van de Lid-Staat waar het ongeval heeft plaatsgehad, verschuldigd is door de aansprakelijke derde, dat betrekking heeft op dezelfde schade als uit hoofde waarvan de sociale zekerheidsuitkering moet worden betaald.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
Full & Egal Universal Law Academy