CONCLUSIE VAN DE ADVOCAAT-GENERAAL J.-P. WARNER
VAN 3 FEBRUARI 1977 ( 1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
De onderhavige zaak is ons voorgelegd bij verwijzingsbeschikking van het Hessisches Finanzgericht, dat een aantal vragen stelt over de uitlegging van gemeenschapsverordeningen inzake de douanewaarde van goederen en met name over de uitlegging van bepalingen in die verordeningen betreffende de inaanmerkingneming van merkrechten bij de vaststelling van die douanewaarde.
De feiten zijn de volgende.
Farbwerke Hoechst AG te Frankfurt — verzoekster in het hoofdgeding — sloot op 9 september 1970 een overeenkomst met de bekende Zwitserse firma Hoffmann-La Roche (hierna te noemen HLR), waarbij zij voor de gehele wereld met uitzondering van de Verenigde Staten het alleenverkooprecht kreeg voor een door HLR ontwikkeld veterinair preparaat op basis van twee werkzame bestanddelen, sulfadoxine en trimethroprimine. De overeenkomst voorzag in twee mogelijkheden: de vervaardiging van het preparaat door verzoekster (of een van haar dochterondernemingen) zelf, in welk geval zij de beide werkzame bestanddelen van HLR diende te betrekken en een licentie zou krijgen onder octrooien van HLR, ofwel de afname van het gerede preparaat door Hoechst van HLR. In beide gevallen zouden de prijs en de overige leveringsvoorwaarden telkens nader tussen partijen worden overeengekomen. Verzoekster zou HLR echter steeds een vergoeding ad 3 % van haar netto-opbrengst uit de verkoop van het preparaat in het contractgebied betalen en het preparaat onder haar eigen merk verkopen. Bij haar publiciteit zou zij ook niet zonder uitdrukkelijke toestemming naar HLR verwijzen.
Verzoekster heeft van haar eerste contractuele mogelijkheid geen gebruik gemaakt en het gerede preparaat uitsluitend rechtstreeks van HLR betrokken.
Tussen 14 april 1971 en 12 september 1972 importeerde zij in de Bondsrepubliek tien partijen van het door HLR vervaardigde preparaat. Het geding voor het Finanzgericht heeft betrekking op deze importen. De in grootverpakking geleverde partijen werden door verzoekster herverpakt in kleinere eenheden en voorzien van haar eigen merk „Borgal”. Naar het schijnt, was dit merk oorspronkelijk in 1950 als reservemerk in de Bondsrepubliek ingeschreven op naam van ADEFO — Chemie GmbH en in 1967 voor DM 3000,- door ADEFO aan Hoechst overgedragen. Of dit merk ook elders dan in Duitsland staat ingeschreven, is ons niet medegedeeld.
Waar het nu om gaat, is of ingevolge de betrokken verordeningen de waarde van verzoeksters recht tot gebruik van haar eigen merk voor douanedoeleinden moet worden begrepen in de waarde van de ingevoerde goederen.
Bedoelde verordeningen zijn ten eerste verordening (EEG) 803/68 van de Raad van 27 juni 1968 (PB L 148 van 28. 6. 1968) en voorts verordening (EEG) 1788/69 van de Commissie van 10 september 1969 (PB L 230 van 11. 9. 1969).
Bij verordening 803/68 werd, zoals U weet, één enkele methode voor de vaststelling van de douanewaarde van goederen in alle Lid-Staten ingevoerd ten einde tot een uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief te komen. De verordening is gebaseerd op het door alle Lid-Staten ondertekende Brusselse Verdrag nopens de waarde van goederen in douanezaken. Artikel 1, lid 1, der verordening luidt:
„Voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief is de douanewaarde van in te voeren goederen de normale prijs, dat wil zeggen de prijs welke geacht wordt op het tijdstip, bedoeld in artikel 5 (dit is in het algemeen het tijdstip van invoer), voor die goederen te kunnen worden bedongen ingevolge een onder voorwaarden van vrije mededinging tot stand gekomen koop en verkoop tussen een koper en verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn.”
In artikel 1, lid 2, en de artikelen 2 tot en met 8 der verordening wordt het bepaalde in artikel 1, lid 1, en met name de daar gestelde hypothetische verkooptransactie omstandig uitgewerkt.
Zo zegt artikel 1, lid 2, waar de levering wordt geacht plaats te vinden, welke partij wordt geacht de kosten met betrekking tot de verkooptransactie en de levering te dragen, en wie wordt geacht de interne belastingen en heffingen te betalen.
Artikel 2 bepaalt dat de prijs de enige werkelijke prestatie dient te vormen, en omschrijft nader wat moet worden verstaan onder „koper en verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn”. Lid 1 van artikel 2 zegt aldus:
„Een koop en verkoop, tot stand gekomen onder voorwaarden van vrije mededinging tussen een koper en verkoper die onafhankelijk van elkaar zijn, is een koop en verkoop waarbij in het bijzonder:
a)
…
b)
de overeengekomen prijs, behalve door betrekkingen ontstaan uit de koop en verkoop zelf, niet is be-invloed door al dan niet bij overeenkomst gevestigde commerciële, financiële of andere betrekkingen tussen de verkoper of een met deze in zaken verbonden natuurlijk persoon of rechtspersoon enerzijds en de koper of een met deze in zaken verbonden natuurlijke of rechtspersoon anderzijds;
c)
aan de verkoper of aan een met deze in zaken verbonden natuurlijk of rechtspersoon geen enkel deel van de opbrengst van de latere wederverkoop of andere overdracht van de goederen of van het gebruik daarvan rechtstreeks of zijdelings ten goede zal komen.”
Lid 2 bepaalt:
„Twee personen worden geacht in zaken verbonden te zijn indien één van hen enig belang heeft bij de zaken of bezittingen van de ander, of indien beiden een gemeenschappelijk belang hebben bij zaken of bezittingen, of indien een derde persoon een belang heeft bij de zaken of bezittingen van ieder van hen, ongeacht of deze belangen rechtstreeks of zijdelings zijn.”
Artikel 3 gaat over industriële eigendomsrechten en zegt in lid 1:
„Indien de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald,
a)
…
b)
worden ingevoerd onder een fabrieks- of handelsmerk, of
c)
worden ingevoerd om onder een buitenlands fabrieks- of handelsmerk verkocht, anderszins overgedragen of gebruikt te worden,
wordt bij het bepalen van de normale prijs ervan uitgegaan dat in deze prijs is begrepen de waarde van het recht tot gebruik van het octrooi, van de tekening, van het model of van het fabrieks- of handelsmerk, voor bedoelde goederen. Deze bepaling is eveeneens van toepassing op auteursrechten en op ieder ander recht, voortvloeiend uit de intellectuele of industriële eigendom.”
Lid 2 voorziet in uitzonderingen op het bepaalde in lid 1, „indien de in dat lid genoemde rechten toebehoren aan een in een Lid-Staat gevestigde persoon”. Op basis van deze bepaling werd verordening 1788/69 vastgesteld.
De leden 3 tot en met 6 gaan over goederen „welke worden ingevoerd om na verdere be- of verwerking onder een buitenlands fabrieks- of handelsmerk verkocht, anderszins overgedragen of gebruikt te worden”. Lid 4 zegt:
„De waarde van het recht tot gebruik van een buitenlands fabrieks- of handelsmerk dient volledig te worden begrepen in de normale prijs van de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald, indien die goederen na de invoer … eenvoudige behandelingen ondergaan, zoals het aanbrengen van het merk, het splitsen, het sorteren of het verpakken.”
In lid 7 wordt het begrip „buitenlands fabrieks- of handelsmerk” als volgt omschreven:
„Een fabrieks- of handelsmerk wordt in de zin van dit artikel als een buitenlands fabrieks- of handelsmerk beschouwd, indien dat het merk is van
a)
enig persoon die de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald buiten het douanegebied van de Gemeenschap heeft 'geteeld, voortgebracht, vervaardigd of te koop aangeboden of die op andere wijze bij die goederen was betrokken, of
b)
enig persoon die in zaken is verbonden met een persoon als bedoeld onder letter a, of
c)
enig persoon wiens rechten op het merk beperkt zijn door een overeenkomst met een persoon als bedoeld onder de letters a of b.”
Zoals de Commissie heeft uiteengezet, is in artikel 3 met betrekking tot fabrieks- of handelsmerken het algemene beginsel neergelegd dat de „normale prijs” van onder een merk ingevoerde goederen (dat wil zeggen de voor die goederen te betalen prijs ingeval van een in artikel 1 der verordening bedoelde koop en verkoop) aldus moet worden vastgesteld dat de waarde van het recht tot gebruik van het merk voor die goederen wordt geacht in die prijs te zijn begrepen. Met de bepalingen inzake „buitenlandse” merken wordt beoogd ontduiking van dit beginsel tegen te gaan. Een buitenlandse fabrikant zou immers een dochteronderneming in een Lid-Staat kunnen oprichten en zijn eigen merk in die Staat kunnen laten inschrijven op naam van die onderneming, die de goederen dan zonder merk zou kunnen importeren en na import van dit merk zou kunnen voorzien. Gezien de scala van dit soort vaak ingewikkelde mogelijkheden dienden de desbetreffende bepalingen ruim te worden geformuleerd. Blijkens de ervaring was de formulering echter te ruim en vielen sommige gevallen ten onrechte hieronder. Ter correctie van deze gevallen is toen verordening 1788/69 vastgesteld.
De in casu spelende bepaling van deze verordening is artikel 2, lid 1, sub a:
„Indien het recht tot gebruik van een fabrieks- of handelsmerk dat als een buitenlands merk in de zin van artikel 3, lid 7, van verordening (EEG) 803/68, wordt beschouwd, geen aanleiding geeft tot bepaling van enige vergoeding, dient de waarde van dat recht niet in de douanewaarde te worden begrepen, wanneer één of meer van de hierna volgende voorwaarden zijn vervuld:
a)
indien dat merk van een in een Lid-Staat gevestigd alleenvertegenwoordiger is, die met de leverancier van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald op geen andere wijze in zaken verbonden is dan door de alleenvertegenwoordiging en wiens rechten op het merk niet zijn beperkt in de zin van artikel 3, lid 7, letter c, van verordening (EEG) 803/68.”
Het in het hoofdgeding verwerende Hauptzollamt Frankfurt-am-Main/West betoogde: dat HLR een persoon is die valt onder artikel 3, lid 7, sub a, van verordening 803/68, daar zij de goederen buiten het douanegebied van de Gemeenschap heeft vervaardigd en daarbij was betrokken; dat verzoekster met HLR „in zaken is verbonden” uit hoofde van hun overeenkomst en aldus beantwoordt aan genoemde bepaling sub b, welke moet worden uitgelegd volgens de omschrijving van het begrip „verbonden in zaken” in artikel 2, lid 2; dat verzoeksters merk derhalve overeenkomstig artikel 3 moet worden behandeld als „buitenlands merk” en dat ingevolge artikel 3, sub 4, de waarde van het recht tot gebruik van dit merk dus moet worden begrepen in de „normale prijs” van de ingevoerde goederen. Verweerder ontkent dat artikel 2, lid 1, sub a, van verordening 1788/69 van toepassing is, op grond dat, naar ik begrijp, tussen partijen een „verbondenheid in zaken op andere wijze dan door de alleenvertegenwoordiging” zou bestaan vanwege de fabricagelicentie die HLR onder haar octrooien aan verzoekster had verleend.
Aanvankelijk betaalde verzoekster invoerrechten over de goederen op grond van een waardebepaling waarbij noch de vergoeding van verzoekster aan HLR noch de merkwaarde in aanmerking was genomen. Vervolgens kwam bij een onderzoek van verzoeksters boeken haar overeenkomst met HLR aan het licht, waarop verweerder haar een navordering stuurde op basis van de — niet omstreden — vergoedingsfactor en de merkwaardefactor.
Verzoekster betoogde voor het Finanzgericht allereerst dat haar overeenkomst met HLR niet van dien aard was dat zij met HLR „in zaken was verbonden” in de zin van artikel 3, lid 7, sub b, en dat in laatst genoemde bepaling niet het ruime begrip „verbonden in zaken” van artikel 2, lid 2, was bedoeld. Subsidiair betoogde zij dat artikel 3 op haar niet van toepassing was krachtens het gestelde in artikel 2, lid 1, sub a, van verordening 1788/69. Ten slotte klaagde zij dat verweerder bij de waardebepaling van het merkgebruik onjuiste criteria had gehanteerd.
In deze zaak doen zich derhalve drie hoofdproblemen voor, waarvan het eerste betrekking heeft op de uidegging van de artikelen 2 (lid 2) en 3 (lid 7, sub b) van verordening 803/68. Van de .negen vragen van het Finanzgericht gaan de vier eerste over dit probleem. Deze vragen luiden:
„1.
Is artikel 2, lid 2, van verordening 803/68 van de Raad der EEG (inzake de douanewaarde van de goederen) — volgens hetwelk twee personen worden geacht in zaken verbonden te zijn wanneer, onder andere, één hunner enig belang heeft bij de zaken of bezittingen van de ander — ook van toepassing op de in artikel 3, lid 7, sub b, dier verordening bedoelde „verbondenheid in zaken”?
2.
Zo neen, volgens welke criteria wordt beoordeeld of van een verbondenheid als bedoeld in artikel 3, lid 7, sub b, der verordening sprake is?
3.
Indien vraag 1 bevestigend wordt beantwoord, ligt dan zodanige verbondenheid (als bedoeld in artikel 2, lid 2, van verordening 803/68) besloten in een overeenkomst waarbij de buitenlandse leverancier van een produkt aan de binnenlandse koper in de eerste plaats tegen betaling van vergoeding territoriaal beperkte verkooprechten verleent en hem voorts zonder verdere betaling het recht toekent het ingevoerde produkt volgens de geoctrooieerde werkwijze uit twee van de leverancier te betrekken geoctrooieerde werkzame bestanddelen ook zelf te vervaardigen?
4.
Zo ja, geldt dit ook wanneer de koper geen gebruik maakt van het recht het produkt zelf te vervaardigen?”
De aanleiding tot vraag 1 is dat artikel 2, lid 2, in de verordening zo is ondergebracht en genummerd dat de bepaling niet meer dan een aanhangsel van lid 1 lijkt. Men zou kunnen stellen dat als de bepaling van lid 2 ook was bedoeld te gelden voor andere artikelen der verordening, zij in een apart artikel zou zijn opgenomen. Was zij anderzijds wel alleen bedoeld te gelden voor de uitlegging van lid 1, dan had men daarin de clausule „in de zin van dit artikel” mogen verwachten, zoals in artikel 3, lid 7. Bovendien is het onwaarschijnlijk dat het begrip „verbonden in zaken”, zoals zonder die clausule omschreven in artikel 2, lid 2, volgens de bedoeling van de auteurs der verordening niet zou gelden voor ditzelfde begrip in artikel 3. Voor het Finanzgericht heeft verzoekster voor haar standpunt steun gezocht in het ontbreken van de woorden „wordt geacht te zijn” in artikel 3, lid 7, sub b. Dit lijkt mij niet ter zake te doen. Ook in artikel 2, lid 1, ontbreken die woorden, al geldt die definitie daar zonder enige twijfel. Ik meen dat artikel 2, lid 2, wel geldt voor de uitlegging van artikel 3, lid 7, sub b. Dit is ook de mening van de Commissie en het Comité douanewaarde (zie het commentaar van het Comité op verordening 1788/69 in de uitgave „Europese Gemeenschappen — Douanewaarde”, blz. 26). Vraag 1 wil ik dan ook bevestigend beantwoorden.
Hiermee geraakt vraag 2 zonder voorwerp. Het zou niet eenvoudig zijn geweest deze vraag te beantwoorden. Men zou daartoe de formulering van artikel 3, lid 7, sub b, in de verschillende gemeenschapstalen nauwkeurig moeten bestuderen. In de Engelse tekst bij voorbeeld is de zinsnede „associated in business” op zichzelf ruim genoeg om de verhouding tussen verzoekster en HLR te omvatten. Anderzijds dekt de Franse zinsnede „associé en affaires” wellicht niet meer dan zoiets als een deelgenootschap.
Vraag 3 zou ik eveneens bevestigend willen beantwoorden. Verzoekster schijnt ook te aanvaarden dat dit de consequentie is ingeval artikel 2, lid 2, van toepassing is. In geen der gemeenschapstalen blijkt de zinsnede „enig belang bij de zaken of bezittingen van” in artikel 2, lid 2, een technische betekenis in het recht van de Lid-Staten te hebben, al oordeelde Swinfen Eady J. in de zaak Gophir Diamond Co. t. Wood (1902, 1 Ch. 950, blz. 953) dat degene wiens beloning in enig opzicht afhangt van de winst of opbrengst van zaken, „belang” heeft bij die zaken; ook kan de term „interest in property” in Engels recht soms een technische betekenis krijgen, zoals in het trustrecht en het successierecht. Het Comité douanewaarde zegt in bovengenoemd commentaar:
„Daarbij dient het begrip „in zaken verbonden”, vermeld onder letter b van genoemd artikel 3, lid 7, te worden uitgelegd volgens artikel 2, lid 2, van verordening (EEG) 803/68. Dit begrip is zeer ruim en omvat alle situaties waarin tussen de partijen bij de transactie rechtstreeks of zijdelings handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen bestaan. Die betrekkingen kunnen in het bijzonder zijn gevestigd:
a)
door overeenkomsten waarbij een alleenrecht of een licentie is verleend of waarbij enig voorrecht is toegekend;
b)
door het bestaan, rechtstreeks of zijdelings, van gemeenschappelijke belangen in ondernemingen, daaronder begrepen gevallen waarin bijvoorbeeld aan beide partijen door een derde persoon leningen zijn verstrekt.”
Ik zie geen reden om hiervan af te wijken. De Commissie heeft mijns inziens terecht opgemerkt dat, wanneer HLR recht heeft op een vergoeding van 3 % van verzoeksters verkoopopbrengst van het preparaat, zulks volstaat om HLR een „belang” te verschaffen bij verzoeksters „zaken”.
Zo gezien, lijkt mij vervolgens vraag 4 niet ter zake dienend. Indien de overeenkomst tussen verzoekster en HLR zelfs zonder verlening van fabricagerechten aan verzoekster, voldoende is om hen „in zaken te verbinden”, dan meen ik, anders dan de Commissie, dat het er niet toe doet of verzoekster al dan niet van die rechten gebruik maakt Bijgevolg wil ik ook vraag 4 bevestigend beantwoorden.
Thans het tweede probleem: de uitlegging van artikel 2, lid 1, sub a, van verordening 1788/69. Het Finanzgericht stelt hierover drie vragen, te weten:
„5.
Zo ja (antwoord op vraag 4), dekken de termen „Alleinvertreter” en „Alleinkonzessionar” in artikel 2, lid 1, sub a, van verordening 1788/69 van de Commissie der EEG ( 2 ) dezelfde inhoud?
6.
Zo neen, is onder „Alleinkonzessionar” ook degene te verstaan die van een octrooihouder het recht verkrijgt het produkt volgens de geoctrooieerde werkwijze te vervaardigen?
7.
Indien vraag 5 bevestigend wordt beantwoord, komt dan een overeenkomst waarbij in de eerste plaats tegen betaling territoriale verkooprechten worden verleend en voorts om niet het — niet gebruikte — recht wordt toegekend het ingevoerde produkt te vervaardigen, buiten het kader van een alleenvertegenwoordigingsverhouding?”
Het lijkt mij juist deze drie vragen gezamenlijk en niet stuk voor stuk te bespreken.
Ook hier blijkt in geen der gemeenschapstalen de term „Alleinvertreter” en „Alleinkonzessionär” een technische betekenis in het recht van de Lid-Staten te hebben. Alleen afgaande op de Engelse tekst van verordening 1788/69 zou men geneigd zijn het woord „agent” in juridische zin op te vatten als degene die op naam van een ander handelt, maar bij een eerste blik op de andere taalversies blijkt dit niet juist. In het Frans bij voorbeeld is de overeenkomstige term niet „mandataire”, maar „représentant”; in het Italiaans is dit niet „agente”, maar „rappresentante”; en in het Duits wordt het begrip „sole agent” weergegeven door het ene woord „Alleinvertreter”.
In de Belgische wetgeving is wel getracht verwante begrippen als „handelsvertegenwoordiging” en „alleenverkooprecht” te omschrijven, maar niets daarvan doet hier rechtstreeks ter zake. Mij lijkt dat de Commissie dan ook terecht meent dat de term „Alleinvertreter oder Alleinkonzessionär” moet worden gezien als een verzamelbegrip in de ruime zin waarin de doorsnee koopman dit opvat.
De enige andere vraag is nu nog, of in een geval als het onderhavige „de leverancier van de goederen” die aan zijn „alleenvertegenwoordiger” het recht verleent om die goederen onder zijn octrooien te vervaardigen, daardoor met hem op „andere wijze in zaken verbonden is dan door de alleenvertegenwoordiging”.
Volgens de Commissie is dit niet het geval zolang de licentiehouder zijn recht niet uitoefent. Het standpunt van de Commissie vindt steun in een bij haar opmerkingen gevoegd advies van de Internationale Douaneraad. [De Commissie nam dit advies op in verband met vraag 4 van het Finanzgericht. Naar mijn mening heeft zij zich hier duidelijk vergist. Het advies van de Internationale Douaneraad is uitdrukkelijk gebaseerd op diens eigen aanbeveling van 6 juni 1972. Deze aanbeveling werd gedaan krachtens het Verdrag van Brussel dat in zoverre overeenstemt met verordening 1788/69. De aanbeveling volgt de bewoordingen van die verordening en is vermoedelijk vastgesteld op instigatie van de Gemeenschap. In ieder geval kan zij niet als argument worden gebruikt bij de uitlegging van verordening 803/68. De desbetreffende bepalingen van het Verdrag van Brussel — voorzover verband houdende met merken — zijn artikel III van bijlage I van het Verdrag en de noten 2 en 3 van het addendum bij dit artikel in bijlage II van het Verdrag].
Het standpunt van de Commissie is niet onaantrekkelijk: een alleen op papier bestaande rechtsbetrekking die niet wordt gerealiseerd, zou voor de toepassing van artikel 2, lid 1, sub a, van verordening 1788/69 niet terzake doen. De Commissie voert hiertoe aan dat de rechtsbetrekking in een dergelijk geval geen invloed uitoefent op de werkelijke waarde, de „normale prijs”, van de ingevoerde goederen. Hierin heeft zij natuurlijk gelijk.
Toch kan ik uiteindelijk niet met haar standpunt meegaan. Het houdt namelijk in dat, wanneer in ons geval verzoekster haar fabricagerecht onder de octrooien van HLR wel had uitgeoefend, de waarde van haar recht tot gebruik van haar merk zou gaan meetellen bij de berekening van de werkelijke waarde van de twee werkzame bestanddelen die zij dan van HLR zou hebben betrokken en geïmporteerd. In dat geval zou uiteraard wel de waarde van haar licentie onder de octrooirechten van HLR gaan spelen, omdat verzoekster zonder die licentie in feite niets met de sulfadoxine en trimethroprimine zou kunnen aanvangen. In casu gaat het echter niet om de waarde van de octrooirechten, maar om de waarde van verzoeksters gebruik van haar eigen merk. En waarom dit van meer invloed zou zijn voor de werkelijke waarde van de door verzoekster ingevoerde sulfadoxine en trimethroprimine, indien zij haar fabricagerecht zou uitoefenen, dan voor de werkelijke waarde van het gerede preparaat dat verzoekster tot dusver importeert, vermag ik niet in te zien.
Naar mijn mening deed de overeenkomst tussen verzoekster en HLR één enkele onsplitsbare betrekking tussen hen ontstaan, namelijk van — volgens de termen van artikel 2, lid 1, sub a — „leverancier” met „alleenvertegenwoordiger”. In die betrekking kreeg verzoekster de alleenvertegenwoordiging voor het preparaat over de gehele wereld behalve de Verenigde Staten. Zij kon het preparaat hetzij rechtstreeks van HLR betrekken hetzij met de octrooien en de werkzame bestanddelen van HLR zelf vervaardigen. Deze optie betreft echter alleen de wijze waarop verzoekster haar alleenvertegenwoordiging kon realiseren. Partijen worden door die optie niet op „andere wijze in zaken verbonden dan door de alleenvertegenwoordiging”.
Ik meen derhalve — zij het om andere redenen dan de Commissie — dat artikel 2, lid 1, sub a, inderdaad op verzoekster van toepassing is.
Samenvattend stel ik voor om de vragen 5, 6 en 7 tezamen te beantwoorden als volgt:
De termen „Alleinvertreter” en „Alleinkonzessionär” in artikel 2, lid 1, sub a, van verordening (EEG) 1788/69 moeten worden opgevat als verzamelbegrip, omvattende een persoon die voor een tegenprestatie alleenverkooprechten in een bepaald gebied verleend heeft gekregen benevens het recht zelf de in de alleenvertegenwoordiging begrepen goederen onder de octrooirechten van de principaal te vervaardigen, onverschillig of hij dat recht al dan niet uitoefent.
Hiermede behoeven de vragen 8 en 9, gezien hun formulering, niet meer te worden beantwoord. Zij gaan over de maatstaven voor de berekening van de waarde van het gebruik van verzoeksters merk, voorzover die waarde in de „normale prijs” van de ingevoerde goederen moet worden begrepen. Ten deze wil ik slechts opmerken dat de aan het Hof verstrekte gegevens ontoereikend zijn om deze vragen te kunnen beantwoorden. Had ik een beantwoording noodzakelijk geacht, dan zou ik eerst hebben voorgesteld krachtens artikel 21 van Uw statuut nadere inlichtingen te vragen, althans over de in elke Lid-Staat op dit punt gevolgde handelwijze.
( 1 ) Vertaald uit het Engels.
( 2 ) In de Nederlandse tekst der verordening wordt hier alleen gesproken van „alleenvertegenwoordiger”.
Full & Egal Universal Law Academy