CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL H. MAYRAS
VAN 26 MEI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President
mijne heren Rechters,
Daar deze zaak het vervolg is op zaak 31/75, waarin het Hof (Eerste Kamer) uitspraak heeft gedaan bij arrest van 4 december 1975 (Jurispr. 1975, blz. 1563), lijkt het mij onnodig een overzicht te geven van de feiten die aan het onderhavige beroep van Costacurta ten grondslag liggen, en van het verloop van zijn carrière. Dit alles is uitvoerig uiteengezet in genoemd arrest en in de op 20 november 1975 genomen conclusie van advocaat-generaal Warner.
Slechts zij opgemerkt dat verzoeker in die zaak nietigverklaring had gevorderd van het besluit waarbij zijn sollicitatie was afgewezen door de jury in het intern vergelijkend onderzoek, dat overeenkomstig aankondiging COM/A 15/73 op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen werd gehouden voor de vorming van een aanwervingsreserve van administrateurs in de loopbaan A7/A6 op het gebied van de drukkerij en uitgeverij. Eveneens had hij nietigverklaring gevorderd van het besluit dd. 13 januari 1975 waarbij de Commissie zijn administratieve klacht had afgewezen.
Als middelen had hij aangevoerd schending van artikel 25 Statuut, wegens onvoldoende motivering van het jurybesluit, en misbruik van bevoegdheid waaraan de jury en ook de Commissie zich zouden hebben schuldig gemaakt door aan verzoeker een beroepservaring van gelijkwaardig niveau als een universitair diploma te ontzeggen.
Advocaat-generaal Warner concludeerde niet alleen tot nietigverklaring van het jurybesluit en daarmee tevens van het afwijzend besluit der Commissie, maar ook tot nietigverklaring van alle benoemingen verricht op grond van het juryverslag.
Bij genoemd arrest heeft het Hof echter alleen de vernietiging, wegens onvoldoende motivering, uitgesproken van het jurybesluit om verzoeker niet op de lijst van sollicitanten te plaatsen, en van het afwijzend besluit van de administratie.
De Eerste Kamer overwoog hiertoe dat met het vergelijkend onderzoek werd beoogd een aanwervingsreserve voor administrateurs te vormen; dat derhalve de uitsluiting van verzoeker van de lijst van sollicitanten niet van invloed was op de opneming in deze lijst van de door de jury geselecteerde personen die werden geacht wel te voldoen aan de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek vermelde voorwaarden; en dat (overweging 17) „verzoekers rechten naar behoren zullen zijn beschermd”, indien de jury zich over de geschiktheid van verzoeker om op de lijst van kandidaten te worden geplaatst opnieuw beraadt en hem bij positieve beoordeling toelaat tot het vergelijkend onderzoek, zulks onverlet de door de jury reeds gemaakte selectie.
I —
Verzoekers conclusies in het onderhavige beroep zijn uitsluitend gericht tegen het besluit van 25 mei 1976, medegedeeld bij brief van 26 mei 1976, waarbij de jury haar weigering om verzoeker tot het vergelijkend onderzoek COM/A 15/73 toe te laten, staande houdt.
De vraag is dus of de jury zich heeft gevoegd naar de verplichting, opgelegd bij genoemd arrest, om verzoekers geschiktheid opnieuw te bezien, en of zij daarbij de bepalingen in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek correct heeft toegepast overeenkomstig de desbetreffende voorschriften van het Statuut.
Moet men zich echter niet eerst afvragen of de taak van de jury tot dit heronderzoek beperkt moest blijven? Bij de mondelinge behandeling heeft verzoekers raadsman immers op een concrete vraag van de kamerpresident verklaard dat de Commissie na het vergelijkend onderzoek was overgegaan tot twee benoemingen op administrateursposten in de rang A 7. De vertegenwoordiger van de Commissie heeft deze vraag niet nauwkeurig weten te beantwoorden en slechts opgemerkt dat bij zijn weten niemand was benoemd. De vraag is nu of, gesteld dat dergelijke benoemingen zijn geschied en het tot aanstelling bevoegde gezag inderdaad heeft geput uit de aanwervingsreserve die na de eerste jurywerkzaamheden was gevormd, de jury niet met het oog op het nuttig effect van het arrest van 4 december 1975 de toelaatbaarheid van alle kandidaten — te weten 22, met inbegrip van Costacurta — opnieuw had moeten nagaan óf dat zij zich ertoe kon beperken alleen verzoeker op diens geschiktheid te heronderzoeken.
Bij lezing van vorenbedoeld arrest meen ik dat het Hof de jury duidelijk heeft uitgenodigd alleen de tweede oplossing te volgen ten einde de reeds verrichte selectie van de andere kandidaten dan verzoeker niet weer in het geding te brengen.
De jury waaraan de tekst van het arrest 31/75 is medegedeeld, heeft haar taak mijns inziens ook onmiskenbaar in die zin opgevat.
Zij kwam een eerste maal op 17 mei 1976 bijeen in haar oorspronkelijke samenstelling, behalve dat het door het personeelscomité aangewezen lid een ander was dan degeen die in juli 1974 het examenwerk had nagekeken.
De jury heeft niet alle werkzaamheden van het vergelijkend onderzoek „ab ovo” overgedaan, doch overeenkomstig de richtlijnen in 's Hofs arrest alleen opnieuw onderzocht of verzoekers sollicitatie, gezien zijn bewijsstukken, zijn beroepservaring en de verschillende gegevens in zijn persoonsdossier, aanvaardbaar was in verband met de bepalingen in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek.
De jury schijnt tijdens die eerste vergadering in beginsel in afwijzende zin te hebben beslist, daar zij op 25 mei 1976 opnieuw bijeen is gekomen ter „goedkeuring van het resultaat van haar beraadslagingen”. Na een uitvoerige bespreking besloot zij toen op gronden waarop ik nog zal terugkomen, Costacurta niet tot het vergelijkend onderzoek toe te laten.
II —
Tussen deze beide data van 17 en 25 mei heeft zich een incident voorgedaan, waaruit volgens verzoeker blijkt dat artikel 6 van bijlage III van het Statuut — bepalende dat de werkzaamheden van de jury geheim zijn — is geschonden. Op 19 mei 's ochtends werd Costacurta namelijk door een van zijn collega's medegedeeld dat een jurylid de vorige avond tijdens een privé bijeenkomst had gesproken over de ongunstige beslissing die reeds op de vergadering van 17 mei jegens verzoeker was genomen. Deze wendde zich daarop onmiddellijk met een protestnota tot de directeur Personeelszaken en Algemeen Beheer.
Het feit zelf van de aldus aan verzoeker overgebrachte onthulling wordt niet ten gronde door de Commissie weersproken. Ten deze heeft zij slechts geantwoord dat verzoekers beweringen eerst op hun volle waarde zijn te schatten, wanneer de personen die de geheimhoudingsverplichting zouden hebben geschonden, bij name worden genoemd.
Verzoeker voegt hier zijnerzijds aan toe dat de mededeling over de afwijzing van zijn sollicitatie was gedaan, toen de juryleden het verslag van hun werkzaamheden nog niet hadden ondertekend noch de gronden voor terzijdelegging van zijn sollicitatie definitief hadden vastgesteld.
Naar ik meen, moet tussen beide onder delen van deze bewering een onderscheid worden gemaakt Enerzijds kan verzoeschending kers bewering dat hij van een met name niet genoemde collega heeft vernomen dat een deelnemer aan de juryvergadering van 17 mei 1976 ruchtbaarheid had gegeven aan de afwijzing van zijn sollicitatie, zeer aannemelijk zoniet bewezen worden geacht Wat verzoekers aanbod van getuigenbewijs ten deze betreft, refe reert de Commissie zich trouwens ook aan Uw oordeel.
Anderzijds zie ik echter geen tegenstrijdigheid daartussen dat de jury op 17 mei de gronden van haar beslissing nog niet definitief had bepaald — gesteld al dat dit zo is — en dat zij op 17 mei wel al een beginselbeslissing had genomen over Costacurta's sollicitatie. Uit het verslag van de vergadering van 25 mei blijkt immers dat de jury toen bijeen was gekomen ter „goedkeuring van het resultaat van haar beraadslagingen”, hetgeen inhoudt dat die beraadslagingen tijdens de vorige bijeenkomst hadden plaatsgevonden. Dit wordt bovendien bevestigd door verzoeker zelf: hij beklaagt zich over de onthulling van een bestuit van de jury tot verwerping van zijn sollicitatie. Is zijn protest gegrond, dan zulks omdat de jury in de eerste vergadering niet alleen over zijn geval had beraadslaagd, maar zich had uitgesproken over verwerping van zijn sollicitatie. Op 25 mei restte haar slechts, na bevestiging van het resultaat van haar beraadslagingen, haar besluit vast te leggen.
Ik meen derhalve dat, waar dit besluit voorafging aan enige onthulling, de schending van het geheim der beraadslagingen niet van invloed kan zijn op de wettigheid van het besluit zelf.
In zoverre meen ik steun te vinden in een arrest van de Franse Conseil d'État van 19 december 1973 (Ministre de l'Éducation Nationale tegen Chambe), waarop de Commissie in dupliek wijst. Bij dit arrest werd een middel, ontleend aan de schending van het geheim der beraadslagingen van de jury in een vergelijkend onderzoek, verworpen op grond dat deze schending, hoe betreurenswaardig ook, niet van invloed was geweest op de regelmatigheid van het examen en op de vaststelling der resultaten, daar zij wel was gepleegd vóór de officiële verkondiging van de uitslag doch na de correctie van het examenwerk en na de beraadslaging waarin de jury de puntenwaardering van de kandidaten had bepaald.
In de onderhavige zaak is sprake van een vergelijkbare situatie, voorzover het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie in beginsel, zo niet gemotiveerd, was genomen voordat het geheim der beraadslaging werd geschonden.
Tijdens de vergadering van 25 mei heeft de jury dit besluit enkel bevestigd. Bijgevolg kan het aangevoerde middel niet slagen.
III —
Daarentegen blijkt wel van een flagrante tegenspraak tussen de feitelijke oordelen in verzoekers beoordelingsrapporten over de tijd onmiddellijk vóór het heronderzoek van zijn aanmelding voor het vergelijkend onderzoek, en de redengeving van de jury. Verzoeker ziet in deze tegenspraak het bewijs van misbruik van bevoegdheid.
Het middel is in deze vorm ongetwijfeld onhandig voorgedragen, maar mijns inziens kan het wel worden overgezet op het terrein van de kennelijke dwaling in de beoordeling der feiten.
Als motivering voor verzoekers uitsluiting wordt namelijk aangevoerd dat zijn beroepservaring van 1956 tot 31 mei 1972 was opgedaan in eenvoudiger uitvoerende functies van technische ofwel administratieve aard, terwijl die ervaring vanaf 1 juni 1972 was opgedaan in functies van voornamelijk uitvoerende aard (corrigeren van drukproeven en drukklaar maken van manuscripten).
Volgens de redengeving van de jury zouden verzoekers functies een eenvoudiger uitvoerend karakter hebben behouden en zelfs het karakter van handarbeid of hulpdiensten hebben, hetgeen wel enige twijfel kan doen opkomen aan de gegrondheid van zijn indeling in de categorie B hoewel die was verkregen na een vergelijkend onderzoek.
Nu zegt zijn laatste beoordelingsrapport, over het tijdvak van 1 juli 1973 tot en met 30 juni 1975, dat zijn prestaties hoger zijn dan het gemiddelde, en vooral — evenals het vorige rapport over het tijdvak van 1 juli 1971 tot en met 30 juni 1973 — dat hij een ambtenaar met scheppende functies is, hetgeen volgens artikel 5 van het Statuut een kwalificatie is voor de categorie A.
Ik wil hierbij opmerken, hoewel zulks door verzoeker niet is aangevoerd, dat de jury blijkbaar geen rekening heeft kunnen houden met verzoekers laatste beoordelingsrapport over het tijdvak 1 juli 1973/30 juni 1975. Dit rapport is namelijk door de eerste beoordelaar, hoofd van de afdeling uitgeverij en overigens voorzitter van de jury, en door diens chef, de directeur Algemeen Beheer, pas op 14 juni 1976 en door verzoeker zelf pas op 18 juni 1976 ondertekend.
Terzake van de beoordeling van bewijsstukken of beroepservaring van gelijkwaardig niveau als de verlangde diploma's en een voor de functie passende ervaring kan niets in de plaats komen van de beoordelingsrapporten die juist ten doel hebben de taakstelling van elke ambtenaar nauwkeurig te omschrijven en een oordeel te geven over zijn bekwaamheid, prestaties en gedrag in de dienst.
Ten slotte heeft de jury in 1976 evenmin als in 1975, zoals advocaat-generaal Warner in zijn conclusie opmerkte (Jurispr. blz. 1579), „objectief de criteria vastgelegd voor de beoordeling van de gelijkwaardigheid van de ervaring der kandidaten ten opzichte van het verlangde opleidingsniveau” (Alvino, Jurispr. 1965, blz. 837). Naar de Commissie toegaf op een vraag van de kamerpresident ter terechtzitting, „lijkt het niet aanstonds duidelijk dat de motivering beantwoordt aan de eisen van het Hof, zoals die uit het voorgaande arrest kunnen worden afgeleid”.
De tweede motivering van de jury, die stellig iets verder gaat dan de vorige, lijkt mij evenzeer nog ontoereikend en blijk gevend van „het achterwege blijven van iedere poging tot nadere analyse” en van het „ontbreken van enig aanvullend selectiecriterium”.
Om deze reden concludeer ik tot gegrondverklaring van het onderhavige beroep en bijgevolg tot vernietiging van het besluit van de jury in het vergelijkend onderzoek COM/A 15/73, met verwijzing van de Commissie in de kosten.
( 1 ) Vertaald uit het Frans.
Full & Egal Universal Law Academy